De tolk van Java in aanbiedingsfolder

de tolk van java in aanbiedingsfolderDe vorige week woonde ik een vergadering bij van mijn uitgever en redacteur met een peloton pr-mensen. Ik was de laatste Nederlandstalige schrijver die arriveerde, op één na waren de anderen al vertrokken. Ik had me goed voorbereid, althans: dat dacht ik. Maar tijdens het etentje achteraf liet mijn uitgever me weten dat ik in het begin te veel uitwijdde. Daarom had hij ingegrepen en me met een enkele vraag op het juiste spoor gezet. Wat dat juiste spoor dan wel niet is in deze moderne tijden? Nou, ik moet snel en helder de inhoud van mijn roman uiteen kunnen zetten. Mijn redacteur zei vergoelijkend dat het ook niet bepaald gemakkelijk is om zo’n gelaagde roman, geschreven in verschillende stijlen, eventjes na te vertellen.

Maar het was een zeer leerzaam onderhoud met die pr-mensen, die immers je boek moeten verkopen. Ik ben nu dan ook aan het oefenen hoe ik binnen één minuut mijn roman kan samenvatten, zonder het dikke boek geweld aan te doen. Eerlijk gezegd is het wel een leuke oefening. Ik begon met vijf minuten en zit nu ergens aan de drie minuten. Zodra ik De tolk van Java in één minuut kan samenvatten, slinger ik het op dit blog. Voor wie nieuwsgierig is naar wat er de bladzijden in de aanbiedingsfolder staat, ga naar deze pagina op de website van Uitgeverij De Geus.

Work in process (roman)

manuscript tolk van java

Dit is een snapshot met een iPhone 4 van de eerste versie van mijn aanstaande roman, vers uitgeprint op 460 A4’tjes 70 grams papier, lettertype Times New Roman, regelafstand 1,5 – om kort te gaan: 195.974 woorden. Dat is een pak papier goed voor een paperback van 600 – 700 bladzijden. Zo’n dikke pil schreef ik nooit eerder.

Mijn dikste boek tot nu toe was Het verloren lied, een roman van ongeveer 80.000 woorden, goed voor een paperback van 320 bladzijden. Mijn dunste boek is de novelle Rivier de Lossie, in manuscript 21.501 woorden. Afgerond is mijn dunste boek dus 20.000 woorden lang en dit manuscript, dat ik hier op schoot heb, bijna tienmaal dikker met zo’n 200.000 woorden.

In een dun boek moet elke bladzijde goed zijn, je hebt eenvoudig geen tijd om een aantal zwakke bladzijden goed te maken. Met een dik boek heb je meer speling, je kunt jezelf wel wat minder sterk geschreven bladzijden veroorloven. Dat weet elke schrijver. Maar dan moet het wel een boek zijn met een sterk verhaal, anders smijten de lezers het in de hoek. Ik streef ernaar waar mogelijk flink te schrappen.

Ik schrijf mijn boeken meestal in drie versies. Met deze eerste versie op schoot ga ik het proberen te lezen zoals een lezer dat doet, dus zonder potlood erbij. Dat is al een hele kunst: net doen alsof je alles voor het eerst leest. Fouten laat ik staan, ik kijk alleen naar de voortgang van het verhaal. Aantekeningen maak ik niet. De compositie is goed, denk ik. Ik onthoud vanzelf wel waar het boek eventueel inzakt. Dit zijn spannende dagen voor me.

Ik zou niet weten hoelang ik precies aan dit enorme boek heb gewerkt. Er staan herschreven stukken in van twaalf jaar terug, een interview met mijn moeder en informatie uit de memoires van mijn vader gaan zelfs terug tot 1985. Ik ben aan dit manuscript begonnen direct na de publicatie van mijn essay De dubieuzen in 2012. Hier ligt dus het resultaat van twee jaar hard en intensief ’s nachts in afzondering werken. Ik zou die twee jaren niet graag overdoen…

Later meer over de voortgang, en de inhoud, van dit boek, dat waarschijnlijk De tolk van Java gaat heten.

