Read My World voordracht en interview Alfred Birney

Read My World – editie Zuidoost-Azië vindt plaats van 1 t/m 3 oktober 2015 in de Tolhuistuin in Amsterdam, met twee optredens van Alfred Birney.

Tuinzaal:

Vrij 2 oktober – 21:00 – 22:00. Over de dood heen

Stel je voor dat je dood bent. Wat had je nog moeten zeggen en tegen wie? Met deze vraag gaan vier auteurs aan de slag. Ellen Heijmerikx, Kira Wuck, Alfred Birney en Seno Gumira Ajidarma (Verenigde Staten/Indonesië) schreven een monoloog en dragen die voor vanuit het perspectief van een al dan niet fictief personage dat nadenkt over wat er nog gezegd had moeten worden. Een opdracht die het vervreemdend perspectief viert en zich zelfs door de dood niet laat stoppen.

Met: Kira Wuck, Alfred Birney, Ellen Heijmerikx, Seno Gumira Ajidarma, Rashid Novaire en Sietske Roscam Abbing

Literair café:

Vrijdag, 2 oktober – 22:00 – 23:00. Dubieuze geschiedenis

Multatuli kent iedereen, maar wie heeft van Victor Ido gehoord? Alfred Birney laat in zijn essay De dubieuzen de onderbelichte kanten zien van de Nederlands-Indische literatuur. Programmamaker en onderzoeker Lisanne Snelders gaat met hem in gesprek over beeldvorming, gemengde afkomst en mooischrijverij.

Aanbevolen door de kenners

Sinds mijn terugkeer als schrijver van verhalend proza kan ik even geen koloniale en postkoloniale literatuur meer lezen. Ze staat eenvoudig te dichtbij, vooral de Indische. Ver van mijn bed staat de Japanse literatuur. Daar kan ik bij wegdromen, het boeit me maar raakt me niet te diep. Op gevaar af om op pil numero elf-lempers te worden getrakteerd, zal ik maar gauw vermelden dat het boek Eeuwige reizigers; een bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur van Jos Vos (Arbeiderspers, 2008) in de achtste eeuw begint en eindigt in de negentiende. Dus vóór Van den Vos Reynaerde en vóór de Max Havelaar. Een enorme verzameling van vertellingen, poëzie, dagboekfragmenten, memoires en zelfs sprookjes. Als je iets van de Japanse cultuur wilt begrijpen, uit fascinatie voor de vijand van je (voor-)ouders bijvoorbeeld, dan is deze bloemlezing een aanrader. Opvallend is het aantal schrijfsters, net als in de Indische bellettrie, met één van mijn grote idolen: de hofdame Sei Shōnagon, die zo’n 1000 jaar terug leefde en ons haar wereldberoemd Hoofdkussenboek naliet. Interessant is verder dat schrijvers en schrijfsters net zo makkelijk aandacht aan zowel mannen als vrouwen schenken. Beide seksen kunnen niet zonder elkaar. De liefde en de dood spelen de hoofdrol in de meeste geschriften; het overige doet er weinig toe. De liefde vormt wel vaak een probleem, dat bloeit met fraaie poëzie en eindigt vaak in scheiding en de weg naar non of monnik. De dood is niet zo’n probleem, reïncarnatie regeert. De Japanse literatuur als oase van overzichtelijkheid. Neem vooral de tijd voor deze teksten. Zoals de auteurs en de mensen dat toen deden. Hoed af voor de samensteller en vertaler Jos Vos.

