Confucius ontmanteld

Confucius China is hot. En dus kan Confucius de boekenkist uit en in de etalage worden gezet. Maar China is niet meer als voorheen. Complete steden verdwijnen onder wolkenkrabbers en het colbert heeft het Chinese jasje verdrongen. Tijd natuurlijk voor een gloednieuwe biografie over Confucius. Is dat mogelijk met fors uitgedund bronnenmateriaal? Annping Chin mikt zonder blikken of blozen tien werken uit de Dertien Klassieken de waterput in voor ze zich van haar taak kwijt. Ze wenst zich vrijwel uitsluitend te baseren op de Gesprekken van Confucius en de Commentaren van Zuo. “Als dat betekende dat mijn verhaal grote leemten zou vertonen, had ik dat maar te accepteren,” schrijft ze ter verantwoording. Waarmee ze die acceptatie uiteraard ook van de lezer vraagt. Ze neemt de Gesprekken, een soort bloemlezing van verschillende auteurs, omdat Confucius dan niet kan worden vastgepind op “een rol als promotor van zijn leer”. De Commentaren van Zuo zijn ooit door de overheid samengesteld en kunnen dus dienen voor alles wat van politiek belang was tijdens het leven van Confucius. Het beroemde Boek der Veranderingen, de I Tjing, waarin de Commentaren aan Confucius en zijn leerlingen worden toegeschreven, krijgt niet eens een vermelding! Nou, dan moet je wel met iets wereldschokkends komen. Het wordt al snel duidelijk dat Annping Chin, geboren in Taiwan en wonend en docerend in Amerika, weinig op heeft met de allereerste geschiedschrijver van China, genaamd Sima Qian. Die man schreef immers meer dan honderd biografieën over allerlei figuren en gebruikte zijn fantasie zodra zich leemten vertoonden, zoals in het leven van Confucius. Annping Chin stelt daartegenover een gortdroog verslag van een Chinese wijze die aldoor moeite moet doen om een aanstelling te krijgen bij hertogen, vorsten, kanseliers, koningen en omhooggevallen kooplieden die een ambtelijke functie zijn gaan bekleden. Haar boek heeft als subtitel: Een leven tussen filosofie en politiek. De biografe zet haar held eerst hoofdstukken lang neer als een raadsheer voor allerlei politici en machthebbers die elkaar voortdurend bevechten. Wanneer Confucius in een mistige periode van zijn leven veertien jaar een zwervend bestaan leidt, tovert de schrijfster verscheidene geschiedschrijvers uit de hoge hoed, zolang ze maar geen Sima Qian heten. Alleen feiten die haar demythologisering van Confucius ondersteunen, glippen door haar wetenschappelijk filter. Die zijn zo oninteressant dat Confucius zelfs de liefhebber begint te vervelen. Waarom moet de filosoof zo nodig van zijn voetstuk? Wat was zijn werkelijke betekenis voor China? De schrijfster zwijgt, het gaat over háár relatie met Confucius, ze sluit de lezer buiten. Je bent blij wanneer ze aan het einde van haar boek Mencius aanhaalt, de grote navolger van Confucius. Mencius schreef namelijk erg goed. Dat moet Annping Chin nu ook maar eens gaan leren. Dit is immers al haar vijfde boekpublicatie.

Auteur: Annping Chin
Titel: Confucius. Een leven tussen filosofie en politiek.
Paperback, aantal pagina’s 287 (met noten)
Uitgever: Athenaeum – Polak & Van Gennep
Prijs: € 22,50

© 2008 Alfred Birney. Deze bespreking verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 17 januari 2009 onder de titel Biografie met grote leemtes. Alleen de eerste 50 woorden van deze recensie mogen worden overgenomen, gevolgd door een link naar deze pagina. Wie deze regel negeert, ontvangt een rekening.

Superieur Indisch proza van Theodor Holman

Oorlog houdt niet op wanneer ergens de vrede wordt getekend. De herinnering blijft getroffenen voor de rest van hun leven achtervolgen, dat is bekend. Minder bekend is het relaas van hun kinderen. Ouders met een oorlogsverleden kunnen een gedrag vertonen of gewoonten ontwikkelen met verregaande, vaak desastreuze gevolgen voor hun kinderen. Dat is het uitgangspunt van Theodor Holmans jongste roman Tjon.

