Zondagavond

De avond valt, de wind wil niet gaan liggen en mijn zoontje wil nog niet naar huis. Het is de vijfde Zondag van Pasen. Klapperende ramen, gefluit door de kieren in de huizen. De mensen lijken van de straten te zijn weggeblazen, het is ‘mei-vakantie’, misschien zit de helft van Nederland ergens aan de Mediterrane kust. Poen zat. Hier jagen zwarte wolvenwolken onder een indigo hemel achter elkaar aan, in een Nintendo-view boven de toppen van de kastanjes rond het speelterrein. Een jonge skater oefent spins en turns en lazert aldoor op zijn smoel, totdat zijn moeder hem komt halen en wij helemaal alleen zijn op het asfaltveldje, dat twee doelhekken telt en één basket. De bal is te hard opgepompt, ik heb geen lucifer om in de ventielopening te prikken, maar dit soort dingen zal er later niet meer toe doen. Wél het neonlicht van een lantaarn, dat het speelterrein een spookachtig aanschijn geeft. Mijn zoontje vindt dat spannend, met de bal die zich steeds moeilijker laat volgen. De schemer wijkt voor het duister en de kitsch van sfeerlicht rond het café op de hoek doet je met de ogen knijpen. Dit is zo’n avond om nooit te vergeten, ik voel het, ik heb zulke avonden gekend, zonder neonlicht, zonder wind, maar met de belofte aan een herinnering. Mijn zoontje sjokt achter me aan naar huis. Ik durf te wedden dat hij voor het naar binnen gaan nog even vanaf de galerij de avond in zal staren. Doet-ie het? Ja. Hij neemt een voorschot op de weemoed die al in hem sluimert en hem bij tijd en wijle zal komen overvallen, vele jaren later, ergens achter een raam.

Haagsche Courant, maandag 29 april 2002