Alfred Byrnye / Bedoelt de butler Birney?

alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ voor de lol boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week, getiteld ‘Leven in MP3-formaat’. Deze andere spelwijze van mijn familienaam is verleden week door allerlei technische oorzaken waarmee ik u nu even niet lastig ga vallen abusievelijk in de kop komen te staan. De ware Alfred Birnie is mijn neef uit de gemeente T., die niet zelden voor de schrijver, columnist Alfred Birney wordt gehouden. Straks gaat ie nog de rechten op mijn vorige column claimen, al zal ie dat gezien zijn levenspeil wel niet nodig hebben. Wie weet is er een nog rijkere derde Alfred B., gespeld Alfred Byrnye, die zich lekker schuil houdt in een imposant kasteel ergens in de Schotse Hooglanden. Een kasteelheer vetgevreten van de haggis (schapenmaag of runderdarm, gevuld met stukjes hart, long, lever, niervet en havermout), zeer belezen maar zelf nauwelijks in staat een ganzenveer of pen vast te houden.
Kasteelheer Alfred Byrnye nipt verveeld van de single malt whisky van Glenfiddich en neemt met een minzaam knikje de Nederlandse krant aan van zijn trouwe butler.
‘Heer Byrnye, uw naam wordt kennelijk ijdel gebruikt in een van de kranten aan de overkant van het Kanaal,’ zegt de butler fronsend.
‘Hm, nou, aan het fotootje te oordelen is het niet direct een Schot die mijn naam boven zijn column zet. Wat denkt u dat er staat, mijn beste? Denkt die armoedzaaier op grond van een kennelijk vage afkomst enig recht te kunnen doen gelden op mijn bezittingen?’
‘Wilt u dat ik het stuk voor u laat vertalen, heer?’
‘Wat kost dat, mijn beste?’
‘Denkelijk al gauw drie eurocent per woord, heer.’
‘Veel te duur! Laat deze zaak maar rusten. Schenk me liever nog een single malt in.’
Waarop de heer zijn butler geruststelt door hem te vertellen dat de spelling van de achternaam Birney diverse varianten kent, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, en dan vergeet hij, overigens met genoegen, de Mac’s nog maar even. Hij, de kasteelheer, is met zijn eruditie heel wel op de hoogte van de grote daden van Carel Birnie, de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag, en van de boeken van ene Alfred Birney, een schrijver die ergens tussen Nederland en Indonesië in hangt en volgens hem dan maar beter ergens op de Indische Oceaan gedropt kan worden, met slechts een rubberbootje en een mondvoorraad aan haggis.
‘Met andere woorden: liever diens boeken en columns naar de haaien, heer?’
‘Gaat er dan iemand boven onze eigen grote dichter Robert Burns, mijn beste?’
‘Is Burns dan eigenlijk een Burnie, heer?’
‘Shut up! Another whisky please.’

Dit is een alternatief voor de geweigerde column Hoe spel je dat nou?
Haagsche Courant, vrijdag 16 juli 2004

Alfred Byrnye / Hoe spel je dat nou?

alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week. Dat is namelijk fout. Alfred Birnie is mijn neef uit Twello, een grafische vormgever die overigens nogal eens voor de schrijver Alfred Birney wordt gehouden. De spelling ‘Byrnye’ die hopelijk boven deze column staat, is ook fout. In mijn geval dan. Het verschil met verleden week is dat een mij onbekend gebleven redactielid het nodig vond mijn naam van ‘Birney’ in ‘Birnie’ te wijzigen en dat deze week ik het zelf nodig vind. Even kijken hoe het met mijn vrijheid van columnist is gesteld. Er ging trouwens meer mis met mijn column verleden week, de tekst kreeg een dubbel slot, deels mijn eigen schuld, ik was vergeten het afgekeurde deel uit het document te wissen, dat stond tien witregels verderop, ik zat aan de whisky, of aan het bier, dat weet ik nu even niet meer.

De spelling van mijn achternaam Birney kent diverse varianten, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, Byrne en ga zo maar door. Dat iemand bij de krant, nadat het 229 columns goed is gegaan, aan de nota bene door mijzelf getypte achternaam is gaan morrelen, is mij een raadsel, maar goed, het is vakantietijd en de een gaat druiven plukken en de ander kruipt achter een pc in een half verlaten redactielokaal.

Wanneer schrijf je nou ‘Birnie’ en wanneer ‘Birney’? Nou, als je het over de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag hebt, neem je de eerste spelling en in het geval van de schrijver, columnist de tweede. Waarom? Omdat zij die namen zo gekregen hebben.

