Postkoloniaal naschrift

Op het moment van dit schrijven vindt er een Oeroeg-hype plaats in de Modderpoel van West-Europa. De filmversie van het boek wordt op de televisie uitgezonden. Er vinden talloze lezingenavonden plaats met medewerking van wetenschappers die onnadenkend de literaire canon dichtmetselen tegen aanvallen van buitenaf. Als klap op de vuurpijl doedelzakt er een speciale voorleestrein op het traject Amsterdam – Den Haag vol BN’ers die geen idee hebben van de koloniale onnozelheid waarvan Oeroeg doortrokken is. Het hele circus schijnt bedoeld om een discussie aan te wakkeren. Maar obligaat gezemel houdt geen miljoen door de CPNB verspreide exemplaren van het beroerdste boek rond de vrijheidsstrijd van Indonesië tegen. Welk thema moet de discussie eigenlijk dienen? De tragiek in tijden van oorlog of het ‘tragische’ einde van Neerlands koloniale heerschappij?

De ‘tragiek’ volgens Hella Haasse in Oeroeg werd al in juni 1948 door Tjalie Robinson als volstrekt onwaarachtig afgedaan. Dat diens nog altijd actuele, scherpe kritiek de CPNB na zestig jaar nóg niet heeft gehaald is pijnlijk. En verwarrend, vooral voor Indo’s, die zich nauwelijks in dat boek herkennen. Nou is verwarring wel zo ongeveer synoniem aan Neerlands oorlogsjaren. Duurde die oorlog nou van 1940 tot 1945, tot 1949 of tot 1963, toen de VN Nieuw-Guinea aan Indonesië overdroeg?

Ik leerde ooit een ernstige snoet trekken bij deprimerend klokgelui op elke 4e meiavond. Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei: de Duitse capitulatie in Nederland. Mijn Indo-vader vierde de 15e augustus: de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Ik ben nooit bij die herdenking rond het Indisch Monument in Den Haag geweest. Ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorstin en Vaderland. En zij houden niet van mij: een ‘linkse Indo’ in hun ogen.

Er is nog altijd gedoe over de onafhankelijkheidsdatum van Indonesië. De Indonesiërs houden het op 17 augustus 1945, toen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië uitriepen. Zestig jaar na dato accepteerde onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ alsnog de datum van 17 augustus 1945 als de dag van de onafhankelijkheid. Politieke onzin natuurlijk, want het gaat om een onafhankelijkheidsverklaring. Tussen die verklaring en de feitelijke soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949, ligt een poel van bloed, zweet en tranen.

Dat in geschiedenisboeken nog altijd eufemistisch over de Politionele Acties wordt gesproken is een ontkenning van de vieze oorlog die Nederland overzee voerde. Voor Indo’s was het een lange oorlog. Zij maken sindsdien een spagaat tussen beide landen en worden daar onderhand stram en stijf van. Elke oorlog eindigt op papier. En wordt uiteindelijk fictie. Oeroeg is pulpfictie. Dat de kritiek van Tjalie Robinson nooit gehoord werd is veel tragischer dan dat verhaal zelf.

© 2009 Alfred Birney – gastcolumn voor De Republikein winternr 2009/10

Tjalie

tjalieZou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 20 december 2008, waarschijnlijk onder een uitgebreidere titel.

Superieur Indisch proza van Theodor Holman

Oorlog houdt niet op wanneer ergens de vrede wordt getekend. De herinnering blijft getroffenen voor de rest van hun leven achtervolgen, dat is bekend. Minder bekend is het relaas van hun kinderen. Ouders met een oorlogsverleden kunnen een gedrag vertonen of gewoonten ontwikkelen met verregaande, vaak desastreuze gevolgen voor hun kinderen. Dat is het uitgangspunt van Theodor Holmans jongste roman Tjon.

De gelijknamige held is een jongen van 12. We volgen zijn geschiedenis tot zijn 14e jaar, maar zien hem nauwelijks groter en volwassener worden, eerder kleiner en kinderlijker. Het boek is geschreven in de van Theodor Holman bekende hilarische schrijfstijl, wat de lectuur snel, licht en soms buitengewoon amusant maakt maar toch nergens de diepe tragiek wegneemt die het gezin achtervolgt vanaf de Japanse bezetting in Nederlands-Indië tot het burgerleven in Amsterdam.

