Leeg = Leeg

alfred birney Vakantietijd. Relatieve rust in Den Haag. Het is toch steeds weer opvallend hoe Den Haag vrijwel leeg lijkt te stromen in de zomervakantie. Recessie of niet: de straten zijn verlaten, er zijn minder verkeersdoden dan anders, ondanks de jongste fatale steekpartij bij het eindpunt van tramlijn 2 worden er minder mensen overhoop gestoken, er worden minder vrouwen mishandeld en verkracht enzovoort. Het kan beter, maar het gaat nogal in de zomer.

Volgens een telling van het CBS telde Den Haag op 1 januari 2003 463.826 inwoners. Als je daar wat illegalen en overige gasten bij optelt, dan kom je op een half miljoen. Nou zou ik wel eens willen weten hoeveel inwoners Den Haag heeft gedurende de hondsdagen, die zoals u weet duren tot aan mijn verjaardag – nou die weet u allemaal wel hè? Volgens mij zitten we momenteel met 200.000 mensen inclusief toeristen in ons dorp, dat bestaat sedert 1248 toen graaf Willem II van Holland een kasteel liet bouwen aan een duinmeer, de huidige Hofvijver, – een dorp dat pas in 1806 onder Frans bewind zijn stadsrechten kreeg.

Maar daar wou ik het niet over hebben. Waar ik het over wilde hebben is die enorme leegloop als het weer een beetje tegen zit (en dat is meestal het geval). Een beetje internetreisbureau krijgt op een regenachtige dag een miljoen bezoekers te verwerken en die willen allemaal naar Turkije, Griekenland, Portugal, Brazilië, Thailand, Cambodja, Mexico, Mauritius of de Zuidpool (waar het veiliger is met die pinguïns dan op de Noordpool met die ijsberen). Het zij ze gegund, maar waar betalen ze het van? Een weekje Turkije last minute kost al gauw een bijstandsuitkering, met zijn tweetjes twee bijstandsuitkeringen. En wat is een gezin kwijt? Okay, je kunt er voor sparen, maar die toeristenkudde pakt dan ook nog in de winter effe een skivakantietje en tussendoor ‘nog effe wat zon in Tel Aviv’ of zo.

Aan het begin van de vakantie vroegen achterblijvers elkaar nog wel naar vakantieplannen, maar nu de boel duidelijk is, hebben achterblijvers iets berustends over zich gekregen. Velen kunnen een vakantie gewoonweg niet betalen en ze hebben er geen idee van hoe die anderen dat voor elkaar krijgen. Achterblijvers klagen niet, zelfs niet over de vervuilde zee, daar laten we onze vette baggerhumor op los, wat moet je anders.

Weet je wíe er klagen? Die straks terugkeren van die vakantieparadijzen, waar ze zich vet hebben liggen vreten en zuipen en vervelen. Klagen over hoe verschrikkelijk de prijzen weer zijn gestegen, hoe ze worden genaaid waar ze bijstaan, en dan roepen ze dat ze blij zijn dat ze weer thuis zijn. Maar moeten wij, trouwe dienaren des vaderlands, daar dan ook blij om zijn? Kunnen we niet even een noodwet in werking stellen waarmee we die klagers linea recta terug kunnen sturen naar waar ze vandaan komen? Leeg = Leeg. Ja toch?

Haagsche Courant, vrijdag 30 juli 2004

Verkeersdoden

alfred birney Zomaar een dag. Ik ga de deur uit, de wind is gaan liggen, dat merk je direct aan het verkeer: auto’s rijden rustiger, mensen pezen elkaar niet voorbij, men heeft zelfs tijd voor een glimlach. Ik wandel rustig met mijn rugzakje naar het plein, steek een sigaret op, ik ben wat vroeg, de fysiotherapeut van niks is niet ver lopen, het is mijn laatste consult, verplicht nummer eigenlijk, uit beleefdheid nog maar even een handje geven, hem een prettige vakantie toewensen en meer van dat alledaagse gedoe.

Fysiotherapeuten vormen een hopeloos klasje in het medische veld: ze weten waar je spieren lopen, waar de aanhechtingen van je pezen zitten, ze kunnen je wervels tellen en dat is het dan wel zo’n beetje. Ze lokaliseren de pijn, masseren je en sturen je met nog meer pijn naar huis met het advies alles gewoon te blijven doen zoals je gewend bent te doen, bla bla bla.

