Superieur Indisch proza van Theodor Holman

Oorlog houdt niet op wanneer ergens de vrede wordt getekend. De herinnering blijft getroffenen voor de rest van hun leven achtervolgen, dat is bekend. Minder bekend is het relaas van hun kinderen. Ouders met een oorlogsverleden kunnen een gedrag vertonen of gewoonten ontwikkelen met verregaande, vaak desastreuze gevolgen voor hun kinderen. Dat is het uitgangspunt van Theodor Holmans jongste roman Tjon.

De gelijknamige held is een jongen van 12. We volgen zijn geschiedenis tot zijn 14e jaar, maar zien hem nauwelijks groter en volwassener worden, eerder kleiner en kinderlijker. Het boek is geschreven in de van Theodor Holman bekende hilarische schrijfstijl, wat de lectuur snel, licht en soms buitengewoon amusant maakt maar toch nergens de diepe tragiek wegneemt die het gezin achtervolgt vanaf de Japanse bezetting in Nederlands-Indië tot het burgerleven in Amsterdam.

Bijzonder, als een statement bijna, is dat de ervaringen van de ouders in de Japanse kampen tijdens WO-II via hun zonen tot ons komen. De ouders hebben een heden, hun zonen een verleden. De verhalen worden, verwrongen en vol verzinsels, doorgegeven via Joost, de vier jaar oudere broer van Tjon. Joost heeft een voorsprong in kennis ten opzichte van Tjon, maar is al zo verknipt in zijn gedrag dat hij zijn broertje bijna alleen maar kan pesten met de gruwelijke verhalen die hij van zijn ouders kent. De vader zit dan al in een inrichting, terwijl de moeder vruchteloos probeert de ontwikkeling van haar telgen te sturen. Ze is een liefhebbende maar tegelijk onbereikbare moeder in de beleving van Tjon, door wiens ogen wij het hele verhaal volgen.

Het speelt in de jaren zestig ten tijde van The Beatles en The Rolling Stones. De cultuur die tussen beide Indische broers heerst – de manier van met elkaar omgaan, de onderlinge codes, manipulaties, chantages en overlevingsstrategieën – is levensecht neergezet. Theodor Holman is van huis uit journalist, columnist en scenarioschrijver en dat kun je zien aan de korte hoofdstukken en de veelheid aan dialogen. Wie het boek leest zou gemakkelijk kunnen denken: dat kan ik ook. Vergeet het. Deze schrijver heeft een buitengewone subtiele manier van vertellen, met bijna muzikale herhalingen, een uitstekende timing en veel gevoel voor drama. Hij is een vakman die precies weet wat hij doet, zoals ook zijn held Tjon precies weet wat hij doet wanneer hij in de tuin zijn eigen “Jappenkamp” bouwt en er met zijn schoolvriendjes scenario’s probeert te bedenken om wraak te kunnen nemen op “de vijand”, die zijn vader uiteindelijk ten onder heeft doen gaan.

Tjons puberteit breekt aan en Theodor Holman voert Truusje op als onbereikbare liefde, die zich in rap tempo tot een aantrekkelijke jonge vrouw ontwikkelt. Tjons eerste feestje, bij Truusje, schitterend beschreven, loopt ellendig af voor de jongen, die inmiddels psychisch werkelijk ziek begint te worden. Broer Joost zit intussen om min of meer onduidelijke redenen voor 3 maanden in de gevangenis en het is juist bij afwezigheid van zijn grootste treiterkous dat het voor Tjon werkelijk mis zal gaan. Tjons moeder heeft kennis gekregen aan een andere man, in wie Tjon, hunkerend naar zijn moeder, een vijand ziet. De jongen komt terecht bij een psychiater, ontwikkelt militaristische waanideeën en treedt regelmatig in dialoog met zijn overleden vader. Hoe ellendig alles ook is, Tjon heeft een toekomst, een ideaal, en dat is een medaille krijgen van de koningin. De oorlogsgekte is zijn kop niet meer uit te krijgen, al slaat hij die zelf nog zo hard tegen de muur. Ik ga niet vertellen hoe het verhaal afloopt. Ga het boek zelf maar lezen. Anders mis je een absoluut hoogtepunt in de literatuur van de naoorlogse Indische generatie.

Eerder gepubliceerd in: Indisch Anders, 2e jrg. – nr 01 – april 2007

Zatoichi

Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.

