Meewarig neokoloniaal proza van de eerste generatie

Je hoeft geen Indo te zijn om een Indisch verleden te hebben. Toch bestaat een wezenlijk verschil tussen verhalend proza van Indo-schrijvers en totok-schrijvers, al wordt dat niet altijd gezien. Tjalie Robinson schrijft vanuit de Indo en Hella Haasse kijkt náár de Indo, om maar een pikant voorbeeld te noemen.

Jan Willem Smeets is van de generatie van Yvonne Keuls, F. Springer, Helga Ruebsamen en Paula Gomes. Zijn eerste twee romans verschenen 20 jaar geleden; beeldende kunst is zogezegd zijn hoofdvak. De flaptekst van zijn roman Leugens en lotgenoten (2010) vermeldt dat hij over een “groot stilistisch vermogen” beschikt, maar op de eerste bladzijde bewijst de schrijver al het tegendeel: Hotsebotsend reed ik verder en hield stil voor het huisje van ooit eens gebeitste… Hardleers als deze stilist is, kwakt hij gaandeweg het boek nog meer van dergelijk kinderproza op papier: Hilde dekte rats-boem-knal de tafel

Uitgeverij Ailantus lijkt te bezuinigen op goede redacteuren. Op bladzijde 29 is een niet te missen doublure gewoon blijven staan. Zes bladzijden verder breekt de schrijver impliciet een lans voor verhalend proza als tegenwicht tegen de enorme hoeveelheid non-fictie die over Nederlands-Indië is geschreven. Daar ben ik heel blij mee. Maar meer dan wat clichés over de Hollandse kou, de verdachtenhoek van mensen met een koloniale achtergrond en een strenge opvoeding komt er niet tevoorschijn.

Smeets’ wat meewarige, nonchalante stijl doet soms aan het proza van John Fante denken, maar werkt niet in zijn roman, dat drie hoofdstukken telt, waarin hij aandacht vraagt voor de lotgevallen van totoks. Zijn helden leiden een weinig interessant leven, of ze nou wel of niet in het “jappenkamp” hebben gezeten. Nou hoeven je romanhelden niet direct een spannend leven te leiden, mits je goed schrijft. F. van den Bosch heeft dat stijlvol in zijn kleine oeuvre laten zien.

Het tweede hoofdstuk maakt wel wat goed. Er ontspint zich namelijk gaandeweg een schandaleus verhaal rond een moederfiguur. Jammer genoeg mist de schrijver het vakmanschap van F. Springer om het verhaal werkelijk boeiend te maken. Waar hij wel goed in is, dat zijn de eigen valkuilen die hij in zijn babbelproza graaft. Een voorbeeld:

…maar toen ik merkte dat ik er in hun ogen alleen maar nog vreemder door werd, was ik uiteindelijk maar gaan verwijzen naar Couperus, Dermoût, Du Perron, Székely-Lulofs enzovoort die, zei ik dan, het allemaal heel wat beter hadden beschreven dan ik zou kunnen.

Wat bedoelt de schrijver met “zei ik dan”? Dat hij inmiddels wél zo ver is dat hij zich kan meten met de namen die hij noemt? Stel dat het in verhaaltechnisch en stilistisch opzicht zo zou zijn geweest, dan nog had ik mijn twijfels gehad over de mentaliteit van de verteller van het verhaal. Zijn houding ten opzichte van Indonesiërs is niet bijster sympathiek: “roomservice” blijft “roomservice”, want Smeets is eenvoudigweg te beroerd om van bedienend personeel mensen van vlees en bloed te maken. Op dat punt kan hij zich intussen wel meten met iemand als Székely-Lulofs, die daar ook een handje van had. Kortom, Smeets is wat dat betreft nooit verder gekomen dan zijn kinderjaren, toen Székely-Lulofs op het toppunt van haar roem was. Onbegrijpelijk dat dit soort neokoloniale romans nog wordt uitgegeven.