De achternaam Vos komt veel voor in Nederland, dus u gelooft me vast wel als ik zeg dat ik nu niet opzettelijk met de naam Felicita Vos aan kom zetten. Haar boek Blauwe haren zwarte ogen; de Roma-cultuur van binnenuit (Meulenhoff, 2008) is een must read. Terwijl wij, Indo’s en Indischen, de grootste minderheid in Nederland vormen, zijn zij, de Roma (zigeuners), de grootste minderheid van Europa. Een slordige 15 miljoen zielen. De Roma vormen een minderheid mét een volkenrechtelijke status, maar zónder land. Na de Joegoslavië-oorlog werd dit besluit erkend voor de VN en de Raad van Europa met nota bene Duitsland die als enige lidstaat er niet mee instemde. Felicita Vos biedt in haar boek een keur aan portretten van beroemde Roma. De bekendste zijn wel Het Rosenberg Trio, Sylvia Tóth en Tata Mirando. De schrijfster heeft alleen Roma gekozen die het ver schopten in de zakenwereld, de muziek, de politiek of op het danspodium. Dat maakt het tot een trots boek. Ellendige verhalen, met de vergassing van ‘zigeuners’ in het zogenoemde ‘Zigeunerlager’ in Birkenau, heeft de schrijfster er subtiel en toch indringend doorheen gevlochten. Net als het verhaal van haarzelf en haar vader. Wat mij zo intrigeerde zijn de treffende overeenkomsten met de Indische opvoeding in de jaren vijftig. Roma vaders die eisen dat hun kinderen later zullen slagen in de maatschappij. De niet aflatende drang tot muziek maken. Jezelf zo onzichtbaar mogelijk maken. Ervoor zorgen dat ze niet merken dat je Roma bent. ‘Doe niet zo Indisch!’ Remember? Ik in elk geval wel. En dat net in een periode waarin ik even geen Indische literatuur lees. Komt er een Roma-schrijfster voorbij…

Verschenen in Indisch Anders, boekenkrant Tong Tong Fair: 2010

Superieur Indisch proza van Theodor Holman

Oorlog houdt niet op wanneer ergens de vrede wordt getekend. De herinnering blijft getroffenen voor de rest van hun leven achtervolgen, dat is bekend. Minder bekend is het relaas van hun kinderen. Ouders met een oorlogsverleden kunnen een gedrag vertonen of gewoonten ontwikkelen met verregaande, vaak desastreuze gevolgen voor hun kinderen. Dat is het uitgangspunt van Theodor Holmans jongste roman Tjon.

De gelijknamige held is een jongen van 12. We volgen zijn geschiedenis tot zijn 14e jaar, maar zien hem nauwelijks groter en volwassener worden, eerder kleiner en kinderlijker. Het boek is geschreven in de van Theodor Holman bekende hilarische schrijfstijl, wat de lectuur snel, licht en soms buitengewoon amusant maakt maar toch nergens de diepe tragiek wegneemt die het gezin achtervolgt vanaf de Japanse bezetting in Nederlands-Indië tot het burgerleven in Amsterdam.

Bijzonder, als een statement bijna, is dat de ervaringen van de ouders in de Japanse kampen tijdens WO-II via hun zonen tot ons komen. De ouders hebben een heden, hun zonen een verleden. De verhalen worden, verwrongen en vol verzinsels, doorgegeven via Joost, de vier jaar oudere broer van Tjon. Joost heeft een voorsprong in kennis ten opzichte van Tjon, maar is al zo verknipt in zijn gedrag dat hij zijn broertje bijna alleen maar kan pesten met de gruwelijke verhalen die hij van zijn ouders kent. De vader zit dan al in een inrichting, terwijl de moeder vruchteloos probeert de ontwikkeling van haar telgen te sturen. Ze is een liefhebbende maar tegelijk onbereikbare moeder in de beleving van Tjon, door wiens ogen wij het hele verhaal volgen.

Het speelt in de jaren zestig ten tijde van The Beatles en The Rolling Stones. De cultuur die tussen beide Indische broers heerst – de manier van met elkaar omgaan, de onderlinge codes, manipulaties, chantages en overlevingsstrategieën – is levensecht neergezet. Theodor Holman is van huis uit journalist, columnist en scenarioschrijver en dat kun je zien aan de korte hoofdstukken en de veelheid aan dialogen. Wie het boek leest zou gemakkelijk kunnen denken: dat kan ik ook. Vergeet het. Deze schrijver heeft een buitengewone subtiele manier van vertellen, met bijna muzikale herhalingen, een uitstekende timing en veel gevoel voor drama. Hij is een vakman die precies weet wat hij doet, zoals ook zijn held Tjon precies weet wat hij doet wanneer hij in de tuin zijn eigen “Jappenkamp” bouwt en er met zijn schoolvriendjes scenario’s probeert te bedenken om wraak te kunnen nemen op “de vijand”, die zijn vader uiteindelijk ten onder heeft doen gaan.

