Voorschot

Mijn ome Willem zaliger, een aanwaaier uit het Scheveningse, liet mij nog vóór de jaar- en muntwisseling via de geest van mijn Chinese grootmoeder weten niet bijster geïnteresseerd te zijn in een douceurtje voor ex-dwangarbeiders uit de Tweede Wereldoorlog. Weliswaar werd Wimmie door de Duitse bezetter op een aak aan de Brouwersgracht gepleurd en vandaar naar Duitsland verscheept, al met al was het toch een aardig tochtje. Leuker dan onze schoolreisjes naar Drievliet: het jaarlijkse gebaar van een onderwijsteam dat met afgestreken smoelen de grootste leugens verkondigde rond het reilen en zeilen van Nederland in de Tweede Wereldoorlog.

Wimmie kwam te werken aan de draaibank bij de vervaardiging van raketten, die in Hitlers dromen Londen moesten platleggen. In ruil kreeg hij te eten en te drinken. Maar er was geen haring. Hij vluchtte, werd opgepakt en opgesloten in een dodencel in Scheveningen. De oorlog eindigde net te vroeg om hem ter fusillade de duinen in te slepen, wat hij sedertdien nog weleens heeft betreurd in tijden van tegenslag.

Thans doet hij ons uit het hiernamaals het advies toekomen alvast bij de overheid te gaan soebatten om een voorschot voor toekomstig leed. Aan gene zijde kun je het immers ontvangen noch uitgeven. Mocht het later allemaal wel meevallen, dan kan de overheid ons lekker niet meer vragen het geld terug te storten. Want de hemel spekt geen schatkist als speeltje van ministers die met conjunctureel enthousiasme op de wapenindustrie gokken, al moeten mensen er gras voor vreten.

Haagsche Courant, woensdag 16 januari 2002