Follow

alfred birney Ik ga denk ik maar een auto kopen. Kan ik met de tuffende niet-rokers het milieu verder gaan verzieken. Mijn zoontje mag dan halverwege deze eeuw gezellig met een gasmasker over straat. Maar hemel, die auto’s van tegenwoordig zien er niet uit. Het is allemaal dezelfde fantasieloze blikzooi met veel oog voor zuinigheid in brandstofverbruik (zodat we nóg meer kunnen rijden), veel computergefreak (sprekende wegwijzers, dan hoef je niet te denken), op afstand bestuurde vergrendeling (leuk voor zappers), 100 watt hifi-installaties (zodat je het verkeer om je heen niet hoort) en meer van die ongein. Geef mij maar een ouderwetse VW of Citroën Traction Avant waar mijn Brabo opa met zijn dronken kop eens de vaart mee in reed (hij won tweemaal de staatsloterij en had de volgende dag alweer een nieuwe). Die auto’s hadden een eigenheid, wat zeg ik, een ego! Haal ik me wel een probleem mee op de hals, want die ego’s kenden geen therapeuten indertijd. Dus dat wordt sleutelen en dat kan ik niet met die verwende schrijfvingertjes van me.

Het VW-busje is mijn favoriet, liefst een T1 (1948-1966), want daar reed Ome Willem in. Wie Ome Willem is doet er nu even niet toe, dat komt later wel. Eerst maar onze Craig. Die reed, moderner, in een T2 (1967-1979). Mwah, ging nog wel. Enorme zeikerd van een vent overigens, maar hij reed lekker, smooth you know, yeah!

Craig was een naar het stadshippiedom afgegleden ex-militair en toerde een poosje door Holland in een VW-busje met Duits kenteken. Achterin lag een matras, waarop we blowden, gitaar speelden en zemelden over de zin van het leven. Onze tochten waren doelloos en dus perfect, aangezien wij de doelloosheid als de tao van het leven beschouwden. Maar Craig was een kapotte grammofoonplaat, die bleef hangen bij een alarmknop die Amerika het sein kon geven onmiddellijk haar raketten op Rusland af te vuren. Craig had zwetend van angst achter die knop gezeten. De Derde Wereldoorlog had ooit in Craigs handen gelegen! Gitaarspelen kon hij niet. Wat een handicap voor een traumadier. Hij had wel een cassettespeler aan boord, met maar één bandje, dat eindigde met ‘Follow’ van Richie Havens, die zwarte folkartiest die op Woodstock even niet wist wat ie moest zingen en spontaan ‘Freedom’ begon te schreeuwen. Ik heb zijn eerste elpee nog, bekrast, bevlekt, doorleefd. ‘Follow’ staat erop. Als ik dat draai, dan zit ik weer in Craigs busje. Zonsondergang in 1972. Neonlicht. Kalklijnen spelen op het asfalt. Richie Havens zingt: ‘If all the things you see ain’t what they seem… Then don’t mind me, cos I ain’t nothing but a dream…’

We zwijgen, Craig erbij. Wat kan het leven mooi zijn. Met zo’n lied dan, hè? Laat dat VW-busje eigenlijk maar zitten ook. Muziek, tabak en de Haagsche Courant. Dat is zat, joh.