Tjons puberteit breekt aan en Theodor Holman voert Truusje op als onbereikbare liefde, die zich in rap tempo tot een aantrekkelijke jonge vrouw ontwikkelt. Tjons eerste feestje, bij Truusje, schitterend beschreven, loopt ellendig af voor de jongen, die inmiddels psychisch werkelijk ziek begint te worden. Broer Joost zit intussen om min of meer onduidelijke redenen voor 3 maanden in de gevangenis en het is juist bij afwezigheid van zijn grootste treiterkous dat het voor Tjon werkelijk mis zal gaan. Tjons moeder heeft kennis gekregen aan een andere man, in wie Tjon, hunkerend naar zijn moeder, een vijand ziet. De jongen komt terecht bij een psychiater, ontwikkelt militaristische waanideeën en treedt regelmatig in dialoog met zijn overleden vader. Hoe ellendig alles ook is, Tjon heeft een toekomst, een ideaal, en dat is een medaille krijgen van de koningin. De oorlogsgekte is zijn kop niet meer uit te krijgen, al slaat hij die zelf nog zo hard tegen de muur. Ik ga niet vertellen hoe het verhaal afloopt. Ga het boek zelf maar lezen. Anders mis je een absoluut hoogtepunt in de literatuur van de naoorlogse Indische generatie.

Eerder gepubliceerd in: Indisch Anders, 2e jrg. – nr 01 – april 2007

Hey Mike, lees dit maar niet

alfred birney Kinderen kunnen in enkele dagen een jaar groeien, lijkt het wel. Ik zag mijn zoontje drie dagen niet en opeens staat daar geen zoontje maar een zoon voor me. Gisteren werd hij twaalf. Hij mag nu van mij alleen naar school fietsen. Ik bedoel: hij moet. Hij moet het eens leren. Verder moet hij goede boeken leren lezen, uit alle werelddelen. Er is meer onder de zon dan Cervantes, Stevenson en Carroll. Gaat me wat worden, mijn zoon is namelijk een fan van Dagobert Duck, huh. Gelukkig las hij laatst zeer geboeid een jeugdroman uit van Craig Strete, een indiaanse schrijver uit de USA.

Mijn vader had geen benul van literatuur, maar zag wel dat ik wilde lezen. Hij kwam met de populaire boeken aanzetten over de vliegenier Biggles van W.E. Johns, die oorlog en overheersing verheerlijkte met avonturenromans als ‘Biggles in vijandelijk gebied’. De piloot is er een van het soort ‘helden sterven niet’, de geur van motorolie hangt over de bladzijden. Jaren later las ik dat de Biggles-boeken uit de bibliotheken van Zweden zouden worden gehaald vanwege verhuld racisme.

Mijn vader zal hebben vermoed dat de boeken van Biggles mij niet konden bekoren. Hij kwam aanzetten met de pockets van Karl May, dikke delen waarvan het eerste luidde: ‘Winnetou het grote opperhoofd’. Het was toen dat mijn vader me plechtig zei hoe je eigenlijk een boek moest lezen: ‘Als er staat geschreven dat een Indiaan te paard ergens op een heuvel verschijnt, dan moet je de woorden niet letterlijk lezen maar je er een voorstelling van maken.’

Dat had hij me niet hoeven vertellen, maar braaf als ik was begon ik me van elke zin een extra uitgebreide voorstelling te maken. Creatief ook nog droomde ik elke bladzijde een hele andere kant op dan Karl May had gedaan. Daardoor kreeg ik dat boek slechts met grote moeite uit, terwijl mijn boekenrekje zich allengs vulde met de vele delen uit de Karl May pocketreeks.

Indertijd waren de ‘Illustrated Classics’ populair: literatuur in stripvorm. Chopin zonder middenregister, zeg maar. Gelukkig kreeg ik dat pas veel later in de gaten. Nee, dan nog liever terug naar mijn jeugdliefde, mijn eerste boek, dat ik met Sinterklaas kreeg: ‘Sjors en Sjimmie in Wonderland’. Een strip over een blond jongetje en, zoals dat toen heette, een ‘negerjongetje’. De vriendjes komen terecht in een vervlogen riddertijdperk, ik ben een jaar of zeven, acht, maar raak toch heimelijk verliefd op de jonkvrouw. Het slot van het stripverhaal laat me in verbijstering achter. De hoofdrolspelers in het boek, onder wie de ridder en de jonkvrouw, raken in de tijd bevroren. Het zal 600 jaar duren eer ze weer tot leven komen. Zo oud word ik nooit! Nooit zal ik de jonkvrouw weer tot leven zien komen! Ik achtervolg mijn moeder avondenlang naar de keuken om haar van alles te vragen over leven en dood. Ik krijg geen antwoord. Er is geen sterveling die antwoord krijgt.