De gelijknamige held is een jongen van 12. We volgen zijn geschiedenis tot zijn 14e jaar, maar zien hem nauwelijks groter en volwassener worden, eerder kleiner en kinderlijker. Het boek is geschreven in de van Theodor Holman bekende hilarische schrijfstijl, wat de lectuur snel, licht en soms buitengewoon amusant maakt maar toch nergens de diepe tragiek wegneemt die het gezin achtervolgt vanaf de Japanse bezetting in Nederlands-Indië tot het burgerleven in Amsterdam.

Bijzonder, als een statement bijna, is dat de ervaringen van de ouders in de Japanse kampen tijdens WO-II via hun zonen tot ons komen. De ouders hebben een heden, hun zonen een verleden. De verhalen worden, verwrongen en vol verzinsels, doorgegeven via Joost, de vier jaar oudere broer van Tjon. Joost heeft een voorsprong in kennis ten opzichte van Tjon, maar is al zo verknipt in zijn gedrag dat hij zijn broertje bijna alleen maar kan pesten met de gruwelijke verhalen die hij van zijn ouders kent. De vader zit dan al in een inrichting, terwijl de moeder vruchteloos probeert de ontwikkeling van haar telgen te sturen. Ze is een liefhebbende maar tegelijk onbereikbare moeder in de beleving van Tjon, door wiens ogen wij het hele verhaal volgen.

Het speelt in de jaren zestig ten tijde van The Beatles en The Rolling Stones. De cultuur die tussen beide Indische broers heerst – de manier van met elkaar omgaan, de onderlinge codes, manipulaties, chantages en overlevingsstrategieën – is levensecht neergezet. Theodor Holman is van huis uit journalist, columnist en scenarioschrijver en dat kun je zien aan de korte hoofdstukken en de veelheid aan dialogen. Wie het boek leest zou gemakkelijk kunnen denken: dat kan ik ook. Vergeet het. Deze schrijver heeft een buitengewone subtiele manier van vertellen, met bijna muzikale herhalingen, een uitstekende timing en veel gevoel voor drama. Hij is een vakman die precies weet wat hij doet, zoals ook zijn held Tjon precies weet wat hij doet wanneer hij in de tuin zijn eigen “Jappenkamp” bouwt en er met zijn schoolvriendjes scenario’s probeert te bedenken om wraak te kunnen nemen op “de vijand”, die zijn vader uiteindelijk ten onder heeft doen gaan.

Tjons puberteit breekt aan en Theodor Holman voert Truusje op als onbereikbare liefde, die zich in rap tempo tot een aantrekkelijke jonge vrouw ontwikkelt. Tjons eerste feestje, bij Truusje, schitterend beschreven, loopt ellendig af voor de jongen, die inmiddels psychisch werkelijk ziek begint te worden. Broer Joost zit intussen om min of meer onduidelijke redenen voor 3 maanden in de gevangenis en het is juist bij afwezigheid van zijn grootste treiterkous dat het voor Tjon werkelijk mis zal gaan. Tjons moeder heeft kennis gekregen aan een andere man, in wie Tjon, hunkerend naar zijn moeder, een vijand ziet. De jongen komt terecht bij een psychiater, ontwikkelt militaristische waanideeën en treedt regelmatig in dialoog met zijn overleden vader. Hoe ellendig alles ook is, Tjon heeft een toekomst, een ideaal, en dat is een medaille krijgen van de koningin. De oorlogsgekte is zijn kop niet meer uit te krijgen, al slaat hij die zelf nog zo hard tegen de muur. Ik ga niet vertellen hoe het verhaal afloopt. Ga het boek zelf maar lezen. Anders mis je een absoluut hoogtepunt in de literatuur van de naoorlogse Indische generatie.

Eerder gepubliceerd in: Indisch Anders, 2e jrg. – nr 01 – april 2007

Zatoichi

Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.

Het verhaal van Zatoichi is eenvoudig. Een stadje in het oude feodale Japan wordt geterroriseerd door elkaar beconcurrerende bendes. Zatoichi, een blinde zwervende masseur, strijkt er een poosje neer en neemt het op voor de onderdrukte dorpelingen. Hij is grijs, loopt krom, wordt niet gehinderd door zoiets als een gezichtsvermogen en hoort en voelt alles. De snelheid waarmee hij zijn verborgen zwaard uit zijn wandelstok trekt dankt hij aan een zeer onorthodoxe techniek.