Neem nou een land als Indonesië. Daar bezoek je geen fysiotherapeut, maar een pidjitman of –vrouw. Die laat je niet gaan eer je pijnvrij bent. Of je nou pijn hebt aan je hoofd, je nek, je ledematen of ergens in je buik, ze nemen je van top tot teen onder handen. Zó moet het. Dat noemen wij hier de holistische benadering, daar doen we hier heel gewichtig over, terwijl ginds de hele reut van sportmassage, reiki, magnetiseren, aura-healing, acupressuur, acupunctuur, voetreflexmassage en wat al niet meer gewoon pidjit heet. Meer niet.

Maar Indonesië is een heel eind vliegen en vandaag is zomaar een dag, er is niets om je werkelijk druk over te maken. Je moet wel oppassen waar je loopt, zoals altijd, want de straat blijft hier een openbaar toilet voor honden.

Toch blijft het dagelijkse leven verrassingen zitten. Vliegen zwermen rond een stoeptegel, er kruipen insecten af en aan, alles krioelt rond iets dat ik aanvankelijk voor een jonge vogel houd maar dat bij nader inzien een rattenkop blijkt te zijn. Waar is zijn lijf gebleven? Heeft een kat zijn kop eraf gebeten en hem laten liggen of heeft een automobilist zijn lijf plat gereden en zijn straatjongens met zijn kop gaan pingelen? De rattenkop ligt er zo triest bij. Wég zijn leven. Insecten vluchten, bang dat mijn schoen ze zal vertrappen.

Onwillekeurig moet ik denken aan hoe Friedrich Nietzsche in Turijn huilend een trekpaard om de hals viel toen hij zag dat het werd afgerost, – een beroemde scène die Nietzsches totale instorting markeert. Ik wankel even terwijl ik doorloop. In de avond lees ik in de krant dat onze minister van Verkeer het aantal dodelijke ongevallen in het jaar 2020 omlaaggebracht wil hebben naar 640. Waarom niet naar nul? Gewoon: nul.

Een rare berekening moet het zijn die het aantal verkeersdoden van 1100 in 2003 terug moet brengen naar 640 zeventien jaar later. Mogelijk kleeft er een hoog realiteitsgehalte aan de norm die onze minister voor ogen staat? Mensen zijn ratten. Zoiets?

Haagsche Courant, vrijdag 2 juli 2004

Razzia

alfred birney Het leven. Je komt mensen tegen, je verliest ze weer uit het oog. Niets bijzonders aan. Nou ja, soms, als je de pech hebt van iemand te gaan houden en die persoon komt je op een of andere manier te ontvallen. Dan treur je. Aan dat thema worden hele boekwerken gewijd, dramatiek spreekt mensen aan, althans zo lang het overzichtelijk is. Twee mensen, een derde persoon er bij, het liefst in een historische setting en je krijgt een drama.

Tussen de uitersten van de toevallige passant en de grote liefde zitten vele varianten. Mensen met wie je regelmatig in contact komt maar met wie je geen hechte vriendschapsbanden sluit, kunnen later opeens het huis van je nostalgie komen bewonen. De slager, de schoenmaker, de bakker. Waar zijn ze gebleven?

Bij mij in de buurt stonden een paar Bulgaarse vrouwen te bedienen bij een Turkse bakkerij. Ze kwamen rond de invoering van de euro, spraken nauwelijks Nederlands, Engels of Duits. De oudere had een goede hand van Turkse pizza’s serveren. Perfect mengsel van pizza, sla en sauzen, goed op temperatuur. De jongere, wie weet haar dochter, was goed in het grillen van kippen. Waren ze afwezig dan was het niks met die pizza’s en kippen. De vrouwen maakten deel uit van het straatbeeld, bij mooi weer zaten ze buiten op hun klapstoeltjes.

Verderop was een jaar terug een kapper aan komen waaien. Zoals bij alle goede kappers was zijn haar niet om aan te zien: een oversized matje bewerkt met henna. Als hij geen klanten had, ging hij even buurten bij de Turkse sigarenboer, of hij stond gewoon buiten zijn sigaretje te roken. Hij riep me naar binnen wanneer hij vond dat mijn haar gedaan moest worden. Vond ik wel leuk, uit mezelf ging ik hooguit eenmaal per jaar een kapsalon binnen, bij voorkeur in de lente. Dan ging mijn haarelastiek af en de schaar erin. Maar bij mijn Turkse kapper was ik vaste klant. Hij had veel gevoel voor zijn vak en werkte hard. Vroeg je hem wanneer hij op vakantie ging, dan haalde hij de schouders op en trok de mondhoeken omlaag.

