De tolk van Java in aanbiedingsfolder

de tolk van java in aanbiedingsfolderDe vorige week woonde ik een vergadering bij van mijn uitgever en redacteur met een peloton pr-mensen. Ik was de laatste Nederlandstalige schrijver die arriveerde, op één na waren de anderen al vertrokken. Ik had me goed voorbereid, althans: dat dacht ik. Maar tijdens het etentje achteraf liet mijn uitgever me weten dat ik in het begin te veel uitwijdde. Daarom had hij ingegrepen en me met een enkele vraag op het juiste spoor gezet. Wat dat juiste spoor dan wel niet is in deze moderne tijden? Nou, ik moet snel en helder de inhoud van mijn roman uiteen kunnen zetten. Mijn redacteur zei vergoelijkend dat het ook niet bepaald gemakkelijk is om zo’n gelaagde roman, geschreven in verschillende stijlen, eventjes na te vertellen.

Maar het was een zeer leerzaam onderhoud met die pr-mensen, die immers je boek moeten verkopen. Ik ben nu dan ook aan het oefenen hoe ik binnen één minuut mijn roman kan samenvatten, zonder het dikke boek geweld aan te doen. Eerlijk gezegd is het wel een leuke oefening. Ik begon met vijf minuten en zit nu ergens aan de drie minuten. Zodra ik De tolk van Java in één minuut kan samenvatten, slinger ik het op dit blog. Voor wie nieuwsgierig is naar wat er de bladzijden in de aanbiedingsfolder staat, ga naar deze pagina op de website van Uitgeverij De Geus.

Work in process (roman)

manuscript tolk van java

Dit is een snapshot met een iPhone 4 van de eerste versie van mijn aanstaande roman, vers uitgeprint op 460 A4’tjes 70 grams papier, lettertype Times New Roman, regelafstand 1,5 – om kort te gaan: 195.974 woorden. Dat is een pak papier goed voor een paperback van 600 – 700 bladzijden. Zo’n dikke pil schreef ik nooit eerder.

Mijn dikste boek tot nu toe was Het verloren lied, een roman van ongeveer 80.000 woorden, goed voor een paperback van 320 bladzijden. Mijn dunste boek is de novelle Rivier de Lossie, in manuscript 21.501 woorden. Afgerond is mijn dunste boek dus 20.000 woorden lang en dit manuscript, dat ik hier op schoot heb, bijna tienmaal dikker met zo’n 200.000 woorden.

In een dun boek moet elke bladzijde goed zijn, je hebt eenvoudig geen tijd om een aantal zwakke bladzijden goed te maken. Met een dik boek heb je meer speling, je kunt jezelf wel wat minder sterk geschreven bladzijden veroorloven. Dat weet elke schrijver. Maar dan moet het wel een boek zijn met een sterk verhaal, anders smijten de lezers het in de hoek. Ik streef ernaar waar mogelijk flink te schrappen.

Ik schrijf mijn boeken meestal in drie versies. Met deze eerste versie op schoot ga ik het proberen te lezen zoals een lezer dat doet, dus zonder potlood erbij. Dat is al een hele kunst: net doen alsof je alles voor het eerst leest. Fouten laat ik staan, ik kijk alleen naar de voortgang van het verhaal. Aantekeningen maak ik niet. De compositie is goed, denk ik. Ik onthoud vanzelf wel waar het boek eventueel inzakt. Dit zijn spannende dagen voor me.

Ik zou niet weten hoelang ik precies aan dit enorme boek heb gewerkt. Er staan herschreven stukken in van twaalf jaar terug, een interview met mijn moeder en informatie uit de memoires van mijn vader gaan zelfs terug tot 1985. Ik ben aan dit manuscript begonnen direct na de publicatie van mijn essay De dubieuzen in 2012. Hier ligt dus het resultaat van twee jaar hard en intensief ’s nachts in afzondering werken. Ik zou die twee jaren niet graag overdoen…

Later meer over de voortgang, en de inhoud, van dit boek, dat waarschijnlijk De tolk van Java gaat heten.