Bijzonder, als een statement bijna, is dat de ervaringen van de ouders in de Japanse kampen tijdens WO-II via hun zonen tot ons komen. De ouders hebben een heden, hun zonen een verleden. De verhalen worden, verwrongen en vol verzinsels, doorgegeven via Joost, de vier jaar oudere broer van Tjon. Joost heeft een voorsprong in kennis ten opzichte van Tjon, maar is al zo verknipt in zijn gedrag dat hij zijn broertje bijna alleen maar kan pesten met de gruwelijke verhalen die hij van zijn ouders kent. De vader zit dan al in een inrichting, terwijl de moeder vruchteloos probeert de ontwikkeling van haar telgen te sturen. Ze is een liefhebbende maar tegelijk onbereikbare moeder in de beleving van Tjon, door wiens ogen wij het hele verhaal volgen.

Het speelt in de jaren zestig ten tijde van The Beatles en The Rolling Stones. De cultuur die tussen beide Indische broers heerst – de manier van met elkaar omgaan, de onderlinge codes, manipulaties, chantages en overlevingsstrategieën – is levensecht neergezet. Theodor Holman is van huis uit journalist, columnist en scenarioschrijver en dat kun je zien aan de korte hoofdstukken en de veelheid aan dialogen. Wie het boek leest zou gemakkelijk kunnen denken: dat kan ik ook. Vergeet het. Deze schrijver heeft een buitengewone subtiele manier van vertellen, met bijna muzikale herhalingen, een uitstekende timing en veel gevoel voor drama. Hij is een vakman die precies weet wat hij doet, zoals ook zijn held Tjon precies weet wat hij doet wanneer hij in de tuin zijn eigen “Jappenkamp” bouwt en er met zijn schoolvriendjes scenario’s probeert te bedenken om wraak te kunnen nemen op “de vijand”, die zijn vader uiteindelijk ten onder heeft doen gaan.

Tjons puberteit breekt aan en Theodor Holman voert Truusje op als onbereikbare liefde, die zich in rap tempo tot een aantrekkelijke jonge vrouw ontwikkelt. Tjons eerste feestje, bij Truusje, schitterend beschreven, loopt ellendig af voor de jongen, die inmiddels psychisch werkelijk ziek begint te worden. Broer Joost zit intussen om min of meer onduidelijke redenen voor 3 maanden in de gevangenis en het is juist bij afwezigheid van zijn grootste treiterkous dat het voor Tjon werkelijk mis zal gaan. Tjons moeder heeft kennis gekregen aan een andere man, in wie Tjon, hunkerend naar zijn moeder, een vijand ziet. De jongen komt terecht bij een psychiater, ontwikkelt militaristische waanideeën en treedt regelmatig in dialoog met zijn overleden vader. Hoe ellendig alles ook is, Tjon heeft een toekomst, een ideaal, en dat is een medaille krijgen van de koningin. De oorlogsgekte is zijn kop niet meer uit te krijgen, al slaat hij die zelf nog zo hard tegen de muur. Ik ga niet vertellen hoe het verhaal afloopt. Ga het boek zelf maar lezen. Anders mis je een absoluut hoogtepunt in de literatuur van de naoorlogse Indische generatie.

Eerder gepubliceerd in: Indisch Anders, 2e jrg. – nr 01 – april 2007

Hey Mike, lees dit maar niet

alfred birney Kinderen kunnen in enkele dagen een jaar groeien, lijkt het wel. Ik zag mijn zoontje drie dagen niet en opeens staat daar geen zoontje maar een zoon voor me. Gisteren werd hij twaalf. Hij mag nu van mij alleen naar school fietsen. Ik bedoel: hij moet. Hij moet het eens leren. Verder moet hij goede boeken leren lezen, uit alle werelddelen. Er is meer onder de zon dan Cervantes, Stevenson en Carroll. Gaat me wat worden, mijn zoon is namelijk een fan van Dagobert Duck, huh. Gelukkig las hij laatst zeer geboeid een jeugdroman uit van Craig Strete, een indiaanse schrijver uit de USA.

Mijn vader had geen benul van literatuur, maar zag wel dat ik wilde lezen. Hij kwam met de populaire boeken aanzetten over de vliegenier Biggles van W.E. Johns, die oorlog en overheersing verheerlijkte met avonturenromans als ‘Biggles in vijandelijk gebied’. De piloot is er een van het soort ‘helden sterven niet’, de geur van motorolie hangt over de bladzijden. Jaren later las ik dat de Biggles-boeken uit de bibliotheken van Zweden zouden worden gehaald vanwege verhuld racisme.