Laatst kwam ik de straat in lopen en voelde direct een merkwaardige leegte. De Turkse sigarenboer vertelde me dat de politie de straat had schoongeveegd. De kapper was opgepakt, met de dames van de bakkerij. Er scheen een nieuwe wet in werking te zijn getreden, iets met stempels die niet langer meer gelden, iets onduidelijks, in elk geval geen wet die een schifting van waardevolle en waardeloze mensen mogelijk maakt. Kwaliteit telt niet bij razzia’s.

Haagsche Courant, vrijdag 4 juni 2004

Zus Soemini

alfred birney Zus Soemini was jarig, ik bedoel haar warung was jarig. Hollandse restaurants vieren hun zoveeljarig bestaan, maar de warung van Zus was dus jarig. Ze werd vijf. Nogal roerige jeugd, vijf inbraken in drie jaar tijd. Haar warung, op de hoek van de Weimarstraat en de Franklinstraat, had een volglazen deur van een Jamin-zaak geërfd en gemeenteambtenaren wilden dat onding met die pompeuze nepgouden deurknop behouden voor ons armzalige cultuurgoed. Er vliegt een steen doorheen, inbrekers nemen een paar duiten mee en Zus zit met een paar duizend gulden schade. Glazen deur hersteld, weer een steen erdoorheen, inbrekers kapen een doos AA-sportdrank en na een derde inbraak kan de deur niet meer gerepareerd. Maandenlang moet Zus het stellen met een deur van sinaasappelkistjeshout, terwijl gemeenteambtenaren zich buigen over de richtlijnen inzake het straatbeeld. Na veel bureaucratische soesa heeft Zus nu een glazen deur met sponningen, iets tussen Jamin en ABN-AMRO in, met het zegel van onze gemeenteambtenaartjes. Ze kwamen niet eten op de verjaardag van de warung. Ik zou ze stellig hebben herkend. Humorloos type, zuinige lolliemondjes en een historisch besef dat niet verder teruggaat dan de deuren van Jamin: een snoepwinkelketen die ooit hele legers tandartsen wist te mobiliseren. In mobiliseren is Nederland altijd goed geweest, met name in verband met slavernij en ronselarij. In de periode van 1890 – 1939 werden ruim 30.000 Javaanse contractarbeiders van Nederlands-Indië naar Suriname verscheept, waar de slavernij in 1863 was afgeschaft en de ‘vrije slaven’ en masse naar Paramaribo waren getrokken. Het ontstane tekort aan arbeidskrachten had men eerder geprobeerd te dekken met Portugezen uit Madeira en Chinezen uit Java en, onder handjeklap met de Engelse regering, met Hindoestanen uit Brits Guyana. De aanwas van Javanen stopte bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Een derde van hen keerde na de oorlog terug naar Java. De onafhankelijkheid van Suriname in 1975 dreef groepen Javanen met Hindoestanen, Creolen en Chinezen naar Nederland. De Javanen hebben nog het meest weg van Indo’s, je hoort ze het minst van allemaal. Beetje broertjes en zusjes, zo voelt dat voor mij. Daarom noem ik de eigenaresse van Warung Soemini ‘zus’. Ze werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Als ze eens vakantie heeft gaat ze naar Jakarta, waar ze nog familie heeft wonen. Misschien zit er nog een oudje bij die zich destijds niet door de Hollanders in de maling heeft laten nemen met een armzalig contractje voor ontberingen op zee en harde arbeid op de plantages, allemaal onder het toeziende oog van Hollandse gouverneurs van het slag dat nu mag bepalen aan welke eisen een deur van een Javaans-Surinaamse warung moet voldoen. Hogere functies vereisen geen bijzonder talent maar een mentaliteit, begrijpt u?