Een tweede outsider hangt rond in het stadje: een samoerai op zoek naar werk om zijn zieke vrouw te kunnen verzorgen, wat hem sympathiek maakt. Helaas wil het lot dat deze samoerai bij de tegenpartij terechtkomt waar Zatoichi voor strijdt. De ziende samoerai is ongemeen bedreven in het zwaardvechten en trekt zijn zwaard zoals het hoort: met de handpalm over het heft heen, de duim omlaag. De blinde masseur daarentegen trekt zijn zwaard andersom uit zijn wandelstok: de handpalm onderlangs, de duim omhoog. Halverwege de film komen zij al tegenover elkaar te staan. Beiden trekken hun zwaard, maar ze staan te dichtbij elkaar om uit te halen. Het verschil in techniek is duidelijk zichtbaar, maar het is moeilijk uit te maken wie later – want dat voel je aankomen – de snelste zal zijn.

Wanneer de clans door zowel de ziende samoerai als de blinde masseur zijn uitgeschakeld en de dorpelingen zich opmaken voor hun bevrijdingsfeest, moet nog een van de hoofdrolspelers wijken. Ze hebben over elkaars snelheid gehoord en koesteren ontzag voor elkaar. Op een verlaten plek lopen ze op elkaar toe. De ziende samoerai trekt zijn korte zwaard en werpt die naar de blinde masseur, die het wapen met een buitengewone reflex afweert. Hier heeft de ziende samoerai het pleit eigenlijk al verloren. Maar hij is dapper, als een samoerai betaamt, en maakt zich gereed.

De ziende samoerai monstert de blinde masseur, grinnikt en brengt zijn hand net als zijn opponent omgekeerd naar het heft van zijn zwaard. De blinde masseur voelt het en haalt een truc uit, waarin een wijze les verborgen ligt. Hij brengt nu juist zijn hand op de klassieke manier naar het heft. Dat brengt de ziende samoerai van slag. Gaat die blinde masseur nu toch op de klassieke wijze zijn zwaard trekken? Nee, het is een afleidingsmanoeuvre. En in de laatste seconde van zijn leven leert de ziende samoerai nog net dat je altijd trouw moet blijven aan je eigen kunstenaarschap.

Haagsche Courant, vrijdag 11 maart 2005

Amerika blijft maar ontdekt worden

alfred birney Blijft een thema hoor, de ontdekking van Amerika. Historici en overige babbelkousen raken er maar niet over uitgepraat. De beroemdste ontdekker van Amerika is natuurlijk Columbus, maar er wordt ook gefluisterd over koning Abukari II van Mali, de Vikingen en de Chinese eunuch en admiraal Zheng He. De vraag: wie ontdekte Amerika? Antwoord: de oorspronkelijke bewoners. Maar die tellen niet mee. Schande, niet? Columbus noemde hen Indianen omdat hij dacht in Indië te zijn aangekomen. Amerigo Vespucci ontdekte de vergissing en kaartenmakers besloten het werelddeel tussen Europa en Azië dan maar Amerigo te noemen.

Even het rijtje af. Duizend jaar geleden waaierden de Vikingen uit op hun snelle schepen. Varen konden ze goed, navigeren wat minder en zo zou Leif Eriksson per ongeluk in Noord-Amerika terecht zijn gekomen. Hij noemde het land Vinland en er zouden veel druiven groeien. Maar toen in 1960 archeologen op New Foundland resten van Vikingdorpen vonden, zagen ze geen druiven hangen. Vaag verhaal dus.

Dan koning Abukari II van Mali: een machtig rijk in de middeleeuwen, maar te saai voor Abukari. In 1311 deed hij vrijwillig afstand van de troon en ging met 2000 schepen op ontdekkingstocht. Wetenschappers uit Mali gebruiken Egyptische teksten voor de bewijsvoering die hem tot ontdekker van Amerika moet maken. Wat deze wetenschappers mee hebben is dat Columbus in 1492 zwartgetinte handelaren aantrof in Amerika. Columbus’ kracht indertijd was dat hij Indianen als levend bewijs meenam terug naar huis. Chemisch onderzoek van veel later op speerpunten van Indianen wijzen in de richting van goud uit West-Afrika.

