Bentheim blues

alfred birney Het is alweer een paar weken terug dat ik per ongeluk televisie keek, maar voor wie vrijwel nooit televisie kijkt is dat natuurlijk een ervaring als de dag van gisteren. Televisie maakt pas indruk als je vrijwel nooit kijkt, anders zijn uitzendingen nauwelijks ervaringen te noemen, eerder geestdodende middelen waaraan nauwelijks te ontsnappen valt, te vergelijken met de junk die een verslaafde dagelijks tot zich neemt: de stakker begint pas een verandering waar te nemen wanneer er niets te snuiven of te spuiten valt. Maar goed, ik dwaal af. Ik keek dus per ongeluk televisie. Ik had dat ding eventjes verplaatst bij mijn jaarlijkse zomeropruiming en toen ik hem terugzette wilde ik hem even testen.

De nieuwslezeres kwam met een item over Nederlanders die van ellende in Duitsland zijn gaan wonen, omdat daar niet om de haverklap wordt ingebroken wanneer je je auto even onbeheerd ergens laat staan, omdat daar de mensen beleefder zijn, omdat men daar nog een praatje met je maakt wanneer je je hond uitlaat, kortom: omdat je voor Leefbaar Nederland nu eenmaal in Duitsland moet zijn. De NOS stuurde een paar vakantiewerkers af op het rustieke plaatsje Bentheim. Een Nederlandse meneer mocht uitleggen waarom Leefbaar Nederland tegenwoordig in Duitsland moet worden gezocht. Een Duitse juf kwam dat volmondig bevestigen. Maar toen kwam een richtige Deutsche in beeld. Die liet van de Hollanders instromers geen spaan heel: ‘Ach, die Hollanders die komen hier maar naar toe, maar ze passen zich niet aan, verstehen Sie? Dass lult maar over die Türken, aber zij zijn zelf ook zo!’

Het werd me even niet duidelijk wat die mevrouw nou erger vond: dat die Hollandse kolonie zich niet fundamenteel tot de braadworst bekeerde en haar Heineken afzwoer of het gewoon verdomde haar kinderen naar Duitse scholen te sturen. Maar goed, de boodschap was duidelijk: vol = vol. Diep onder de indruk van dit televisieavontuur verviel ik in diep gepeins. Niet van die vreemdelingenangst natuurlijk, dat is gewoon dagelijkse kost. Maar waar kende ik die plaatsnaam Bentheim ook weer van? Ik slaapwandelde op mijn boekenkast af, trok een boek tussen de duizend-en-een ruggen vandaan en ja… ik had het teruggevonden.

Mijn bedovergrootvader, genaamd Johan Willem Birnie, was een van de groten die de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten te Deventer bestierde, zo’n anderhalve eeuw geleden. De man was zo braaf en hardwerkend dat Koning Willem III hem met ridderkruizen overlaadde. Maar toen het even minder ging met de wereldberoemde tapijtfabriek verviel Johan Willem Birnie in somberheid. Op een dag kon hij de neergang van de fabriek niet langer meer aanzien. Hij vertrok naar Bentheim. Niet om een nieuw leven te beginnen, maar om het leven uit te stappen. De man verdronk zich er in een meertje. Zou hij zich met die daad nou hebben aangepast aan de cultuur daar in Bentheim?