Haagsche Courant, vrijdag 21 mei 2004

Idioom voor inburgero’s

alfred birney Gaan met die banaan! Kijk er hangt wél een prijskaartje aan. Joh krijg jij effe lekkah de tautief! Die megazooi ken mij gestolen worden. Nou, ’t houdt niet over. Het mag niks kosten. Het weer is weer mooi klote. Jij verkoopt je hersens, ik mijn laarzen. Kwestie van keuzes maken. Kijk dat slaat dus werkelijk helemaal nergens op. Tussen die allo’s zitten ook arro’s hoor. Hey effe dimmen hè? Volgens mij heb jij een stevige beurt nodig. Ga jij es effe lekker op vakantie met die stressbek van je. Hé heb ik iets van je aan of zo? Je wordt genaaid waar je bij staat. Is het niet jij dan wel een ander. Zoek-ie deining? Of je nou door de hond of door de kat gebeten wordt, het blijft toch een eeuwige pleuriszooi daar aan het Binnenhof. Zo kan ie wel weer. Om maar even een dwarsstraat te noemen. Ze kunnen mij nog meer vertellen! Dus ik geef die gozer een jeut, flikkert ie zo in de stront, ja dat krijg je als je zo debiel gaat doen. Ik vind dat wij eens moeten praten. Hey nou moet je niet lullen hè? Volgens mij zit die baggervent van hiernaast elke avond in de Geleenstraat. So hey! Mij hoor je hier niet over. Ik zeg maar zo, ik zeg maar niks. Volgens mij is die gozer niet helemaal lekker. Hé kap effe. Jezus, spuit elf zegt ook wat. Shit! Na mij de zondvloed. Dat is dus echt helemaal kut. Wat ik je brom! Moet je eens horen: het is geven en nemen. Die ging uit zijn dak dus. Nou en? Leven en laten leven. Joh, krijg jij effe lekker het heen en weer. Gaan we zeiken? Het is uitdelen en incasseren. Klagen is ook een vak. Dumpen die hap! Hoef-ie nie meteen kwaad te worden! Doe maar een krat bier. Het is aan het Spui, in de Grote Marktstraat of ergens op Scheveningen, dat weet ik nou effe zo gauw niet op te hoesten. Hoeveel weegt dat? Wat kost dat nou? Valt wel mee hoor, hoewel… Jij gaat toch ook niet voor de kat zijn kut staan spelen? Ja het is wel goed, maar… Okay, het is jouw dag. Ik begrijp je punt, maar daar wil ik dan toch wel even iets tegenoverstellen. Ik zou hem in zijn vet gaar laten smoren. Die moet eens flink op zijn bek gaan. Moet kunnen. ’T ken vriezen, ’t ken dooien. Kikkuh! Het is toch een stukje emotie waar je mee om moet leren gaan. Mogge buuf, bakkie doen? Zo, we zagen de week doormidden. Ik kan daar best wel veel in kwijt. Dus ik denk: jeuz, wat heb ik nou aan me taas hange? Nou moet je niet lullen want zo ken ik er ook nog wel een paar. Zo, jij blij. Ik wil niks zeggen hoor maar ik bedoel maar. Het is niet om het een of het ander maar volgens mij lul je uit je nekharen. Nou daar ken je beter geen ruzie mee krijgen. Kijk, daar word ik nou zo moe van hè? ’T Is wat, hè? Doe effe normaal. Nou, dan ga je toch lekker op het platteland wonen, dan heppie je rust. Duh! Kneis je dat? Daar zeg ik geen nee tegen. Je kunt me wat. Oh fuck mijn mobieltje moet aan het infuus. Ja doei! Morgen ben je de eerste. De dominee komt voorbij. Da’s een ouwe. Geintje, ken je wel tegen toch? Vet! Joh, als je haar maar goed zit.

Haagsche Courant, vrijdag 30 april 2004

Morsig

alfred birney Akkefietjes tussen Nederland en Indonesië hebben altijd een link naar het verleden, zoals het besluit van BZ om het bezoek van de koningin in 1995 niet op 17 augustus – de dag van de zelfgeproclameerde autonomie van de Indonesische republiek – te laten beginnen, maar vier dagen later. Deze diplomatieke provocatie werd vet onderstreept met vijf miljoen gulden als Nederlands nationaal geschenk, ter restauratie van een pand van een Hollandse koopman uit de VOC-tijd en bijeengebracht door zakenlui. Zeven jaar later besloten dergelijke lieden met heimwee naar vieze zeilschepen de oprichting van de VOC te herdenken. Als reactie werd in Jakarta gedemonstreerd tegen de ‘glorifikasi’ van de VOC door een comité dat onder meer excuses wenste aan het Indonesische volk wegens schending van de mensenrechten. Intussen bespeelde in de Ridderzaal een Batavier de gamelan, westers gestemd maar geen hond die dat opviel natuurlijk. Een Indonesische minister van justitie die thans roept dat hij Nederlanders haat, hoort men uiteraard wel. Onze minister van justitie, huisdier in het Kabinet bij gratie eens premiers, is verontwaardigd en vindt dat zijn Indonesische ambtscollega geen oude koeien uit de sloot moet halen door over de slachtingen van kapitein Westerling van vijftig jaar geleden te beginnen. Delen wij geen verleden dan? Het Parool drukte ooit de volgende zin af over de schattingen van Westerlings dodelijke slachtoffers (10.000 – 40.000) in Sulawesi: ‘Aan die schattingen willen wij geen al te grote waarde hechten, hoe morsig er ook met de mensenlevens is omgesprongen.’ Morsig! Nou, je zal dat woord maar eens in een bericht over de aanslag op het WTC bezigen. Een ‘Indonesië-kenner’ op de buis zinspeelde erop dat de komende visumplicht voor Nederlanders is ontsproten aan het brein van onze verklaarde Nederlanderhater opdat deze met het oprakelen van ons koloniale verleden een makkelijke sfeer kan scheppen om de islamitische wetgeving er in Indonesië doorheen te kunnen jassen. Nederland zou een van de weinige landen zijn waarvoor nog geen visumplicht geldt. Alsof er geen 36 andere landen zijn die op de nominatie staan. Dat Indonesiërs wél een visum nodig hebben voor Nederland vermeldde hij voor het gemak maar even niet. Als Nederland zo hoog van de toren blaast een ‘speciale relatie’ met Indonesië te hebben, dan is het er wel eentje met een hoog eenrichtingsverkeergehalte. Van vakantie uit Indonesië terugkomen met de tekst ‘dat ze ons vragen of we weer terug willen komen omdat toen wij er nog zaten alles zoveel beter was…’ zal er in elk geval niet meer bij zijn. Er waren er heel wat die die woorden wel erg letterlijk namen. De Indonesische minister van justitie zal ook wel niet bedoelen dat hij Nederlanders echt haat maar dat hij zich dood ergert aan hun domme arrogantie. Maar een beetje morsige journalist gaat daar niet voor. Haat klinkt veel swingender. Is meer soap.