Mijn vader zal hebben vermoed dat de boeken van Biggles mij niet konden bekoren. Hij kwam aanzetten met de pockets van Karl May, dikke delen waarvan het eerste luidde: ‘Winnetou het grote opperhoofd’. Het was toen dat mijn vader me plechtig zei hoe je eigenlijk een boek moest lezen: ‘Als er staat geschreven dat een Indiaan te paard ergens op een heuvel verschijnt, dan moet je de woorden niet letterlijk lezen maar je er een voorstelling van maken.’

Dat had hij me niet hoeven vertellen, maar braaf als ik was begon ik me van elke zin een extra uitgebreide voorstelling te maken. Creatief ook nog droomde ik elke bladzijde een hele andere kant op dan Karl May had gedaan. Daardoor kreeg ik dat boek slechts met grote moeite uit, terwijl mijn boekenrekje zich allengs vulde met de vele delen uit de Karl May pocketreeks.

Indertijd waren de ‘Illustrated Classics’ populair: literatuur in stripvorm. Chopin zonder middenregister, zeg maar. Gelukkig kreeg ik dat pas veel later in de gaten. Nee, dan nog liever terug naar mijn jeugdliefde, mijn eerste boek, dat ik met Sinterklaas kreeg: ‘Sjors en Sjimmie in Wonderland’. Een strip over een blond jongetje en, zoals dat toen heette, een ‘negerjongetje’. De vriendjes komen terecht in een vervlogen riddertijdperk, ik ben een jaar of zeven, acht, maar raak toch heimelijk verliefd op de jonkvrouw. Het slot van het stripverhaal laat me in verbijstering achter. De hoofdrolspelers in het boek, onder wie de ridder en de jonkvrouw, raken in de tijd bevroren. Het zal 600 jaar duren eer ze weer tot leven komen. Zo oud word ik nooit! Nooit zal ik de jonkvrouw weer tot leven zien komen! Ik achtervolg mijn moeder avondenlang naar de keuken om haar van alles te vragen over leven en dood. Ik krijg geen antwoord. Er is geen sterveling die antwoord krijgt.

Haagsche Courant, vrijdag 3 december 2004

We kunnen het maar niet geloven

alfred birney Volgens mij zullen mensen met moslimuiterlijk en zonder jihadneigingen zich deze dagen ongeveer voelen zoals ik me voelde tijdens de Molukse treinkapingen in de jaren zeventig. De eerste treinkaping joeg me naar de spiegel, zodat ik vast kon stellen dat ik inderdaad wel wat weg had van een Molukker. Ik was als Indische jongen van kinds af aan al uitgescholden, dus daar viel nog wel weer mee te leven. Maar tijdens de tweede treinkaping, in 1977, werd het menens. Indische vrienden van me werden het ziekenhuis in geslagen en ik durfde in het weekend de straat niet meer op.

Ik bewoonde een kamer in een huisjesmelkerpand aan de Bazarstraat. Ik zat lekker tussen de Hollanders en die deden boodschappen voor me. Ik had een kantoorbaantje en tijdens de lunchpauze op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen in een wijde boog om me heen. Niet bijster prettig. Je besprak de toestand met wildvreemde Indische generatiegenoten op straat en we konden die Molukkers wel vervloeken. Totdat de regering een troep mariniers naar de gekaapte trein stuurde en er zes Molukkers overhoop werden geschoten. Dat geschiedde onder druk van de toenmalige minister van justitie Van Agt, hij die nota bene nu met een bord voor zijn kop vice-premier Zalm ‘oorlogstaal’ verwijt. Voorlopig zijn er onder Zalm en Balkenende nog geen doden gevallen. Dat kon Van Agt toch moeilijk zeggen.

Indertijd had ik het twijfelachtige genoegen in mijn eentje in een lege coupe in een verder stampvolle trein te mogen zitten. Maar op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen niet meer in een boog om me heen. Ze bekeken me eerder alsof ze net een voetbalwedstrijd tegen ‘mijn club’ hadden gewonnen. Mijn zusje zat in die dagen in de trein op haar gemak een sjekkie te draaien. Toen ze onnadenkend een aansteker in de vorm van een speelgoedpistooltje tevoorschijn haalde, sprong een oudere vrouw tegenover haar in paniek overeind en riep uit: ‘Help! Help! Een treinkaper!’