Haagsche Courant, vrijdag 3 december 2004

Gatenkaas

alfred birney We hebben één beeldend kunstenaar in Nederland. Zijn naam is Jan. Sinds afgelopen week hebben we nu ook één schrijver. Zijn naam is Jan. Leuk hè? Is goed voor de poldercultuur! Zo was ik laatst op een verjaardagspartijtje. Nou, daar loopt dan een beeldend kunstenaar rond en die zegt: ‘Kijk, dan zit je in zo’n commissie en dan moet er ergens een beeld komen en roepen alle commissieleden: we nemen Jan! Zo gaat dat. Al jaren!’ De beeldend kunstenaar in kwestie klaagde niet, veeleer lag er berusting in zijn toon. Zal ik die berusting dan maar met hem delen? We hebben Jan nu eenmaal en straks wordt die man 80. Nou, hebben we dan te veel gezegd? Ik zou niet weten of het prettig is om 80 te worden, maar goed, waarom geen ouwe grijze duif het boekenweekgeschenk voor 2005 laten verzorgen? Hella Haasse hebben we al twee keer gehad, toen ze jong was en toen ze oud was, en Mulisch was toch ook al redelijk op leeftijd. De jonkies kunnen nog wel een halve eeuw wachten, mits het Pentagon het mis heeft met dat zondvloedscenario van ze voor de Lage Landen, maar goed, dan schrijven we allemaal in het Engels en dan doet die hele CPNB er niet meer toe en staat die Henk Kraima, de baas van die club, al lang haring te verkopen op Mallorca. Moet je eens horen, ik heb niks tegen onze Jan hoor, aardige vent, altijd onderhoudend, maar echt in vorm, nee, dat is ie niet meer. In 1982 was ie dat wel. En hoe! Hem was de Constantijn Huygens-prijs toegekend. Die wees hij minachtend van de hand. Voor de televisiecamera’s trok hij het ene na het andere boek van zichzelf uit zijn kast, dat hij stuk voor stuk tot meesterwerk bombardeerde. Ik lag in een deuk. Onze Jan vond dat men rijkelijk laat was met hem die prijs toe te kennen. En gelijk had ie. Maar waarom vindt hij dan nu niet dat men veel te laat is hem het boekenweekgeschenk te laten verzorgen? Nou, onze Jan was al eens eerder door de CPNB uitgenodigd, maar: ‘de afgevaardigde die toen kwam overleggen zat in de kaas. Ik heb hem toen uitgemaakt voor gatenkaas. Maar de huidige directeur van de CPNB, Henk Kraima, is een prima man!’ Dit lijkt mij het allerafschuwelijkste uit Jan Wolkers. Die bandiet van een Henk Kraima heeft in 2001 de Nederlandstalige literatuur afgeserveerd omdat ie zo nodig modieus moest doen door Salman Rushdie het boekenweekgeschenk te laten verzorgen. De man kraaide zelfs dat elk in het Nederlands vertaald boek als Nederlandse literatuur moest worden beschouwd en hij voegde er ook nog de smerige leugen aan toe dat de Nederlandse literatuur al lang en breed multicultureel was. Nou Jan, als je een kaasverkoper uitmaakt voor gatenkaas, waar maak je dan zo’n Kraai-maar-aan-mannetje voor uit? Het thema van de boekenweek staat volgend jaar in het teken van ‘de duizenden boeken waarin de geschiedenis van Nederland wordt beschreven’, is het niet? Dat is toch heel veel gatenkaas.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 9 april 2004