De naam schijnt oorspronkelijk uit het oude Ierland te zijn overgewaaid naar Schotland, naar verluidt als ‘Birnie’ (bright). Toen ergens in de negende eeuw na Christus drie Birnies, strijdend voor de Scoten, door de Picten gevangen werden genomen en zij met hun benen in een houtblok werden vastgezet, waren ze zo vermetel eigenhandig hun benen af te hakken en de strijd hinkend op één been voort te zetten. Kenneth the Second beloonde het drietal met een baronie in Elgin. Zo verkregen mijn verre voorouders een baronie bij Elgin. Op hun wapenschild prijken de obligate leeuw en helm. Het vaandel is bloedrood en wordt doorsneden door een wit erelint. Boven het lint staan pijl en boog afgebeeld. Eronder de drie afgehakte benen, achter elkaar aan wandelend in de richting waarnaar de pijl wijst.

In de twaalfde eeuw werd in de streek een kerkje gebouwd: Birnie Kirk. Het staat er nog steeds. De varianten op de spelling van de naam Birnie begonnen zo’n beetje aan het einde van de vijftiende eeuw, toen de Schotten whisky leerden stoken. Het bijhouden van de kerkregisters zou nooit meer een puur nuchtere aangelegenheid zijn. Dat de spelling vele eeuwen later ook in Nederland voor verwarring zorgt, zal hier het bier dan wel zijn.

Geweigerde column 16 juli 2004

Gatenkaas

alfred birney We hebben één beeldend kunstenaar in Nederland. Zijn naam is Jan. Sinds afgelopen week hebben we nu ook één schrijver. Zijn naam is Jan. Leuk hè? Is goed voor de poldercultuur! Zo was ik laatst op een verjaardagspartijtje. Nou, daar loopt dan een beeldend kunstenaar rond en die zegt: ‘Kijk, dan zit je in zo’n commissie en dan moet er ergens een beeld komen en roepen alle commissieleden: we nemen Jan! Zo gaat dat. Al jaren!’ De beeldend kunstenaar in kwestie klaagde niet, veeleer lag er berusting in zijn toon. Zal ik die berusting dan maar met hem delen? We hebben Jan nu eenmaal en straks wordt die man 80. Nou, hebben we dan te veel gezegd? Ik zou niet weten of het prettig is om 80 te worden, maar goed, waarom geen ouwe grijze duif het boekenweekgeschenk voor 2005 laten verzorgen? Hella Haasse hebben we al twee keer gehad, toen ze jong was en toen ze oud was, en Mulisch was toch ook al redelijk op leeftijd. De jonkies kunnen nog wel een halve eeuw wachten, mits het Pentagon het mis heeft met dat zondvloedscenario van ze voor de Lage Landen, maar goed, dan schrijven we allemaal in het Engels en dan doet die hele CPNB er niet meer toe en staat die Henk Kraima, de baas van die club, al lang haring te verkopen op Mallorca. Moet je eens horen, ik heb niks tegen onze Jan hoor, aardige vent, altijd onderhoudend, maar echt in vorm, nee, dat is ie niet meer. In 1982 was ie dat wel. En hoe! Hem was de Constantijn Huygens-prijs toegekend. Die wees hij minachtend van de hand. Voor de televisiecamera’s trok hij het ene na het andere boek van zichzelf uit zijn kast, dat hij stuk voor stuk tot meesterwerk bombardeerde. Ik lag in een deuk. Onze Jan vond dat men rijkelijk laat was met hem die prijs toe te kennen. En gelijk had ie. Maar waarom vindt hij dan nu niet dat men veel te laat is hem het boekenweekgeschenk te laten verzorgen? Nou, onze Jan was al eens eerder door de CPNB uitgenodigd, maar: ‘de afgevaardigde die toen kwam overleggen zat in de kaas. Ik heb hem toen uitgemaakt voor gatenkaas. Maar de huidige directeur van de CPNB, Henk Kraima, is een prima man!’ Dit lijkt mij het allerafschuwelijkste uit Jan Wolkers. Die bandiet van een Henk Kraima heeft in 2001 de Nederlandstalige literatuur afgeserveerd omdat ie zo nodig modieus moest doen door Salman Rushdie het boekenweekgeschenk te laten verzorgen. De man kraaide zelfs dat elk in het Nederlands vertaald boek als Nederlandse literatuur moest worden beschouwd en hij voegde er ook nog de smerige leugen aan toe dat de Nederlandse literatuur al lang en breed multicultureel was. Nou Jan, als je een kaasverkoper uitmaakt voor gatenkaas, waar maak je dan zo’n Kraai-maar-aan-mannetje voor uit? Het thema van de boekenweek staat volgend jaar in het teken van ‘de duizenden boeken waarin de geschiedenis van Nederland wordt beschreven’, is het niet? Dat is toch heel veel gatenkaas.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 9 april 2004