Meewarig neokoloniaal proza van de eerste generatie

Je hoeft geen Indo te zijn om een Indisch verleden te hebben. Toch bestaat een wezenlijk verschil tussen verhalend proza van Indo-schrijvers en totok-schrijvers, al wordt dat niet altijd gezien. Tjalie Robinson schrijft vanuit de Indo en Hella Haasse kijkt náár de Indo, om maar een pikant voorbeeld te noemen.

Jan Willem Smeets is van de generatie van Yvonne Keuls, F. Springer, Helga Ruebsamen en Paula Gomes. Zijn eerste twee romans verschenen 20 jaar geleden; beeldende kunst is zogezegd zijn hoofdvak. De flaptekst van zijn roman Leugens en lotgenoten (2010) vermeldt dat hij over een “groot stilistisch vermogen” beschikt, maar op de eerste bladzijde bewijst de schrijver al het tegendeel: Hotsebotsend reed ik verder en hield stil voor het huisje van ooit eens gebeitste… Hardleers als deze stilist is, kwakt hij gaandeweg het boek nog meer van dergelijk kinderproza op papier: Hilde dekte rats-boem-knal de tafel

Uitgeverij Ailantus lijkt te bezuinigen op goede redacteuren. Op bladzijde 29 is een niet te missen doublure gewoon blijven staan. Zes bladzijden verder breekt de schrijver impliciet een lans voor verhalend proza als tegenwicht tegen de enorme hoeveelheid non-fictie die over Nederlands-Indië is geschreven. Daar ben ik heel blij mee. Maar meer dan wat clichés over de Hollandse kou, de verdachtenhoek van mensen met een koloniale achtergrond en een strenge opvoeding komt er niet tevoorschijn.

Smeets’ wat meewarige, nonchalante stijl doet soms aan het proza van John Fante denken, maar werkt niet in zijn roman, dat drie hoofdstukken telt, waarin hij aandacht vraagt voor de lotgevallen van totoks. Zijn helden leiden een weinig interessant leven, of ze nou wel of niet in het “jappenkamp” hebben gezeten. Nou hoeven je romanhelden niet direct een spannend leven te leiden, mits je goed schrijft. F. van den Bosch heeft dat stijlvol in zijn kleine oeuvre laten zien.

Het tweede hoofdstuk maakt wel wat goed. Er ontspint zich namelijk gaandeweg een schandaleus verhaal rond een moederfiguur. Jammer genoeg mist de schrijver het vakmanschap van F. Springer om het verhaal werkelijk boeiend te maken. Waar hij wel goed in is, dat zijn de eigen valkuilen die hij in zijn babbelproza graaft. Een voorbeeld:

…maar toen ik merkte dat ik er in hun ogen alleen maar nog vreemder door werd, was ik uiteindelijk maar gaan verwijzen naar Couperus, Dermoût, Du Perron, Székely-Lulofs enzovoort die, zei ik dan, het allemaal heel wat beter hadden beschreven dan ik zou kunnen.

Wat bedoelt de schrijver met “zei ik dan”? Dat hij inmiddels wél zo ver is dat hij zich kan meten met de namen die hij noemt? Stel dat het in verhaaltechnisch en stilistisch opzicht zo zou zijn geweest, dan nog had ik mijn twijfels gehad over de mentaliteit van de verteller van het verhaal. Zijn houding ten opzichte van Indonesiërs is niet bijster sympathiek: “roomservice” blijft “roomservice”, want Smeets is eenvoudigweg te beroerd om van bedienend personeel mensen van vlees en bloed te maken. Op dat punt kan hij zich intussen wel meten met iemand als Székely-Lulofs, die daar ook een handje van had. Kortom, Smeets is wat dat betreft nooit verder gekomen dan zijn kinderjaren, toen Székely-Lulofs op het toppunt van haar roem was. Onbegrijpelijk dat dit soort neokoloniale romans nog wordt uitgegeven.

