Ons Indisch erfgoed

De invloed van de Indische cultuur op de Nederlandse blijkt zo groot te zijn, dat je beter kunt spreken van een innige vervlechting tussen beide culturen. Althans, volgens Lizzy van Leeuwen, antropologe, die in haar nieuwe boek Ons Indisch erfgoed talloze opvattingen over de Indische geschiedenis van Nederland volkomen op zijn kop zet. Dat doet ze zo overtuigend dat het weleens het belangrijkste boek over de Indische geschiedenis kan worden sinds J.J.P. de Jongs De waaier van het fortuin (1998). Daarin werd de Indische geschiedenis van 1595 tot 1950 beschreven.

Lizzy van Leeuwen neemt de afgelopen zestig jaar voor haar rekening. Voor degenen zonder voorkennis: geen zorgen, ze neemt het complete verhaal vanaf de VOC-tijd in vogelvlucht nog even door. Actueel spilpunt in haar boek is de opkomst en ondergang van het Indisch Huis. Het is een verhaal dat vooral de Haagse gemoederen zeer heeft beziggehouden maar dat gezien de diepe historische achtergronden in heel Nederland bekend zou moeten zijn. Wat ging er aan de bouw van het Indisch Huis vooraf, wat kwam erna en hoe liep het uiteindelijk af? Belangrijker nog is de vraag waarom dat Indisch Huis er zo nodig had moeten komen. Het is hier vanwaar de sporen leiden naar talloze personen, instellingen en ondernemingen.

Lizzy van Leeuwen toont zich een uitstekend gedocumenteerd auteur met oog voor detail én het grote geheel, een intelligente gedachtegang en een meeslepende schrijfstijl, die zoveel van haar wetenschappelijke collega’s ontberen. Heel Indisch Nederland, met al zijn bekende en op de achtergrond opererende figuren, komt ter sprake. Ook de vaderlandse politiek blijkt innig verweven met de Indische cultuur en het is smullen geblazen voor wie van roddels en weetjes houdt. Speels knoopt Lizzy van Leeuwen bekende en onbekende, soms ronduit hilarische feiten aan elkaar. Ze biedt de lezer een bonte kijk op het Indische leven, dat, zo blijkt, eigenlijk nooit een kwestie is geweest van onderonsjes onder Indo’s. Wat dat aangaat is haar invalshoek bijna revolutionair te noemen. Zelfs de opvatting, dat ‘Indo’s een probleem hebben’, weet ze met flair terug te kaatsten naar de bedenkers ervan. De worsteling met de naoorlogse overkomst van scheepsladingen vol Indische mensen met Nederlandse achternamen is niet aan boord van die schepen ontstaan, maar achter onze dijken en duinen. Vanzelfsprekend is de conclusie dat het niet alleen een boek is voor Indische mensen maar ook, of misschien wel juist voor Hollanders, ofwel autochtonen. Welke Hollanders dan? Wat te denken van geschiedenisleraren, ambtenaren, schrijvers, journalisten en webloggers. Als die de Nederlandse geschiedenis in een groter kader leren zien en niet angstvallig in een hoekje blijven zitten, dan kan Nederland zich, bevrijd van allerlei taboes, met al zijn ervaring eens met flair in het internationale culturele debat mengen.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 11 oktober 2008 onder de titel: De Indische literatuur achter de dijken. Antropologe Lizzy van Leeuwen zet in “Ons Indisch erfgoed” de Indische geschiedenis van Nederland op zijn kop.

Jaarwisseling beneden de zeespiegel

alfred birney Van de beroemde Japanse kunstenaar Hokusai (1760 – 1849) kent bijna iedereen wel de houtsnede ‘De Grote Golf’, die roeiers in hun bootjes overweldigt, terwijl in de verte de berg Fuji in eeuwigheid rust. De prent is veel gereproduceerd op affiches, maar sinds Tweede Kerstdag 2004 zal niemand meer als voorheen naar dit tafereel kunnen kijken zonder associaties met de jongste tsunami die dood en verderf heeft gezaaid in Zuid-Oost-Azië.

