Straks nóg sneller slikken!

alfred birney Een klein miljoen Nederlanders haalde verleden jaar kalmeringsmiddelen bij de apotheek en driekwart miljoen Nederlanders scoorde er slaappillen. Valt nogal mee in een tijd waarin steekpartijen niet van de lucht zijn. Als de onderzoekers mij om een schatting hadden gevraagd zou ik met de natte vinger toch op de helft van onze bevolking zijn gekomen. Wat een rare zin trouwens, ha ha, het lijkt wel alsof ik onder de valium zit! Ja hey, je kunt erg nerveus worden van een deadline, hoor. Ja echt! Deadline… Het woord al. Alsof ze je kop eraf komen hakken wanneer je niet op tijd je column inlevert. Is niet zo hoor, mijn redacteur is errug lief. En ja: deadlines zijn duidelijk. Zoveel anders dan de sluipmoorden die plaatsvinden binnen, zeg, een concern dat in het kader van de zogeheten mondialisering er de gewoonte van maakt om bij meer winst meer personeel te ontslaan in plaats van aan te trekken. Met angst en beven zie je de nieuwe jaarcijfers tegemoet, je telt de collega’s die voor jouw tijd de laan uit werden gestuurd en dan neem je maar weer wat librium, wat net effe lekkerder voelt dan valium. Of je rookt een lekkere joint zodra je thuis komt. Werkt ook. Maar niet als je honderdjarige buurvrouw bij de pinautomaat overhoop wordt gestoken, want dan krijg je zo’n zin om te gaan schreeuwen dat je maar meteen een hele strip benzo-zooi tot je neemt, anders komen ze je in no time plat spuiten. In Frankrijk slikken ze overigens viermaal zo veel sufmakers als hier bij ons, waarschijnlijk omdat de directie van de Tour de France gaarne heeft dat er dit jaar in een nog hoger gemiddeld tempo wordt gejakkerd. Het dopingcontrolecircus zet zo de maffia van de farmaceutische industrie aan tot de ontwikkeling van nog betere pepjunk, waar veel aandelen in rondgaan. U gaat nu toch niet roepen dat wij toch niet allemaal wielrenners zijn, hè? Ik dacht eerlijk gezegd namelijk toch toevallig van helaas wel ja. Het moet allemaal maar sneller, sneller en sneller tegenwoordig. Het dagelijkse leven als de Tour. Snelle, schreeuwerige radio- en teevee-reclames. Nu nóg sneller internetten! Zó zet u nóg sneller een maaltijd op tafel! Vandaag besteld, mórgen in al in huis! Het gaat wel goed, maar het kan allemaal nóg sneller! Leer gitaarspelen in twee weken! Als u van Maastricht vertrekt, dan bent u nóg sneller op uw vakantiebestemming! Nóg sneller bruin met onze bruiningscapsules! Met de nieuwe Sprinterformule biedt NS haar klanten een snellere dienstverlening! UMTS is ruim zes keer sneller dan ISDN! Zo kunnen medewerkers elkaar nog sneller bellen! Wilt u snel geld kunnen overboeken naar het buitenland? Wilt u snel dood? Wilt u nog sneller dood? Als u het snelst dood wilt, wandel dan gewoon volgens de verkeersvoorschriften het zebrapad over. Succes verzekerd! Het leven is prachtig jachtig, vindt u niet? Hé lamstraal, schiet een beetje op joh! Is er al een middel in de handel dat zowel kalmerend als oppeppend werkt? Tjonge, wat duurt dat lang zeg.

Haagsche Courant, vrijdag 1 april 2005

Zatoichi

Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.

Het verhaal van Zatoichi is eenvoudig. Een stadje in het oude feodale Japan wordt geterroriseerd door elkaar beconcurrerende bendes. Zatoichi, een blinde zwervende masseur, strijkt er een poosje neer en neemt het op voor de onderdrukte dorpelingen. Hij is grijs, loopt krom, wordt niet gehinderd door zoiets als een gezichtsvermogen en hoort en voelt alles. De snelheid waarmee hij zijn verborgen zwaard uit zijn wandelstok trekt dankt hij aan een zeer onorthodoxe techniek.

Een tweede outsider hangt rond in het stadje: een samoerai op zoek naar werk om zijn zieke vrouw te kunnen verzorgen, wat hem sympathiek maakt. Helaas wil het lot dat deze samoerai bij de tegenpartij terechtkomt waar Zatoichi voor strijdt. De ziende samoerai is ongemeen bedreven in het zwaardvechten en trekt zijn zwaard zoals het hoort: met de handpalm over het heft heen, de duim omlaag. De blinde masseur daarentegen trekt zijn zwaard andersom uit zijn wandelstok: de handpalm onderlangs, de duim omhoog. Halverwege de film komen zij al tegenover elkaar te staan. Beiden trekken hun zwaard, maar ze staan te dichtbij elkaar om uit te halen. Het verschil in techniek is duidelijk zichtbaar, maar het is moeilijk uit te maken wie later – want dat voel je aankomen – de snelste zal zijn.