Haagsche Courant, vrijdag 23 juli 2004

Hé, niet zoenen op het zebrapad

alfred birney Deze titel is van een liedje uit de jaren zestig, vreselijk tutnummer met een knipoog naar de inburgering van de kus in het openbaar. Oudere mensen, heimelijk terugverlangend naar hun herdersuurtjes tussen de paardenbloemen, in de hooischuur of weet ik veel, wierpen zoenende stelletjes nog wel hatelijke blikken toe, maar de buizenradio was machtig en het zebrapad nogal smal, dus dat werd hangen en zoenen tegen de muren met de krijthartjes. Later werd het de achterbank van de auto, toen de huiskamer en voor zo ver ik weet heeft de televisie intussen de tongzoen geclaimd voor datingspelletjes: twee jongelui hebben elkaar nog niet in de ogen gekeken en hup de tongen glijden als vette haringen bij elkaar naar binnen. ‘Niet zoenen op het zebrapad’ geldt dus nog altijd en is vooral praktisch want voor je het weet rijdt de een of andere aso met injectiemotor jou en je liefje de vernieling in. Zoals u weet liggen de zebrapaden hier niet voor voetgangers maar voor ufonauten, die de opdracht hebben graancirkels in weilanden te tekenen, buiten de zebrapaden dus. Ik zie de laatste jaren weinig gezoen meer op straat, er moet geloof ik meteen geneukt worden, dan weet je meteen wat voor vlees je in de kuip hebt. De Indonesiërs volgen ons via de berichten van de ufonauten, zien de bui al hangen en komen nu met een wetsvoorstel om zoenen op straat te bestraffen met vijf jaar cel. Vijf jaar! Ja, en die gevangenissen daar zijn niet misselijk! Bloedheet, met zijn tienen in een cel, knokken voor je ellendige leven en droge rijst met kakkerlakken vreten. Ben je lekker mee, sta je eerst nog lekker te zoenen aan de Malioboro in Jogjakarta en een week later word je verkracht door medegevangenen die al vier, vijf makkers het leven uit hebben gejend. En wat staat er nou op zoiets als vrouwenmishandeling? Niks, want dat vindt plaats binnen de beslotenheid van het gezin. Onlangs verscheen een vertaling van een roman over dat thema van mij in Indonesië en ik had er nu eigenlijk moeten zijn om het boek te promoten. Maar er is veel soesa aan de overkant: de aanloop naar de partijverkiezingen, dan de verkiezingen, dan de aanloop naar de presidentsverkiezingen, weer verkiezingen, eventuele herverkiezingen, en dan is het weer ramadan. Laat dat boek zichzelf dan maar verkopen. Wordt niet in gezoend trouwens. Zit wel wat seks in, tussen een Indo en een Indonesisch meisje. Of is het porno? Momenteel probeert een parlementscommissie tot een definiëring van porno te komen. Begint al lekker: erotisch dansen is porno en goed voor tien jaar cel! Wat dat allemaal gaat worden daar zou ik niet durven voorspellen, de islamitische wetgeving is er nog niet ingevoerd. Maar dat de koude oorlog tussen islam en christendom wereldwijde hysterie geeft is wel duidelijk. Waar blijven die ufonauten nou om ons te verlossen? Of worden die in naam van hun commandant vernietigd als ze in hun graancirkels hebben liggen vrijen?

Haagsche Courant, vrijdag 12 maart 2004

Het zwevende paard

alfred birney Ik was al vertrouwd met die kale sokkel op het Koningsplein, zo’n antieke Oost-Europese kolos waaronder je voortdurend het graf vermoedt van een of andere dictator. Prikkelend voor de fantasie, zo’n leeg wit voetstuk. Maar ons buurtbewoners was een standbeeld beloofd. Op de laatste dag van de hete zomer was het feest op het Koningsplein, heel aardig, al was het maar omdat je dan eens de gezichten ziet van je buren. Het stadsleven: je woont jarenlang tussen mensen die je nauwelijks ziet of spreekt, je weet niet eens wanneer ze doodgaan, enfin, dat weten we nu wel. En opeens wandel je tussen ze op een stoffig vernieuwd onverhard Koningsplein. Je kijkt wat naar elkaar. Eh… hallo… toerist hier?
Tijdens de matinee beklimt een actrice de sokkel voor een standbeeldact. Mooi, zo’n levend standbeeld. Maar dat wordt verkracht ’s nachts, niet? Of eigentijds van de sokkel geschoten.
Er is weinig treuriger dan de aanblik van een verlaten plein, dat kort geleden bevolkt werd door honderden mensen. Waar zijn ze heen, die mensen? Verdoen ze hun tijd met het stompzinnigste dat een mens in Nederland kan doen sinds 1951, namelijk televisie kijken? De kale sokkel is in elk geval mooi, vooral in de spotlights.
Dan, opeens staat er een doorschijnend paard op. Het schittert, nee het spookt in de middagzon. Hoe is het erop geklommen? Ik kijk onwillekeurig omhoog om te zien of er soms gieren boven het Koningsplein vliegen. Het dier ziet er uit als een kaalgevreten skelet. Het is zo plat als de tekening die als voorbeeld moet hebben gediend, zelfs de cryptische verwijstekens zijn door de artiest meegelast.
Maak een ommetje en nader het paard en front. Je ziet dan één lijn, zoals de zijkant van een muntstuk. Het paard als hellebaard, zoiets. Er zit niemand op zijn rug, niks geen Willem III, die zet je niet op een skelet, en al helemaal niet in Den Haag. Toch heeft het dier wel wat, het heeft heel veel eigenlijk, al is het maar omdat het er steeds anders uitziet in de vele schakeringen tussen licht en donker onder de Hollandse lucht. Spoken doet het van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Wedden dat het wakker is bij nacht?
Ik verlaat mijn huis bij volle maan en wandel naar het slapende Koningsplein.
‘Hé paard…’
‘Hé schrijver…’
‘Waarom vlieg je niet weg, paard? Dat kan makkelijk! Je zweeft immers al!’
‘Doe niet zo mal, man. Het zijn de spotlights beneden me. Mijn benen worden niet beschenen en daardoor lijk ik te zweven. Maar zie je dan niet dat ik het eeuwige leven heb? Dat moet jij nog maar zien te bereiken, sukkel.’