Morsig

alfred birney Akkefietjes tussen Nederland en Indonesië hebben altijd een link naar het verleden, zoals het besluit van BZ om het bezoek van de koningin in 1995 niet op 17 augustus – de dag van de zelfgeproclameerde autonomie van de Indonesische republiek – te laten beginnen, maar vier dagen later. Deze diplomatieke provocatie werd vet onderstreept met vijf miljoen gulden als Nederlands nationaal geschenk, ter restauratie van een pand van een Hollandse koopman uit de VOC-tijd en bijeengebracht door zakenlui. Zeven jaar later besloten dergelijke lieden met heimwee naar vieze zeilschepen de oprichting van de VOC te herdenken. Als reactie werd in Jakarta gedemonstreerd tegen de ‘glorifikasi’ van de VOC door een comité dat onder meer excuses wenste aan het Indonesische volk wegens schending van de mensenrechten. Intussen bespeelde in de Ridderzaal een Batavier de gamelan, westers gestemd maar geen hond die dat opviel natuurlijk. Een Indonesische minister van justitie die thans roept dat hij Nederlanders haat, hoort men uiteraard wel. Onze minister van justitie, huisdier in het Kabinet bij gratie eens premiers, is verontwaardigd en vindt dat zijn Indonesische ambtscollega geen oude koeien uit de sloot moet halen door over de slachtingen van kapitein Westerling van vijftig jaar geleden te beginnen. Delen wij geen verleden dan? Het Parool drukte ooit de volgende zin af over de schattingen van Westerlings dodelijke slachtoffers (10.000 – 40.000) in Sulawesi: ‘Aan die schattingen willen wij geen al te grote waarde hechten, hoe morsig er ook met de mensenlevens is omgesprongen.’ Morsig! Nou, je zal dat woord maar eens in een bericht over de aanslag op het WTC bezigen. Een ‘Indonesië-kenner’ op de buis zinspeelde erop dat de komende visumplicht voor Nederlanders is ontsproten aan het brein van onze verklaarde Nederlanderhater opdat deze met het oprakelen van ons koloniale verleden een makkelijke sfeer kan scheppen om de islamitische wetgeving er in Indonesië doorheen te kunnen jassen. Nederland zou een van de weinige landen zijn waarvoor nog geen visumplicht geldt. Alsof er geen 36 andere landen zijn die op de nominatie staan. Dat Indonesiërs wél een visum nodig hebben voor Nederland vermeldde hij voor het gemak maar even niet. Als Nederland zo hoog van de toren blaast een ‘speciale relatie’ met Indonesië te hebben, dan is het er wel eentje met een hoog eenrichtingsverkeergehalte. Van vakantie uit Indonesië terugkomen met de tekst ‘dat ze ons vragen of we weer terug willen komen omdat toen wij er nog zaten alles zoveel beter was…’ zal er in elk geval niet meer bij zijn. Er waren er heel wat die die woorden wel erg letterlijk namen. De Indonesische minister van justitie zal ook wel niet bedoelen dat hij Nederlanders echt haat maar dat hij zich dood ergert aan hun domme arrogantie. Maar een beetje morsige journalist gaat daar niet voor. Haat klinkt veel swingender. Is meer soap.