© 2010 Alfred Birney. Verscheen eerder in Archipel Magazine, jaargang 12, winternummer 2010

Superieur Indisch proza van Theodor Holman

Oorlog houdt niet op wanneer ergens de vrede wordt getekend. De herinnering blijft getroffenen voor de rest van hun leven achtervolgen, dat is bekend. Minder bekend is het relaas van hun kinderen. Ouders met een oorlogsverleden kunnen een gedrag vertonen of gewoonten ontwikkelen met verregaande, vaak desastreuze gevolgen voor hun kinderen. Dat is het uitgangspunt van Theodor Holmans jongste roman Tjon.

De gelijknamige held is een jongen van 12. We volgen zijn geschiedenis tot zijn 14e jaar, maar zien hem nauwelijks groter en volwassener worden, eerder kleiner en kinderlijker. Het boek is geschreven in de van Theodor Holman bekende hilarische schrijfstijl, wat de lectuur snel, licht en soms buitengewoon amusant maakt maar toch nergens de diepe tragiek wegneemt die het gezin achtervolgt vanaf de Japanse bezetting in Nederlands-Indië tot het burgerleven in Amsterdam.

Bijzonder, als een statement bijna, is dat de ervaringen van de ouders in de Japanse kampen tijdens WO-II via hun zonen tot ons komen. De ouders hebben een heden, hun zonen een verleden. De verhalen worden, verwrongen en vol verzinsels, doorgegeven via Joost, de vier jaar oudere broer van Tjon. Joost heeft een voorsprong in kennis ten opzichte van Tjon, maar is al zo verknipt in zijn gedrag dat hij zijn broertje bijna alleen maar kan pesten met de gruwelijke verhalen die hij van zijn ouders kent. De vader zit dan al in een inrichting, terwijl de moeder vruchteloos probeert de ontwikkeling van haar telgen te sturen. Ze is een liefhebbende maar tegelijk onbereikbare moeder in de beleving van Tjon, door wiens ogen wij het hele verhaal volgen.

Het speelt in de jaren zestig ten tijde van The Beatles en The Rolling Stones. De cultuur die tussen beide Indische broers heerst – de manier van met elkaar omgaan, de onderlinge codes, manipulaties, chantages en overlevingsstrategieën – is levensecht neergezet. Theodor Holman is van huis uit journalist, columnist en scenarioschrijver en dat kun je zien aan de korte hoofdstukken en de veelheid aan dialogen. Wie het boek leest zou gemakkelijk kunnen denken: dat kan ik ook. Vergeet het. Deze schrijver heeft een buitengewone subtiele manier van vertellen, met bijna muzikale herhalingen, een uitstekende timing en veel gevoel voor drama. Hij is een vakman die precies weet wat hij doet, zoals ook zijn held Tjon precies weet wat hij doet wanneer hij in de tuin zijn eigen “Jappenkamp” bouwt en er met zijn schoolvriendjes scenario’s probeert te bedenken om wraak te kunnen nemen op “de vijand”, die zijn vader uiteindelijk ten onder heeft doen gaan.

Tjons puberteit breekt aan en Theodor Holman voert Truusje op als onbereikbare liefde, die zich in rap tempo tot een aantrekkelijke jonge vrouw ontwikkelt. Tjons eerste feestje, bij Truusje, schitterend beschreven, loopt ellendig af voor de jongen, die inmiddels psychisch werkelijk ziek begint te worden. Broer Joost zit intussen om min of meer onduidelijke redenen voor 3 maanden in de gevangenis en het is juist bij afwezigheid van zijn grootste treiterkous dat het voor Tjon werkelijk mis zal gaan. Tjons moeder heeft kennis gekregen aan een andere man, in wie Tjon, hunkerend naar zijn moeder, een vijand ziet. De jongen komt terecht bij een psychiater, ontwikkelt militaristische waanideeën en treedt regelmatig in dialoog met zijn overleden vader. Hoe ellendig alles ook is, Tjon heeft een toekomst, een ideaal, en dat is een medaille krijgen van de koningin. De oorlogsgekte is zijn kop niet meer uit te krijgen, al slaat hij die zelf nog zo hard tegen de muur. Ik ga niet vertellen hoe het verhaal afloopt. Ga het boek zelf maar lezen. Anders mis je een absoluut hoogtepunt in de literatuur van de naoorlogse Indische generatie.