© 2010 Alfred Birney. Verscheen eerder in Archipel Magazine, jaargang 12, winternummer 2010

Qutdiktee

alfred birney Als ik ergens een hekel aan heb, dan is het wel aan dictees. Dictees hebben een hoog normgehalte en een laag waardegehalte. Een dictee is een test in na-aperij, anders niet. Met schrijven heeft het weinig te maken. Daarom zie je schrijvers nooit nummer 1 worden bij een dicteewedstrijd. Spellen is niet creatief. Het leert je niet je beter uit te drukken. Zelfs niet beter te luisteren. En dan veranderen ze in Nederland ook nog om de haverklap de spelling, en die blijft hopeloos. Volkomen nutteloze bezigheid. Spellen. Je hebt er gevoel voor of niet. No matter what de regels, als jij tollol in spellen, nou sudah al, maar geef niet, al die soesah, niet noodigh as perhaal maar mooi. Hm! Neem een zin uit een roman van Edgar Caïro: ‘Hij keek weer fo zich uit, na’ die stoel vlak voor ‘em.’ Of uit een verhaal van Tjalie Robinson over een autoliefhebber: ‘Hep je hesien de merk fan mijn caar?’ Nou, laat dit de kids uit groep 8 spellen en ze komen met prachtige varianten! Enorme stimulans je eyge perosa te gaan schreivah! Spélen met spelling, multiculti schrijven, da’s pas vet! Helaas kregen onlangs 900 slaafjes uit groep 8 het Vijfde Haags Multicultureel Dictee door de strot gedauwd. Een 8telijk verhaaltje over een ooievaar die zijn wijf en kroost laat zitten en op het Thomsonplein tot inkeer komt bij de klanken van rapmuziek. Aldus voorgelezen door rapper MohCain. Maar nie eens fuck en shit in het dictee! Treurig, niet? Mahal? Shoarma? Neks van dat! Terwijl het toch gaat om een ooievaar die zijn vrouw Fatima of all names heeft ontmoet tijdens een overwintering in Marokko. Hoe is die ooievaar daar eigenlijk terechtgekomen? Ooievaars maken veel gebruik van thermiek bij het vliegen. Boven de Middellandse Zee is geen thermiek en vaak vliegen ze om de zee heen naar het gebied van de Niger. De Straat van Gibraltar wordt weleens door vermetele troepen overgestoken, dus het kan zijn dat men soms ooievaars ziet vliegen boven Marokko. Maar neerstrijken doen die vogels daar niet. Hier stijgt de norm van de spelling wel heel ver boven de waerde van het verhaal uit. De kids uit groep 8 vonden desgevraagd ‘ooievaar’ over het algemeen een ‘moeilijk woord’. Nou, volgens mij vonden ze het gewoon een qutwoord. Kleine kinderen gaan hier al vroeg in voorop door ooievaar consequent olivaar te noemen. Gespeld: oliefar. Want één a schrijft een klein kind niet met twee a’s. Een a is een a, wah? Wat is er trouwens zo multicultureel aan een olievaer? Dat ie in Nederland broedt en in Afrika gaat liggen zonnebaden? Doen toeristen ook! Is een vogel die in zijn land van herkomst zijn bruid gaat halen niet nogal monocultureel gericht? Dat multicultureel dictee over die oliefaar is gewoon een inburgeringsdictee, geen gelul nou hey! Daar horen woorden in als ‘toelatingsbeleid’, ‘aanmeldprocedure’, ‘verblijfsstatus’ en zo meer. Maar dat vonden de stellers zeker te makkelijk voor onze immigrantenkinderen.