Aanbevolen door de kenners

Sinds mijn terugkeer als schrijver van verhalend proza kan ik even geen koloniale en postkoloniale literatuur meer lezen. Ze staat eenvoudig te dichtbij, vooral de Indische. Ver van mijn bed staat de Japanse literatuur. Daar kan ik bij wegdromen, het boeit me maar raakt me niet te diep. Op gevaar af om op pil numero elf-lempers te worden getrakteerd, zal ik maar gauw vermelden dat het boek Eeuwige reizigers; een bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur van Jos Vos (Arbeiderspers, 2008) in de achtste eeuw begint en eindigt in de negentiende. Dus vóór Van den Vos Reynaerde en vóór de Max Havelaar. Een enorme verzameling van vertellingen, poëzie, dagboekfragmenten, memoires en zelfs sprookjes. Als je iets van de Japanse cultuur wilt begrijpen, uit fascinatie voor de vijand van je (voor-)ouders bijvoorbeeld, dan is deze bloemlezing een aanrader. Opvallend is het aantal schrijfsters, net als in de Indische bellettrie, met één van mijn grote idolen: de hofdame Sei Shōnagon, die zo’n 1000 jaar terug leefde en ons haar wereldberoemd Hoofdkussenboek naliet. Interessant is verder dat schrijvers en schrijfsters net zo makkelijk aandacht aan zowel mannen als vrouwen schenken. Beide seksen kunnen niet zonder elkaar. De liefde en de dood spelen de hoofdrol in de meeste geschriften; het overige doet er weinig toe. De liefde vormt wel vaak een probleem, dat bloeit met fraaie poëzie en eindigt vaak in scheiding en de weg naar non of monnik. De dood is niet zo’n probleem, reïncarnatie regeert. De Japanse literatuur als oase van overzichtelijkheid. Neem vooral de tijd voor deze teksten. Zoals de auteurs en de mensen dat toen deden. Hoed af voor de samensteller en vertaler Jos Vos.

De achternaam Vos komt veel voor in Nederland, dus u gelooft me vast wel als ik zeg dat ik nu niet opzettelijk met de naam Felicita Vos aan kom zetten. Haar boek Blauwe haren zwarte ogen; de Roma-cultuur van binnenuit (Meulenhoff, 2008) is een must read. Terwijl wij, Indo’s en Indischen, de grootste minderheid in Nederland vormen, zijn zij, de Roma (zigeuners), de grootste minderheid van Europa. Een slordige 15 miljoen zielen. De Roma vormen een minderheid mét een volkenrechtelijke status, maar zónder land. Na de Joegoslavië-oorlog werd dit besluit erkend voor de VN en de Raad van Europa met nota bene Duitsland die als enige lidstaat er niet mee instemde. Felicita Vos biedt in haar boek een keur aan portretten van beroemde Roma. De bekendste zijn wel Het Rosenberg Trio, Sylvia Tóth en Tata Mirando. De schrijfster heeft alleen Roma gekozen die het ver schopten in de zakenwereld, de muziek, de politiek of op het danspodium. Dat maakt het tot een trots boek. Ellendige verhalen, met de vergassing van ‘zigeuners’ in het zogenoemde ‘Zigeunerlager’ in Birkenau, heeft de schrijfster er subtiel en toch indringend doorheen gevlochten. Net als het verhaal van haarzelf en haar vader. Wat mij zo intrigeerde zijn de treffende overeenkomsten met de Indische opvoeding in de jaren vijftig. Roma vaders die eisen dat hun kinderen later zullen slagen in de maatschappij. De niet aflatende drang tot muziek maken. Jezelf zo onzichtbaar mogelijk maken. Ervoor zorgen dat ze niet merken dat je Roma bent. ‘Doe niet zo Indisch!’ Remember? Ik in elk geval wel. En dat net in een periode waarin ik even geen Indische literatuur lees. Komt er een Roma-schrijfster voorbij…

Verschenen in Indisch Anders, boekenkrant Tong Tong Fair: 2010

Tjalie

tjalieZou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 20 december 2008, waarschijnlijk onder een uitgebreidere titel.