Dat Molukkers christenen waren, deed er niet toe. Dat de beoogde vijand van nu moslim is, doet er wel toe, en niet zo’n beetje ook. Amerika en zijn bondgenoten voeren een oorlog in Irak die door vele moslims over de hele wereld als provocatief neokoloniaal gedrag wordt ervaren. Futuristen voorspelden in de jaren zeventig al dat later – nu dus – over de hele wereld kleinere brandhaarden zouden gaan woeden. Er is geen enkele reden voor Nederland te denken dat die sfeer van wederzijdse onverdraagzaamheid aan ons voorbij zal gaan. Onze minister-president wentelt zich met de buitenlandse pers in onnozelheid door over een ‘on-Nederlandse situatie’ te spreken. ‘Nederlands’ is een versleten imago dat zich al lang niet meer als tolerant laat onderstrepen. Het is als met ons superieure Nederlandse voetbalsysteem van decennia her. We verliezen meer dan we winnen en kunnen het maar niet geloven.

Haagsche Courant, vrijdag 12 november 2004

Zus Soemini

alfred birney Zus Soemini was jarig, ik bedoel haar warung was jarig. Hollandse restaurants vieren hun zoveeljarig bestaan, maar de warung van Zus was dus jarig. Ze werd vijf. Nogal roerige jeugd, vijf inbraken in drie jaar tijd. Haar warung, op de hoek van de Weimarstraat en de Franklinstraat, had een volglazen deur van een Jamin-zaak geërfd en gemeenteambtenaren wilden dat onding met die pompeuze nepgouden deurknop behouden voor ons armzalige cultuurgoed. Er vliegt een steen doorheen, inbrekers nemen een paar duiten mee en Zus zit met een paar duizend gulden schade. Glazen deur hersteld, weer een steen erdoorheen, inbrekers kapen een doos AA-sportdrank en na een derde inbraak kan de deur niet meer gerepareerd. Maandenlang moet Zus het stellen met een deur van sinaasappelkistjeshout, terwijl gemeenteambtenaren zich buigen over de richtlijnen inzake het straatbeeld. Na veel bureaucratische soesa heeft Zus nu een glazen deur met sponningen, iets tussen Jamin en ABN-AMRO in, met het zegel van onze gemeenteambtenaartjes. Ze kwamen niet eten op de verjaardag van de warung. Ik zou ze stellig hebben herkend. Humorloos type, zuinige lolliemondjes en een historisch besef dat niet verder teruggaat dan de deuren van Jamin: een snoepwinkelketen die ooit hele legers tandartsen wist te mobiliseren. In mobiliseren is Nederland altijd goed geweest, met name in verband met slavernij en ronselarij. In de periode van 1890 – 1939 werden ruim 30.000 Javaanse contractarbeiders van Nederlands-Indië naar Suriname verscheept, waar de slavernij in 1863 was afgeschaft en de ‘vrije slaven’ en masse naar Paramaribo waren getrokken. Het ontstane tekort aan arbeidskrachten had men eerder geprobeerd te dekken met Portugezen uit Madeira en Chinezen uit Java en, onder handjeklap met de Engelse regering, met Hindoestanen uit Brits Guyana. De aanwas van Javanen stopte bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Een derde van hen keerde na de oorlog terug naar Java. De onafhankelijkheid van Suriname in 1975 dreef groepen Javanen met Hindoestanen, Creolen en Chinezen naar Nederland. De Javanen hebben nog het meest weg van Indo’s, je hoort ze het minst van allemaal. Beetje broertjes en zusjes, zo voelt dat voor mij. Daarom noem ik de eigenaresse van Warung Soemini ‘zus’. Ze werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Als ze eens vakantie heeft gaat ze naar Jakarta, waar ze nog familie heeft wonen. Misschien zit er nog een oudje bij die zich destijds niet door de Hollanders in de maling heeft laten nemen met een armzalig contractje voor ontberingen op zee en harde arbeid op de plantages, allemaal onder het toeziende oog van Hollandse gouverneurs van het slag dat nu mag bepalen aan welke eisen een deur van een Javaans-Surinaamse warung moet voldoen. Hogere functies vereisen geen bijzonder talent maar een mentaliteit, begrijpt u?