Haagsche Courant, vrijdag 12 september 2003

Naschrift: enkele weken na deze column verdween het paard met een herststorm.

I now inform you

alfred birney Feitelijk bleef de minister van informatie met zijn baret en het slimme brilletje op zijn neus altijd geloofwaardig, ook wanneer hij dat niet meer was. Een topact dus. The Republican Guard is in full control werd een mantra in een spookdoctrine met een afwezige dictator. Intussen denderden de tanks ongehinderd door de straten van Bagdad. Don’t believe them, we will cut them into pieces! riep Saeed al-Sahaf desgevraagd tijdens zijn ‘ochtendshow’. Intussen maaiden de Amerikanen duizenden Irakese soldaten van het slagveld. Al-Sahaf, met zijn charmante accent, herhaalde een van zijn gevleugelde mantra’s, toen alle luchtafweer in Bagdad al was lamgelegd: My feelings – as usual – we will slaughter them all! As usual… Zagen we geen ironisch lachje rond zijn mondhoek verschijnen? Hij kon mooi gebaren en kwam het best tot zijn recht wanneer hij bijkans verzoop achter een batterij microfoons behangen met labels van televisiestations. Hij zou populairder worden dan Bush. Al-Sahaf droeg een uniform en bevond zich in het oorlogsgewoel. Bush ging doodleuk in zijn weekendkloffie naar zijn buitenverblijf, terwijl Amerikaanse teenagers de woestijn in werden gestuurd. Het enige dat Bush niet vergat waren de antieke oneliners die hij van zijn papa heeft geleerd: We will prevail! May God bless America. Al-Sahaf pareerde: God will roast their stomachs in hell! Het klinkt oneerbiedig, maar Al-Sahaf maakte die afschuwelijke oorlogsberichtgeving nog een beetje leuk. Op een ochtend verschijnt hij zonder bril op te televisie en leest een tekst van Saddam voor van een ONBESCHREVEN blad papier. Daar kan zelfs Don Quichot niet tegenop. Al-Sahaf kreeg zelfs fans onder de grootste patriotten in Amerika. Een fansite kreeg zoveel bezoekers dat de server van de provider in no time plat ging. Op identiteit.pagina.nl vind je onder het kopje actueel een link naar een koddige rap van de populaire minister. Het is een mix van malicieuze uitspraken van ‘Comical Ali’ op een melodie van Quincy Jones. Zijn mooiste uitspraak I now inform you that you are too far away from reality staat er helaas niet op. Dit absolute toppunt van omkering van de feiten kan alleen worden overtroffen door Al-Sahaf zelf. Maar niet als hij dood is. Hij zit niet in het bizarre kaartspel dat de Amerikanen hebben vervaardigd van de 52 meest gezochte Iraki’s. Houden de Amerikanen hem als clown gevangen voor het avondcabaret in de officiersmess? Konden we hem maar naar Nederland halen. Ons B.-kabinet numero II kan straks zo’n mannetje wel gebruiken als ze met draconische bezuinigingen aan komen zetten. Dan krijgen wij van Al-Sahaf te horen dat het goed gaat met de economie, terwijl er duizenden ontslagen vallen. En dat de pers geen enkele realiteitszin heeft. Klinkt leuker dan dat gebalk van die stuurse ezel die wat scharrelt met een blondje en intussen al maanden bezig is met zijn hoeven een blik zalm open te trekken.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 18 april 2003

