Toenadering

Ik hield mijn kapper een poos voor een blonde Turk. Toen we na de aanslag op het WTC serieus met elkaar in gesprek raakten bleek hij een Syriër. Hij had me naar binnen geroepen voor een kopje koffie. Er waren even geen klanten. Ik dacht dat hij wel over vreemdelingenhaat zou gaan beginnen. Maar nee, de zachtmoedige jongeman, jaar of 27, dun ringbaardje, ovaal brilletje, meende me op grond van mijn schrijverschap als orakel voor iets anders te kunnen raadplegen.

Een jonge Nederlandse blanke vrouw komt elke week op een vast tijdstip buurten in de kapperszaak. Ze belt hem elke avond laat op en dan zegt ze dat ze aan hem denkt en niet kan slapen. Ik vraag hem of hij moslim is. Nee: christen. Toch snapt hij niet hoe het hier gaat in Nederland. In Syrië ga je eerst met een meisje wandelen, maakt kennis met elkaars familie, dan ga je verloven en ten slotte trouw je.

Ik zeg dat dat hier ook zo ging, een halve eeuw terug.

De kapper is ontsteld. Een halve eeuw is erg lang!

Ik glimlach.

‘Wil ze mij als man, schrijver?’

‘Misschien, kapper, dat weet ze nog niet.’

‘Maar, schrijver, ze zegt dat ze zich niet wil binden. Doen alle Nederlandse vrouwen zo?’

‘Hm, kapper, het verschil is misschien dat ze hier zo kunnen doen en in Syrië niet.’

‘De vrouwen hier in Nederland zijn de baas, hè schrijver?’

‘Wah, de ene vrouw wel en de andere vrouw niet. Baas over hun hart zijn ze in elk geval nooit, nergens op de wereld. Net als jij, kapper.’

Haagsche Courant, woensdag 13 maart 2002