Eerder gepubliceerd in: Indisch Anders, 2e jrg. – nr 01 – april 2007

Vakantie in galgenland

alfred birney Het is weer lente als ik me niet vergis. Het weer valt tegen, automobilisten rijden chagrijnig door rood en besproeien en passant een rijtje passagiers onder een abri, er staan files voor de reisbureaus, websites van zonaanbieders gaan plat door te hoge bezoekersaantallen en het KNMI krijgt nog net geen bommeldingen binnen. Maar wat niet is, kan nog komen. Behalve de zon dan, laten we die maar even vergeten.
Of Chinezen op de weerkaart kijken voor ze een vakantie boeken naar Holland denk ik niet, aangezien de Chinees van een blanke huid houdt en wijselijk het zonlicht mijdt. Voor arabieren worden speciaal regenvakanties georganiseerd, dus die zitten in elk geval goed bij ons. Geen idee wat Chinezen hier zouden moeten komen zoeken, of ze bijvoorbeeld van Van Gogh houden, zoals de Japanners, met wie ze momenteel zo’n ruzie maken vanwege de verdraaiing van de geschiedenis in de Japanse schoolboeken, terwijl ze zelf momenteel de Tibetanen onder de zoden walsen terwijl Bush & Co toevallig de andere kant op kijken.
Maar daar wou ik het niet over hebben. Feit is dat het Nederlands Bureau voor Toerisme & Congressen, kortweg het NBTC, een toename verwacht van Chinese toeristen. China is booming, snelwegen worden met een noodgang aangelegd, autofabrieken draaien op volle toeren en reeds nu al verveelt de Chinees zich zo, dat het vliegtuig naar Holland lonkt. Tulpen, rosse buurten, patat met mayo, weet ik het.
Chinezen zitten niet alleen in China en Taiwan maar ook in Singapore. Verleden jaar kwam er eentje naast me in het vliegtuig zitten toen ik van Jakarta via Singapore terug moest naar Amsterdam, pardon eh… Den Haag. Nou, die man bekijkt me zo’n beetje van opzij, ik bekijk hem zo’n beetje van opzij, hij mij weer, u weet wel hoe dat gaat, en toen vroeg hij me waar ik vandaan kwam.
‘Holland,’ zei ik.
‘Ah, Holland! Is het mooi in Holland? Ik wil graag eens met vakantie naar Holland. Hoe is het leven in Holland?’
Om een lang verhaal kort te maken: ik vertelde hem van alles over Holland, dus ook over het geweld op straat, zelfs jegens toeristen, die in Amsterdam worden bestolen alsof het om seriewerk gaat.
‘O, dus bij jullie worden dagelijks een hoop criminelen opgehangen zeker? Bij ons maar drie per dag!’
‘Welnee, ze krijgen hooguit een taakstraf.’
‘Een taakstraf? Wat is een taakstraf?’
‘O, dan moeten ze 40 uur bussen wassen of zo.’
‘Wat zegt u? Bussen wassen? Niet de galg? Wáárom niet de galg?’
Ik heb het die man niet kunnen uitleggen. Daarvoor duurde de vlucht te kort. Toen de man uitstapte zei hij dat hij toch maar liever vakantie ging vieren in een land waar de doodstraf nog bestaat. Amerika dus. Dit is geen hint voor de EU overigens.