Revolutionair is de stelling van amateur-historicus en ex-onderzeebootkapitein Gavin Menzies. Deze Brit verdedigde in de Royal Geographic Society te Londen met verve zijn stelling dat de Chinese moslim Zheng He tussen 1405 en 1433 zeven wereldreizen ondernam en met een vloot van honderd enorme schepen de zeeëngte van Baja Californië bereikte. Maar ging hij er aan land? China zou nog voor de dood van Zheng He zijn maritieme roeping afzweren en alle kaarten van hem hebben verbrand. Een paar kaarten zouden echter door de ontdekkingsreiziger Nicolo da Conti worden gered en in Venetië en Portugal terechtkomen.

Zes eeuwen na Zheng He wordt Amerika voor de zoveelste maal ontdekt. En hoe. Dit keer door de islamitische terreurgroep Jamaat al-Tawhid al-Islamiya. Die is erachter gekomen dat Amerika onder meer in Nederland ligt, en dreigt daarom met aanslagen tegen Nederland als het zijn troepen niet terugtrekt uit Irak.

Tja, Amerika ligt inmiddels overal. Dat voorzagen de Chinezen al in de tijd van Zheng He. Wijze lui, met buitenaardse wezens als hun adviseurs. Helaas nogal dol op boekverbrandingen. Bang om te worden ontdekt zeker.

Haagsche Courant, vrijdag 20 augustus 2004

Lulverhaal

alfred birney Het is nog geen mode, maar dat kan het natuurlijk worden: de penis van je man afsnijden. Moet gepaard gaan met een dubieus voorspel, want een weekdier laat zich niet zomaar hakken, lijkt mij.

Voor wie het nog niet weet: onlangs heeft een Duitse vrouw de penis van haar ex-man afgesneden. Plaats van handeling: Kassel. Afloop van dit lulverhaal: de man, een Ghanees, rent de vrouw achterna en steekt haar overhoop op straat. De vrouw overlijdt een uur later in het ziekenhuis. Geen bijster plezierig bericht dus.

Dan was dat akkefietje in Amerika in 1993 toch amusanter. Een vrouw snijdt de piemel van haar man af en smijt het geval uit het autoraam. Ambulancepersoneel gaat op zoek naar het gereedschap en in het ziekenhuis wordt dat ding er gewoon weer aangenaaid, om zo te zeggen, want die vrouw zal zich toch ongetwijfeld genaaid hebben gevoeld door die plastische chirurgen, die als het moet een olifantenslurf op de kont van uw buurman planten (onze Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten wil experimenten in die richting gaan doen, maar dit even terzijde). Het slachtoffer, een luldebehanger van de eerste orde (ramt stelselmatig vrouwen in elkaar), maakte van de lulligste dag uit zijn leven een hype: hij liet T-shirts printen met zijn piemel erop, maakte een grand tour langs allerlei televisiestations, accepteerde een rol in een pornofilm om te bewijzen dat zijn dingeling nog operationeel was en zette zo zijn vrouw en haar seksegenoten voor paal. Later zou hij zijn nieuwe vriendin gaan mishandelen en in de gevangenis terechtgekomen, maar wel met zijn jongeheer.

Sommige kranten zaaien in het jongste bericht verwarring met koppen als: ‘Man doodt vrouw na castratie’. Er leeft een enorm misverstand onder mensen, die denken dat het afsnijden van een penis gelijkstaat aan castratie. Waarschijnlijk een erfenis van die frustraat Sigmund Freud uit Wenen, die aan castratie de betekenis van het verwijderen van de penis gaf om zo zijn inmiddels ingeburgerde absurde theorie van penisnijd aan vrouwen toe te kunnen schrijven. Werkelijke castratie is echter het verwijderen van de testikels. Het vond al plaats in religies ouder dan het christendom. Via allerlei omwegen vonden castraten, eunuchen genoemd, de weg naar de christelijke kerk, waar men graag jongetjes met engelenstemmetjes in het koor wilde horen zingen en de ballen maar in de kerstboom hing.

Vier jaar terug beet in Chicago een vrouw de testikels af van een man die haar belaagde en deponeerde ze persoonlijk op het politiebureau. Geen chirurg die later nog met de ballen raad wist. Dat dit verhaal minder bekend is komt misschien door wat de mensen graag willen lezen. Een lulverhaal gaat er lekkerder in.