Haagsche Courant, vrijdag 16 april 2004

Bloemlezen

alfred birney Als er één boek is waar ik liever niet mijn naam op had zien staan, dan is het wel de bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Ik heb dat geval vijf jaar geleden gefabriceerd in een periode dat ik geld nodig had om mijn huur en zo te kunnen betalen. Mijn uitgever wilde me financieel helpen, mits ik die onzalige bloemleesklus aannam. Ik begon enthousiast, kon mijn koelkast weer vullen en hoefde niet steeds de stad door om ergens bij vrienden te gaan eten. Dat bloemlezen begon met drie maanden gevangenisstraf binnen de bunkermuren van de Koninklijke Bibliotheek en werd verlengd met een strijd met een wankelmoedige redacteur op de uitgeverij, wie de zoveelste bloemleeskloon voor ogen stond: Multatuli’s klaagzang getiteld Saïdjah en Adinda, wat Oeroeg-stuff van Hella Haasse, een beetje petjoh van Tjalie Robinson en nog zo wat voordehandliggends. Ik wilde eens iets anders, een verkapt kettingverhaal van prozafragmenten rond het wel en wee van de Indo en maakte mijn prozakeuze daaraan ondergeschikt. Mijn voorwoord zou de lezer het een en ander verduidelijken. Mijn redacteur werd hysterisch toen ik zei dat ik die egotripper van Multatuli niet kon gebruiken en ging toen op vakantie na mij te hebben opgezadeld met een eindredacteur die inderhaast van de Libelle was ingehuurd om mijn bloemlezing persklaar te maken. Uiteindelijk telde ik nauwkeurig het aantal woorden en stuurde de koerier met mijn stapel kopieën naar Amsterdam. De interim eindredacteur kon niet tellen en meldde me dat de kopij te veel was. Nadat ik teksten had weggesmeten kreeg ik te horen dat het achteraf gezien toch wel in orde was. Maar er was geen tijd meer om wederom met een fietstas vol kwartjes naar de kopieerinrichting terug te gaan: de boel moest naar de drukker, het boek zou en moest in oktober op de markt komen. Sinterklaas, weet u wel. Na uitgave zette de uitgever de turbo op de p.r. en mocht ik aan suffe journalisten gaan uitleggen hoe Nederland zijn koloniale literatuur veronachtzaamde. De pers, met een referentiekader van een gordel van smaragd met wat palmen onder een blauwe hemel, geloofde het allemaal wel. Vervolgens kwam het peloton van zogenoemde Indische literatuurkenners aan fietsen. ‘Waarom staat die schrijver er in en waarom die niet?’ Antwoord: ‘lees het voorwoord.’ ‘Ja, maar een voorwoord lees je toch niet?’ Dat dus. Inmiddels werd ik belaagd door schrijvers die er niet in stonden, terwijl een volslagen onbekende Indische schrijfster die er wél in stond mij met een proces dreigde omdat de uitgever te laat was met haar contract. Enfin, aan bloemlezen valt weinig eer te behalen. Ik krijg nu nog vragen van lezers die hun favorieten missen. Die lezer houdt niet van het avontuur, maar wil bevestiging van de eigen smaak. Zou-ie willen bloemlezen?

Haagsche Courant, vrijdag 6 juni 2003

Gods Prullenbak

alfred birney Weer eentje dood, iedereen gaat maar dood, je wordt er doodziek van, elke week is het prijs, het lijkt wel alsof ze geen zin hebben in alweer zo’n neplente zonder zon en hoop. Niet dat ik een rouwkaart ontving, de dood valt tegenwoordig per e-mail in het postvak, met de virusmeldingen, spam en funny mail. De dood van een Indische jongen is behalve de dood van een individu ook een knaag aan de Indische gemeenschap, die gedoemd is uit te sterven. Of ik dat treurig moet vinden weet ik niet, de Indische geschiedenis is niet bijster vrolijk. Achterlijk van de CPNB om nooit eens een Indische auteur uit te nodigen het boekenweekgeschenk te schrijven. Theodor Holman lijkt me wel geinig. Die schrijft zo’n boekenweekgeschenkje in een weekend in de etalage van de Bijenkorf, als het moet met de camera’s op zich gericht. De literatuur is onderhand wel toe aan een gimmick, als je het reilen en zeilen van de CPNB in ogenschouw neemt. In 1992 stond de boekenweek in het teken van Nederlands-Indië. Kregen we een geschenkje over weerborstels van een Brabander. In 2001 luidde het thema: tussen twee culturen. Kregen we een uit het Engels vertaalde folder van een ex-vogelvrije megasellerauteur, zonder weerborstels maar met baard. Uit protest begon ik een multiculturele internetsite. Wie deden er mee? Indo’s, Molukkers en Surinamers. Geen Irakees, Turk, Marokkaan of Iraniër te bekennen. Wel later schijnheilig e-mailen dat ze de weekreportages prachtig vonden. Maar meedoen? Ho maar! Te druk met pr-geslijm met de CPNB-maffia, die hen eerder zo hard liet vallen, in plaats van die club de vernieling in schrijven. Maar ja, een pen is geen raket, hè? En die lui van de CPNB lezen toch niet, hebben ze geen tijd voor. Ze volgen de toptien en dat is het. Vandaar die afgezaagde boekenweekthemaatjes. Dit jaar dus: de dood. Met een verbluffende diepzinnigheid stoppen ze er ook het leven in. De grote drie thema’s uit de literatuur, dames en heren: liefde, God en de dood. Kan een deur wijder worden opengetrapt? Als ze nou eens voor een ander perspectief hadden gekozen, okay. Maar dan zetten ze er weer zo’n provinciaaltje op. De CPNB en het koor der recensenten, journalisten en overige medialui kraaiden twee jaar terug nog: ‘De Nederlandse literatuur bestaat niet meer, is allang multicultureel geworden!’ Intussen werden tientallen multiculturele Nederlandstalige schrijvers gestraft omdat ze hadden vergeten in het Engels te schrijven. Cult-uitgeverij Vassallucci haalde nog een jochie van de schoolbanken om hem een roman te laten bakken waarmee ook hij een fatwa over zich heen zou krijgen. Kan het dommer? Je moet nu echt voor je kop geschoten worden als je zo nodig die boekentoptien in wilt. Dan ben je beroemd. En dood. Ongevraagd dan, hè? Mocht de CPNB ooit zelf de moord stikken, dan zijn we nog niet verlost van de CPGP: de Collectieve Propaganda van Gods Prullenbak. Wat dát is? Windows heeft er in elk geval een icoontje voor… Click! Weet u zeker dat u de rouwfolder naar de prullenbak wilt verplaatsen? Ja / Nee.