Haagsche Courant, vrijdag 21 mei 2004

Hé, niet zoenen op het zebrapad

alfred birney Deze titel is van een liedje uit de jaren zestig, vreselijk tutnummer met een knipoog naar de inburgering van de kus in het openbaar. Oudere mensen, heimelijk terugverlangend naar hun herdersuurtjes tussen de paardenbloemen, in de hooischuur of weet ik veel, wierpen zoenende stelletjes nog wel hatelijke blikken toe, maar de buizenradio was machtig en het zebrapad nogal smal, dus dat werd hangen en zoenen tegen de muren met de krijthartjes. Later werd het de achterbank van de auto, toen de huiskamer en voor zo ver ik weet heeft de televisie intussen de tongzoen geclaimd voor datingspelletjes: twee jongelui hebben elkaar nog niet in de ogen gekeken en hup de tongen glijden als vette haringen bij elkaar naar binnen. ‘Niet zoenen op het zebrapad’ geldt dus nog altijd en is vooral praktisch want voor je het weet rijdt de een of andere aso met injectiemotor jou en je liefje de vernieling in. Zoals u weet liggen de zebrapaden hier niet voor voetgangers maar voor ufonauten, die de opdracht hebben graancirkels in weilanden te tekenen, buiten de zebrapaden dus. Ik zie de laatste jaren weinig gezoen meer op straat, er moet geloof ik meteen geneukt worden, dan weet je meteen wat voor vlees je in de kuip hebt. De Indonesiërs volgen ons via de berichten van de ufonauten, zien de bui al hangen en komen nu met een wetsvoorstel om zoenen op straat te bestraffen met vijf jaar cel. Vijf jaar! Ja, en die gevangenissen daar zijn niet misselijk! Bloedheet, met zijn tienen in een cel, knokken voor je ellendige leven en droge rijst met kakkerlakken vreten. Ben je lekker mee, sta je eerst nog lekker te zoenen aan de Malioboro in Jogjakarta en een week later word je verkracht door medegevangenen die al vier, vijf makkers het leven uit hebben gejend. En wat staat er nou op zoiets als vrouwenmishandeling? Niks, want dat vindt plaats binnen de beslotenheid van het gezin. Onlangs verscheen een vertaling van een roman over dat thema van mij in Indonesië en ik had er nu eigenlijk moeten zijn om het boek te promoten. Maar er is veel soesa aan de overkant: de aanloop naar de partijverkiezingen, dan de verkiezingen, dan de aanloop naar de presidentsverkiezingen, weer verkiezingen, eventuele herverkiezingen, en dan is het weer ramadan. Laat dat boek zichzelf dan maar verkopen. Wordt niet in gezoend trouwens. Zit wel wat seks in, tussen een Indo en een Indonesisch meisje. Of is het porno? Momenteel probeert een parlementscommissie tot een definiëring van porno te komen. Begint al lekker: erotisch dansen is porno en goed voor tien jaar cel! Wat dat allemaal gaat worden daar zou ik niet durven voorspellen, de islamitische wetgeving is er nog niet ingevoerd. Maar dat de koude oorlog tussen islam en christendom wereldwijde hysterie geeft is wel duidelijk. Waar blijven die ufonauten nou om ons te verlossen? Of worden die in naam van hun commandant vernietigd als ze in hun graancirkels hebben liggen vrijen?

Haagsche Courant, vrijdag 12 maart 2004

Gringo’s

alfred birney Op tico.com, een Costaricaans internetjournaal, stond eens een interessant Engelstalig artikel, gepost door een anonieme Gringo. De scribent noemt zichzelf ergens een Gringa en zij begint te stellen dat er een verschil ligt in hoe anderen ons en wij onszelf noemen. In die zin kan het leerzaam zijn om na te gaan waar de oorsprong van een naam of bijnaam ligt. De naam Tico zou zijn ontstaan door het woord ‘gato’ (kat) + suffix ‘ito’ = ‘gatito’ (poesje), omgevormd tot ‘gatico’. Costaricanen gebruikten de laatste vorm op gegeven ogenblik zo vaak, dat men hen ‘tico’s’ ging noemen. Tico is een koosnaam en heeft geen sarcastisch-racistische ondertoon.