Haagsche Courant, vrijdag 11 juni 2004

Qutdiktee

alfred birney Als ik ergens een hekel aan heb, dan is het wel aan dictees. Dictees hebben een hoog normgehalte en een laag waardegehalte. Een dictee is een test in na-aperij, anders niet. Met schrijven heeft het weinig te maken. Daarom zie je schrijvers nooit nummer 1 worden bij een dicteewedstrijd. Spellen is niet creatief. Het leert je niet je beter uit te drukken. Zelfs niet beter te luisteren. En dan veranderen ze in Nederland ook nog om de haverklap de spelling, en die blijft hopeloos. Volkomen nutteloze bezigheid. Spellen. Je hebt er gevoel voor of niet. No matter what de regels, als jij tollol in spellen, nou sudah al, maar geef niet, al die soesah, niet noodigh as perhaal maar mooi. Hm! Neem een zin uit een roman van Edgar Caïro: ‘Hij keek weer fo zich uit, na’ die stoel vlak voor ‘em.’ Of uit een verhaal van Tjalie Robinson over een autoliefhebber: ‘Hep je hesien de merk fan mijn caar?’ Nou, laat dit de kids uit groep 8 spellen en ze komen met prachtige varianten! Enorme stimulans je eyge perosa te gaan schreivah! Spélen met spelling, multiculti schrijven, da’s pas vet! Helaas kregen onlangs 900 slaafjes uit groep 8 het Vijfde Haags Multicultureel Dictee door de strot gedauwd. Een 8telijk verhaaltje over een ooievaar die zijn wijf en kroost laat zitten en op het Thomsonplein tot inkeer komt bij de klanken van rapmuziek. Aldus voorgelezen door rapper MohCain. Maar nie eens fuck en shit in het dictee! Treurig, niet? Mahal? Shoarma? Neks van dat! Terwijl het toch gaat om een ooievaar die zijn vrouw Fatima of all names heeft ontmoet tijdens een overwintering in Marokko. Hoe is die ooievaar daar eigenlijk terechtgekomen? Ooievaars maken veel gebruik van thermiek bij het vliegen. Boven de Middellandse Zee is geen thermiek en vaak vliegen ze om de zee heen naar het gebied van de Niger. De Straat van Gibraltar wordt weleens door vermetele troepen overgestoken, dus het kan zijn dat men soms ooievaars ziet vliegen boven Marokko. Maar neerstrijken doen die vogels daar niet. Hier stijgt de norm van de spelling wel heel ver boven de waerde van het verhaal uit. De kids uit groep 8 vonden desgevraagd ‘ooievaar’ over het algemeen een ‘moeilijk woord’. Nou, volgens mij vonden ze het gewoon een qutwoord. Kleine kinderen gaan hier al vroeg in voorop door ooievaar consequent olivaar te noemen. Gespeld: oliefar. Want één a schrijft een klein kind niet met twee a’s. Een a is een a, wah? Wat is er trouwens zo multicultureel aan een olievaer? Dat ie in Nederland broedt en in Afrika gaat liggen zonnebaden? Doen toeristen ook! Is een vogel die in zijn land van herkomst zijn bruid gaat halen niet nogal monocultureel gericht? Dat multicultureel dictee over die oliefaar is gewoon een inburgeringsdictee, geen gelul nou hey! Daar horen woorden in als ‘toelatingsbeleid’, ‘aanmeldprocedure’, ‘verblijfsstatus’ en zo meer. Maar dat vonden de stellers zeker te makkelijk voor onze immigrantenkinderen.

Haagsche Courant, vrijdag 16 april 2004

Knokken voor een huwelijk

alfred birney The Straits Times Interactive meldt het verhaal van een twintigjarige Chinese dame die eens wat anders wilde dan een contactadvertentie, blind date of optreden in een datingprogramma op televisie. Voor haar een vechtsporttoernooi, waar de man die haar wil huwen haar eerst maar eens moest zien te verslaan. Fang Xiaojing doet sinds haar dertiende jaar aan gewichtheffen en vechtsport. Ze was kampioen gewichtheffen bij de amateurs in 1999. Verleden jaar december werd ze kampioen taekwondo in Wuhan (Hubei). Intussen geeft ze les op een boksschool. Kortom een aantrekkelijke partner voor een man die geen doetje op de sofa wil, maar een vrouw die eigenhandig je varken slacht, je kip plukt, je vrienden eruit flikkert als ze vervelend worden en jou ook nog scherp houdt, huh.