Ik kende het woord tsunami niet, totdat een e-mail van mijn broer me alarmeerde. Ik sms-te een vriend die in Thailand zat en hoorde heel lang niets. Een dag later liet hij weten dat zijn hotel er niet meer stond maar dat hij en zijn vrouw nog in leven waren. Ik begon te beseffen dat op dat ogenblik tienduizenden sms-jes naar de getroffen gebieden werden verstuurd met een snelheid hoger dan de tsunami zelf. Dat er, kortom, veel was veranderd sinds de tsunami in 1883, veroorzaakt door een uitbarsting van de Krakatau in de Straat van Sunda tussen Sumatra en Java. Tegen de tijd dat het nieuws de mensen in Europa bereikte, waren de doden toen al geborgen.

Nu is het reality tv geworden. Je zit naar ontluisterende beelden te kijken en het enige positieve dat je kunt bedenken is dat christenen, moslims, hindoes en boeddhisten eensgezind de ramp dragen en dat Indonesische militairen de Atjehers bijstaan in plaats van ze te bevechten. De rest van de wereld leeft mee, dat is iets.

Maar dan. Zodra de van ontzetting geopende monden weer gaan bewegen, begint de mens een van zijn idiootste trekjes te etaleren: leuteren rond de schuldvraag. ‘Als ze niet die mangrovebossen voor de Thaise kust hadden weggekapt, dan zouden die de tsunami hebben tegengehouden.’ Wie weet, maar wij rijke westerlingen willen nu en dan wat ‘zon pakken’ in het Verre Oosten, het liefst in hotels op een steenworp afstand van het strand. En de lokale bevolking, die graag te eten wil hebben, biedt ons die mogelijkheid. Zoals wij hier de Alpen kaal kappen omdat we er zo graag een weekje per jaar willen skiën.

Vervolgens: de Verenigde Naties die Amerika gierigheid verwijten. Amerika die zijn boekhouding toont, waarop een wedrace begint tussen landen die elkaar de loef af lijken te willen steken met recorddonaties. Maar goed, het doel heiligt de middelen. Ten slotte moeten autoriteiten in getroffen toeristische gebieden zich ook nog eens verdedigen tegen aantijgingen waarom zij niet met een waarschuwing naar de stranden zijn gekomen. Inmiddels nuttigen wij hier te lande oliebollen, appelflappen, boerenjongens en champagne en vergeten uiteraard het Pentagon-rapport, dat voorziet dat Nederland in 2007 onder water zal lopen. We zijn maar mensen, toch? En moeder aarde is moeder aarde. Over God zullen we maar even zwijgen, daarover hebben we het afgelopen jaar wel genoeg te horen gekregen.

Haagsche Courant, vrijdag 31 december 2004

Kerstboodschap

alfred birney Volgens een borrelpraatgezegde loopt Nederland zo’n 30 jaar achter op de Verenigde Staten van Amerika. Amerika is een federatie van 50 staten. Nederland wordt wel eens de 51e staat van de VS genoemd wanneer het zich als braafste leerlingetje van de klas toont. Als voorzitter van de EU wilde Nederland laatst bijvoorbeeld nog even in de luwte tijdens de kwestie Turkije de multinational Microsoft met een hamerstuk bedienen. Daar heeft Polen heel wijs ten leste een stokje voor gestoken.

Ruim 30 jaar geleden (1969) had Elvis Presley een wereldhit met ‘In the ghetto’. Sneeuw valt in Chicago. Op een koude ochtend wordt een kind geboren, wéér een kind te veel in het getto. Het joch groeit op voor galg en rad, hij leert stelen en vechten voor zijn brood. Op een avond wil hij weg uit de buurt. Hij koopt een revolver, jat een auto, maar komt niet ver. Daar ligt hij: zijn gezicht in de sneeuw, revolver nog in de hand, mensen drommen om zijn levenloze lichaam heen.

Dat soort toestanden is alleen mogelijk in Amerika, dachten we dertig jaar terug. Inmiddels zwerven duizenden jongeren zonder thuis langs de Nederlandse straten. En dit verschijnsel is niet van gisteren. In 1993 nam de Zangeres Zonder Naam al een album op ten bate van de Stichting Zwerfkinderen Nederland, die nu onderdak heeft bij Stichting Zwerfjongeren Nederland. Want ook stichtingen kunnen dakloos worden, vooral als ze niet worden gesubsidieerd door de overheid.