Nu de Gringo’s. Die kregen hun bijnaam van de Tico’s. Dat is lang niet altijd zo geweest. Tot zo’n dertig jaar terug noemden Tico’s de blanke Amerikanen nog ‘macho’s’. ‘Macho’ staat voor ‘blond’ of ‘Noord-Amerikaan’. Die naam is in Costa Rica grotendeels vervangen door Gringo. Een etymologische verklaring voor ‘gringo’ is dat tijdens de Mexicaans-Amerikaanse oorlog (1846) Amerikaanse soldaten dikwijls het liedje ‘Green Grow the Lilacs’ zongen (lilacs zijn seringen). De Mexicanen herkenden de soldaten aan ‘Green Grow’ en verhaspelden deze woorden tot ‘gringo’. Er zijn andere verklaringen – sommige gaan terug tot Spanje in de 16e eeuw – maar goed, in elk geval is ‘gringo’ in Mexico nu nog een scheldwoord voor blanke Noord-Amerikaan. In sommige andere Spaanstalige landen in het gebied staat ‘gringo’ voor welke buitenlander of Engelstalige dan ook.

In de mond van de Costaricaan krijgt ‘gringo’ een bijbetekenis afhankelijk van de intonatie. Meestal is het als koosnaam bedoeld. Costaricanen gebruiken liever niet het woord ‘Amerikaan’. En terecht. Hooguit spreken zij van ‘Norteamericanos’. Onze Gringa erkent in haar artikel dat het gedoe rond al die benamingen zijn oorsprong vindt bij de Amerikanen. Zij zijn zichzelf immers ‘Amerikanen’ gaan noemen zonder zich er rekenschap van te geven dat het hele continent van Noord tot Zuid Amerikaans is. De ‘Amerikanen’ zijn thans het meest besproken volk ter wereld, dus wie zou hun nog een andere naam kunnen geven? Onze Gringa gaat de anderen voor door voortaan niet meer te zeggen ‘ik ben Amerikaanse’, maar ‘ik ben van de Verenigde Staten’. Landgenoten noemt zij: Gringo’s. Liefkozend uiteraard.

Of George W. Bush dit voorbeeld zou volgen, lijkt me niet. Hoor hem maar eens verkondigen: ‘We Gringo’s have come to free your nation!’ Dat gelooft natuurlijk geen hond.

Haagsche Courant, vrijdag 27 juni 2003

SARS en de Marathon

alfred birney Terwijl neokoloniale High-Tech-cowboys naar biologische wapens zoeken in Irak, vinden ze per ongeluk olie. Gut, hadden ze toevallig net nodig in Amerika, dat in zijn eentje een kwart van de grondstoffen op aarde verbruikt om de hamburgerdemocratie te kunnen vetmesten. En terwijl de oud-koloniale Low-Tech-boeren hier te lande naar besmette kippen zoeken, dekt men zich te Rotterdam in tegen een aanval van Chinese biologische zelfmoordcommando’s.

Hebben die organisatoren van de marathon van Rotterdam hun opleiding in New York gekregen of zo? New war, new paranoia! De uitnodigingen voor de vrouwen Ying-Jie Sun en Jin Li worden bruusk ingetrokken. Deze serieuze kandidates voor de eindzege mogen thuisblijven in dat SARS-land van ze. En anders moeten ze maar in Noord-Korea gaan lopen over de terreinen van verdachte kernreactoren.

‘De overige atleten zouden erg gestresst kunnen raken van Chinezen in het hotel,’ wauwelde de woordvoerder van het organisatiecomité. Wie weet lispelde hij nog off the record dat álle Chinezen thans dubieuze wezens zijn in de straten van Rotterdam. Geef meneer een ministerspost vreemdelingenzaken in een leefbaar kabinet en er komt geen Chinees ons vreedzame SARS-loze landje meer binnen. Het organisatiecomité zou desgevraagd ongetwijfeld de koorzang hebben aangeheven dat ‘onze Chinezen’ zelf ook bang zijn SARS op te lopen. SARS is immers het gesprek van de dag in hun Chinatowns, niet de oorlog in Irak. Chinezen vliegen veel in die Yankee Boeings, begrijpt u, met die ziekmakende airconditioning van niks boven die kleffe hoofdsteunen. Mensen uit Afrikaanse landen doen dat weliswaar ook, maar AIDS is Amerikaans, dus dat zit wel goed, dat is friendly fire.