Wanneer de clans door zowel de ziende samoerai als de blinde masseur zijn uitgeschakeld en de dorpelingen zich opmaken voor hun bevrijdingsfeest, moet nog een van de hoofdrolspelers wijken. Ze hebben over elkaars snelheid gehoord en koesteren ontzag voor elkaar. Op een verlaten plek lopen ze op elkaar toe. De ziende samoerai trekt zijn korte zwaard en werpt die naar de blinde masseur, die het wapen met een buitengewone reflex afweert. Hier heeft de ziende samoerai het pleit eigenlijk al verloren. Maar hij is dapper, als een samoerai betaamt, en maakt zich gereed.

De ziende samoerai monstert de blinde masseur, grinnikt en brengt zijn hand net als zijn opponent omgekeerd naar het heft van zijn zwaard. De blinde masseur voelt het en haalt een truc uit, waarin een wijze les verborgen ligt. Hij brengt nu juist zijn hand op de klassieke manier naar het heft. Dat brengt de ziende samoerai van slag. Gaat die blinde masseur nu toch op de klassieke wijze zijn zwaard trekken? Nee, het is een afleidingsmanoeuvre. En in de laatste seconde van zijn leven leert de ziende samoerai nog net dat je altijd trouw moet blijven aan je eigen kunstenaarschap.

Haagsche Courant, vrijdag 11 maart 2005

De juforde

alfred birney Onze kleuters zijn in het nieuws. Wat zeg ik? Een hype zijn ze! Als eentje een ander aan de mouw trekt, noemt men dat agressie. Het recht van de sterkste heerst op het schoolplein! Tjonge, wat een nieuws zeg. Dit hebben wij echt nooit maar dan ook nooit geweten. Jarenlang hebben we moeten wachten op het onlangs gepresenteerde onderzoek naar agressie bij kleuters. Groot is de Faculteit Pedagogiek van de Universiteit van Utrecht! De ene na de andere eye-opener rolt er uit, niet te bevatten allemaal, je zou die onderzoekers bijna voordragen voor de Nobelprijs. Zo weten ze te melden dat in bijna alle onderzochte klassen dominante daders te vinden zijn die al op zeer jonge leeftijd de zwakkere groepsgenoten eruit weten te pikken. En wat dacht u van het volgende verheven inzicht? ‘Kinderen die zich agressief opstellen jegens hun groepsgenoten worden zelf weer belaagd door andere dominante belagers. Ze zijn zowel dader als slachtoffer.’ Nou, wilt u nog meer briljants horen?

Horden journalisten spoeden zich naar juf a, b of c van school x, y of z om haar opdringerig, dominant en agressief de microfoon met die ene brandende vraag onder de neus te duwen: ‘Is het waar, juf?’

‘Ja,’ zegt de juf. ‘Er zit eigenlijk toch best wel een stukje van een kern van waarheid in. Maar ik wil niet dat het recht van de sterkste in mijn klas zegeviert.’

Dat lijkt mij tamelijk voor de hand liggend en ook wel handig, anders heb je geen leven als juf. Want die eeuwige knokpartijtjes op het schoolplein zijn niet van vandaag of gisteren, hè juf? Maar het heeft niet alleen te maken met het ‘bepalen van de pikorde’ hoor, zoals u dat zegt, juf. Er heerst ook nog zoiets als een kutorde onder de meisjes, uiteraard zoveel subtieler dan, zeg, de USA-orde in Irak om de boel maar even in macroperspectief te plaatsen. Ik heb in een grijs verleden ook heel hard moeten rennen om de knuisten van de sterkste jongen uit de klas niet alweer te hoeven voelen. Dat die jongen op zijn beurt voor een ander moest rennen wist ik ook; vandaar dat ik door die treiterkous geen trauma heb opgelopen. Traumatiserend werkten wel de juffen en meesters die ons zeiden wat we allemaal wel en niet mochten doen en dat God alles noteerde wat je deed. Nu is dat nog ingewikkelder geworden, want ook Allah kijkt toe. God waakt over de auto en Allah over de olie, terwijl wij stervelingen elkaar in hun naam afmaken. Onze kleuters zien de pikorde in vele varianten ook al heel vroeg op televisie. Maar wist u dat ze al vanaf hun zesde jaar op jeugdjudo kunnen? Weinig is beter dan dat voor hun ontwikkeling. Ik zou pleiten voor jeugdjudo als verplicht vak op alle basisscholen. Maar het zal vast wel een halve eeuw duren eer de Faculteit Pedagogiek van de Universiteit van Utrecht tot dat inzicht is gekomen met dat legertje laatnegentiende-eeuwse psychologen dat voor de geringste stoeipartij al een traumateam in de startblokken zet. Gesubsidieerd, ook dat nog.