Haagsche Courant, 10 oktober 2003

Kutmarokkanen

alfred birney Onze kutmarokkanen (jargon van de een of andere PVDA-lul) hebben het moeilijk. Als een van hen ergens een steen door een ruit gooit, dan hebben alle Marokkanen het hele Westland aan diggelen gesmeten. Mijn buurjongens hebben baantjes waar de eerste de beste Hollandse ex-gedetineerde zijn neus voor zou ophalen en noemen zichzelf lachend kutmarokkanen. Want wie zo de hoek in wordt gedrukt, die zoekt zijn redding in zelfspot. Marokkanen zijn openlijker tegen mij dan tegen een blanke Hollander, omdat ik Indisch ben en zij zich dan wat veiliger voelen. Op de sportschool waar ik de kunst der zelfverdediging beoefen, zitten twee Marokkaanse jongens van even in de twintig bij mij in de groep. Een van hen kreeg op school economieles van een vriend van me, studeert nu informatica en hoopt op een aardige baan later. De ander is afgestudeerd in bedrijfskunde maar werkt nog steeds bij een benzinepomp omdat, zo denkt hij, men hem niet moet als Marokkaan. Hij vraagt me of ik een goed woordje voor hem bij de krant kan doen, want hij denkt dat die dingen hier zo werken. Na de training gaan ze nooit mee naar het café aan de overkant. Ze zeggen dat ze vroeg op moeten, maar het kan ook zijn dat ze zich er niet echt welkom voelen. Marokkanen wordt op grote schaal de toegang tot cafés, discotheken en sauna’s geweigerd, ook wie eerder werd toegelaten, zo meldden de kranten onlangs. Vreemd voor een bevolkingsgroep die zijn best doet zich te mengen in het Nederlandse leven. Marokkanen vinden het bepaald onfatsoenlijk dat Turken gewoon in hun eigen taal verder praten wanneer een Hollander binnenkomt. Marokkanen gaan meteen in het Nederlands verder, zodat de Hollander weet waar ze het over hebben. Chinezen beginnen ook niet met elkaar in het Nederlands te praten wanneer er een Hollander binnenkomt. Laat die Hollander nou juist een stuk minder afgeven op Chinezen en Turken dan op Marokkanen. Ooit luidde het zinnetje over ‘buitenlanders’: ‘Ze leren niet eens fatsoenlijk Nederlands praten.’ Dat cliché ligt dus in de prullenbak. Je zou onderhand bijna gaan denken dat Hollanders buitenlanders liever helemaal níet verstaan. Terug naar Nederlands-Indië dan maar, met voor elke bevolkingsgroep een apart register? In Indonesië vind je daar nog sporen van terug. Indonesische Chinezen dienen speciale persoonsbewijzen te kopen en te overleggen, al zit hun familie al zeven generaties daar en spreken ze geen woord Chinees. Dat gedoe hadden ze al toen de Hollanders er de scepter zwaaien. Als je ook nog bedenkt dat de Hollanders met hun mensen = handel verantwoordelijk zijn voor enorme migratiestromen, dan moet je toch concluderen dat er al eeuwenlang iets fundamenteel mis is onder dat zogenaamde tolerante denken van ze. Maar goed, het woordje tolerantie is meen ik verleden jaar uit het woordenboek geschrapt. Tjonge, wat een zelfbewustheid toch opeens.

Haagsche Courant, vrijdag 20 juni 2003

Michiel ontdekte Suriname

alfred birney Boekenliefhebbers mogen vandaag de vlag uithangen, want Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur wordt gevierd. Twee delen, 1500 pagina’s, geïllustreerd, alstublieft. Band 1 behandelt de orale en geschreven literatuur tot 1923, band 2 de geschreven literatuur van 1923 tot 2000. Auteur: Michiel van Kempen. Of onze doorgaans suffe leraren aan onze middelbare scholen meer dan drie namen uit die geschiedenis kennen zou ik niet weten. Ik vrees van niet. De hedendaagse boekenlijsten staan nog altijd bol van de Oeroegs, Karakters en Dwaallichten. Voor het multiculturele toefje een Marokkaantje erbij, of een Irakees, naar gelang de actualiteit, maar daar blijft het dan wel bij. Toegegeven, die leraren moeten het ook weer doen met examencommissies, die gewoonlijk bij hun geboorte de tijd stilzetten. Dus, beste VWO-er: waar draaien de boeken van W.F. Hermans om? Antwoord: het is een zootje op de wereld, meneer. Score: 10. Dus niet: was het proza van Edgar Cairo Sranantongo of een eigen literaire taal? Die vraag wordt niet gesteld, want de multiculturele samenleving is een leugen, meer nog in de literatuur dan op straat. Apartheid regeert en daarom moet een Michiel van Kempen negen jaar lang in zijn eentje werken aan een op zichzelf staande literatuurgeschiedenis, terwijl elders hele commissies zich vetbetaald buigen over de zoveelste kloon van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Zoals gewoonlijk doet het individu het echte werk. Michiel van Kempen timmert al langer aan de weg, maar om hem te ontdekken moet je niet voor die idiote boekentorens blijven staan waar je bij de moderne boekhandel je schenen steeds weer aan bezeert. Want wat daar allemaal ligt uitgestald is grotendeels sterreclameproza voor op de salontafel bij mensen die niet eens weten dat je een boek van voren naar achteren moet lezen. Michiel van Kempen heeft een slordige 18 bloemlezingen op zijn naam staan, vier vertalingen, 14 essaybundels, vijf prozawerken onder eigen naam, drie prozawerken onder twee pseudoniemen plus drie filmscenario’s. Maar ja, hij zit in de ‘multiculturele’ hoek hè? Dat is toch geen boerenkool met stamppot. Maar gelukkig zijn er nog altijd lezers die avontuurlijk de boekenschappen afstruinen voorbij de namen van Mulisch tot en met A.F.Th. Mensen die eerst de Oost-Indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys raadplegen om te zien wat er allemaal voor moois uit ‘ons’ Indië kwam. Thans hebben we er een standaardwerk bij en dat wordt vanavond in Theater aan het Spui ten doop gehouden. En nu maar hopen dat onze neerlandici het in de gaten krijgen. En ook die lui van het CPNB, onze boekenweeksinterklazen met aan het hoofd een man genaamd Henk Kraima, die twee jaar geleden beweerde dat een vertaald boek van Salman Rushdie een Nederlands boek is. Nou, dan zal de Surinaamse literatuur voor hem wel Goudse glorie zijn. Dus wat let hem nog?