Het verhaal van Zatoichi is eenvoudig. Een stadje in het oude feodale Japan wordt geterroriseerd door elkaar beconcurrerende bendes. Zatoichi, een blinde zwervende masseur, strijkt er een poosje neer en neemt het op voor de onderdrukte dorpelingen. Hij is grijs, loopt krom, wordt niet gehinderd door zoiets als een gezichtsvermogen en hoort en voelt alles. De snelheid waarmee hij zijn verborgen zwaard uit zijn wandelstok trekt dankt hij aan een zeer onorthodoxe techniek.

Een tweede outsider hangt rond in het stadje: een samoerai op zoek naar werk om zijn zieke vrouw te kunnen verzorgen, wat hem sympathiek maakt. Helaas wil het lot dat deze samoerai bij de tegenpartij terechtkomt waar Zatoichi voor strijdt. De ziende samoerai is ongemeen bedreven in het zwaardvechten en trekt zijn zwaard zoals het hoort: met de handpalm over het heft heen, de duim omlaag. De blinde masseur daarentegen trekt zijn zwaard andersom uit zijn wandelstok: de handpalm onderlangs, de duim omhoog. Halverwege de film komen zij al tegenover elkaar te staan. Beiden trekken hun zwaard, maar ze staan te dichtbij elkaar om uit te halen. Het verschil in techniek is duidelijk zichtbaar, maar het is moeilijk uit te maken wie later – want dat voel je aankomen – de snelste zal zijn.

Wanneer de clans door zowel de ziende samoerai als de blinde masseur zijn uitgeschakeld en de dorpelingen zich opmaken voor hun bevrijdingsfeest, moet nog een van de hoofdrolspelers wijken. Ze hebben over elkaars snelheid gehoord en koesteren ontzag voor elkaar. Op een verlaten plek lopen ze op elkaar toe. De ziende samoerai trekt zijn korte zwaard en werpt die naar de blinde masseur, die het wapen met een buitengewone reflex afweert. Hier heeft de ziende samoerai het pleit eigenlijk al verloren. Maar hij is dapper, als een samoerai betaamt, en maakt zich gereed.

De ziende samoerai monstert de blinde masseur, grinnikt en brengt zijn hand net als zijn opponent omgekeerd naar het heft van zijn zwaard. De blinde masseur voelt het en haalt een truc uit, waarin een wijze les verborgen ligt. Hij brengt nu juist zijn hand op de klassieke manier naar het heft. Dat brengt de ziende samoerai van slag. Gaat die blinde masseur nu toch op de klassieke wijze zijn zwaard trekken? Nee, het is een afleidingsmanoeuvre. En in de laatste seconde van zijn leven leert de ziende samoerai nog net dat je altijd trouw moet blijven aan je eigen kunstenaarschap.

Haagsche Courant, vrijdag 11 maart 2005

Jaarwisseling beneden de zeespiegel

alfred birney Van de beroemde Japanse kunstenaar Hokusai (1760 – 1849) kent bijna iedereen wel de houtsnede ‘De Grote Golf’, die roeiers in hun bootjes overweldigt, terwijl in de verte de berg Fuji in eeuwigheid rust. De prent is veel gereproduceerd op affiches, maar sinds Tweede Kerstdag 2004 zal niemand meer als voorheen naar dit tafereel kunnen kijken zonder associaties met de jongste tsunami die dood en verderf heeft gezaaid in Zuid-Oost-Azië.

Ik kende het woord tsunami niet, totdat een e-mail van mijn broer me alarmeerde. Ik sms-te een vriend die in Thailand zat en hoorde heel lang niets. Een dag later liet hij weten dat zijn hotel er niet meer stond maar dat hij en zijn vrouw nog in leven waren. Ik begon te beseffen dat op dat ogenblik tienduizenden sms-jes naar de getroffen gebieden werden verstuurd met een snelheid hoger dan de tsunami zelf. Dat er, kortom, veel was veranderd sinds de tsunami in 1883, veroorzaakt door een uitbarsting van de Krakatau in de Straat van Sunda tussen Sumatra en Java. Tegen de tijd dat het nieuws de mensen in Europa bereikte, waren de doden toen al geborgen.

Nu is het reality tv geworden. Je zit naar ontluisterende beelden te kijken en het enige positieve dat je kunt bedenken is dat christenen, moslims, hindoes en boeddhisten eensgezind de ramp dragen en dat Indonesische militairen de Atjehers bijstaan in plaats van ze te bevechten. De rest van de wereld leeft mee, dat is iets.