Haagsche Courant, 10 oktober 2003

Bloemlezen

alfred birney Als er één boek is waar ik liever niet mijn naam op had zien staan, dan is het wel de bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Ik heb dat geval vijf jaar geleden gefabriceerd in een periode dat ik geld nodig had om mijn huur en zo te kunnen betalen. Mijn uitgever wilde me financieel helpen, mits ik die onzalige bloemleesklus aannam. Ik begon enthousiast, kon mijn koelkast weer vullen en hoefde niet steeds de stad door om ergens bij vrienden te gaan eten. Dat bloemlezen begon met drie maanden gevangenisstraf binnen de bunkermuren van de Koninklijke Bibliotheek en werd verlengd met een strijd met een wankelmoedige redacteur op de uitgeverij, wie de zoveelste bloemleeskloon voor ogen stond: Multatuli’s klaagzang getiteld Saïdjah en Adinda, wat Oeroeg-stuff van Hella Haasse, een beetje petjoh van Tjalie Robinson en nog zo wat voordehandliggends. Ik wilde eens iets anders, een verkapt kettingverhaal van prozafragmenten rond het wel en wee van de Indo en maakte mijn prozakeuze daaraan ondergeschikt. Mijn voorwoord zou de lezer het een en ander verduidelijken. Mijn redacteur werd hysterisch toen ik zei dat ik die egotripper van Multatuli niet kon gebruiken en ging toen op vakantie na mij te hebben opgezadeld met een eindredacteur die inderhaast van de Libelle was ingehuurd om mijn bloemlezing persklaar te maken. Uiteindelijk telde ik nauwkeurig het aantal woorden en stuurde de koerier met mijn stapel kopieën naar Amsterdam. De interim eindredacteur kon niet tellen en meldde me dat de kopij te veel was. Nadat ik teksten had weggesmeten kreeg ik te horen dat het achteraf gezien toch wel in orde was. Maar er was geen tijd meer om wederom met een fietstas vol kwartjes naar de kopieerinrichting terug te gaan: de boel moest naar de drukker, het boek zou en moest in oktober op de markt komen. Sinterklaas, weet u wel. Na uitgave zette de uitgever de turbo op de p.r. en mocht ik aan suffe journalisten gaan uitleggen hoe Nederland zijn koloniale literatuur veronachtzaamde. De pers, met een referentiekader van een gordel van smaragd met wat palmen onder een blauwe hemel, geloofde het allemaal wel. Vervolgens kwam het peloton van zogenoemde Indische literatuurkenners aan fietsen. ‘Waarom staat die schrijver er in en waarom die niet?’ Antwoord: ‘lees het voorwoord.’ ‘Ja, maar een voorwoord lees je toch niet?’ Dat dus. Inmiddels werd ik belaagd door schrijvers die er niet in stonden, terwijl een volslagen onbekende Indische schrijfster die er wél in stond mij met een proces dreigde omdat de uitgever te laat was met haar contract. Enfin, aan bloemlezen valt weinig eer te behalen. Ik krijg nu nog vragen van lezers die hun favorieten missen. Die lezer houdt niet van het avontuur, maar wil bevestiging van de eigen smaak. Zou-ie willen bloemlezen?

Haagsche Courant, vrijdag 6 juni 2003