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 9 mei 2003

Alias ‘Gunsalvo’

alfred birney Ja, over de doden niets dan goeds. Uitgezonderd zekere personen, anders kunnen we geen geschiedenis schrijven. Gonsalves begon zijn loopbaan ooit als bestuursambtenaar in Nederlands Nieuw-Guinea en eindigde die als adviseur van de LPF. Een jaar of acht geleden publiceerde Vrij Nederland een document rond de ‘pacificatie’ in Nieuw-Guinea onder Gunsalvo eind jaren vijftig. De NRC vond dat later maar smakeloos. De man was er destijds al stevig over aan de tand gevoeld, had eerherstel gekregen, waarom nog langer zeuren? Nou, rond moord en mishandeling kent ons land niet alleen verjaring, maar ook een doofpotcultuur en die wil weleens wankelen. Eventjes. Want men wist zo gauw geen betere procureur-generaal te vinden die als een afgerichte tjelleng naar drugsbaronnen knorde en tegelijk Molukkers in de smiezen hield, veurwaer geen sinecure heren! Dat de overijverige ambtenaar ooit vanuit een hinderlaag Papoea’s in de rug neerknalde of ze persoonlijk aan een heuse marteling onderwierp waren details, geen rechtsgang waard, het ging maar om ‘inboorlingen’. Gonsalves heeft zijn herinneringen, beter gezegd getuigenissen, nog gepubliceerd, wellicht als zalf voor zijn geschonden imago. Soit. Maar wat moest hij als gepensioneerde nou opeens als adviseur van de LPF na de dood van Pim Fortuyn? Zou Nawijn het idee van herinvoering van de doodstraf misschien via die ouwe driftkop aan de borreltafel influisterd hebben gekregen? Te laat, maar zo’n Gonsalves had hem stellig nog kunnen leren hoe men zich de schandpaal weer uitdraait.

Haagsche Courant, maandag 9 december 2002

Hetzelfde liedje

alfred birney Weet je wat er zo vervelend is aan een jury? Het is een jury. Een commissie van schimmige leken aan wie tijdelijk een zeker gezag wordt toegekend. Waarborg is de vette merknaam die achter zo’n jury prijkt. Interessant is te weten wie die juryleden nou eigenlijk precies zijn. Met een beetje moeite is daar wel achter te komen. Maar dan. Door wie is die jury samengesteld? Wie zitten erachter? Wat zit erachter? Waar lopen de wandelgangen tussen uitgevershuizen, juryleden en media? Welke wind waait er door die gangen? Neem zo’n AKO-Literatuurprijs. De samenstelling van de jury verandert elk jaar, de namen der genomineerden nauwelijks. Er zit altijd wel een Brouwers, Dorrestein, De Moor, Mulisch en nog een Vlaminkje bij. Rond de boekenweek twee jaar geleden blaatten critici, docenten en overige schapen in koor dat de “Nederlandse” literatuur niet meer bestond. Ja, Nederlandstalige multiculturele schrijvers zat, toch moest men zo nodig een zekere Engelstalige megaster het Nederlandse boekenweekgeschenk laten verzorgen. Elk protest werd afgedaan als “nationalistisch”, “kortzichtig”, “racistisch” en wat dies meer zij. Het literaire klimaat moest grenzelozer normen en waarden krijgen. Dat liedje heeft niet lang geduurd. Schrijver Graa Boomsma merkte toen al cynisch op: “De multiculturele schrijvers kunnen nu even de kast uit en mogen er daarna weer in.” Het is inmiddels nog erger dan dat. In het huidige normen-en-waardenzoekend klimaat flikkert men in onmiskenbaar Nederlands de hele multiculturele boekenkast de sloot in.