Haagsche Courant, vrijdag 23 januari 2004

De verstomming

alfred birney 1. Where have all the flowers gone. Protestsong van Pete Seeger. Eens zag ik Marlène Dietrich het lied in het Duits vertolken op de televisie, lang geleden. Ze toverde een traantje in een van haar ooghoeken, zonder dat haar make-up begon te lopen. Knappe aanstellerij.
2. The universal soldier. Tegen zijn zin in, het lijflied van Donovan, geschreven door Buffy St.-Marie. De soldaat als slaaf van dictators en overige machtswellustelingen. Fraaie gitaarbegeleiding van Donovan. Is Bob Dylan helemaal niks bij vergeleken.
3. The eve of destruction. Lied van eendagsvlieg Barry McGuire, een navolger van Bob Dylan met een rauwe stem en veel baardhaar en zo.
4. Blowin’ in the wind. Dylan himself. Als zelfs padvinders je liedjes zingen, hoe groot ben je dan wel niet in je eenvoud? Maar ja, de inhoud van de song wordt gewoonlijk tamelijk onnadenkend opgedreund.
5. It’s good news week. Beetje gekke song van een band die zich Hedgehoppers Anonymous noemde. Een hedgehopper vliegt onder radargolven door, overigens. Cynische tekst: it’s good news week, someone dropped a bomb somewhere… Muzikaal geproduceerd, met mooie ritmische breaks. Beetje oorlog al.
6. Welterusten meneer de President. Tekst van de onlangs overleden Lennaert Nijgh, vertolkt door zijn grote vriend Boudewijn de Groot. Deze protestsong telde mondiaal niet mee, zoals Nederland thans niets, maar dan ook niets voorstelt op het internationale podium. Vandaar de mogelijkheid van zo’n halfzachte stelling: we staan wel politiek achter Amerika maar niet militair. Hoe dat dan zit met die wapentransporten over Nederlandse spoorrails en met die raketten in Turkije, dat moet je iemand van gereformeerde huize maar laten uitleggen.
7. People got to be free. The Rascals. De eerste protestsong waar je op kon dansen, volgens mij. Beetje ongerichte songtekst, dat wel.
8. Give peace a chance. John Lennon. Gemaakt anarchistisch sfeertje rondom dit protestlied. De meligheid nabij, zal ik maar zeggen.
9. The unknown soldier. The Doors. Oog voor de soldaat die wordt geëxecuteerd, terwijl men thuis aan de ontbijttafel het televisienieuws aanhoort. Alsjeblieft, kan het actueler?
10. Machine Gun. Lang uitgesponnen oorlogsscène van Jimi Hendrix met zijn Band of Gypsys. De oorlog is overal, boven je hoofd, naast je, achter je. Hendrix zoemt in op een soldaat die wordt neergeknald, realistischer kan niet. Het genie is beroemd om zijn pratende, scheurende en huilende gitaar. Nu tovert hij zijn witte Fender Stratocaster om in een machinegeweer, waarmee hij aan de vooravond van de jaren zeventig ook nog en passant de protestsong de vernieling in schiet. Ongewild, zeker, maar wat zijn hoogtepunt bereikt moet natuurlijkerwijs naar zijn dieptepunt terug. Zou het protestlied nu nog een serieus internationaal popgenre zijn geweest, dan moest je wel heel erg snel zijn wilde je je lied de hitparade in zingen. De door Bush en Co beoogde oorlog is zo kort van duur, dat je lied geen schijn van kans zou hebben actueel te worden. Misschien draaien ze hier op de radio dáárom wel die oude liedjes uit de jaren zestig, al is het maar voor de vorm. Of uit nostalgie.

Haagsche Courant, vrijdag 21 maart 2003

De B.-dimensie

alfred birney De minister-president spreekt! Een verademing na de polariserende graffiti van die LPF-novicen op de muren van het Binnenhof. Je valt bijna in slaap van zijn tekst in de krant van gisteren, maar goed, het is tenminste een betoog. Gewoonlijk spreekt hij zonder iets te zeggen. Nu is het nog net niet zo dat hij zijn heimwee bezingt naar een tijd waarin Hollandse vrouwen getooid met hoofddoekjes bij de grutter een onsje suiker gingen halen en ’s avonds de pantoffels voor hun Hollandse echtgenoten klaarlegden, maar dat lied staat wel op zijn diskman. De premier ziet namelijk een bijzondere dimensie: een morele. Einstein zou zich achter het hoofd hebben gekrabd, maar die schijnt inmiddels ook al achterhaald met zijn god-dobbelt-niet-theorie. Balkenende dobbelt wel, al is zijn inzet hooguit een versleten fiche uit het casino van vijftig jaar terug. Hij bepleit de terugkeer van de morele dimensie in de politiek, zegt dat de overheid niet moet voorschrijven maar wel grenzen moet stellen, enzovoort. Zijn geroep is netter dan dat gekraai van dat LPF-ongeregeld, maar vaag is het wel. Citaat: “in de relatie tot God komt de mens pas volledig tot zijn recht”. Was die God niet zoiets als Allah? Gedoe met die profeten, hè? Er zijn wijze lieden die menen dat de ellende niet begint bij raciale verschillen maar bij godsdienstige. Aardig thema voor de door Balkenende gewenste Nederlandse variant op de Noorse Commission on Human Values. Christelijke morele grenzen zijn bijvoorbeeld zo mooi, dat ze eeuwenlang zijn overschreden.