Superieur Indisch proza van Theodor Holman

Oorlog houdt niet op wanneer ergens de vrede wordt getekend. De herinnering blijft getroffenen voor de rest van hun leven achtervolgen, dat is bekend. Minder bekend is het relaas van hun kinderen. Ouders met een oorlogsverleden kunnen een gedrag vertonen of gewoonten ontwikkelen met verregaande, vaak desastreuze gevolgen voor hun kinderen. Dat is het uitgangspunt van Theodor Holmans jongste roman Tjon.

De gelijknamige held is een jongen van 12. We volgen zijn geschiedenis tot zijn 14e jaar, maar zien hem nauwelijks groter en volwassener worden, eerder kleiner en kinderlijker. Het boek is geschreven in de van Theodor Holman bekende hilarische schrijfstijl, wat de lectuur snel, licht en soms buitengewoon amusant maakt maar toch nergens de diepe tragiek wegneemt die het gezin achtervolgt vanaf de Japanse bezetting in Nederlands-Indië tot het burgerleven in Amsterdam.

Bijzonder, als een statement bijna, is dat de ervaringen van de ouders in de Japanse kampen tijdens WO-II via hun zonen tot ons komen. De ouders hebben een heden, hun zonen een verleden. De verhalen worden, verwrongen en vol verzinsels, doorgegeven via Joost, de vier jaar oudere broer van Tjon. Joost heeft een voorsprong in kennis ten opzichte van Tjon, maar is al zo verknipt in zijn gedrag dat hij zijn broertje bijna alleen maar kan pesten met de gruwelijke verhalen die hij van zijn ouders kent. De vader zit dan al in een inrichting, terwijl de moeder vruchteloos probeert de ontwikkeling van haar telgen te sturen. Ze is een liefhebbende maar tegelijk onbereikbare moeder in de beleving van Tjon, door wiens ogen wij het hele verhaal volgen.

Het speelt in de jaren zestig ten tijde van The Beatles en The Rolling Stones. De cultuur die tussen beide Indische broers heerst – de manier van met elkaar omgaan, de onderlinge codes, manipulaties, chantages en overlevingsstrategieën – is levensecht neergezet. Theodor Holman is van huis uit journalist, columnist en scenarioschrijver en dat kun je zien aan de korte hoofdstukken en de veelheid aan dialogen. Wie het boek leest zou gemakkelijk kunnen denken: dat kan ik ook. Vergeet het. Deze schrijver heeft een buitengewone subtiele manier van vertellen, met bijna muzikale herhalingen, een uitstekende timing en veel gevoel voor drama. Hij is een vakman die precies weet wat hij doet, zoals ook zijn held Tjon precies weet wat hij doet wanneer hij in de tuin zijn eigen “Jappenkamp” bouwt en er met zijn schoolvriendjes scenario’s probeert te bedenken om wraak te kunnen nemen op “de vijand”, die zijn vader uiteindelijk ten onder heeft doen gaan.

Tjons puberteit breekt aan en Theodor Holman voert Truusje op als onbereikbare liefde, die zich in rap tempo tot een aantrekkelijke jonge vrouw ontwikkelt. Tjons eerste feestje, bij Truusje, schitterend beschreven, loopt ellendig af voor de jongen, die inmiddels psychisch werkelijk ziek begint te worden. Broer Joost zit intussen om min of meer onduidelijke redenen voor 3 maanden in de gevangenis en het is juist bij afwezigheid van zijn grootste treiterkous dat het voor Tjon werkelijk mis zal gaan. Tjons moeder heeft kennis gekregen aan een andere man, in wie Tjon, hunkerend naar zijn moeder, een vijand ziet. De jongen komt terecht bij een psychiater, ontwikkelt militaristische waanideeën en treedt regelmatig in dialoog met zijn overleden vader. Hoe ellendig alles ook is, Tjon heeft een toekomst, een ideaal, en dat is een medaille krijgen van de koningin. De oorlogsgekte is zijn kop niet meer uit te krijgen, al slaat hij die zelf nog zo hard tegen de muur. Ik ga niet vertellen hoe het verhaal afloopt. Ga het boek zelf maar lezen. Anders mis je een absoluut hoogtepunt in de literatuur van de naoorlogse Indische generatie.