Verleden week zaterdag was de dag, ergens in Huangshi (Hubei). De 21-jarige He Qichun meldde zich, een onbekende vechter die in zijn vrije tijd wat handelt dan wel een handelaar die in zijn vrije tijd wat knokt. Hij kreeg eerst twee rivalen tegenover zich, want je komt natuurlijk niet zomaar voor de koningin te staan. Hij versloeg ze één voor één. Toen mocht hij gaan sparren tegen de vrouw in no nonsence wielerbroek en blauw shirt. Hijzelf droeg een rode kickboksbroek met witte biezen. Beiden droegen bokshandschoenen overigens. Op een foto zie je hem doorkomen met een hoge trap die zij maar half weet te weren. De wedstrijd duurde 13 minuten. He Qichun versloeg de sterke vrouw tweemaal en werd tot winnaar uitgeroepen. Waarop het tweetal rozen ruilde temidden van een uitzinnig publiek.

Maar ja. Juffrouw Fang zei tegen de pers dat eh… mwah, ze dacht niet dat haar opponent direct een liefdeskandidaat was. Nou ja, nóg niet dan. Maar wanneer dan wel? Moet ie haar nou ook nog eens verslaan aan de afwasteil of zo? He Qichun leek bang om alsnog een stoot voor zijn kop te krijgen. Als een verstandige jongen verklaarde hij namelijk dat hij juffrouw Fang eerst wat beter wilde leren kennen. En dat als het eenmaal klikt, dat hij haar dan echt zou huwen. De arena dus als voorportaal. Een gevecht als bewijs van inschrijving. Dat is toch gewoon nep joh. Bedrog! Een gimmick! Helemaal niks vind ik dat. Knokken en meteen trouwen, dát hadden ze moeten doen. En public, in real time. Wie speelt moet blijven spelen.

Tja, het gaat om het innerlijk en de uitstraling, hè? De chemie noemt men dat tegenwoordig. Wáár vind je elkaar? Niet in de ring dus. In bed? Hm, later. Waar dán? Waar begint het? Wat een vraag hè? Kun je je hele leven mee toe. De ringen rond de diepe kern zijn een maskerade. Wie het leven als een spel beschouwt, komt niet ver, zegt de I Ching. Maar wat voor wie het spel speelt zonder het te weten? Ligt de sleutel misschien in argeloosheid? Zo ja, betekent dit dan dat de mens maar beter niet kan proberen te bepalen waar en hoe je elkaar vindt?

Haagsche Courant, vrijdag 5 september 2003

Vissen in de herinnering

alfred birney Iemand gaat dood. Herinneringen komen tot leven. Het jaar 1986 liep ten einde, ik hing een beetje rond in Amsterdam, de stad waar ik me om een of andere reden nooit op mijn gemak voel, al woont de helft van mijn familie daar. In het voorjaar van 1987 zou mijn debuutroman verschijnen en mijn zus Miranda maakte in het Oosterpark een serie portretten voor op het achterplat van het boek. Zus Maureen werkte achter de bar in de Tangram, een etablissement met een anarchistisch Amsterdams sfeertje.

Peter Schat (5 juni 1935 – 3 februari 2003) kwam er dagelijks lunchen, of ontbijten, whatever. We kwamen bij elkaar aan een tafel te zitten en hij vroeg me van alles over mijn aanstaande boek. Ik vroeg hem van alles over zijn muziek. Hij legde me zijn eigen toonsysteem (de Toonklok) uit, dat ik toen kon volgen maar de dag erop weer was vergeten. Hij sprak ook met vervoering over de gamelanmuziek uit Indonesië. Hij droomde de gamelan in een symfonieorkest maar worstelde, denk ik, nog met de stemming van het Indonesische slagwerk.