Wat een kansen we al niet missen. Welke marathonatleet blijft er nou achter een SARS-loper hangen? Weg kans op toptijden van atletes die zich het vuur uit de sloffen lopen om de SARS-lopers voor te blijven en geen bacillen te hoeven snuiven. Weg vrachtvluchten met onze zieke kippen tegen een vriendenprijsje voor die toch al zieke SARS-lijders in China.

Boze tongen fluisteren dat het Severe Acute Respiratory Syndrome is ontstaan door het vrijkomen van chemicaliën bij de fabricage van biologische wapens waarmee de Chinese oorlogsmachine zou experimenteren. Is dat waar, dan kunnen Bush en zijn trawanten China als vijfde poot aan de as van het kwaad toevoegen. Pentagonischer kan niet. Kan nog gezellig worden op aarde.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 11 april 2003

Apache

alfred birney Apache, zo heette een hit van The Shadows in de jaren zestig. Instrumentaal nummer, ingeleid met namaak Indiaans getrommel. Verkapt soort filmmuziek uit een tijd waarin je werd doodgegooid met Amerikaanse westerns. Nijverige stadjes met daarbuiten het getooide gevaar immer loerend aan de kim: Apaches die niets anders deden dan postkoetsen overvallen en dus dienden te worden afgeslacht. Ik ergerde me kapot aan die Indianen, met wie ik me vereenzelvigde omdat ik meer op een Indiaan dan op een Ier leek. Waarom waren ze zo stom om achter die postkoetsen aan te galopperen in plaats van ze te omsingelen? Waar kwamen ze eigenlijk vandaan? Dat was de vraag dus. En nooit: waar kwamen de blanken vandaan? Die zaten er gewoon, de camera snorde immers op de schouder van kolonistenzonen.

Ons werd niet op school verteld dat de Apachen sinds mensenheugenis in Noord-Amerika zaten. Beetje rondtrekken op de grasvlaktes, slapen in tenten, jagen op bisons in de bergen, vissen in de rivieren en bij zonsopgang dansen om de goden goed te stemmen. Totdat in de 16e eeuw Fransen en Engelsen kwamen. Die begonnen timide met kleine handelsondernemingen en boerenbedrijfjes. Grond werd listig van de Indianen gekocht, later met geweld afgenomen. De Europeanen importeerden ziekten, waaraan talloze Indianen stierven. Dan de goudkoorts. Miljoenen Europeanen overspoelden Californië en Colorado. In Arizona, het woongebied van de Apachen, werden de beste weidegronden van de Indianen afgenomen. De bizon, waarvan ze leefden, werd uitgeroeid. Resultaat: een genadeloze oorlog tussen het Amerikaanse leger en de Apachen.

De beroemdste Indiaanse aanvoerder was Geronimo, aan wie een eeuw later een apart nummer door The Shadows werd opgedragen. De melodie klinkt weemoediger dan Apache, want ja, het was uiteindelijk deze Geronimo die ten slotte de strijd staakte en zich overgaf aan de blanke autoriteiten met hun, jawel, Indiaanse hulptroepen, want zo zijn ze wel, die Amerikaantjes. Geronimo werd boer en sloot zich zelfs nog aan bij de Dutch Reformed Church. Amen? Nee, na een paar jaren werd hij uit de kerk gezet wegens dobbelen. Aan het einde van zijn leven verkocht hij foto’s van zichzelf en een gedicteerd boek over zijn strijd.

Thans vliegen Apache helikopters voor de grondtroepen uit in Irak, dat is vergeven van het zwarte goud. Of de nazaten van de Apachen trots zijn op dit eerbetoon aan hun zogeheten dappere voorouders zou ik niet weten. Er zullen vast wel Amerikanen meevechten die Indiaans bloed in de aderen hebben. Ooit had ik een Amerikaanse buurman: half Europees, half Sioux. Indiaanse kop achter een blanke façade. We keken samen naar de eerste landing van de Amerikanen op de maan. Hij geloofde er helemaal niets van. Dat was allemaal Hollywood! Studiowerk! Ik weet niet waar hij nu uithangt, maar zou hij bij het zien van de oorlogsbeelden in Irak nu ook roepen dat er niets van waar is? Of heeft ie er een zoon vechten? Wat een ramp was het eigenlijk dat Columbus in 1492 vergat om Amerika heen te varen.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 4 april 2003