Eerder gepubliceerd in: Indisch Anders, 2e jrg. – nr 01 – april 2007

Hunebedden op Scheveningen

alfred birney Gaat het nou goed of slecht met Neerlands grootste grutter Appie Heijn? Een enorm reclamebord bij een abri schreeuwde me onlangs toe dat AH 1000 producten in prijs gaat verlagen. Ik geloof dat dit keer de drogisterijen de pineut zijn van AH’s prijzenslag. Die zullen wel met een antwoord komen, met gratis zuurkool met worst bij een dozijn tubes tandpasta of zo. Kunnen ze wel betalen, want genaaid zijn we toch al ruim sinds de invoering van de euro. In het pre-eurotijdperk gebeurde dat natuurlijk ook, maar wat minder hard, softer, kortom: lekkerder.

Ik zag dat de door mijn zoontje gewenste middelbare school het vak geschiedenis niet op het lesrooster heeft staan. Ik weet niet meer welk bezopen kabinet dat onderdeel ooit heeft geschrapt, maar de gevolgen zijn om van te huilen. Kijk maar eens naar AH’s koffie. In AH’s assortiment zit een koffiesoort genaamd Gunung Blau. Koffie met een peperachtige smaak, afkomstig van Oost-Java.

Toen AH met die koffie aan kwam zetten, bracht onze grootgrutter het genotmiddel in een bruin pak, waarop de afbeelding prijkte van een mistig bergachtig landschap. Dat was namelijk het Idjen Plateau, ooit door mijn oudoom David B. in cultuur gebracht en reeds in 1895 door de koffie-inkopers hier te lande ontdekt. Het hele gebied rond Djember is trouwens door mijn voorouders in cultuur gebracht. Ik lijd niet aan de tempo-doeloe-ziekte hoor, maar u heeft het nu vast wel te doen met zo’n arme schrijver als ik die voor straf columns moet schrijven om zijn huishuur te kunnen betalen en natuurlijk om die heerlijke koffie van Gunung Blau te kunnen kopen.

Maar ach, snik snik. AH gaat mee met de vormgevingswoede van amateurs die onze echte grafische kunstenaars brodeloos maken. Er komt een nieuwe manager met een flashy laptoppie bij AH aangewaaid en hup het moet weer allemaal anders, want de hersenloze ijdeltuit ziet later graag zijn hoefafdrukken terug in de modder waar hij ooit gelopen heeft. Dus de inhoud moet gelijk blijven, maar het uiterlijk moet anders. En zo wordt het vertrouwde bruine pak van Gunung Blau vervangen door een zilverkleurig pak. Okay, kan ik nog wel inkomen, bruin is wel errug hippiedom jaren zeventig. Maar dan… De historische informatie die op het oude pak stond is botweg geschrapt! En wég is de snoet van de bebrilde meneer in het zegel, dat het pak zo’n mooi historisch Indisch tintje gaf. Nu zit er zo’n lullige antidiefstalbutton op.

Het allerergste is het nieuwe etiket. Een plaatje geschoten vanaf de beroemde Boeddhistische tempel de Borobudur! Die ligt op Midden-Java, Appie Heijn! Nogal een eindje tuffen van daar naar Oost-Java! Als jij straks je Noordzeevis in de vriezers van een grootgrutter op Java wilt gaan leggen, doe je dat dan in oranje doosjes met plaatjes van hunebedden langs de kust van Scheveningen? Ja? Dat noem jij dan zeker ‘de geschiedenis in een ander perspectief zetten.’

