Tramverhaal

Iemand achterin tram 10 begint opeens te schreeuwen in slecht verstaanbaar Nederlands en jaagt dreigend een ander het gangpad door. Ik spring ertussen, grijp me vast aan een paal en maak me breed, terwijl ik de boel probeer te sussen. De schreeuwer bedaart niet, al schuilt er machteloosheid in zijn ziedende blik. Zijn opponent, een Marokkaanse puber, beloert hem over mijn schouder. Hij is niet alleen. Ik praat in op zijn metgezel, die redelijk overkomt. Ze beraadslagen in hun eigen taal, denkelijk niet de moedertaal van de schreeuwer. Waarom stopt de tram niet? Doet de chauffeur zijn werk of juist niet? De kemphanen accepteren me als scheidsrechter, misschien omdat ik niet blank ben. De tramchauffeur is dat wel en denkt wellicht: ‘ze zoeken het maar uit onderling, mijn soort is het niet.’ Wat als de schreeuwer een Hollander was geweest? Intussen stappen de Marokkanen wijselijk uit. Een halte verder stap ik uit met de schreeuwer. Hij wijst op zijn bebloede lip en zegt dat hij bokser is, dat hij die kleine jongen heus wel aankon, die hij kent uit zijn buurt en hem zonder reden heeft geslagen. Hij vraagt me mee als getuige naar de politie, maar ik zeg dat die geen tijd voor dit soort zaken heeft. Met twee conducteurs in de tram, een inheemse en een uitheemse, was hij beter af geweest. Net als die neergestoken buschauffeur een week later. Die wordt niet beschermd door een stempelautomaat. En wij passagiers niet door een afscheiding van kogelvrij glas achter de stoel van de chauffeur, waar ze nou weer zo hardleers over gaan zitten leuteren.

Haagsche Courant, maandag 14 januari 2002