Maar dan. Zodra de van ontzetting geopende monden weer gaan bewegen, begint de mens een van zijn idiootste trekjes te etaleren: leuteren rond de schuldvraag. ‘Als ze niet die mangrovebossen voor de Thaise kust hadden weggekapt, dan zouden die de tsunami hebben tegengehouden.’ Wie weet, maar wij rijke westerlingen willen nu en dan wat ‘zon pakken’ in het Verre Oosten, het liefst in hotels op een steenworp afstand van het strand. En de lokale bevolking, die graag te eten wil hebben, biedt ons die mogelijkheid. Zoals wij hier de Alpen kaal kappen omdat we er zo graag een weekje per jaar willen skiën.

Vervolgens: de Verenigde Naties die Amerika gierigheid verwijten. Amerika die zijn boekhouding toont, waarop een wedrace begint tussen landen die elkaar de loef af lijken te willen steken met recorddonaties. Maar goed, het doel heiligt de middelen. Ten slotte moeten autoriteiten in getroffen toeristische gebieden zich ook nog eens verdedigen tegen aantijgingen waarom zij niet met een waarschuwing naar de stranden zijn gekomen. Inmiddels nuttigen wij hier te lande oliebollen, appelflappen, boerenjongens en champagne en vergeten uiteraard het Pentagon-rapport, dat voorziet dat Nederland in 2007 onder water zal lopen. We zijn maar mensen, toch? En moeder aarde is moeder aarde. Over God zullen we maar even zwijgen, daarover hebben we het afgelopen jaar wel genoeg te horen gekregen.

Haagsche Courant, vrijdag 31 december 2004

We kunnen het maar niet geloven

alfred birney Volgens mij zullen mensen met moslimuiterlijk en zonder jihadneigingen zich deze dagen ongeveer voelen zoals ik me voelde tijdens de Molukse treinkapingen in de jaren zeventig. De eerste treinkaping joeg me naar de spiegel, zodat ik vast kon stellen dat ik inderdaad wel wat weg had van een Molukker. Ik was als Indische jongen van kinds af aan al uitgescholden, dus daar viel nog wel weer mee te leven. Maar tijdens de tweede treinkaping, in 1977, werd het menens. Indische vrienden van me werden het ziekenhuis in geslagen en ik durfde in het weekend de straat niet meer op.

Ik bewoonde een kamer in een huisjesmelkerpand aan de Bazarstraat. Ik zat lekker tussen de Hollanders en die deden boodschappen voor me. Ik had een kantoorbaantje en tijdens de lunchpauze op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen in een wijde boog om me heen. Niet bijster prettig. Je besprak de toestand met wildvreemde Indische generatiegenoten op straat en we konden die Molukkers wel vervloeken. Totdat de regering een troep mariniers naar de gekaapte trein stuurde en er zes Molukkers overhoop werden geschoten. Dat geschiedde onder druk van de toenmalige minister van justitie Van Agt, hij die nota bene nu met een bord voor zijn kop vice-premier Zalm ‘oorlogstaal’ verwijt. Voorlopig zijn er onder Zalm en Balkenende nog geen doden gevallen. Dat kon Van Agt toch moeilijk zeggen.

Indertijd had ik het twijfelachtige genoegen in mijn eentje in een lege coupe in een verder stampvolle trein te mogen zitten. Maar op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen niet meer in een boog om me heen. Ze bekeken me eerder alsof ze net een voetbalwedstrijd tegen ‘mijn club’ hadden gewonnen. Mijn zusje zat in die dagen in de trein op haar gemak een sjekkie te draaien. Toen ze onnadenkend een aansteker in de vorm van een speelgoedpistooltje tevoorschijn haalde, sprong een oudere vrouw tegenover haar in paniek overeind en riep uit: ‘Help! Help! Een treinkaper!’

Dat Molukkers christenen waren, deed er niet toe. Dat de beoogde vijand van nu moslim is, doet er wel toe, en niet zo’n beetje ook. Amerika en zijn bondgenoten voeren een oorlog in Irak die door vele moslims over de hele wereld als provocatief neokoloniaal gedrag wordt ervaren. Futuristen voorspelden in de jaren zeventig al dat later – nu dus – over de hele wereld kleinere brandhaarden zouden gaan woeden. Er is geen enkele reden voor Nederland te denken dat die sfeer van wederzijdse onverdraagzaamheid aan ons voorbij zal gaan. Onze minister-president wentelt zich met de buitenlandse pers in onnozelheid door over een ‘on-Nederlandse situatie’ te spreken. ‘Nederlands’ is een versleten imago dat zich al lang niet meer als tolerant laat onderstrepen. Het is als met ons superieure Nederlandse voetbalsysteem van decennia her. We verliezen meer dan we winnen en kunnen het maar niet geloven.