De regie

alfred birney Wie hardop zegt dat hij minister-president wil worden, spot met de poldertraditie die voorschrijft dat je zoiets niet behoort te zeggen. Zo hoog inzetten kan alleen met veel aandacht van de televisie. Pim Fortuyn liet zien dat het volk pas in politiek gelooft als het rechtstreeks de minister-president denkt te kunnen kiezen. De man had een charisma die zelfs andersdenkenden in hoge mate charmeerde. Met wonderlijke uitspraken zette hij de toon van het debat, hij regisseerde de loop naar de verkiezingen, tegenstanders werden gedegradeerd tot figuranten. De televisiesoap kreeg een anticlimax toen de hoofdrolspeler, die in de voorzienigheid geloofde, werd weggenomen. De laatste maanden heeft hij opvallend vaak de dood ter sprake gebracht. Afgelopen winter kocht hij een stukje grond op de begraafplaats van Provesano, nadat hij er letterlijk is gaan proefliggen. Had hij een voorgevoel? Had hij innerlijk al afgedaan met het aardse gebeuren? Hij beweerde nooit dat hij iets revolutionairs verkondigde. Zijn vertolking was nieuw, wie weet vernieuwend. Hij zei dat Nederland allang was veranderd, zijn roeping was de gevoelens van het volk te verwoorden. Wie dat kan en doet, groeit uit tot een volksheld. Dat het maatpak waarin hij zich aan de koningin wilde tonen, uitgerekend werd bezorgd de dag waarop hij werd vermoord, hoort alleen in een échte soap. De regie ligt niet meer bij hem, de kijker is wanhopig, de figuranten hebben niets om handen. De televisie blijft aan, hij betreedt de beeldbuisgalerij der onsterfelijken.

Haagsche Courant, vrijdag 10 mei 2002

Een oud liedje

alfred birney Eind jaren zestig. John Rowles. Eendagsvlieg. Hij zong If I only had time, een liedje dat lang in de hitparade bleef hangen. Ik verbleef een jaar in een jongenstehuis aan de Badhuisweg. In het souterrain stonden de televisie en de piano. Cor was de enige die de piano kon bespelen. Hij was vaak in het souterrain te vinden achter de piano, waaraan hij zong, zolang hij niet werd weggepest door jongens die televisie wilden kijken. Hij zong het liedje net zo goed als John Rowles en verzon een sublieme begeleiding voor de melodie. Ik heb het origineel op een cassettebandje staan en een heel enkele keer komt er zo’n dag waarop ik alleen dat nummer wil horen en het tientallen malen afspeel. Het gaat over iemand die niet genoeg tijd meer heeft zijn liefde te beleven. Is de man ziek en moet hij snel sterven? Is hij oud en zijn geliefde veel te jong voor hem? Of is zijn liefde eenvoudig te groot voor het aardse bestaan? Het versje kabbelt mismoedig, de zanger klinkt bedroefd. Het middenstuk is een emotionele klim omhoog, in het refrein galmt de wanhoop de bergen over, waarachter de dromen liggen, onbereikbaar voor wie de tijd op zijn hielen heeft. Zodra dat stuk inzet, zie ik Cor weer achter de barrel in het souterrain zitten en is hij het die ik hoor zingen. Hij heeft weinig tijd, de jongens zullen gauw komen en de pianoklep dichtslaan voor hun televisie. De avondschemer valt naar binnen, ik zing zachtjes mee, zó dat niemand me kan horen. Zo is het, met een walkman op je kop aan de keukentafel, in een ander huis, een andere buurt, een andere tijd.

Haagsche Courant, woensdag 27 februari 2002