Haagsche Courant, vrijdag 4 februari 2005

Hey Mike, lees dit maar niet

alfred birney Kinderen kunnen in enkele dagen een jaar groeien, lijkt het wel. Ik zag mijn zoontje drie dagen niet en opeens staat daar geen zoontje maar een zoon voor me. Gisteren werd hij twaalf. Hij mag nu van mij alleen naar school fietsen. Ik bedoel: hij moet. Hij moet het eens leren. Verder moet hij goede boeken leren lezen, uit alle werelddelen. Er is meer onder de zon dan Cervantes, Stevenson en Carroll. Gaat me wat worden, mijn zoon is namelijk een fan van Dagobert Duck, huh. Gelukkig las hij laatst zeer geboeid een jeugdroman uit van Craig Strete, een indiaanse schrijver uit de USA.

Mijn vader had geen benul van literatuur, maar zag wel dat ik wilde lezen. Hij kwam met de populaire boeken aanzetten over de vliegenier Biggles van W.E. Johns, die oorlog en overheersing verheerlijkte met avonturenromans als ‘Biggles in vijandelijk gebied’. De piloot is er een van het soort ‘helden sterven niet’, de geur van motorolie hangt over de bladzijden. Jaren later las ik dat de Biggles-boeken uit de bibliotheken van Zweden zouden worden gehaald vanwege verhuld racisme.

Mijn vader zal hebben vermoed dat de boeken van Biggles mij niet konden bekoren. Hij kwam aanzetten met de pockets van Karl May, dikke delen waarvan het eerste luidde: ‘Winnetou het grote opperhoofd’. Het was toen dat mijn vader me plechtig zei hoe je eigenlijk een boek moest lezen: ‘Als er staat geschreven dat een Indiaan te paard ergens op een heuvel verschijnt, dan moet je de woorden niet letterlijk lezen maar je er een voorstelling van maken.’

Dat had hij me niet hoeven vertellen, maar braaf als ik was begon ik me van elke zin een extra uitgebreide voorstelling te maken. Creatief ook nog droomde ik elke bladzijde een hele andere kant op dan Karl May had gedaan. Daardoor kreeg ik dat boek slechts met grote moeite uit, terwijl mijn boekenrekje zich allengs vulde met de vele delen uit de Karl May pocketreeks.

Indertijd waren de ‘Illustrated Classics’ populair: literatuur in stripvorm. Chopin zonder middenregister, zeg maar. Gelukkig kreeg ik dat pas veel later in de gaten. Nee, dan nog liever terug naar mijn jeugdliefde, mijn eerste boek, dat ik met Sinterklaas kreeg: ‘Sjors en Sjimmie in Wonderland’. Een strip over een blond jongetje en, zoals dat toen heette, een ‘negerjongetje’. De vriendjes komen terecht in een vervlogen riddertijdperk, ik ben een jaar of zeven, acht, maar raak toch heimelijk verliefd op de jonkvrouw. Het slot van het stripverhaal laat me in verbijstering achter. De hoofdrolspelers in het boek, onder wie de ridder en de jonkvrouw, raken in de tijd bevroren. Het zal 600 jaar duren eer ze weer tot leven komen. Zo oud word ik nooit! Nooit zal ik de jonkvrouw weer tot leven zien komen! Ik achtervolg mijn moeder avondenlang naar de keuken om haar van alles te vragen over leven en dood. Ik krijg geen antwoord. Er is geen sterveling die antwoord krijgt.

Haagsche Courant, vrijdag 3 december 2004

Alfred Byrnye / Bedoelt de butler Birney?

alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ voor de lol boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week, getiteld ‘Leven in MP3-formaat’. Deze andere spelwijze van mijn familienaam is verleden week door allerlei technische oorzaken waarmee ik u nu even niet lastig ga vallen abusievelijk in de kop komen te staan. De ware Alfred Birnie is mijn neef uit de gemeente T., die niet zelden voor de schrijver, columnist Alfred Birney wordt gehouden. Straks gaat ie nog de rechten op mijn vorige column claimen, al zal ie dat gezien zijn levenspeil wel niet nodig hebben. Wie weet is er een nog rijkere derde Alfred B., gespeld Alfred Byrnye, die zich lekker schuil houdt in een imposant kasteel ergens in de Schotse Hooglanden. Een kasteelheer vetgevreten van de haggis (schapenmaag of runderdarm, gevuld met stukjes hart, long, lever, niervet en havermout), zeer belezen maar zelf nauwelijks in staat een ganzenveer of pen vast te houden.
Kasteelheer Alfred Byrnye nipt verveeld van de single malt whisky van Glenfiddich en neemt met een minzaam knikje de Nederlandse krant aan van zijn trouwe butler.
‘Heer Byrnye, uw naam wordt kennelijk ijdel gebruikt in een van de kranten aan de overkant van het Kanaal,’ zegt de butler fronsend.
‘Hm, nou, aan het fotootje te oordelen is het niet direct een Schot die mijn naam boven zijn column zet. Wat denkt u dat er staat, mijn beste? Denkt die armoedzaaier op grond van een kennelijk vage afkomst enig recht te kunnen doen gelden op mijn bezittingen?’
‘Wilt u dat ik het stuk voor u laat vertalen, heer?’
‘Wat kost dat, mijn beste?’
‘Denkelijk al gauw drie eurocent per woord, heer.’
‘Veel te duur! Laat deze zaak maar rusten. Schenk me liever nog een single malt in.’
Waarop de heer zijn butler geruststelt door hem te vertellen dat de spelling van de achternaam Birney diverse varianten kent, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, en dan vergeet hij, overigens met genoegen, de Mac’s nog maar even. Hij, de kasteelheer, is met zijn eruditie heel wel op de hoogte van de grote daden van Carel Birnie, de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag, en van de boeken van ene Alfred Birney, een schrijver die ergens tussen Nederland en Indonesië in hangt en volgens hem dan maar beter ergens op de Indische Oceaan gedropt kan worden, met slechts een rubberbootje en een mondvoorraad aan haggis.
‘Met andere woorden: liever diens boeken en columns naar de haaien, heer?’
‘Gaat er dan iemand boven onze eigen grote dichter Robert Burns, mijn beste?’
‘Is Burns dan eigenlijk een Burnie, heer?’
‘Shut up! Another whisky please.’

Dit is een alternatief voor de geweigerde column Hoe spel je dat nou?
Haagsche Courant, vrijdag 16 juli 2004

Alfred Byrnye / Hoe spel je dat nou?

alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week. Dat is namelijk fout. Alfred Birnie is mijn neef uit Twello, een grafische vormgever die overigens nogal eens voor de schrijver Alfred Birney wordt gehouden. De spelling ‘Byrnye’ die hopelijk boven deze column staat, is ook fout. In mijn geval dan. Het verschil met verleden week is dat een mij onbekend gebleven redactielid het nodig vond mijn naam van ‘Birney’ in ‘Birnie’ te wijzigen en dat deze week ik het zelf nodig vind. Even kijken hoe het met mijn vrijheid van columnist is gesteld. Er ging trouwens meer mis met mijn column verleden week, de tekst kreeg een dubbel slot, deels mijn eigen schuld, ik was vergeten het afgekeurde deel uit het document te wissen, dat stond tien witregels verderop, ik zat aan de whisky, of aan het bier, dat weet ik nu even niet meer.

De spelling van mijn achternaam Birney kent diverse varianten, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, Byrne en ga zo maar door. Dat iemand bij de krant, nadat het 229 columns goed is gegaan, aan de nota bene door mijzelf getypte achternaam is gaan morrelen, is mij een raadsel, maar goed, het is vakantietijd en de een gaat druiven plukken en de ander kruipt achter een pc in een half verlaten redactielokaal.

Wanneer schrijf je nou ‘Birnie’ en wanneer ‘Birney’? Nou, als je het over de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag hebt, neem je de eerste spelling en in het geval van de schrijver, columnist de tweede. Waarom? Omdat zij die namen zo gekregen hebben.