Haagsche Courant, vrijdag 12 november 2004

Lulverhaal

alfred birney Het is nog geen mode, maar dat kan het natuurlijk worden: de penis van je man afsnijden. Moet gepaard gaan met een dubieus voorspel, want een weekdier laat zich niet zomaar hakken, lijkt mij.

Voor wie het nog niet weet: onlangs heeft een Duitse vrouw de penis van haar ex-man afgesneden. Plaats van handeling: Kassel. Afloop van dit lulverhaal: de man, een Ghanees, rent de vrouw achterna en steekt haar overhoop op straat. De vrouw overlijdt een uur later in het ziekenhuis. Geen bijster plezierig bericht dus.

Dan was dat akkefietje in Amerika in 1993 toch amusanter. Een vrouw snijdt de piemel van haar man af en smijt het geval uit het autoraam. Ambulancepersoneel gaat op zoek naar het gereedschap en in het ziekenhuis wordt dat ding er gewoon weer aangenaaid, om zo te zeggen, want die vrouw zal zich toch ongetwijfeld genaaid hebben gevoeld door die plastische chirurgen, die als het moet een olifantenslurf op de kont van uw buurman planten (onze Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten wil experimenten in die richting gaan doen, maar dit even terzijde). Het slachtoffer, een luldebehanger van de eerste orde (ramt stelselmatig vrouwen in elkaar), maakte van de lulligste dag uit zijn leven een hype: hij liet T-shirts printen met zijn piemel erop, maakte een grand tour langs allerlei televisiestations, accepteerde een rol in een pornofilm om te bewijzen dat zijn dingeling nog operationeel was en zette zo zijn vrouw en haar seksegenoten voor paal. Later zou hij zijn nieuwe vriendin gaan mishandelen en in de gevangenis terechtgekomen, maar wel met zijn jongeheer.

Sommige kranten zaaien in het jongste bericht verwarring met koppen als: ‘Man doodt vrouw na castratie’. Er leeft een enorm misverstand onder mensen, die denken dat het afsnijden van een penis gelijkstaat aan castratie. Waarschijnlijk een erfenis van die frustraat Sigmund Freud uit Wenen, die aan castratie de betekenis van het verwijderen van de penis gaf om zo zijn inmiddels ingeburgerde absurde theorie van penisnijd aan vrouwen toe te kunnen schrijven. Werkelijke castratie is echter het verwijderen van de testikels. Het vond al plaats in religies ouder dan het christendom. Via allerlei omwegen vonden castraten, eunuchen genoemd, de weg naar de christelijke kerk, waar men graag jongetjes met engelenstemmetjes in het koor wilde horen zingen en de ballen maar in de kerstboom hing.

Vier jaar terug beet in Chicago een vrouw de testikels af van een man die haar belaagde en deponeerde ze persoonlijk op het politiebureau. Geen chirurg die later nog met de ballen raad wist. Dat dit verhaal minder bekend is komt misschien door wat de mensen graag willen lezen. Een lulverhaal gaat er lekkerder in.

