Vissen in de herinnering

alfred birney Iemand gaat dood. Herinneringen komen tot leven. Het jaar 1986 liep ten einde, ik hing een beetje rond in Amsterdam, de stad waar ik me om een of andere reden nooit op mijn gemak voel, al woont de helft van mijn familie daar. In het voorjaar van 1987 zou mijn debuutroman verschijnen en mijn zus Miranda maakte in het Oosterpark een serie portretten voor op het achterplat van het boek. Zus Maureen werkte achter de bar in de Tangram, een etablissement met een anarchistisch Amsterdams sfeertje.

Peter Schat (5 juni 1935 – 3 februari 2003) kwam er dagelijks lunchen, of ontbijten, whatever. We kwamen bij elkaar aan een tafel te zitten en hij vroeg me van alles over mijn aanstaande boek. Ik vroeg hem van alles over zijn muziek. Hij legde me zijn eigen toonsysteem (de Toonklok) uit, dat ik toen kon volgen maar de dag erop weer was vergeten. Hij sprak ook met vervoering over de gamelanmuziek uit Indonesië. Hij droomde de gamelan in een symfonieorkest maar worstelde, denk ik, nog met de stemming van het Indonesische slagwerk.

Ik raakte verzeild op een oud-en-nieuwfeestje in zijn woning. In de keuken stond op het fornuis een ovenschaal met kippenboutjes te pruttelen. Ik dacht dat Peter Schat het gerecht zelf had bereid en complimenteerde hem. Hij zei dat het niet van eigen hand was, net als die provorookbommen in de jaren zestig: die waren wel in zijn kelder gefabriceerd maar niet door hem. Niet dat hij zo wilde onderstrepen dat een componist aan potlood, vlakgom en papier genoeg heeft of zoiets. Hij had het feitelijk over vrijheid. Eens, ergens in een Zwitsers of Oostenrijks hotel, had hij in de lade van zijn nachtkastje een bijbel aangetroffen en die van woede uit het raam gegooid. Die bijbel tastte immers zijn homoseksuele vrijheid aan.

Het huis van Peter Schat was vol mensen. Ik zocht rust en afzondering bij de kleine huisvijver. Het was een onooglijke hoekige bak, met wanden van badkamertegels en een douchekop als uitstromer van de filterinstallatie. Er zwommen karpers in rond. Ik at mijn kippenboutjes aan de rand van de bak en deelde mijn stokbrood met de vissen. Peter Schat zei me dat ik altijd langs kon komen als ik in de buurt was, maar het kwam er nooit van.

Laatst kwam Rudy Kousbroek in zijn serie Fotosynthese (nr. 26 – In memoriam) met een verhaal over zijn heengegane karper. Vissen zijn een diersoort waarmee je geen verbinding hebt. Maar zijn karper was aaibaar en daarom kon hij van hem houden.

Ik ben afstandelijker dan Peter Schat was en Rudy Kousbroek is. Mijn favoriete vis is de onaaibare geheimzinnige meerval, die in sommige van mijn boeken optreden. Men vraagt mij soms: ‘Wat heb jij toch met vissen?’ Dan geef ik geen antwoord. De vraag is gewoonweg te onbescheiden. Ik heb het Peter Schat toen ook niet gevraagd. Je snapt het of je snapt het niet. Okay, Rudy Kousbroek gaf antwoord. Maar ongevraagd.

Haagsche Courant, vrijdag 7 februari 2003