Haagsche Courant, vrijdag 15 april 2005

Qutdiktee

alfred birney Als ik ergens een hekel aan heb, dan is het wel aan dictees. Dictees hebben een hoog normgehalte en een laag waardegehalte. Een dictee is een test in na-aperij, anders niet. Met schrijven heeft het weinig te maken. Daarom zie je schrijvers nooit nummer 1 worden bij een dicteewedstrijd. Spellen is niet creatief. Het leert je niet je beter uit te drukken. Zelfs niet beter te luisteren. En dan veranderen ze in Nederland ook nog om de haverklap de spelling, en die blijft hopeloos. Volkomen nutteloze bezigheid. Spellen. Je hebt er gevoel voor of niet. No matter what de regels, als jij tollol in spellen, nou sudah al, maar geef niet, al die soesah, niet noodigh as perhaal maar mooi. Hm! Neem een zin uit een roman van Edgar Caïro: ‘Hij keek weer fo zich uit, na’ die stoel vlak voor ‘em.’ Of uit een verhaal van Tjalie Robinson over een autoliefhebber: ‘Hep je hesien de merk fan mijn caar?’ Nou, laat dit de kids uit groep 8 spellen en ze komen met prachtige varianten! Enorme stimulans je eyge perosa te gaan schreivah! Spélen met spelling, multiculti schrijven, da’s pas vet! Helaas kregen onlangs 900 slaafjes uit groep 8 het Vijfde Haags Multicultureel Dictee door de strot gedauwd. Een 8telijk verhaaltje over een ooievaar die zijn wijf en kroost laat zitten en op het Thomsonplein tot inkeer komt bij de klanken van rapmuziek. Aldus voorgelezen door rapper MohCain. Maar nie eens fuck en shit in het dictee! Treurig, niet? Mahal? Shoarma? Neks van dat! Terwijl het toch gaat om een ooievaar die zijn vrouw Fatima of all names heeft ontmoet tijdens een overwintering in Marokko. Hoe is die ooievaar daar eigenlijk terechtgekomen? Ooievaars maken veel gebruik van thermiek bij het vliegen. Boven de Middellandse Zee is geen thermiek en vaak vliegen ze om de zee heen naar het gebied van de Niger. De Straat van Gibraltar wordt weleens door vermetele troepen overgestoken, dus het kan zijn dat men soms ooievaars ziet vliegen boven Marokko. Maar neerstrijken doen die vogels daar niet. Hier stijgt de norm van de spelling wel heel ver boven de waerde van het verhaal uit. De kids uit groep 8 vonden desgevraagd ‘ooievaar’ over het algemeen een ‘moeilijk woord’. Nou, volgens mij vonden ze het gewoon een qutwoord. Kleine kinderen gaan hier al vroeg in voorop door ooievaar consequent olivaar te noemen. Gespeld: oliefar. Want één a schrijft een klein kind niet met twee a’s. Een a is een a, wah? Wat is er trouwens zo multicultureel aan een olievaer? Dat ie in Nederland broedt en in Afrika gaat liggen zonnebaden? Doen toeristen ook! Is een vogel die in zijn land van herkomst zijn bruid gaat halen niet nogal monocultureel gericht? Dat multicultureel dictee over die oliefaar is gewoon een inburgeringsdictee, geen gelul nou hey! Daar horen woorden in als ‘toelatingsbeleid’, ‘aanmeldprocedure’, ‘verblijfsstatus’ en zo meer. Maar dat vonden de stellers zeker te makkelijk voor onze immigrantenkinderen.