Haagsche Courant, vrijdag 11 juni 2004

Qutdiktee

alfred birney Als ik ergens een hekel aan heb, dan is het wel aan dictees. Dictees hebben een hoog normgehalte en een laag waardegehalte. Een dictee is een test in na-aperij, anders niet. Met schrijven heeft het weinig te maken. Daarom zie je schrijvers nooit nummer 1 worden bij een dicteewedstrijd. Spellen is niet creatief. Het leert je niet je beter uit te drukken. Zelfs niet beter te luisteren. En dan veranderen ze in Nederland ook nog om de haverklap de spelling, en die blijft hopeloos. Volkomen nutteloze bezigheid. Spellen. Je hebt er gevoel voor of niet. No matter what de regels, als jij tollol in spellen, nou sudah al, maar geef niet, al die soesah, niet noodigh as perhaal maar mooi. Hm! Neem een zin uit een roman van Edgar Caïro: ‘Hij keek weer fo zich uit, na’ die stoel vlak voor ‘em.’ Of uit een verhaal van Tjalie Robinson over een autoliefhebber: ‘Hep je hesien de merk fan mijn caar?’ Nou, laat dit de kids uit groep 8 spellen en ze komen met prachtige varianten! Enorme stimulans je eyge perosa te gaan schreivah! Spélen met spelling, multiculti schrijven, da’s pas vet! Helaas kregen onlangs 900 slaafjes uit groep 8 het Vijfde Haags Multicultureel Dictee door de strot gedauwd. Een 8telijk verhaaltje over een ooievaar die zijn wijf en kroost laat zitten en op het Thomsonplein tot inkeer komt bij de klanken van rapmuziek. Aldus voorgelezen door rapper MohCain. Maar nie eens fuck en shit in het dictee! Treurig, niet? Mahal? Shoarma? Neks van dat! Terwijl het toch gaat om een ooievaar die zijn vrouw Fatima of all names heeft ontmoet tijdens een overwintering in Marokko. Hoe is die ooievaar daar eigenlijk terechtgekomen? Ooievaars maken veel gebruik van thermiek bij het vliegen. Boven de Middellandse Zee is geen thermiek en vaak vliegen ze om de zee heen naar het gebied van de Niger. De Straat van Gibraltar wordt weleens door vermetele troepen overgestoken, dus het kan zijn dat men soms ooievaars ziet vliegen boven Marokko. Maar neerstrijken doen die vogels daar niet. Hier stijgt de norm van de spelling wel heel ver boven de waerde van het verhaal uit. De kids uit groep 8 vonden desgevraagd ‘ooievaar’ over het algemeen een ‘moeilijk woord’. Nou, volgens mij vonden ze het gewoon een qutwoord. Kleine kinderen gaan hier al vroeg in voorop door ooievaar consequent olivaar te noemen. Gespeld: oliefar. Want één a schrijft een klein kind niet met twee a’s. Een a is een a, wah? Wat is er trouwens zo multicultureel aan een olievaer? Dat ie in Nederland broedt en in Afrika gaat liggen zonnebaden? Doen toeristen ook! Is een vogel die in zijn land van herkomst zijn bruid gaat halen niet nogal monocultureel gericht? Dat multicultureel dictee over die oliefaar is gewoon een inburgeringsdictee, geen gelul nou hey! Daar horen woorden in als ‘toelatingsbeleid’, ‘aanmeldprocedure’, ‘verblijfsstatus’ en zo meer. Maar dat vonden de stellers zeker te makkelijk voor onze immigrantenkinderen.

Haagsche Courant, vrijdag 16 april 2004

Knokken voor een huwelijk

alfred birney The Straits Times Interactive meldt het verhaal van een twintigjarige Chinese dame die eens wat anders wilde dan een contactadvertentie, blind date of optreden in een datingprogramma op televisie. Voor haar een vechtsporttoernooi, waar de man die haar wil huwen haar eerst maar eens moest zien te verslaan. Fang Xiaojing doet sinds haar dertiende jaar aan gewichtheffen en vechtsport. Ze was kampioen gewichtheffen bij de amateurs in 1999. Verleden jaar december werd ze kampioen taekwondo in Wuhan (Hubei). Intussen geeft ze les op een boksschool. Kortom een aantrekkelijke partner voor een man die geen doetje op de sofa wil, maar een vrouw die eigenhandig je varken slacht, je kip plukt, je vrienden eruit flikkert als ze vervelend worden en jou ook nog scherp houdt, huh.

Verleden week zaterdag was de dag, ergens in Huangshi (Hubei). De 21-jarige He Qichun meldde zich, een onbekende vechter die in zijn vrije tijd wat handelt dan wel een handelaar die in zijn vrije tijd wat knokt. Hij kreeg eerst twee rivalen tegenover zich, want je komt natuurlijk niet zomaar voor de koningin te staan. Hij versloeg ze één voor één. Toen mocht hij gaan sparren tegen de vrouw in no nonsence wielerbroek en blauw shirt. Hijzelf droeg een rode kickboksbroek met witte biezen. Beiden droegen bokshandschoenen overigens. Op een foto zie je hem doorkomen met een hoge trap die zij maar half weet te weren. De wedstrijd duurde 13 minuten. He Qichun versloeg de sterke vrouw tweemaal en werd tot winnaar uitgeroepen. Waarop het tweetal rozen ruilde temidden van een uitzinnig publiek.

