Work in process (roman)

manuscript tolk van java

Dit is een snapshot met een iPhone 4 van de eerste versie van mijn aanstaande roman, vers uitgeprint op 460 A4’tjes 70 grams papier, lettertype Times New Roman, regelafstand 1,5 – om kort te gaan: 195.974 woorden. Dat is een pak papier goed voor een paperback van 600 – 700 bladzijden. Zo’n dikke pil schreef ik nooit eerder.

Mijn dikste boek tot nu toe was Het verloren lied, een roman van ongeveer 80.000 woorden, goed voor een paperback van 320 bladzijden. Mijn dunste boek is de novelle Rivier de Lossie, in manuscript 21.501 woorden. Afgerond is mijn dunste boek dus 20.000 woorden lang en dit manuscript, dat ik hier op schoot heb, bijna tienmaal dikker met zo’n 200.000 woorden.

In een dun boek moet elke bladzijde goed zijn, je hebt eenvoudig geen tijd om een aantal zwakke bladzijden goed te maken. Met een dik boek heb je meer speling, je kunt jezelf wel wat minder sterk geschreven bladzijden veroorloven. Dat weet elke schrijver. Maar dan moet het wel een boek zijn met een sterk verhaal, anders smijten de lezers het in de hoek. Ik streef ernaar waar mogelijk flink te schrappen.

Ik schrijf mijn boeken meestal in drie versies. Met deze eerste versie op schoot ga ik het proberen te lezen zoals een lezer dat doet, dus zonder potlood erbij. Dat is al een hele kunst: net doen alsof je alles voor het eerst leest. Fouten laat ik staan, ik kijk alleen naar de voortgang van het verhaal. Aantekeningen maak ik niet. De compositie is goed, denk ik. Ik onthoud vanzelf wel waar het boek eventueel inzakt. Dit zijn spannende dagen voor me.

Ik zou niet weten hoelang ik precies aan dit enorme boek heb gewerkt. Er staan herschreven stukken in van twaalf jaar terug, een interview met mijn moeder en informatie uit de memoires van mijn vader gaan zelfs terug tot 1985. Ik ben aan dit manuscript begonnen direct na de publicatie van mijn essay De dubieuzen in 2012. Hier ligt dus het resultaat van twee jaar hard en intensief ’s nachts in afzondering werken. Ik zou die twee jaren niet graag overdoen…

Later meer over de voortgang, en de inhoud, van dit boek, dat waarschijnlijk De tolk van Java gaat heten.

Hey Mike, lees dit maar niet

alfred birney Kinderen kunnen in enkele dagen een jaar groeien, lijkt het wel. Ik zag mijn zoontje drie dagen niet en opeens staat daar geen zoontje maar een zoon voor me. Gisteren werd hij twaalf. Hij mag nu van mij alleen naar school fietsen. Ik bedoel: hij moet. Hij moet het eens leren. Verder moet hij goede boeken leren lezen, uit alle werelddelen. Er is meer onder de zon dan Cervantes, Stevenson en Carroll. Gaat me wat worden, mijn zoon is namelijk een fan van Dagobert Duck, huh. Gelukkig las hij laatst zeer geboeid een jeugdroman uit van Craig Strete, een indiaanse schrijver uit de USA.

Mijn vader had geen benul van literatuur, maar zag wel dat ik wilde lezen. Hij kwam met de populaire boeken aanzetten over de vliegenier Biggles van W.E. Johns, die oorlog en overheersing verheerlijkte met avonturenromans als ‘Biggles in vijandelijk gebied’. De piloot is er een van het soort ‘helden sterven niet’, de geur van motorolie hangt over de bladzijden. Jaren later las ik dat de Biggles-boeken uit de bibliotheken van Zweden zouden worden gehaald vanwege verhuld racisme.