Onze minister-president acht het in de week voor kerst van belang alvast te melden dat hij ook in 2007 voor een nieuwe ambtstermijn wil gaan. Er valt namelijk nog zo veel te doen. Ja, dat weten we. Het zou hem als christen sieren om rond de kerst ook eens stil te staan bij de eenzaamheid van onze zwerfjongeren. Die staan toch duidelijk ergens symbool voor. Balkenende zoekt het liever wat verderop en stuurt onze soldaten in Irak een cd met een door hem ingesproken stoffig missionarisgedicht van Anton van Duinkerken: ‘Nu zal het wel gauw gaan sneeuwen’.

Nou, in de eerste zin van ‘In the ghetto’ sneeuwt het al. Niet zoals Anton van Duinkerken voor ogen stond. Geen verheven rijmelarij. Direct tot de kern. De kloof tussen arm en rijk, zwart en wit, de burger die de andere kant op kijkt. Maar ja, ‘hebt uw naaste lief’ of ‘gij zult niet doden’ kan Balkenende natuurlijk moeilijk in zijn mond nemen. Er wordt gesjoemeld met die geboden uit de Bijbel, die een revival beleeft op het podium der heilige boeken. Dat ook songteksten weinig uithalen doet er niet toe voor de muziekindustrie. Wat er deze dagen toe doet is dat de verlichting van de kerstboom niet uitvalt, de kalkoenvulling niet dilettanterig kwistig van kruiden is voorzien, de wijn niet naar oude kurk smaakt en er geen vlekken op je kostuum komen. Voor de rest is het hopen op een witte kerst. Sneeuw op straat. Mooi om naar te kijken. Niet om met je smoel in te liggen natuurlijk. Nou ja, even dan. Voor de lol.

Haagsche Courant, vrijdag 24 december 2004

We kunnen het maar niet geloven

alfred birney Volgens mij zullen mensen met moslimuiterlijk en zonder jihadneigingen zich deze dagen ongeveer voelen zoals ik me voelde tijdens de Molukse treinkapingen in de jaren zeventig. De eerste treinkaping joeg me naar de spiegel, zodat ik vast kon stellen dat ik inderdaad wel wat weg had van een Molukker. Ik was als Indische jongen van kinds af aan al uitgescholden, dus daar viel nog wel weer mee te leven. Maar tijdens de tweede treinkaping, in 1977, werd het menens. Indische vrienden van me werden het ziekenhuis in geslagen en ik durfde in het weekend de straat niet meer op.

Ik bewoonde een kamer in een huisjesmelkerpand aan de Bazarstraat. Ik zat lekker tussen de Hollanders en die deden boodschappen voor me. Ik had een kantoorbaantje en tijdens de lunchpauze op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen in een wijde boog om me heen. Niet bijster prettig. Je besprak de toestand met wildvreemde Indische generatiegenoten op straat en we konden die Molukkers wel vervloeken. Totdat de regering een troep mariniers naar de gekaapte trein stuurde en er zes Molukkers overhoop werden geschoten. Dat geschiedde onder druk van de toenmalige minister van justitie Van Agt, hij die nota bene nu met een bord voor zijn kop vice-premier Zalm ‘oorlogstaal’ verwijt. Voorlopig zijn er onder Zalm en Balkenende nog geen doden gevallen. Dat kon Van Agt toch moeilijk zeggen.

Indertijd had ik het twijfelachtige genoegen in mijn eentje in een lege coupe in een verder stampvolle trein te mogen zitten. Maar op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen niet meer in een boog om me heen. Ze bekeken me eerder alsof ze net een voetbalwedstrijd tegen ‘mijn club’ hadden gewonnen. Mijn zusje zat in die dagen in de trein op haar gemak een sjekkie te draaien. Toen ze onnadenkend een aansteker in de vorm van een speelgoedpistooltje tevoorschijn haalde, sprong een oudere vrouw tegenover haar in paniek overeind en riep uit: ‘Help! Help! Een treinkaper!’