Ik raakte verzeild op een oud-en-nieuwfeestje in zijn woning. In de keuken stond op het fornuis een ovenschaal met kippenboutjes te pruttelen. Ik dacht dat Peter Schat het gerecht zelf had bereid en complimenteerde hem. Hij zei dat het niet van eigen hand was, net als die provorookbommen in de jaren zestig: die waren wel in zijn kelder gefabriceerd maar niet door hem. Niet dat hij zo wilde onderstrepen dat een componist aan potlood, vlakgom en papier genoeg heeft of zoiets. Hij had het feitelijk over vrijheid. Eens, ergens in een Zwitsers of Oostenrijks hotel, had hij in de lade van zijn nachtkastje een bijbel aangetroffen en die van woede uit het raam gegooid. Die bijbel tastte immers zijn homoseksuele vrijheid aan.

Het huis van Peter Schat was vol mensen. Ik zocht rust en afzondering bij de kleine huisvijver. Het was een onooglijke hoekige bak, met wanden van badkamertegels en een douchekop als uitstromer van de filterinstallatie. Er zwommen karpers in rond. Ik at mijn kippenboutjes aan de rand van de bak en deelde mijn stokbrood met de vissen. Peter Schat zei me dat ik altijd langs kon komen als ik in de buurt was, maar het kwam er nooit van.

Laatst kwam Rudy Kousbroek in zijn serie Fotosynthese (nr. 26 – In memoriam) met een verhaal over zijn heengegane karper. Vissen zijn een diersoort waarmee je geen verbinding hebt. Maar zijn karper was aaibaar en daarom kon hij van hem houden.

Ik ben afstandelijker dan Peter Schat was en Rudy Kousbroek is. Mijn favoriete vis is de onaaibare geheimzinnige meerval, die in sommige van mijn boeken optreden. Men vraagt mij soms: ‘Wat heb jij toch met vissen?’ Dan geef ik geen antwoord. De vraag is gewoonweg te onbescheiden. Ik heb het Peter Schat toen ook niet gevraagd. Je snapt het of je snapt het niet. Okay, Rudy Kousbroek gaf antwoord. Maar ongevraagd.

Haagsche Courant, vrijdag 7 februari 2003

Doof, stom en blind

Ik denk dat ik op de elpeehoes viel. Een vreemde blauwe gerasterde wereldbol. Dat het om een rockopera ging, intrigeerde me. Gefuseerde pop en klassieke tuttigheid, geschreven door Pete Townshend, leider van de ruige band The Who. Dubbelelpee, ook dat nog. De hoes lag in de etalage van een high brow-grammofoonplatenzaakje in de Piet Heinstraat; ik was een arme jongen van achttien (ben nog steeds arm trouwens, maar dat maakt niet uit) en moest er een poosje voor sparen. Toen ik de rockopera Tommy eenmaal te pakken had, heb ik me wekenlang verschanst achter een grammofoonspeler, in de klep waarvan twee boxen zaten die je uit elkaar voor je op tafel kon zetten voor stereofonie. Mooi intro op de akoestische gitaar. Dat die harkerige Pete Townshend zo kon spelen, had ik niet verwacht. Enfin, met pen, papier en woordenboek de teksten te lijf, want een opera moet je verstaan, anders is er niks aan.

Ik heb de elpee niet meer en ik voel de behoefte niet de muziek op cd aan te schaffen, bang dat ik er geen bal meer aan zal vinden. Het verhaal had mij indertijd in de ban, want hoe kon een jongen die doof, stom en blind was nou zo’n grote flipperkoning worden? Pete Townshends boodschap zal onder meer wel zijn geweest dat een mens een mens is zolang een mens kan voelen, maar dat wist ik toen niet zo te verwoorden.

Er zat een nummer in die rockopera waarbij ik me altijd bijzonder onbehaaglijk begon te voelen, een rare tekst geschreven op een wijs en in een maat die me tegenstonden. Mijn woordenboek hielp me ook al niet bijster bij mijn pogingen te begrijpen wat dat fiddle about al niet kon betekenen. Ging het om een oom die aan de jongen zat te friemelen?