Mijn vader zal hebben vermoed dat de boeken van Biggles mij niet konden bekoren. Hij kwam aanzetten met de pockets van Karl May, dikke delen waarvan het eerste luidde: ‘Winnetou het grote opperhoofd’. Het was toen dat mijn vader me plechtig zei hoe je eigenlijk een boek moest lezen: ‘Als er staat geschreven dat een Indiaan te paard ergens op een heuvel verschijnt, dan moet je de woorden niet letterlijk lezen maar je er een voorstelling van maken.’

Dat had hij me niet hoeven vertellen, maar braaf als ik was begon ik me van elke zin een extra uitgebreide voorstelling te maken. Creatief ook nog droomde ik elke bladzijde een hele andere kant op dan Karl May had gedaan. Daardoor kreeg ik dat boek slechts met grote moeite uit, terwijl mijn boekenrekje zich allengs vulde met de vele delen uit de Karl May pocketreeks.

Indertijd waren de ‘Illustrated Classics’ populair: literatuur in stripvorm. Chopin zonder middenregister, zeg maar. Gelukkig kreeg ik dat pas veel later in de gaten. Nee, dan nog liever terug naar mijn jeugdliefde, mijn eerste boek, dat ik met Sinterklaas kreeg: ‘Sjors en Sjimmie in Wonderland’. Een strip over een blond jongetje en, zoals dat toen heette, een ‘negerjongetje’. De vriendjes komen terecht in een vervlogen riddertijdperk, ik ben een jaar of zeven, acht, maar raak toch heimelijk verliefd op de jonkvrouw. Het slot van het stripverhaal laat me in verbijstering achter. De hoofdrolspelers in het boek, onder wie de ridder en de jonkvrouw, raken in de tijd bevroren. Het zal 600 jaar duren eer ze weer tot leven komen. Zo oud word ik nooit! Nooit zal ik de jonkvrouw weer tot leven zien komen! Ik achtervolg mijn moeder avondenlang naar de keuken om haar van alles te vragen over leven en dood. Ik krijg geen antwoord. Er is geen sterveling die antwoord krijgt.

Haagsche Courant, vrijdag 3 december 2004

Ich bin ein Doitser

alfred birney Sinds de moord op Theo van Gogh heb ik al honderd keer moeten lezen dat ‘de multiculturele samenleving op een mislukking is uitgedraaid.’ Zo lijkt het alsof er ooit plannen zijn gemaakt een multiculturele samenleving te scheppen. Ik kan me niet herinneren dat enig Europees land zich ooit als immigratieland heeft geprofileerd, zoals de USA of Australië dat ooit deden. Zeggen dat ‘de multiculturele samenleving op een mislukking is uitgedraaid’ klinkt als: ‘wij hebben ons best gedaan, maar jullie hebben er een zootje van gemaakt.’

Nou ben ik als columnist maar even niet zo dom om dat tegen te spreken, want straks is mijn brievenbus te klein. Maar ik kan natuurlijk wel voor mezelf spreken, dat schijnt momenteel nog wel te kunnen. Kijk: als de Duitse minister van Binnenlandse Zaken roept dat alle Turken die al lang in Duitsland wonen of er zijn opgegroeid zichzelf voortaan ‘Duitser’ moeten noemen, dan beginnen mijn hersenen te knarsen. En anders doet mijn geheugen mij wel in schateren uitbarsten.

Ik ben zelf een halve eeuw terug in Den Haag geboren. Met een Engelse achternaam en een Aziatisch uiterlijk. Hoe dat allemaal mogelijk was zal ik maar even achterwege laten, want voor die geschiedenis is zelfs de zaterdageditie van de Haagsche Courant nog te klein. Maar goed, mijn naam is Alfred Alexander Birney. Aangenaam.

‘Aangenaam, Mister Beurnie. Waar komt u vandaan?’

‘Uit Nederland.’

‘Ja, nee, ik bedoel waar u vandaan komt.’

‘Uit Ne-der-land. Ich bin ein eh… Holländer, ich meine: Niederländer.’

‘O, maar daar ziet u niet naar uit.’