Haagsche Courant, vrijdag 14 maart 2003

Blacklisting

alfred birney De meest gestelde vraag in de afgelopen weken op Java: ‘Was u niet bang om te komen?’ Een journaliste opende haar interview met de woorden: ‘Het verheugt me dat u ondanks de commotie rond de Bali-bombing toch bent gekomen.’ Op een podium in Semarang opende de gespreksleider schalks de discussie rond mijn roman als volgt: ‘Wij heten de schrijver Alfred Birney van harte welkom en hopen dat hij zich een beetje senang voelt met al die bommeldingen om zich heen.’ Waarop de zaal dubbel lag van het lachen. De grappen rond bommeldingen waren niet van de lucht, want ja, sommige waren zo idioot dat je ze onmogelijk serieus kon nemen. Zoals: ‘Vannacht om twaalf uur zal in Toko Oen een bom afgaan vanwege te veel ketjap over de gurami.’ Waar onrust heerst, steekt humor de kop op. Nou wordt die onrust eerder aangewakkerd door de negatieve reisadviezen uit het Westen dan door de angst voor een volgende bomaanslag. Geen toeristen: armoede. Hotelpersoneel staart lege eetzalen in. Een enkele student waagt zich voorzichtig aan kritiek op het dominante Westen. Vooraanstaande schrijvers en intellectuelen laten zich duidelijker horen: Amerika sloot na de aanslag op 11 september verleden jaar het luchtruim, maar heeft zichzelf nooit tot onveilig gebied verklaard. Amerika verklaarde de rest van de wereld tot onveilig gebied, bepaald voor Amerikanen, tot aan Den Haag toe. Inderdaad kent ook Europa terreur, weet de Indonesiër. Rusland ligt er niet ver vandaan. Tsjetsjenen voeren hun ‘new war’ in Moskou. Intussen schijnt op Java de zon.