Dat Molukkers christenen waren, deed er niet toe. Dat de beoogde vijand van nu moslim is, doet er wel toe, en niet zo’n beetje ook. Amerika en zijn bondgenoten voeren een oorlog in Irak die door vele moslims over de hele wereld als provocatief neokoloniaal gedrag wordt ervaren. Futuristen voorspelden in de jaren zeventig al dat later – nu dus – over de hele wereld kleinere brandhaarden zouden gaan woeden. Er is geen enkele reden voor Nederland te denken dat die sfeer van wederzijdse onverdraagzaamheid aan ons voorbij zal gaan. Onze minister-president wentelt zich met de buitenlandse pers in onnozelheid door over een ‘on-Nederlandse situatie’ te spreken. ‘Nederlands’ is een versleten imago dat zich al lang niet meer als tolerant laat onderstrepen. Het is als met ons superieure Nederlandse voetbalsysteem van decennia her. We verliezen meer dan we winnen en kunnen het maar niet geloven.

Haagsche Courant, vrijdag 12 november 2004

Vrije meningsuiting bestaat niet

alfred birney Vlak voor ik beroepshalve naar Indonesië vertrok vond er een aanslag plaats in Jakarta. Ik ben amper terug of er vindt er een plaats in Amsterdam. De aanslag in Jakarta werd uitgevoerd door kamikazes op een gebouw, in Amsterdam door een desperado op een cineast. Het gebouw in Jakarta, de Australische ambassade, was overigens tweede keus, men had het aanvankelijk voor de tweede maal op het Marriott Hotel begrepen. Cineast Theo van Gogh zal stellig geen tweede keus zijn geweest voor de moordenaar, die van zijn daad een macaber ritueel maakte door het met kogels doorzeefde slachtoffer met een slagersmes de strot af te snijden en met een kleiner mes een epistel met een krijgshaftige tekst op de buik te spietsen. Verderop, aan de rand van het park, maakt de dader na zijn klus – zo schijnt hij erbij te hebben gelopen – nog even een praatje met wie weet een schimmige handlanger. Tenslotte doodt hij de rest van zijn vrije tijd met het schieten op agenten die hem zoeken.

Jakarta. Was het nou lafheid of moed van de daders om zichzelf ook maar in de lucht te laten vliegen? Stomme vraag. Geen van deze eigenschappen is van toepassing op een stel fanatici die de samenleving ontwrichten.

Amsterdam. Was het nou lafheid of moed van de dader om zichzelf niet naar het hiernamaals te zenden? Ook hier is geen van beide eigenschappen van toepassing. De fanaticus heeft nog het geluk met Hollandse politieagenten van doen te hebben gehad. Die zijn nog zo fatsoenlijk om hem niet meteen met kogels te doorzeven. Ze zullen wel moeten, want in Nederland behoudt zelfs de grootste klootzak zijn rechten. Bovendien kun je een grote vis aan de haak slaan, met wiens informatie je een cel kunt ontmantelen of zelfs een netwerk oprollen.

Je zal toch maar een eenvoudig, rechtschapen moslim zijn. Wie gelooft je nog? Of columnist. Waar zal ik vandaag eens over schrijven? Het weer? Lijkt me wel het veiligst. Intussen zitten we met ons allen in een mondiale guerrilla tussen twee uiterst dominante religieuze culturen die al eeuwen met elkaar overhoop liggen. Nederland is verworden van vrijplaats voor andersdenkenden tot een klein podium op het mondiale strijdtoneel. Wie daar nu nog verbaasd over doet is een onnozele ziel. Wij zijn een deel van Europa en komen alleen nog in het nieuws wanneer er iemand voor zijn kop geschoten wordt. Recht op ‘vrije meningsuiting’ is folklore, het bestaat niet, het is een ideaal, hooguit. Anders had Theo van Gogh daar moeilijk zijn stokpaardje van kunnen maken. Wie in de tijd van Pim Fortuyn iets schreef dat zijn aanhangers niet welgevallig was, kon te maken krijgen met serieuze dreigementen. Wie nu iets schrijft wat moslimextremisten niet aanstaat pleegt bijkans zelfmoord.