Volgt een beknopte geschiedenisles van mijn kant, al duizend keer door mij herhaald, waar ook ter wereld. Ik kan nergens maar dan ook nergens zonder meer zeggen dat ik een Nederlander ben. Ik word namelijk beoordeeld op mijn kop. Als ik zeg dat mijn vader uit Nederlands-Indië afkomstig is, dan heb ik het over een kolonie die niet meer bestaat. Nou, daar wordt dan meteen Indonesië van gemaakt. En dan zegt de ander: ‘O, dus u bent Indonesisch.’

Ik kan nog wel een kwart eeuw doorgaan met dat geschiedenislesje van me, maar het blijft toch water naar de zee dragen. Zodra ik over de grens ben, noem ik mezelf ‘Eurasian’. Dan weten ze het ongeveer wel. Daar kom ik tegenwoordig het makkelijkst mee weg. Maar niet met ‘Nederlander’. Dat geloven ze alleen in Den Haag, de ‘weduwe van Indië’, die overigens ook haar beste tijd al heeft gehad.

Nou, ziet u die Turken uit Berlijn al aan de grens van Timbuktu zeggen dat zij ‘Doitser’ zijn? Ja? Nee, hè? Doitser! Die worden toch uitgelachen daar, joh. En in München ook.

Haagsche Courant, vrijdag 26 november 2004

Gods Prullenbak

alfred birney Weer eentje dood, iedereen gaat maar dood, je wordt er doodziek van, elke week is het prijs, het lijkt wel alsof ze geen zin hebben in alweer zo’n neplente zonder zon en hoop. Niet dat ik een rouwkaart ontving, de dood valt tegenwoordig per e-mail in het postvak, met de virusmeldingen, spam en funny mail. De dood van een Indische jongen is behalve de dood van een individu ook een knaag aan de Indische gemeenschap, die gedoemd is uit te sterven. Of ik dat treurig moet vinden weet ik niet, de Indische geschiedenis is niet bijster vrolijk. Achterlijk van de CPNB om nooit eens een Indische auteur uit te nodigen het boekenweekgeschenk te schrijven. Theodor Holman lijkt me wel geinig. Die schrijft zo’n boekenweekgeschenkje in een weekend in de etalage van de Bijenkorf, als het moet met de camera’s op zich gericht. De literatuur is onderhand wel toe aan een gimmick, als je het reilen en zeilen van de CPNB in ogenschouw neemt. In 1992 stond de boekenweek in het teken van Nederlands-Indië. Kregen we een geschenkje over weerborstels van een Brabander. In 2001 luidde het thema: tussen twee culturen. Kregen we een uit het Engels vertaalde folder van een ex-vogelvrije megasellerauteur, zonder weerborstels maar met baard. Uit protest begon ik een multiculturele internetsite. Wie deden er mee? Indo’s, Molukkers en Surinamers. Geen Irakees, Turk, Marokkaan of Iraniër te bekennen. Wel later schijnheilig e-mailen dat ze de weekreportages prachtig vonden. Maar meedoen? Ho maar! Te druk met pr-geslijm met de CPNB-maffia, die hen eerder zo hard liet vallen, in plaats van die club de vernieling in schrijven. Maar ja, een pen is geen raket, hè? En die lui van de CPNB lezen toch niet, hebben ze geen tijd voor. Ze volgen de toptien en dat is het. Vandaar die afgezaagde boekenweekthemaatjes. Dit jaar dus: de dood. Met een verbluffende diepzinnigheid stoppen ze er ook het leven in. De grote drie thema’s uit de literatuur, dames en heren: liefde, God en de dood. Kan een deur wijder worden opengetrapt? Als ze nou eens voor een ander perspectief hadden gekozen, okay. Maar dan zetten ze er weer zo’n provinciaaltje op. De CPNB en het koor der recensenten, journalisten en overige medialui kraaiden twee jaar terug nog: ‘De Nederlandse literatuur bestaat niet meer, is allang multicultureel geworden!’ Intussen werden tientallen multiculturele Nederlandstalige schrijvers gestraft omdat ze hadden vergeten in het Engels te schrijven. Cult-uitgeverij Vassallucci haalde nog een jochie van de schoolbanken om hem een roman te laten bakken waarmee ook hij een fatwa over zich heen zou krijgen. Kan het dommer? Je moet nu echt voor je kop geschoten worden als je zo nodig die boekentoptien in wilt. Dan ben je beroemd. En dood. Ongevraagd dan, hè? Mocht de CPNB ooit zelf de moord stikken, dan zijn we nog niet verlost van de CPGP: de Collectieve Propaganda van Gods Prullenbak. Wat dát is? Windows heeft er in elk geval een icoontje voor… Click! Weet u zeker dat u de rouwfolder naar de prullenbak wilt verplaatsen? Ja / Nee.