Bloemlezen

alfred birney Als er één boek is waar ik liever niet mijn naam op had zien staan, dan is het wel de bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Ik heb dat geval vijf jaar geleden gefabriceerd in een periode dat ik geld nodig had om mijn huur en zo te kunnen betalen. Mijn uitgever wilde me financieel helpen, mits ik die onzalige bloemleesklus aannam. Ik begon enthousiast, kon mijn koelkast weer vullen en hoefde niet steeds de stad door om ergens bij vrienden te gaan eten. Dat bloemlezen begon met drie maanden gevangenisstraf binnen de bunkermuren van de Koninklijke Bibliotheek en werd verlengd met een strijd met een wankelmoedige redacteur op de uitgeverij, wie de zoveelste bloemleeskloon voor ogen stond: Multatuli’s klaagzang getiteld Saïdjah en Adinda, wat Oeroeg-stuff van Hella Haasse, een beetje petjoh van Tjalie Robinson en nog zo wat voordehandliggends. Ik wilde eens iets anders, een verkapt kettingverhaal van prozafragmenten rond het wel en wee van de Indo en maakte mijn prozakeuze daaraan ondergeschikt. Mijn voorwoord zou de lezer het een en ander verduidelijken. Mijn redacteur werd hysterisch toen ik zei dat ik die egotripper van Multatuli niet kon gebruiken en ging toen op vakantie na mij te hebben opgezadeld met een eindredacteur die inderhaast van de Libelle was ingehuurd om mijn bloemlezing persklaar te maken. Uiteindelijk telde ik nauwkeurig het aantal woorden en stuurde de koerier met mijn stapel kopieën naar Amsterdam. De interim eindredacteur kon niet tellen en meldde me dat de kopij te veel was. Nadat ik teksten had weggesmeten kreeg ik te horen dat het achteraf gezien toch wel in orde was. Maar er was geen tijd meer om wederom met een fietstas vol kwartjes naar de kopieerinrichting terug te gaan: de boel moest naar de drukker, het boek zou en moest in oktober op de markt komen. Sinterklaas, weet u wel. Na uitgave zette de uitgever de turbo op de p.r. en mocht ik aan suffe journalisten gaan uitleggen hoe Nederland zijn koloniale literatuur veronachtzaamde. De pers, met een referentiekader van een gordel van smaragd met wat palmen onder een blauwe hemel, geloofde het allemaal wel. Vervolgens kwam het peloton van zogenoemde Indische literatuurkenners aan fietsen. ‘Waarom staat die schrijver er in en waarom die niet?’ Antwoord: ‘lees het voorwoord.’ ‘Ja, maar een voorwoord lees je toch niet?’ Dat dus. Inmiddels werd ik belaagd door schrijvers die er niet in stonden, terwijl een volslagen onbekende Indische schrijfster die er wél in stond mij met een proces dreigde omdat de uitgever te laat was met haar contract. Enfin, aan bloemlezen valt weinig eer te behalen. Ik krijg nu nog vragen van lezers die hun favorieten missen. Die lezer houdt niet van het avontuur, maar wil bevestiging van de eigen smaak. Zou-ie willen bloemlezen?

Haagsche Courant, vrijdag 6 juni 2003

Michiel ontdekte Suriname

alfred birney Boekenliefhebbers mogen vandaag de vlag uithangen, want Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur wordt gevierd. Twee delen, 1500 pagina’s, geïllustreerd, alstublieft. Band 1 behandelt de orale en geschreven literatuur tot 1923, band 2 de geschreven literatuur van 1923 tot 2000. Auteur: Michiel van Kempen. Of onze doorgaans suffe leraren aan onze middelbare scholen meer dan drie namen uit die geschiedenis kennen zou ik niet weten. Ik vrees van niet. De hedendaagse boekenlijsten staan nog altijd bol van de Oeroegs, Karakters en Dwaallichten. Voor het multiculturele toefje een Marokkaantje erbij, of een Irakees, naar gelang de actualiteit, maar daar blijft het dan wel bij. Toegegeven, die leraren moeten het ook weer doen met examencommissies, die gewoonlijk bij hun geboorte de tijd stilzetten. Dus, beste VWO-er: waar draaien de boeken van W.F. Hermans om? Antwoord: het is een zootje op de wereld, meneer. Score: 10. Dus niet: was het proza van Edgar Cairo Sranantongo of een eigen literaire taal? Die vraag wordt niet gesteld, want de multiculturele samenleving is een leugen, meer nog in de literatuur dan op straat. Apartheid regeert en daarom moet een Michiel van Kempen negen jaar lang in zijn eentje werken aan een op zichzelf staande literatuurgeschiedenis, terwijl elders hele commissies zich vetbetaald buigen over de zoveelste kloon van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Zoals gewoonlijk doet het individu het echte werk. Michiel van Kempen timmert al langer aan de weg, maar om hem te ontdekken moet je niet voor die idiote boekentorens blijven staan waar je bij de moderne boekhandel je schenen steeds weer aan bezeert. Want wat daar allemaal ligt uitgestald is grotendeels sterreclameproza voor op de salontafel bij mensen die niet eens weten dat je een boek van voren naar achteren moet lezen. Michiel van Kempen heeft een slordige 18 bloemlezingen op zijn naam staan, vier vertalingen, 14 essaybundels, vijf prozawerken onder eigen naam, drie prozawerken onder twee pseudoniemen plus drie filmscenario’s. Maar ja, hij zit in de ‘multiculturele’ hoek hè? Dat is toch geen boerenkool met stamppot. Maar gelukkig zijn er nog altijd lezers die avontuurlijk de boekenschappen afstruinen voorbij de namen van Mulisch tot en met A.F.Th. Mensen die eerst de Oost-Indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys raadplegen om te zien wat er allemaal voor moois uit ‘ons’ Indië kwam. Thans hebben we er een standaardwerk bij en dat wordt vanavond in Theater aan het Spui ten doop gehouden. En nu maar hopen dat onze neerlandici het in de gaten krijgen. En ook die lui van het CPNB, onze boekenweeksinterklazen met aan het hoofd een man genaamd Henk Kraima, die twee jaar geleden beweerde dat een vertaald boek van Salman Rushdie een Nederlands boek is. Nou, dan zal de Surinaamse literatuur voor hem wel Goudse glorie zijn. Dus wat let hem nog?