Bob Dylan schreef in 1965: “And if my thought-dreams could be seen, They’d probably put my head in a guillotine, But it’s alright, Ma, it’s life, and life only.”

Haagsche Courant, vrijdag 5 november 2004

Hartono was here

alfred birney Vandaag speelt Hartono voor het laatst in Toko Oen, dus wie hem nog wil horen en zien, moet rennen. Lekker bordje nasi gudek erbij, die is erg lekker daar, al is Toko Oen in de eerste plaats befaamd om zijn loempia Semarang, die inmiddels overal geïmiteerd wordt.

Morgen is er een afscheidsfeestje ergens in een achterafstraatje in de Schilderswijk, waar Hartono zijn logeerkamertje heeft. Hij vroeg me of ik mijn gitaar mee wilde nemen, maar eh, ik hoor liever hem spelen. Zijn repertoire omvat zo’n 100 jaar populaire muziek, van krontjong via jaren twintig blues naar jazz, bossa nova, rock & roll, pop en allerlei Jawa Pop, want Hartono is van Java.

Zoals veel Indonesiërs is Hartono een etnische mix, eigenlijk zijn het een soort Indo’s. Maar om in Indonesië Indo te zijn moet je blank zijn uitgevallen, liefst met een carrière in de showbizz. Om in Nederland Indo te zijn ligt veel ingewikkelder, laten we daar maar over ophouden, want als Indo’s hier er al zelf niks van begrijpen, hoe kunnen ze dan verwachten dat Hollanders dat wel doen?

Hartono noemt zich Chinees, maar hij heeft ook Javaans bloed en misschien iets Europees, dat is vaag. Wat dat betreft loopt het spoor al dood bij zijn vader, die ooit bij het KNIL werkte (in de garage). Chinese christenen zijn de allochtonen van Java en leiden soms een wat angstig bestaan in Indonesië, ze hebben het zwaarder dan wat hier voor allochtoon doorgaat, Nederland is zo extreem nog niet.

Toch voelt Hartono zich Javaans, diep van binnen. Komt door de muziek. Als hij een gamelan hoort, zwijgt hij ontroerd. Krontjong is voor hem geen muziek van tempo doeloe maar een dynamische muziekvorm, die hij steeds nieuwe gezichten geeft in zijn eigen muziek. Hij is de huismuzikant van Toko Oen in Semarang en soms stuurt de bedrijfsleider hem naar Nederland om de zustertoko alhier ook eens van zijn spel te laten genieten. Je moet hem eigenlijk zien spelen: kretekje in zijn mond als hij in een jazzy improvisatie zijn tanige vingers over de toetsen laat dartelen.

Hartono was ooit scheikundeleraar – zijn vader had hem de technische kant op geduwd – maar in de avond maakte hij altijd muziek, als gitarist, pianist en op zondag als organist in de kerk. Op zekere dag zei hij zijn leraarsbaantje vaarwel. In Indonesië is het allemaal anders dan hier: daar kun je met muziek maken geld verdienen, hier niet. Hier kun je met schrijven geld verdienen, daar niet.

Toch is hij aan een boek bezig. Over de repatriëring van Indo’s uit Indonesië. Dat waren toch vrienden van zijn vader. En zijn muzikale voorouders. Wie weet komt hij hier ooit nog terug om zijn boek te promoten. In het Nederlands, want hij is een van de zeer weinige Indonesiërs die onze taal nog willen leren. Ja, die zijn er nog.

Haagsche Courant, vrijdag 27 augustus 2004

Amerika blijft maar ontdekt worden

alfred birney Blijft een thema hoor, de ontdekking van Amerika. Historici en overige babbelkousen raken er maar niet over uitgepraat. De beroemdste ontdekker van Amerika is natuurlijk Columbus, maar er wordt ook gefluisterd over koning Abukari II van Mali, de Vikingen en de Chinese eunuch en admiraal Zheng He. De vraag: wie ontdekte Amerika? Antwoord: de oorspronkelijke bewoners. Maar die tellen niet mee. Schande, niet? Columbus noemde hen Indianen omdat hij dacht in Indië te zijn aangekomen. Amerigo Vespucci ontdekte de vergissing en kaartenmakers besloten het werelddeel tussen Europa en Azië dan maar Amerigo te noemen.