Haagsche Courant, vrijdag 16 april 2004

Hé, niet zoenen op het zebrapad

alfred birney Deze titel is van een liedje uit de jaren zestig, vreselijk tutnummer met een knipoog naar de inburgering van de kus in het openbaar. Oudere mensen, heimelijk terugverlangend naar hun herdersuurtjes tussen de paardenbloemen, in de hooischuur of weet ik veel, wierpen zoenende stelletjes nog wel hatelijke blikken toe, maar de buizenradio was machtig en het zebrapad nogal smal, dus dat werd hangen en zoenen tegen de muren met de krijthartjes. Later werd het de achterbank van de auto, toen de huiskamer en voor zo ver ik weet heeft de televisie intussen de tongzoen geclaimd voor datingspelletjes: twee jongelui hebben elkaar nog niet in de ogen gekeken en hup de tongen glijden als vette haringen bij elkaar naar binnen. ‘Niet zoenen op het zebrapad’ geldt dus nog altijd en is vooral praktisch want voor je het weet rijdt de een of andere aso met injectiemotor jou en je liefje de vernieling in. Zoals u weet liggen de zebrapaden hier niet voor voetgangers maar voor ufonauten, die de opdracht hebben graancirkels in weilanden te tekenen, buiten de zebrapaden dus. Ik zie de laatste jaren weinig gezoen meer op straat, er moet geloof ik meteen geneukt worden, dan weet je meteen wat voor vlees je in de kuip hebt. De Indonesiërs volgen ons via de berichten van de ufonauten, zien de bui al hangen en komen nu met een wetsvoorstel om zoenen op straat te bestraffen met vijf jaar cel. Vijf jaar! Ja, en die gevangenissen daar zijn niet misselijk! Bloedheet, met zijn tienen in een cel, knokken voor je ellendige leven en droge rijst met kakkerlakken vreten. Ben je lekker mee, sta je eerst nog lekker te zoenen aan de Malioboro in Jogjakarta en een week later word je verkracht door medegevangenen die al vier, vijf makkers het leven uit hebben gejend. En wat staat er nou op zoiets als vrouwenmishandeling? Niks, want dat vindt plaats binnen de beslotenheid van het gezin. Onlangs verscheen een vertaling van een roman over dat thema van mij in Indonesië en ik had er nu eigenlijk moeten zijn om het boek te promoten. Maar er is veel soesa aan de overkant: de aanloop naar de partijverkiezingen, dan de verkiezingen, dan de aanloop naar de presidentsverkiezingen, weer verkiezingen, eventuele herverkiezingen, en dan is het weer ramadan. Laat dat boek zichzelf dan maar verkopen. Wordt niet in gezoend trouwens. Zit wel wat seks in, tussen een Indo en een Indonesisch meisje. Of is het porno? Momenteel probeert een parlementscommissie tot een definiëring van porno te komen. Begint al lekker: erotisch dansen is porno en goed voor tien jaar cel! Wat dat allemaal gaat worden daar zou ik niet durven voorspellen, de islamitische wetgeving is er nog niet ingevoerd. Maar dat de koude oorlog tussen islam en christendom wereldwijde hysterie geeft is wel duidelijk. Waar blijven die ufonauten nou om ons te verlossen? Of worden die in naam van hun commandant vernietigd als ze in hun graancirkels hebben liggen vrijen?