Maar ja. Juffrouw Fang zei tegen de pers dat eh… mwah, ze dacht niet dat haar opponent direct een liefdeskandidaat was. Nou ja, nóg niet dan. Maar wanneer dan wel? Moet ie haar nou ook nog eens verslaan aan de afwasteil of zo? He Qichun leek bang om alsnog een stoot voor zijn kop te krijgen. Als een verstandige jongen verklaarde hij namelijk dat hij juffrouw Fang eerst wat beter wilde leren kennen. En dat als het eenmaal klikt, dat hij haar dan echt zou huwen. De arena dus als voorportaal. Een gevecht als bewijs van inschrijving. Dat is toch gewoon nep joh. Bedrog! Een gimmick! Helemaal niks vind ik dat. Knokken en meteen trouwen, dát hadden ze moeten doen. En public, in real time. Wie speelt moet blijven spelen.

Tja, het gaat om het innerlijk en de uitstraling, hè? De chemie noemt men dat tegenwoordig. Wáár vind je elkaar? Niet in de ring dus. In bed? Hm, later. Waar dán? Waar begint het? Wat een vraag hè? Kun je je hele leven mee toe. De ringen rond de diepe kern zijn een maskerade. Wie het leven als een spel beschouwt, komt niet ver, zegt de I Ching. Maar wat voor wie het spel speelt zonder het te weten? Ligt de sleutel misschien in argeloosheid? Zo ja, betekent dit dan dat de mens maar beter niet kan proberen te bepalen waar en hoe je elkaar vindt?

Haagsche Courant, vrijdag 5 september 2003

Camera’s (1)

alfred birney George Orwells verdaagde visoen op de voorpagina van de Haagsche Courant afgelopen dinsdag: een muur van beeldschermen bij Politie Haaglanden. Multiple straatbeeld van Den Haag, door 270 camera’s verzonden, en wij mogen tegen de achterhoofden van de beroepsvoyeurs aankijken. (Ga ik zo even wat aan doen.) Is het leven te beveiligen? Ik dacht het niet. Terwijl jij op het CS in de loop van een pistool kijkt, is voyeur numero 1 net even naar de wc en zit voyeur numero 2 met zijn vriendinnetje te sms-en. Voyeur numero 3 roept uit: ‘Hé, daar wordt er eentje voor zijn kop geschoten! Net echt!’ Tegen de tijd dat hun kornuiten op hun mountainbikes ter plekke zijn valt de camera toevallig uit, want laatkomers schaden het imago van de politie. Men bewaart de videobeelden ‘in elk geval een week’. Kan het vager? De moord op u, slachtoffer ener zot, kan je familie straks op een cd-tje krijgen tegen een nog vast te stellen vergoeding. Zo verdient de politie zichzelf terug, mits ze het eigentijds aanpakken natuurlijk. Ik bedoel: wie lult er nou nog over recht op privacy, geen hond toch? Dat woord is verbazingwekkend afwezig in het artikel dat de foto vergezelt (let op: de foto vergezelt dus niet het artikel). Past niet bij de sappige terzijde over de mooie blondine die de eerste dagen door de agenten werd begluurd. Onze beroepsvoyeurs bleken zich gelukkig snel te vervelen en zijn spoedig weer ‘aan het werk’ gegaan. Wát nou werk? Beetje zitten gluren. Noemen ze werk! Klagen wat over notoir gespuis, maar oppakken en eh… eh… ophangen… ho maar! Ja hoor eens hier, ik verkondig ook maar even de mening van boeren, burgers en buitenlui, want die willen wel weer terug naar de galg, de schandpaal, het kielhalen en wat er allemaal niet meer voor onzaligs de revue passeerde de voorbije eeuwen. Reality TV! Seks, jaloezie, moord, roof en welzijn! Veelbelovend, die 270 camera’s om incidenten te voorkomen, misdrijven te signaleren en opsporing te vereenvoudigen. Draaiboek overbodig. Nou, je zal vandaag per ongeluk die moordenaar van morgen toch een vuurtje geven. Dan ben je mooi verdacht, niet dan? Trouwens: één moord in de hoerenbuurt en die camera’s hangen daar ook. Zin in koffiedik? Ja? Nou, een politieagent die een oogje op u heeft belt op zekere dag bij u aan en vertelt u dat hij het bewijs in een cd-tje bij zich draagt dat uw man regelmatig de Geleenstraat frequenteert. U laat zich troosten en beleeft een wilde middag met de agent. Maar die man van u is ook niet gek met die verstopte webcam in de boekenkast tegenover de sofa. Verslagen laat hij zijn hoofd achter zijn beeldscherm zakken, maar wordt opgebeurd met een lekkere beurt van zijn secretaresse. Een collega van de agent in de voyeurcentrale zoemt in en denkt: wow, wat een lekker wijf! En ziet niet hoe op een ander beeldscherm een oude vrouw aan het Spui wordt beroofd. Privacy is arbitrair, weet u.