Even het rijtje af. Duizend jaar geleden waaierden de Vikingen uit op hun snelle schepen. Varen konden ze goed, navigeren wat minder en zo zou Leif Eriksson per ongeluk in Noord-Amerika terecht zijn gekomen. Hij noemde het land Vinland en er zouden veel druiven groeien. Maar toen in 1960 archeologen op New Foundland resten van Vikingdorpen vonden, zagen ze geen druiven hangen. Vaag verhaal dus.

Dan koning Abukari II van Mali: een machtig rijk in de middeleeuwen, maar te saai voor Abukari. In 1311 deed hij vrijwillig afstand van de troon en ging met 2000 schepen op ontdekkingstocht. Wetenschappers uit Mali gebruiken Egyptische teksten voor de bewijsvoering die hem tot ontdekker van Amerika moet maken. Wat deze wetenschappers mee hebben is dat Columbus in 1492 zwartgetinte handelaren aantrof in Amerika. Columbus’ kracht indertijd was dat hij Indianen als levend bewijs meenam terug naar huis. Chemisch onderzoek van veel later op speerpunten van Indianen wijzen in de richting van goud uit West-Afrika.

Revolutionair is de stelling van amateur-historicus en ex-onderzeebootkapitein Gavin Menzies. Deze Brit verdedigde in de Royal Geographic Society te Londen met verve zijn stelling dat de Chinese moslim Zheng He tussen 1405 en 1433 zeven wereldreizen ondernam en met een vloot van honderd enorme schepen de zeeëngte van Baja Californië bereikte. Maar ging hij er aan land? China zou nog voor de dood van Zheng He zijn maritieme roeping afzweren en alle kaarten van hem hebben verbrand. Een paar kaarten zouden echter door de ontdekkingsreiziger Nicolo da Conti worden gered en in Venetië en Portugal terechtkomen.

Zes eeuwen na Zheng He wordt Amerika voor de zoveelste maal ontdekt. En hoe. Dit keer door de islamitische terreurgroep Jamaat al-Tawhid al-Islamiya. Die is erachter gekomen dat Amerika onder meer in Nederland ligt, en dreigt daarom met aanslagen tegen Nederland als het zijn troepen niet terugtrekt uit Irak.

Tja, Amerika ligt inmiddels overal. Dat voorzagen de Chinezen al in de tijd van Zheng He. Wijze lui, met buitenaardse wezens als hun adviseurs. Helaas nogal dol op boekverbrandingen. Bang om te worden ontdekt zeker.

Haagsche Courant, vrijdag 20 augustus 2004

De adelaar vliegt weg van hier

alfred birney De echtscheiding tussen Nederland en Indonesië is nu wel zo’n beetje voltooid. Onlangs werd voor ons de visumplicht ingevoerd en nu gaat de Indonesische luchtvaartmaatschappij Garuda haar vluchten op Nederland schrappen. De redenen hiervoor zijn vaag, zelfs de sales manager van Garuda Indonesian Airways weet niet precies wat er speelt. Garuda zou te kampen hebben met financiële problemen. Dat kan. Bali is sinds de bomaanslag niet direct een aantrekkelijk bestemmingsoord meer. Toch meldt de minister van toerisme geen teruggang van toeristen.

Ook zo lekker vaag is dat Garuda zegt ‘tijdelijk’ haar vluchten tussen Nederland en Indonesië te staken. Garuda is nauw verbonden met de staat Indonesia en heeft een flink deel van haar internationale imago te danken aan haar luchtbrug met Nederland. Die werd begin jaren zeventig geslagen toen Indische Nederlanders heimwee- en Tweede Generatie Indo’s roots-reizen begonnen te ondernemen. Wat er sindsdien tussen beide landen is gebeurd is zou in telegramstijl nog niet passen in deze column. De verhouding tussen Nederland en Indonesië is daarvoor veel te complex, met verwijten over en weer, je moet diep de geschiedenis induiken om er iets van te kunnen begrijpen. Nou, wie wil dat? Onze volksvertegenwoordigers in elk geval niet. En zo’n club als het Nationale Comité VOC, dat in maart 2002 de Indonesiërs enorm tegen de schenen schopte met zijn eenzijdige herdenking van de oprichting van de VOC, al helemaal niet.