Nu dan, jaren later, lees ik op Google News het bericht dat Pete Townshend op borgtocht is vrijgelaten in een kinderpornoschandaal. Pete Townshend verklaarde dat hij bezig is zijn autobiografie te schrijven, waarin hij een belastende verklaring wil opnemen jegens de vriend van zijn grootmoeder, bij wie hij rond zijn zesde jaar in huis woonde… Goed, die stond dus model voor die oom in de rockopera. Is dat een afdoende verklaring voor Pete Townshends gesurf naar internetsites die kinderporno aanbieden? Juridisch niet in Engeland, psychologisch wel. Want het kan zijn dat je in je jeugd zo seksueel mishandeld bent dat je later uit woede obscure plaatjes gaat bekijken in een volstrekte eenzame en tot mislukken gedoemde poging te achterhalen wat jou destijds eigenlijk overkomen is. Zoals mensen die in hun jeugd dermate zijn mishandeld, dat ze later bijvoorbeeld messen gaan verzamelen, waarmee ze hun muren volhangen. Mocht Pete Townshends fixatie voortkomen uit eigen slachtofferschap en hij wordt gestraft, dan gebeurt dat uiteindelijk om wat een ander hem heeft aangedaan. Waarmee de onuitroeibaarheid van onrecht ook nog maar eens en passant zou worden aangetoond.

Haagsche Courant, vrijdag 24 januari 2003

Brown eyed girl

alfred birney Nani is een dochter van een Hollandse matroos die in Semarang is blijven hangen en er met een welgestelde weduwe uit Nias is gehuwd. De koffieonderneming op de berg Kawi is een paradijs om in op te groeien, samen met Rudi, een verweesde Indo wiens vader er ooit opzichter was. Nani en Rudi groeien op als broer en zus. Ze bezoeken een particulier schooltje dat door een weduwe wordt gerund voor kinderen van Europeanen en rijke Chinezen. Rudi is Nani’s held, samen beleven ze klassieke Indische avonturen. Hij redt haar uit de klauwen van een aap en zelfs van een wisse dood door met een speer een dolgeworden banteng te verslaan. Maar op een dag verschijnt een Franse gouvernante op de koffieonderneming. Die weet Nani’s ouders te overreden de twee van elkaar te scheiden. De jongen zou immers weldra met andere ogen tegen zijn ‘zusje’ aan gaan kijken. Wah! Rudi wordt verbannen naar de bijgebouwen, terwijl Nani in het hoofdgebouw onderworpen wordt aan een deftige Europese opvoeding en gekoppeld aan een arts van niks uit Zoeterwoude. In jagen heeft Rudi geen lol meer, voor hem rest slechts een portretje van Nani, én goena-goena: tovenarij… Ziehier het motief van een vergeten roman uit 1905 van Victor Ido: In vreemde sferen.

Zestig jaar later is het een hele andere tijd. Europeanen kunnen niet zomaar meer naar de Oost om er hun geluk te beproeven. Nederlands-Indië bestaat niet meer, het land heet Indonesië en Nederland stelt weinig meer voor. In Belfast, Noord-Ierland, staat een zanger op met een grote bek en een hang naar blues. Hij heet Van Morrison, richt de groep Them op en scoort een hit met Gloria. Dan steekt hij over naar Amerika en scoort ook daar een hit: Brown Eyed Girl. In het tweede couplet haalt hij herinneringen op aan een meisje: Hey whatever happened, tuesday went so slow / Goin down the old mine with a transistor radio / Standin’ in the sunlight laughin’, hide behind the rainbow’s wall / Slippin’ and a-slidin’, all along the waterfall with you / My brown eyed girl, you my brown eyed girl.

Waarom of waardoor hij haar verliest, wordt door Van Morrison niet bezongen. Het gebeurt gewoon. Dat kan ook in een boek. Maar romans waarin raadselen veeleer worden vergroot, zijn helaas niet zo talrijk als die waarin alles vanuit het menselijk handelen tot op het bot wordt verklaard. De gefileerde motieven in Victor Ido’s boek vernachelen de dramatiek. Dit aan Indië tijdgebonden werk vindt alleen zijn weg nog naar de freak. Was het verhaal dichter bij Rudi en Nani gebleven en minder uitgewaaierd naar te veel doortrapte bijfiguren, dan zou het boek misschien de tijd beter hebben doorstaan. Het verliezen van een geliefde hoort bij het leven, eigenlijk bij elk leven, onverschillig tijd, plaats, omstandigheden. Wie dat niet zo ervaart en het ondanks die vorm van maagdelijkheid in een raciale zedenschets verpakt, die neuriet het deuntje van de toevallige passant. Kan ook mooi zijn, daar niet van. Even.

Haagsche Courant, vrijdag 3 januari 2003
Copyright © 2003 Alfred Birney