De naam schijnt oorspronkelijk uit het oude Ierland te zijn overgewaaid naar Schotland, naar verluidt als ‘Birnie’ (bright). Toen ergens in de negende eeuw na Christus drie Birnies, strijdend voor de Scoten, door de Picten gevangen werden genomen en zij met hun benen in een houtblok werden vastgezet, waren ze zo vermetel eigenhandig hun benen af te hakken en de strijd hinkend op één been voort te zetten. Kenneth the Second beloonde het drietal met een baronie in Elgin. Zo verkregen mijn verre voorouders een baronie bij Elgin. Op hun wapenschild prijken de obligate leeuw en helm. Het vaandel is bloedrood en wordt doorsneden door een wit erelint. Boven het lint staan pijl en boog afgebeeld. Eronder de drie afgehakte benen, achter elkaar aan wandelend in de richting waarnaar de pijl wijst.

In de twaalfde eeuw werd in de streek een kerkje gebouwd: Birnie Kirk. Het staat er nog steeds. De varianten op de spelling van de naam Birnie begonnen zo’n beetje aan het einde van de vijftiende eeuw, toen de Schotten whisky leerden stoken. Het bijhouden van de kerkregisters zou nooit meer een puur nuchtere aangelegenheid zijn. Dat de spelling vele eeuwen later ook in Nederland voor verwarring zorgt, zal hier het bier dan wel zijn.

Geweigerde column 16 juli 2004

East is East en zoiets

alfred birney Een van de beroemdste uit het verband gerukte citaten uit de traditionele wereldliteratuur is de volgende: East is east and West is West and never the twain shall meet. Wordt verzucht door lui die willen onderstrepen dat het wel nooit wat zal worden tussen Oost en West. Interculturele samenwerking en etnische kruisbestuiving zijn een ijdele hoop en daarom zingen zij: East is East en bla is bla.

Het citaat komt uit het gedicht The ballad of East and West van Rudyard Kipling (1865 – 1936), de eerste Engelse schrijver die de Nobelprijs ontving. Zijn Jungle Book is wereldberoemd en bijkans geannexeerd door Walt Disney. Kipling, geboren in Bombay, propageerde het Britse imperialisme en heeft menig lezer afgeschrikt met zijn twijfelachtige raciale vooroordelen. Dat hij vaak zo slecht is geciteerd is dus niet in de laatste plaats zijn eigen schuld. Het citaat krijgt een andere connotatie wanneer je de hele strofe leest: Oh, East is East and West is West and never the twain shall meet, Till Earth and Sky stand presently at God’s great Judgment Seat; But there is neither East nor West, Border, nor Breed, nor Birth, When two strong men stand face to face, tho’ they come from the ends of earth!

Voorwaar geen grootse poëzie, maar goed, we moeten het ermee doen. Kipling zag dus niet alleen de moeilijkheden tussen Oost en West, maar ook de mogelijkheid van een ontmoeting: But there is neither East nor West… etc. Het is deze uitbreiding die ik laatst een Russische publicist zag gebruiken in een artikel dat Europa ervan moet overtuigen dat Rusland weliswaar ten Oosten van Europa ligt maar dat de Russen zichzelf nooit hebben georiënteerd op India of China en zij alleen daarom al niet tot het Oosten behoren en bovendien op grond van allerlei historische voorbeelden hooguit Oost-Europees genoemd kunnen worden en dat dus toetreding tot Europa niet meer dan ‘natuurlijk’ zou zijn. Tenslotte was Rusland ooit een deel van Europa, etc. Kortom: waar een wil is, is een weg.

Toch had die Rus beter een ander voorbeeld kunnen nemen, want die eerste zin van Kipling zit zo in de westerse kukeleku-cultuur ingebakken, dat zelfs computers ermee zijn besmet. Zo moest er ooit een interface komen voor Windows en Macintosh vanwege allerlei communicatieproblemen. De ontwerpers hadden er een naam voor nodig en verzonnen TWAIN, waarmee ze teruggrepen op Kipling. Omdat TWAIN in hoofdletters werd gespeld dachten velen dat het een acroniem was. Een wedstrijd moest het woord verklaren. Een slimmerik bedacht: Technology Without An Interesting Name… Fun! Intussen is China druk bezig aan een eigen computerbesturingssysteem. Nou Kipling, nog even en je kunt Bill Gates horen orakelen: East is East and West is West and never the technology shall meet.

Haagsche Courant, vrijdag 11 juli 2003