In Indonesië werd toen flink gedemonstreerd tegen de ‘glorifikasi’ van de VOC. Men eiste excuses aan het Indonesische volk wegens schending van de mensenrechten, kwijtschelding van alle schuld van de Republiek Indonesia aan Nederland en compensatie voor de rijkdommen die Nederland eeuwenlang ten koste van Indonesië heeft verworven. Symbolische eisen waren dat feitelijk. Die neokoloniale organisatoren hadden er beter aan gedaan Indonesische organisaties bij hun feestplannetjes te betrekken. Het Nationale Comité VOC heeft uit goede wil het woordje ‘viering’ nog wel veranderd in ‘herdenking’, maar daarvoor was het al te laat. De term ‘viering’ was al ingeburgerd en de Indonesische ambassadeur bedankte voor de kranslegging.

Een half jaar later de bom op Bali. Ik moest toevallig naar Indonesië om een vertaling van een van mijn boeken te promoten. In toerde langs vijf steden en zag vrijwel geen Europese toerist. Dat er ondanks de ingeklapte toeristenindustrie op Bali – goed voor 10 procent van het nationale inkomen – toch een visumplicht voor allerlei landen werd ingesteld, kan niet anders worden gezien dan in het licht van de spanningen tussen islamieten en christenen. Toch zou Nederland nooit haar speciale status hebben verloren als er door de jaren heen wat meer respect was getoond. Die aanmatigende koloniale en neokoloniale houding van ons is ze aan de overkant gewoon de strot uitgekomen. Daarom vliegt Garuda weg van hier. Nou maar hopen dat ik het mis heb.

Haagsche Courant, vrijdag 13 augustus 2004

Bentheim blues

alfred birney Het is alweer een paar weken terug dat ik per ongeluk televisie keek, maar voor wie vrijwel nooit televisie kijkt is dat natuurlijk een ervaring als de dag van gisteren. Televisie maakt pas indruk als je vrijwel nooit kijkt, anders zijn uitzendingen nauwelijks ervaringen te noemen, eerder geestdodende middelen waaraan nauwelijks te ontsnappen valt, te vergelijken met de junk die een verslaafde dagelijks tot zich neemt: de stakker begint pas een verandering waar te nemen wanneer er niets te snuiven of te spuiten valt. Maar goed, ik dwaal af. Ik keek dus per ongeluk televisie. Ik had dat ding eventjes verplaatst bij mijn jaarlijkse zomeropruiming en toen ik hem terugzette wilde ik hem even testen.

De nieuwslezeres kwam met een item over Nederlanders die van ellende in Duitsland zijn gaan wonen, omdat daar niet om de haverklap wordt ingebroken wanneer je je auto even onbeheerd ergens laat staan, omdat daar de mensen beleefder zijn, omdat men daar nog een praatje met je maakt wanneer je je hond uitlaat, kortom: omdat je voor Leefbaar Nederland nu eenmaal in Duitsland moet zijn. De NOS stuurde een paar vakantiewerkers af op het rustieke plaatsje Bentheim. Een Nederlandse meneer mocht uitleggen waarom Leefbaar Nederland tegenwoordig in Duitsland moet worden gezocht. Een Duitse juf kwam dat volmondig bevestigen. Maar toen kwam een richtige Deutsche in beeld. Die liet van de Hollanders instromers geen spaan heel: ‘Ach, die Hollanders die komen hier maar naar toe, maar ze passen zich niet aan, verstehen Sie? Dass lult maar over die Türken, aber zij zijn zelf ook zo!’