Haagsche Courant, vrijdag 1 augustus 2003

Wow!

alfred birney 1. Je gaat een voortreffelijk Indonesisch restaurant aan de Groot Hertoginnelaan binnen, maar je kunt de spijskaart moeilijk lezen omdat je ogen achteruit gaan. Je vraagt de jonge tafelbediende of hij een leesbril voor je heeft. Hij komt terug met een brillenkistje van bewerkt djatihout, waaruit je de best passende leesbril mag kiezen 2. De Chinese waarden en normen volgens Confucius. 3. De teksten van Lao Tze, de anti-Confucius. 4. Iemand van de jiu jitsu-school met wie je na afloop weleens wat gaat drinken vertelt je opeens dat ze jaren terug eens een boek van je las. Ze herinnert zich nog de sfeer: kunstlicht, donkere straten en zo meer. 5. Parkieten in gestrekte vlucht naast de sneltrein. 6. Nguyên Lê met een nieuwe cd. 7. Iemand die ook naar Nguyên Lê luistert. 8. De bewegingen van sensei Steve van Nieuwenhuizen als hij een jiu jitsu-techniek voordoet in de snelheid waarop het eigenlijk moet. 9. Erwtensoep op de Noordpool. 10. Een Surinaamse jonge vrouw wordt belaagd door drie jongens bij de geldautomaat en slaat ze vakkundig het ziekenhuis in. 10. Boerenkool met worst en spek op de Zuidpool. 11. Je hoort na jaren dat ene liedje weer op de radio, terwijl de zon schijnt. 12. Een nieuwe spijkerbroek met precies geknipte pijpen. 13. Tim Hardin met ‘Shiloh Town’. 14. Een vulpen die je je pc onmiddellijk doet vergeten. 15. Een vrouw met een staartje en een wapperende jurk op een omafiets. 16. Een auto die voor de zebra stopt. 17. Slagroom met aardbeien (niet andersom). 18. Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon.

Haagsche Courant, vrijdag 1 november 2002

Helderziendheid

alfred birney Helderziendheid vertroebelt het verstand, beide fenomenen bijten elkaar, dus waarom niet even de ring betreden? Feit is dat in de nacht voor de Bijlmerramp tien jaar geleden een vrouw het ongeluk zich voor haar geestesoog zag voltrekken. De volgende dag belde zij Schiphol om het te melden. Complicerend voor Schiphol was dat het volgens haar om een blauwwit vliegtuig ging. De hele KLM-vloot ziet blauwwit, toch is de melding van de helderziende naar de maatschappij El Al doorgestuurd. Nu komt het. De vrouw meldde de oorspronkelijke vertrektijd. Haar helderziendheid miste de vertraging die de vlucht zou oplopen. Hier krijgt het denken een kans helderziendheid in twijfel te trekken. Want waarom krijgt een helderziende het tijdstip van de oorspronkelijke vlucht door en niet dat van de vertraging? Is het misschien zo, dat ongelukken die helderzienden voorspellen nu eenmaal moeten gebeuren? Daarmee zou in feite elke melding van een helderziende zinloos worden. Op Schiphol (en bij alle politie overigens) denkt men daar anders over. Dezelfde helderziende vrouw heeft immers later in april 1994 het ongeluk met de Cityhopper voorspeld. Sindsdien heeft Schiphol tot drie keer toe een toestel aan de grond gehouden na een melding van deze vrouw. Is zo’n vrouw nou in staat om de loop der dingen te beïnvloeden of niet? Je weet het niet. Maar als zij zegt dat mijn vliegtuig van zaterdag over twee weken zal verongelukken, stap ik mooi niet in. Verstand is niet het enige waar wij mensen op moeten vertrouwen, net als zoiets als geld.

Haagsche Courant, vrijdag 4 oktober 2002