Haagsche Courant, vrijdag 12 maart 2004

Gods Prullenbak

alfred birney Weer eentje dood, iedereen gaat maar dood, je wordt er doodziek van, elke week is het prijs, het lijkt wel alsof ze geen zin hebben in alweer zo’n neplente zonder zon en hoop. Niet dat ik een rouwkaart ontving, de dood valt tegenwoordig per e-mail in het postvak, met de virusmeldingen, spam en funny mail. De dood van een Indische jongen is behalve de dood van een individu ook een knaag aan de Indische gemeenschap, die gedoemd is uit te sterven. Of ik dat treurig moet vinden weet ik niet, de Indische geschiedenis is niet bijster vrolijk. Achterlijk van de CPNB om nooit eens een Indische auteur uit te nodigen het boekenweekgeschenk te schrijven. Theodor Holman lijkt me wel geinig. Die schrijft zo’n boekenweekgeschenkje in een weekend in de etalage van de Bijenkorf, als het moet met de camera’s op zich gericht. De literatuur is onderhand wel toe aan een gimmick, als je het reilen en zeilen van de CPNB in ogenschouw neemt. In 1992 stond de boekenweek in het teken van Nederlands-Indië. Kregen we een geschenkje over weerborstels van een Brabander. In 2001 luidde het thema: tussen twee culturen. Kregen we een uit het Engels vertaalde folder van een ex-vogelvrije megasellerauteur, zonder weerborstels maar met baard. Uit protest begon ik een multiculturele internetsite. Wie deden er mee? Indo’s, Molukkers en Surinamers. Geen Irakees, Turk, Marokkaan of Iraniër te bekennen. Wel later schijnheilig e-mailen dat ze de weekreportages prachtig vonden. Maar meedoen? Ho maar! Te druk met pr-geslijm met de CPNB-maffia, die hen eerder zo hard liet vallen, in plaats van die club de vernieling in schrijven. Maar ja, een pen is geen raket, hè? En die lui van de CPNB lezen toch niet, hebben ze geen tijd voor. Ze volgen de toptien en dat is het. Vandaar die afgezaagde boekenweekthemaatjes. Dit jaar dus: de dood. Met een verbluffende diepzinnigheid stoppen ze er ook het leven in. De grote drie thema’s uit de literatuur, dames en heren: liefde, God en de dood. Kan een deur wijder worden opengetrapt? Als ze nou eens voor een ander perspectief hadden gekozen, okay. Maar dan zetten ze er weer zo’n provinciaaltje op. De CPNB en het koor der recensenten, journalisten en overige medialui kraaiden twee jaar terug nog: ‘De Nederlandse literatuur bestaat niet meer, is allang multicultureel geworden!’ Intussen werden tientallen multiculturele Nederlandstalige schrijvers gestraft omdat ze hadden vergeten in het Engels te schrijven. Cult-uitgeverij Vassallucci haalde nog een jochie van de schoolbanken om hem een roman te laten bakken waarmee ook hij een fatwa over zich heen zou krijgen. Kan het dommer? Je moet nu echt voor je kop geschoten worden als je zo nodig die boekentoptien in wilt. Dan ben je beroemd. En dood. Ongevraagd dan, hè? Mocht de CPNB ooit zelf de moord stikken, dan zijn we nog niet verlost van de CPGP: de Collectieve Propaganda van Gods Prullenbak. Wat dát is? Windows heeft er in elk geval een icoontje voor… Click! Weet u zeker dat u de rouwfolder naar de prullenbak wilt verplaatsen? Ja / Nee.

Haagsche Courant, vrijdag 14 maart 2003

Brown eyed girl

alfred birney Nani is een dochter van een Hollandse matroos die in Semarang is blijven hangen en er met een welgestelde weduwe uit Nias is gehuwd. De koffieonderneming op de berg Kawi is een paradijs om in op te groeien, samen met Rudi, een verweesde Indo wiens vader er ooit opzichter was. Nani en Rudi groeien op als broer en zus. Ze bezoeken een particulier schooltje dat door een weduwe wordt gerund voor kinderen van Europeanen en rijke Chinezen. Rudi is Nani’s held, samen beleven ze klassieke Indische avonturen. Hij redt haar uit de klauwen van een aap en zelfs van een wisse dood door met een speer een dolgeworden banteng te verslaan. Maar op een dag verschijnt een Franse gouvernante op de koffieonderneming. Die weet Nani’s ouders te overreden de twee van elkaar te scheiden. De jongen zou immers weldra met andere ogen tegen zijn ‘zusje’ aan gaan kijken. Wah! Rudi wordt verbannen naar de bijgebouwen, terwijl Nani in het hoofdgebouw onderworpen wordt aan een deftige Europese opvoeding en gekoppeld aan een arts van niks uit Zoeterwoude. In jagen heeft Rudi geen lol meer, voor hem rest slechts een portretje van Nani, én goena-goena: tovenarij… Ziehier het motief van een vergeten roman uit 1905 van Victor Ido: In vreemde sferen.