Het werd me even niet duidelijk wat die mevrouw nou erger vond: dat die Hollandse kolonie zich niet fundamenteel tot de braadworst bekeerde en haar Heineken afzwoer of het gewoon verdomde haar kinderen naar Duitse scholen te sturen. Maar goed, de boodschap was duidelijk: vol = vol. Diep onder de indruk van dit televisieavontuur verviel ik in diep gepeins. Niet van die vreemdelingenangst natuurlijk, dat is gewoon dagelijkse kost. Maar waar kende ik die plaatsnaam Bentheim ook weer van? Ik slaapwandelde op mijn boekenkast af, trok een boek tussen de duizend-en-een ruggen vandaan en ja… ik had het teruggevonden.

Mijn bedovergrootvader, genaamd Johan Willem Birnie, was een van de groten die de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten te Deventer bestierde, zo’n anderhalve eeuw geleden. De man was zo braaf en hardwerkend dat Koning Willem III hem met ridderkruizen overlaadde. Maar toen het even minder ging met de wereldberoemde tapijtfabriek verviel Johan Willem Birnie in somberheid. Op een dag kon hij de neergang van de fabriek niet langer meer aanzien. Hij vertrok naar Bentheim. Niet om een nieuw leven te beginnen, maar om het leven uit te stappen. De man verdronk zich er in een meertje. Zou hij zich met die daad nou hebben aangepast aan de cultuur daar in Bentheim?

Haagsche Courant, vrijdag 23 juli 2004

Alfred Byrnye / Bedoelt de butler Birney?

alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ voor de lol boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week, getiteld ‘Leven in MP3-formaat’. Deze andere spelwijze van mijn familienaam is verleden week door allerlei technische oorzaken waarmee ik u nu even niet lastig ga vallen abusievelijk in de kop komen te staan. De ware Alfred Birnie is mijn neef uit de gemeente T., die niet zelden voor de schrijver, columnist Alfred Birney wordt gehouden. Straks gaat ie nog de rechten op mijn vorige column claimen, al zal ie dat gezien zijn levenspeil wel niet nodig hebben. Wie weet is er een nog rijkere derde Alfred B., gespeld Alfred Byrnye, die zich lekker schuil houdt in een imposant kasteel ergens in de Schotse Hooglanden. Een kasteelheer vetgevreten van de haggis (schapenmaag of runderdarm, gevuld met stukjes hart, long, lever, niervet en havermout), zeer belezen maar zelf nauwelijks in staat een ganzenveer of pen vast te houden.
Kasteelheer Alfred Byrnye nipt verveeld van de single malt whisky van Glenfiddich en neemt met een minzaam knikje de Nederlandse krant aan van zijn trouwe butler.
‘Heer Byrnye, uw naam wordt kennelijk ijdel gebruikt in een van de kranten aan de overkant van het Kanaal,’ zegt de butler fronsend.
‘Hm, nou, aan het fotootje te oordelen is het niet direct een Schot die mijn naam boven zijn column zet. Wat denkt u dat er staat, mijn beste? Denkt die armoedzaaier op grond van een kennelijk vage afkomst enig recht te kunnen doen gelden op mijn bezittingen?’
‘Wilt u dat ik het stuk voor u laat vertalen, heer?’
‘Wat kost dat, mijn beste?’
‘Denkelijk al gauw drie eurocent per woord, heer.’
‘Veel te duur! Laat deze zaak maar rusten. Schenk me liever nog een single malt in.’
Waarop de heer zijn butler geruststelt door hem te vertellen dat de spelling van de achternaam Birney diverse varianten kent, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, en dan vergeet hij, overigens met genoegen, de Mac’s nog maar even. Hij, de kasteelheer, is met zijn eruditie heel wel op de hoogte van de grote daden van Carel Birnie, de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag, en van de boeken van ene Alfred Birney, een schrijver die ergens tussen Nederland en Indonesië in hangt en volgens hem dan maar beter ergens op de Indische Oceaan gedropt kan worden, met slechts een rubberbootje en een mondvoorraad aan haggis.
‘Met andere woorden: liever diens boeken en columns naar de haaien, heer?’
‘Gaat er dan iemand boven onze eigen grote dichter Robert Burns, mijn beste?’
‘Is Burns dan eigenlijk een Burnie, heer?’
‘Shut up! Another whisky please.’

Dit is een alternatief voor de geweigerde column Hoe spel je dat nou?
Haagsche Courant, vrijdag 16 juli 2004