Haagsche Courant, woensdag 4 september 2002

Nina

alfred birney Hé, een oud liedje! Mooi! Hoewel… beetje in een UB40-setting. Dat is gepolitoerde reggae, iets voor in V&D, waar ze cappuccino in soepkommen serveren en je slagroom met een soeplepel uit de bak mag nemen. Allemaal soep dus. But I’m just a soul whose intentions are good, oh Lord please don’t let me be misunderstood. Dat is het refrein. Wanneer je relatie in de soep dreigt te draaien, zing je die regel. Is je partner een beetje begripvol, dan kun je weer een weekje samen slagroom eten, of langer, afhankelijk van het seizoen (het is thans zomer, beweert men bij het KNMI). Het liedje is van alle tijden, de mens wenst graag begrepen te worden (waarom eigenlijk?). De eerste versie die ik hoorde was van The Animals. Niet slecht gezongen. Wel beroerd gespeeld. Later hoorde ik de versie van Nina Simone. Snijdt door merg en been van de soulliefhebber. Hele sloten vol zangers proberen dat diepe gevoel met een hoop kitsch na te apen, maar het blijft soep met die slagroomstrotjes van ze. ‘Dat komt omdat het blanken zijn,’ zou Nina Simone zeggen. Zwarte panter, die soms haar nagels in de witte vleugel zet. Ooit moest iemand haar begeleiden naar het North Sea Jazz Festival. De diva stak in een grafhumeur en deed niks dan schelden en kankeren in de limousine. Het was een warme dag, het podium bloedheet. Het chagrijn knalde spoedig de klep van de vleugel dicht en riep: ‘Hoe durven jullie vuile blanken een oude dame als ik in die bloedhitte te laten spelen!’ Ze ging. Misunderstood. Dat is geen zwarte koffie met slagroom. Understood?

Haagsche Courant, vrijdag 9 augustus 2002

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Columns Getagged

Sukiyaki

alfred birneyIk was tien en wist niet of de artiest een man was met een hoge stem of een vrouw met een lage. Gouden stem, vreemde taal, ideaal voor verbastering door kinderen. De melodie wisselde voortdurend van majeur naar mineur, perfect voor een droevige wandeling door een zomers Zuiderpark. Artiestennaam en titel bleven jarenlang een raadsel voor me. Tijdens de sixties-revival kwam het lied terug op de radio. Een blasé deejay zei tam bij zijn afkondiging dat het nummer de enige Japanse popsong was die ooit de internationale hitlijsten haalde. Ik had de aankondiging gemist maar had nu een aanknopingpunt. Via via via hoorde ik dat het nummer Sukiyaki heette en via via via kreeg ik het op een cassettebandje toegespeeld.

Zoekmachine Google wijst me de weg naar een website waarop staat dat het nummer eigenlijk Ue O Muite Aruko heet… Ik wandel en ik kijk omhoog… De titel Sukiyaki was een verzinsel van cultuurschele Amerikaanse deejays. Een regel van het refrein luidt: Kanashimi wa tsukino kageni… Er loert verdriet in de schaduw van de maan…

Vierentwintig jaar na de lancering van het lied in 1961 verliest een Boeing 747 onderweg van Tokio naar Osaka stukken van zijn staart en cirkelt omlaag in een nachtmerrie van 30 minuten. Rond Kyu Sakamoto, de zanger met de gouden stem, schrijven medepassagiers haastige afscheidsbriefjes aan hun geliefden veilig beneden thuis in de schaduw van de zon. Misschien heeft Kyu Sakamoto als een held dat lied wel aangeheven: Ue o muite arukou… Ik wandel en ik kijk omhoog… Opdat niemand omlaag keek.

Haagsche Courant, vrijdag 15 maart 2002

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Columns Getagged