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 9 mei 2003

Gods Prullenbak

alfred birney Weer eentje dood, iedereen gaat maar dood, je wordt er doodziek van, elke week is het prijs, het lijkt wel alsof ze geen zin hebben in alweer zo’n neplente zonder zon en hoop. Niet dat ik een rouwkaart ontving, de dood valt tegenwoordig per e-mail in het postvak, met de virusmeldingen, spam en funny mail. De dood van een Indische jongen is behalve de dood van een individu ook een knaag aan de Indische gemeenschap, die gedoemd is uit te sterven. Of ik dat treurig moet vinden weet ik niet, de Indische geschiedenis is niet bijster vrolijk. Achterlijk van de CPNB om nooit eens een Indische auteur uit te nodigen het boekenweekgeschenk te schrijven. Theodor Holman lijkt me wel geinig. Die schrijft zo’n boekenweekgeschenkje in een weekend in de etalage van de Bijenkorf, als het moet met de camera’s op zich gericht. De literatuur is onderhand wel toe aan een gimmick, als je het reilen en zeilen van de CPNB in ogenschouw neemt. In 1992 stond de boekenweek in het teken van Nederlands-Indië. Kregen we een geschenkje over weerborstels van een Brabander. In 2001 luidde het thema: tussen twee culturen. Kregen we een uit het Engels vertaalde folder van een ex-vogelvrije megasellerauteur, zonder weerborstels maar met baard. Uit protest begon ik een multiculturele internetsite. Wie deden er mee? Indo’s, Molukkers en Surinamers. Geen Irakees, Turk, Marokkaan of Iraniër te bekennen. Wel later schijnheilig e-mailen dat ze de weekreportages prachtig vonden. Maar meedoen? Ho maar! Te druk met pr-geslijm met de CPNB-maffia, die hen eerder zo hard liet vallen, in plaats van die club de vernieling in schrijven. Maar ja, een pen is geen raket, hè? En die lui van de CPNB lezen toch niet, hebben ze geen tijd voor. Ze volgen de toptien en dat is het. Vandaar die afgezaagde boekenweekthemaatjes. Dit jaar dus: de dood. Met een verbluffende diepzinnigheid stoppen ze er ook het leven in. De grote drie thema’s uit de literatuur, dames en heren: liefde, God en de dood. Kan een deur wijder worden opengetrapt? Als ze nou eens voor een ander perspectief hadden gekozen, okay. Maar dan zetten ze er weer zo’n provinciaaltje op. De CPNB en het koor der recensenten, journalisten en overige medialui kraaiden twee jaar terug nog: ‘De Nederlandse literatuur bestaat niet meer, is allang multicultureel geworden!’ Intussen werden tientallen multiculturele Nederlandstalige schrijvers gestraft omdat ze hadden vergeten in het Engels te schrijven. Cult-uitgeverij Vassallucci haalde nog een jochie van de schoolbanken om hem een roman te laten bakken waarmee ook hij een fatwa over zich heen zou krijgen. Kan het dommer? Je moet nu echt voor je kop geschoten worden als je zo nodig die boekentoptien in wilt. Dan ben je beroemd. En dood. Ongevraagd dan, hè? Mocht de CPNB ooit zelf de moord stikken, dan zijn we nog niet verlost van de CPGP: de Collectieve Propaganda van Gods Prullenbak. Wat dát is? Windows heeft er in elk geval een icoontje voor… Click! Weet u zeker dat u de rouwfolder naar de prullenbak wilt verplaatsen? Ja / Nee.