Zestig jaar later is het een hele andere tijd. Europeanen kunnen niet zomaar meer naar de Oost om er hun geluk te beproeven. Nederlands-Indië bestaat niet meer, het land heet Indonesië en Nederland stelt weinig meer voor. In Belfast, Noord-Ierland, staat een zanger op met een grote bek en een hang naar blues. Hij heet Van Morrison, richt de groep Them op en scoort een hit met Gloria. Dan steekt hij over naar Amerika en scoort ook daar een hit: Brown Eyed Girl. In het tweede couplet haalt hij herinneringen op aan een meisje: Hey whatever happened, tuesday went so slow / Goin down the old mine with a transistor radio / Standin’ in the sunlight laughin’, hide behind the rainbow’s wall / Slippin’ and a-slidin’, all along the waterfall with you / My brown eyed girl, you my brown eyed girl.

Waarom of waardoor hij haar verliest, wordt door Van Morrison niet bezongen. Het gebeurt gewoon. Dat kan ook in een boek. Maar romans waarin raadselen veeleer worden vergroot, zijn helaas niet zo talrijk als die waarin alles vanuit het menselijk handelen tot op het bot wordt verklaard. De gefileerde motieven in Victor Ido’s boek vernachelen de dramatiek. Dit aan Indië tijdgebonden werk vindt alleen zijn weg nog naar de freak. Was het verhaal dichter bij Rudi en Nani gebleven en minder uitgewaaierd naar te veel doortrapte bijfiguren, dan zou het boek misschien de tijd beter hebben doorstaan. Het verliezen van een geliefde hoort bij het leven, eigenlijk bij elk leven, onverschillig tijd, plaats, omstandigheden. Wie dat niet zo ervaart en het ondanks die vorm van maagdelijkheid in een raciale zedenschets verpakt, die neuriet het deuntje van de toevallige passant. Kan ook mooi zijn, daar niet van. Even.

Haagsche Courant, vrijdag 3 januari 2003
Copyright © 2003 Alfred Birney

Blacklisting

alfred birney De meest gestelde vraag in de afgelopen weken op Java: ‘Was u niet bang om te komen?’ Een journaliste opende haar interview met de woorden: ‘Het verheugt me dat u ondanks de commotie rond de Bali-bombing toch bent gekomen.’ Op een podium in Semarang opende de gespreksleider schalks de discussie rond mijn roman als volgt: ‘Wij heten de schrijver Alfred Birney van harte welkom en hopen dat hij zich een beetje senang voelt met al die bommeldingen om zich heen.’ Waarop de zaal dubbel lag van het lachen. De grappen rond bommeldingen waren niet van de lucht, want ja, sommige waren zo idioot dat je ze onmogelijk serieus kon nemen. Zoals: ‘Vannacht om twaalf uur zal in Toko Oen een bom afgaan vanwege te veel ketjap over de gurami.’ Waar onrust heerst, steekt humor de kop op. Nou wordt die onrust eerder aangewakkerd door de negatieve reisadviezen uit het Westen dan door de angst voor een volgende bomaanslag. Geen toeristen: armoede. Hotelpersoneel staart lege eetzalen in. Een enkele student waagt zich voorzichtig aan kritiek op het dominante Westen. Vooraanstaande schrijvers en intellectuelen laten zich duidelijker horen: Amerika sloot na de aanslag op 11 september verleden jaar het luchtruim, maar heeft zichzelf nooit tot onveilig gebied verklaard. Amerika verklaarde de rest van de wereld tot onveilig gebied, bepaald voor Amerikanen, tot aan Den Haag toe. Inderdaad kent ook Europa terreur, weet de Indonesiër. Rusland ligt er niet ver vandaan. Tsjetsjenen voeren hun ‘new war’ in Moskou. Intussen schijnt op Java de zon.

Haagsche Courant, woensdag 6 november 2002