Haagsche Courant, maandag 23 september 2002

Oprotkretologie

alfred birney Ha, een interview met de minister voor vreemdelingenbeleid en integratie! Nieuw ministerie, interessant! Even de pic van zijne excellentie bekijken. Hm, zeker afgetest voor Hollywood. Maar heeft-ie tekst? Jazeker! Hij steekt van wal met een citaat van Pim Fortuyn. Ziezo, niks mis met de bijbelvastheid van zijne excellentie. Volgt zijn prioriteitentoptien. Onderwijs, gezondheidszorg en veiligheid vindt zijne excellentie belangrijk, maar bovenaan prijken toch ‘immigratie en integratie’. Waarmee hij impliciet erkent dat Nederland dus tóch een immigratieland is. Maar dan wel graag met het strengste vreemdelingenbeleid van Europa! Illegaliteit moet strafbaar worden gesteld! Lekker slim, dan heb je helemaal een tekort aan gevangenissen. Algemene identificatieplicht! Ben je lekker mee als je net onder de zonnebank vandaan komt en swingend de zebra oversteekt. Toegelaten vreemdelingen die strafbare feiten plegen, moeten teruggestuurd! Ontspoorde Marokkaanse jongeren moeten worden uitgewezen, ook al hebben ze een Nederlands paspoort! En zo gaat zijne excellentie maar door met zijn stigmatiserend geraas en gebral. Je zou bijna gaan geloven dat autochtonen niet slaan, niet stelen, niet moorden, behalve dan die vermeende die zijn pistool leegschoot op de man aan wie zijne excellentie zijn portefeuille te danken heeft. Toch is zijne excellentie een redelijk mens. Hij zegt dat racisme en discriminatie steviger moeten worden aangepakt. Dat wordt dan een enkele reis naar de Noordpool voor Hilbrand Nawijn. Kan-ie even afkoelen.

Haagsche Courant, maandag 26 augustus 2002

Solliciteren

alfred birney Een Nederlands tuinmeubelbedrijf zoekt voor zijn fabriek in Vietnam een manager operationele zaken. Mijn avontuurlijke tweelingbroer stapt erop af. Het eerste interview verloopt vlekkeloos, het tweede wat stroever en na wat ongemakkelijk gewiebel op de stoelen laat men hen weten dat een blondje, desnoods wat dommer dan hij, gewenster is. ‘Kijk, uw haar is donker, uw ogen bruin en de Nederlandse directie is bang dat de Vietnamezen een Euraziaat – want zo mogen we mensen als u onderhand wel noemen, hè? – niet zullen accepteren als directeur.’ ‘Aha, maar is het niet verstandiger om eerst uw Vietnamese collega’s hierover te peilen?’ Als Euraziaat zou hij wellicht juist een streepje voor hebben, dacht hij zo. Hm, zullen ze meenemen in het volgend intern overleg. Een dag of twee later polsen ze hem telefonisch over zijn bereidheid een website voor het bedrijf te maken. Nogal een stap terug. Over de Vietnamvacature antwoordt men afgemeten dat er meerdere kandidaten zijn. ‘Blondjes zeker?’ ‘Hm, wij mogen geen gegevens verstrekken over andere kandidaten.’ ‘Dat begrijp ik, maar vraagt u elke kandidaat een website te bouwen, hoort dat soms bij de procedure? Of wenst u mij als onzichtbare kracht? Pardon… of de naam Guus Hiddink mij iets zegt? Nooit van gehoord. Heeft die man verstand van bedrijfskunde? Zegt de naam Bruce Lee u iets? Nee? Zal ik nog even langs komen om jullie een demonstratie te geven? O, krijgen jullie al bezoek van een Koreaanse delegatie? Taekwondo, hè? Zeg, is t’ai chi niks voor jullie, stelletje lamstralen?’

Haagsche Courant, maandag 19 augustus 2002