Haagsche Courant, woensdag 6 november 2002

Mama Bali

alfred birney Je hoeft dus geen wolkenkrabbers te bouwen om doelwit te worden van terrorisme. Bali is het kloppend hart van de toeristenindustrie, nummer 3 op de Indonesische economische ladder. Balinezen laten veel toe op hun eiland, zoals ‘besloten feestjes’ voor toeristen in discotheken. Een Australiër kan er 9 maanden rondkomen van 3 maanden werk voor een uitzendbureau. Je kunt er hamburgers eten, goedkoop meisjes en jongetjes huren. Geen beter doelwit voor terrorisme dan Bali, waar je meer toeristen ziet dan autochtonen. Nu moet Qantas vliegtuigen sturen ter evacuatie van Australische toeristen. Het regent negatieve reisadviezen. Mijn Indonesisch-Chinese vertaalster viert jaarlijks kerst op Bali, maar ziet daar nu vanaf. Haar kinderen wonen in Australië, ze zal een eindje verder moeten vliegen, terwijl Bali vele lege plekken zal vertonen. Ik moet over vijf dagen naar Indonesië voor een promotour van de Indonesische vertaling van een van mijn romans. Op elk podium dat ik betreed kan ik net zo goed mijn bek houden, want ik ben nou niet bepaald het toonbeeld van de ‘begrepen schrijver’. De belangstelling voor schrijvers uit het buitenland neemt er toe, maar kan ook het kruidvat vullen van terroristische groeperingen die alles wat naar het Westen ruikt willen beschadigen. De nieuwe oorlog woekert overal, men probeert de vijand te ontmaskeren maar slaagt daar niet in. Als een idioot met nog grotere bommen elders gaan teruggooien is geen bijster intelligent idee om terrorisme te bestrijden. Kruiddamp biedt geen helder inzicht.

Haagsche Courant, maandag 14 oktober 2002

Hetzelfde liedje

alfred birney Weet je wat er zo vervelend is aan een jury? Het is een jury. Een commissie van schimmige leken aan wie tijdelijk een zeker gezag wordt toegekend. Waarborg is de vette merknaam die achter zo’n jury prijkt. Interessant is te weten wie die juryleden nou eigenlijk precies zijn. Met een beetje moeite is daar wel achter te komen. Maar dan. Door wie is die jury samengesteld? Wie zitten erachter? Wat zit erachter? Waar lopen de wandelgangen tussen uitgevershuizen, juryleden en media? Welke wind waait er door die gangen? Neem zo’n AKO-Literatuurprijs. De samenstelling van de jury verandert elk jaar, de namen der genomineerden nauwelijks. Er zit altijd wel een Brouwers, Dorrestein, De Moor, Mulisch en nog een Vlaminkje bij. Rond de boekenweek twee jaar geleden blaatten critici, docenten en overige schapen in koor dat de “Nederlandse” literatuur niet meer bestond. Ja, Nederlandstalige multiculturele schrijvers zat, toch moest men zo nodig een zekere Engelstalige megaster het Nederlandse boekenweekgeschenk laten verzorgen. Elk protest werd afgedaan als “nationalistisch”, “kortzichtig”, “racistisch” en wat dies meer zij. Het literaire klimaat moest grenzelozer normen en waarden krijgen. Dat liedje heeft niet lang geduurd. Schrijver Graa Boomsma merkte toen al cynisch op: “De multiculturele schrijvers kunnen nu even de kast uit en mogen er daarna weer in.” Het is inmiddels nog erger dan dat. In het huidige normen-en-waardenzoekend klimaat flikkert men in onmiskenbaar Nederlands de hele multiculturele boekenkast de sloot in.

Haagsche Courant, maandag 23 september 2002

WKaziatismen

alfred birney Mijn grootmoeder van vaders kant was een Chinese, maar om nou ’s morgens vroeg mijn nest uit te komen om naar China tegen Costa Rica te kijken, nee. Ik was tijdig wakker voor Japan tegen België en zag in de rust tot mijn afgrijzen televisieflitsen van een stelletje Chinese lamzakken, voor wie mijn grootmoeder ongetwijfeld de bamboe zou hebben klaargelegd. Of de Chinezen zich lieten doldraaien door Costa Ricaanse virtuositeiten dan wel dim sum in de schoenen hebben gehad, zou ik afgaande op die paar flitsen niet kunnen zeggen. China schijnt het al een hele eer te vinden om mee te mogen doen. En dat bewoont met 1,25 miljard mensen de aardkloot! Nou vooruit, op naar Japan tegen de Belgen dan maar. België is voor veel Nederlanders second choice, voor mij mooi niet. Ik ga me daar een beetje olé voor die houterige Rode Duivels roepen. Mijn vader koestert als ouderwetse Indo een diepe haat jegens de Japanners, maar daar heb ik maling aan. Zij vonden het jiu jitsu in de huidige vorm uit, brachten briljante schrijvers voort en ja, ze voetballen met hun hart. Waarom dan niet protesteren wanneer een glaszuiver derde doelpunt tegen die Belgen wordt afgekeurd? Beleefd zijn is edel, maar er zijn grenzen. Die Japanners hadden die scheidsrechter een lesje karate moeten geven! Leuk voor columnisten! Enfin, lekker toetje van de Koreaantjes, die niet alleen met hun hart maar ook met het brein van Guus Hiddink speelden. Onder Louis van Gaal zouden ze mooier hebben gespeeld. Hollands! En heel mooi hebben verloren natuurlijk.