Haagsche Courant, vrijdag 14 maart 2003

Wow!

alfred birney 1. Je gaat een voortreffelijk Indonesisch restaurant aan de Groot Hertoginnelaan binnen, maar je kunt de spijskaart moeilijk lezen omdat je ogen achteruit gaan. Je vraagt de jonge tafelbediende of hij een leesbril voor je heeft. Hij komt terug met een brillenkistje van bewerkt djatihout, waaruit je de best passende leesbril mag kiezen 2. De Chinese waarden en normen volgens Confucius. 3. De teksten van Lao Tze, de anti-Confucius. 4. Iemand van de jiu jitsu-school met wie je na afloop weleens wat gaat drinken vertelt je opeens dat ze jaren terug eens een boek van je las. Ze herinnert zich nog de sfeer: kunstlicht, donkere straten en zo meer. 5. Parkieten in gestrekte vlucht naast de sneltrein. 6. Nguyên Lê met een nieuwe cd. 7. Iemand die ook naar Nguyên Lê luistert. 8. De bewegingen van sensei Steve van Nieuwenhuizen als hij een jiu jitsu-techniek voordoet in de snelheid waarop het eigenlijk moet. 9. Erwtensoep op de Noordpool. 10. Een Surinaamse jonge vrouw wordt belaagd door drie jongens bij de geldautomaat en slaat ze vakkundig het ziekenhuis in. 10. Boerenkool met worst en spek op de Zuidpool. 11. Je hoort na jaren dat ene liedje weer op de radio, terwijl de zon schijnt. 12. Een nieuwe spijkerbroek met precies geknipte pijpen. 13. Tim Hardin met ‘Shiloh Town’. 14. Een vulpen die je je pc onmiddellijk doet vergeten. 15. Een vrouw met een staartje en een wapperende jurk op een omafiets. 16. Een auto die voor de zebra stopt. 17. Slagroom met aardbeien (niet andersom). 18. Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon.

Haagsche Courant, vrijdag 1 november 2002

Dou Kou

alfred birney Volgens het huidige Chinese leersysteem moet een eerstejaarsstudent tenminste vierduizend karakters kennen. Dou Kou kende op zijn zevende jaar al vijfduizend karakters. Zijn vader vond het leersysteem dus maar niks en haalde zijn zoontje van school. De kleine had toen al een bestseller op zijn naam staan, dus wat kon je er tegenin brengen? Het is het verhaal getiteld Zwerversleven en gaat over het wel en wee van hem en zijn ouders, hoe ze door China zwerven op zoek naar werk. Hij liet er nog een tweede boek op volgen, getiteld Kinderogen, over het plattelandsleven, met het perspectief uiteraard bij het kind, anders hadden we met een genie te maken. Ik houd de jongen voorlopig voor briljant. Een genie ben je als je op een of andere manier op welk gebied ook de hele wereld op zijn kop kan zetten, terroristen even uitgesloten. Einstein, Freud, Escher, Bach. Dat. Nou heb ik het land aan hypes maar ik zit nu toch op een vertaling van deze zeer jeugdige Chinese schrijver te wachten. Als het maar niet die onwaarachtige uitgeverij Vassallucci is die de vertaalrechten koopt, dan vind ik het best. Met een beetje scepsis kun je bedenken dat Dou Kou’s papa die boeken geschreven heeft, maar ik neem aan dat dat niet het geval zal zijn. Dou Kou heeft inmiddels een derde boek geschreven. Geen roman ditmaal maar een weerwoord tegen zijn critici. Deed ik ook eens. Hopeloze onderneming. Niet alleen schrijven, ook lezen is een kunst. Critici die worden gekritiseerd hebben de neiging nog slechter te gaan lezen dan ze al deden.