Haagsche Courant, vrijdag 14 maart 2003

Hetzelfde liedje

alfred birney Weet je wat er zo vervelend is aan een jury? Het is een jury. Een commissie van schimmige leken aan wie tijdelijk een zeker gezag wordt toegekend. Waarborg is de vette merknaam die achter zo’n jury prijkt. Interessant is te weten wie die juryleden nou eigenlijk precies zijn. Met een beetje moeite is daar wel achter te komen. Maar dan. Door wie is die jury samengesteld? Wie zitten erachter? Wat zit erachter? Waar lopen de wandelgangen tussen uitgevershuizen, juryleden en media? Welke wind waait er door die gangen? Neem zo’n AKO-Literatuurprijs. De samenstelling van de jury verandert elk jaar, de namen der genomineerden nauwelijks. Er zit altijd wel een Brouwers, Dorrestein, De Moor, Mulisch en nog een Vlaminkje bij. Rond de boekenweek twee jaar geleden blaatten critici, docenten en overige schapen in koor dat de “Nederlandse” literatuur niet meer bestond. Ja, Nederlandstalige multiculturele schrijvers zat, toch moest men zo nodig een zekere Engelstalige megaster het Nederlandse boekenweekgeschenk laten verzorgen. Elk protest werd afgedaan als “nationalistisch”, “kortzichtig”, “racistisch” en wat dies meer zij. Het literaire klimaat moest grenzelozer normen en waarden krijgen. Dat liedje heeft niet lang geduurd. Schrijver Graa Boomsma merkte toen al cynisch op: “De multiculturele schrijvers kunnen nu even de kast uit en mogen er daarna weer in.” Het is inmiddels nog erger dan dat. In het huidige normen-en-waardenzoekend klimaat flikkert men in onmiskenbaar Nederlands de hele multiculturele boekenkast de sloot in.

Haagsche Courant, maandag 23 september 2002

Judo en zo

alfred birney De judoka’s in de leeftijd van zes tot tien zitten netjes geknield in de rij en wachten vol spanning de commando’s van de sensei af. De leraar laat ze speels warm worden, zoals tijgeren over de mat, vooruit en achteruit. Daarna vertonen ze hun kunsten groepsgewijs en tot slot per duo. Opvallend is dat de jonge judoka’s elkaar niet uitlachen als iets niet lukt. Ze leren dat er altijd anderen zijn die beter of minder zijn dan jij. Dat je als witte-bander niet per sé hoeft te verliezen van een gele-bander. Dat een oranje band niet gerandeert dat je het van iemand met een witte band wint. Kunnen grote mensen wat van leren. Een doctor in de wiskunde kan dommer zijn dan een vuilnisman, een minister onverstandiger dan een hoer, een nobelprijswinnaar in de literatuur oninteressanter dan een columnist bij de HC – ja hallo, níet dan? Mijn zoontje, dat begrijpt u wel, is natuurlijk de beste judoka ter wereld. De avond voor zijn examen bij Steve van Nieuwenhuizen (neef van de onvolprezen Maurice, die model stond voor de eerste Nederlandse stripheld Dick Bos) nemen we nog even de worpen door. Hij pleurt me met gevarieerde been- en heupworpen op het matras en legt me in diverse houdgrepen. Ik test zijn kennis van het Japans. Alleen de eerste armworp weet-ie niet. Laat het nou uitgerekend deze tai-otoshi zijn die hij tijdens het examen niet kan tonen. Herinnert hij zich nu opeens wél de naam en daarom niet de worp? De herinnering: je ziet iemands gezicht maar de naam wil je niet te binnen schieten. Of: wie was Alfred Mazure ook weer?

Haagsche Courant, vrijdag 12 juli 2002