Haagsche Courant, woensdag 5 juni 2002

Onthouding

alfred birney Herinvoering van stemplicht is een regelmatig terugkerend thema, vooral wanneer er stemluiheid heerst onder het volk. Zal vandaag weinig sprake van zijn. Maar gesteld dat stemplicht werd heringevoerd, dan zouden er natuurlijk wel uitzonderingen moeten worden gemaakt. Columnisten moesten worden vrijgesteld. Een beetje columnist staat boven partijschap. Schrijvers en journalisten ook. Wat dacht u van leraren? Moeten ook boven de partijen staan, toch? Een politicus een stem zien uitbrengen, geeft een bezopen gezicht. Je weet op wie hij stemt: op zichzelf. Anders zou hij liegen. Nou zijn we dat wel gewend van politici, maar vergeten dat weer op de dag ons oordeels. Ambtenaren zouden ook niet moeten stemmen. Te veel verstrengeling met de overheid. Taxichauffeurs behoren ook boven de partijen staan, zij weten immers wie ze naar de hoeren brengen. De visboer, moet die gaan stemmen? Aardig idee, een andere geur dan stemvee. Het kassameisje? Zeker! Zij mag geen gezellige babbel met politici voeren, dus haar kun je wel van stemplicht voorzien. Maar wie let er dan op de kassa als ze naar de stembus gaat? Agendapunt voor het milleniumkabinet! O ja, afgaand op de geluiden in de pers over extreemveganisten, moesten lieveheersbeestjes misschien ook stemmen, een dier is immers gelijk aan de mens. Ergo een insect aan een dier. Kwallen zouden dan ook moeten stemmen. Nu we op het Scheveningse strand zitten, zou ik zeggen: laat plankton dan ook maar stemmen. De hemel beware ons voor de zondvloed.

Haagsche Courant, woensdag 15 mei 2002

Gekras van niks

alfred birney De boekenweek komt eraan, dus de Kraai kan zijn kooi weer even uit. Verleden jaar predikte de bedoelde directeur van de CPNB de mondialisering door met een universeel gebaar een Engelstalige megaster per UFO van Jupiter te laten overkomen. Tussen de tientallen auteurs van de Nederlandstalige etnische literatuur kon hij even niemand vinden. Dit jaar speelt-ie kleinschalig pingpong met de boekhandel. Die klaagt dat steeds meer Nederlanders dezelfde boeken lezen. De Kraai roept dat boekhandels naast hun bestsellertorens heus wel een kastje met minder populaire titels kunnen neerzetten. En krast dat ‘maar één op de zes boeken’ een bestseller is. Ik zou zingen: bij een gezond boekenaanbod één op de honderd titels. De Kraai haalde verleden jaar een stunt uit met scheepsladingen vol boeken van Salman Rushdie. Nu trillen zijn veren bij de kwellende gedachte aan speciale Harry Potterwinkels. Ja, Van Dis en Connie Palmen hebban effe gene vogala nestas, wat unbidan we nu, krast hij vertwijfeld. Mij dunkt is voor het referentiekader van deze meneer geen vogelnestje klein genoeg. Het Fonds voor de Letteren kan zonder problemen 200 schrijvers leveren die VD & P naar de maan schrijven. Maar ja, brengt geen poen in het laatje. Wat is literatuur tegenwoordig nog zonder televisie, hè? De rekenmeester had niet verwacht dat na Salman Rushdie alleen nog een tovenaarsleerling de mensen naar de boekhandel kon trekken. Anders had hij stellig J.K. Rowling voor dit jaar gepaaid en alsnog de N uit het banier van de CPNB geschrapt. Tenslotte is een boek maar een boek voor een kraai.

Haagsche Courant, woensdag 6 februari 2002