Haagsche Courant, vrijdag 11 oktober 2002

Vrije seks

alfred birney Het feminisme rukt op in het grootste moslimland ter wereld, met als kruidvat Djokjakarta op Centraal Java. Volgens de Indonesian Expat Newsletter is in de culturele hoofdstad van Java de afgelopen drie jaar een onderzoek uitgevoerd onder 1660 studentes in de leeftijd van 17 tot 23 jaar. Slechts 46 van hen zeiden nooit seks te hebben gehad, en drie waren nog nooit tot zoenen gekomen. Liefst 97 procent is geen maagd mee en een kwart van de ondervraagden had seks met meer dan één partner. Het matras ligt overwegend in de huizen van het manvolk, gevolgd door goedkope hotelletjes en de pensions en kosthuizen die studentes uit heel Indonesië herbergen. De grasmat in het park is er voor de dappersten: twee procent. Het is niet meer zo dat hospita’s de huursters als de eigen dochter behandelen, ze laten de meisjes min of meer hun gang gaan. Conservatieve moslims smeken bijkans de drie kilometer dikke gifwolk die boven Zuidoost-Azië hangt (ten gevolge van bosbranden en een enorme toename van het autoverkeer) richting poel der losbandigheid. Pragmatischer moslims willen af van de wet die vrouwen verbiedt te huwen zonder toestemming van de ouders, zodat de studentes legaal de liefde kunnen bedrijven. Er is een koude oorlog aan de gang tussen feministen en fundamentalisten, een seksuele revolutie die men wil gaan stoppen met strikte regels in de pensions en politie-invallen in de nacht. Gaat dat gebeuren, dan lezen we over drie jaar dat vijftig procent van de politieagenten regelmatig vreemd gaat op het Djokjase matras.

Haagsche Courant, woensdag 14 augustus 2002

Paffen

alfred birney Sommige ingezonden brieven lezen als columns. In de HC van afgelopen zaterdag meldde zich een ‘tevreden roker’ uit Leidschendam. De paffer uit L. begon met minister Borst en de hele anti-rooklobby een veeg uit de pan te geven. Huh, de paffer uit L. moest eens weten hoe Elsje zelluf rookt gelyck ene schoorsteen. Dat fluisterenden althans nicotinevrije tongen om me heen terwijl een hevige aanval van hoest haar toespraak bij de opening van het Indisch Huis in rook deed opgaan. Laat onverlet de stelling van de paffer uit L. dat vele ‘anti-rookridders’ zonder zelfkritiek in stinkende auto’s rijden. Om over die smerige vliegmachines maar te zwijgen, waarin iedereen als een terrorist wordt beschouwd die per ongeluk eens lekker achterover aan een sigaretje gaat zitten hijsen terwijl het voertuig intussen vrolijk zijn as over de wereld uitstrooit. Yrrah, wijlen cartoonist van Vrij Nederland, maakte ooit een tekening van een stad vol dampende voertuigen naast het bordje ‘verboden te roken’. De anti-rookfundamentalisten zullen het wel weer in appels en peren zijn gaan zoeken, humorloos gezeten achter hun bureautjes in een ziek gebouw gelegen aan de Utrechtse Baan of waar dan ook. De paffer uit L. doet hen het gezonde voorstel aan de hand om op elk motorvoertuig een sticker te plakken met de tekst: ‘Uitlaatgassen zijn schadelijk voor de gezondheid, enz.’ En belooft te zullen stoppen met roken zodra op elk motorvoertuig zo’n sticker zit. Zelf kom ik met de garantie dat in een schonere lucht mijn tabaksrook die weldadige natuurlijke geur aan het milieu terug zal geven.

Haagsche Courant, maandag 4 maart 2002