Haagsche Courant, vrijdag 18 februari 2005

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Columns Getagged ,

Jaarwisseling beneden de zeespiegel

alfred birney Van de beroemde Japanse kunstenaar Hokusai (1760 – 1849) kent bijna iedereen wel de houtsnede ‘De Grote Golf’, die roeiers in hun bootjes overweldigt, terwijl in de verte de berg Fuji in eeuwigheid rust. De prent is veel gereproduceerd op affiches, maar sinds Tweede Kerstdag 2004 zal niemand meer als voorheen naar dit tafereel kunnen kijken zonder associaties met de jongste tsunami die dood en verderf heeft gezaaid in Zuid-Oost-Azië.

Ik kende het woord tsunami niet, totdat een e-mail van mijn broer me alarmeerde. Ik sms-te een vriend die in Thailand zat en hoorde heel lang niets. Een dag later liet hij weten dat zijn hotel er niet meer stond maar dat hij en zijn vrouw nog in leven waren. Ik begon te beseffen dat op dat ogenblik tienduizenden sms-jes naar de getroffen gebieden werden verstuurd met een snelheid hoger dan de tsunami zelf. Dat er, kortom, veel was veranderd sinds de tsunami in 1883, veroorzaakt door een uitbarsting van de Krakatau in de Straat van Sunda tussen Sumatra en Java. Tegen de tijd dat het nieuws de mensen in Europa bereikte, waren de doden toen al geborgen.

Nu is het reality tv geworden. Je zit naar ontluisterende beelden te kijken en het enige positieve dat je kunt bedenken is dat christenen, moslims, hindoes en boeddhisten eensgezind de ramp dragen en dat Indonesische militairen de Atjehers bijstaan in plaats van ze te bevechten. De rest van de wereld leeft mee, dat is iets.

Maar dan. Zodra de van ontzetting geopende monden weer gaan bewegen, begint de mens een van zijn idiootste trekjes te etaleren: leuteren rond de schuldvraag. ‘Als ze niet die mangrovebossen voor de Thaise kust hadden weggekapt, dan zouden die de tsunami hebben tegengehouden.’ Wie weet, maar wij rijke westerlingen willen nu en dan wat ‘zon pakken’ in het Verre Oosten, het liefst in hotels op een steenworp afstand van het strand. En de lokale bevolking, die graag te eten wil hebben, biedt ons die mogelijkheid. Zoals wij hier de Alpen kaal kappen omdat we er zo graag een weekje per jaar willen skiën.

Vervolgens: de Verenigde Naties die Amerika gierigheid verwijten. Amerika die zijn boekhouding toont, waarop een wedrace begint tussen landen die elkaar de loef af lijken te willen steken met recorddonaties. Maar goed, het doel heiligt de middelen. Ten slotte moeten autoriteiten in getroffen toeristische gebieden zich ook nog eens verdedigen tegen aantijgingen waarom zij niet met een waarschuwing naar de stranden zijn gekomen. Inmiddels nuttigen wij hier te lande oliebollen, appelflappen, boerenjongens en champagne en vergeten uiteraard het Pentagon-rapport, dat voorziet dat Nederland in 2007 onder water zal lopen. We zijn maar mensen, toch? En moeder aarde is moeder aarde. Over God zullen we maar even zwijgen, daarover hebben we het afgelopen jaar wel genoeg te horen gekregen.

Haagsche Courant, vrijdag 31 december 2004

Hey Mike, lees dit maar niet

alfred birney Kinderen kunnen in enkele dagen een jaar groeien, lijkt het wel. Ik zag mijn zoontje drie dagen niet en opeens staat daar geen zoontje maar een zoon voor me. Gisteren werd hij twaalf. Hij mag nu van mij alleen naar school fietsen. Ik bedoel: hij moet. Hij moet het eens leren. Verder moet hij goede boeken leren lezen, uit alle werelddelen. Er is meer onder de zon dan Cervantes, Stevenson en Carroll. Gaat me wat worden, mijn zoon is namelijk een fan van Dagobert Duck, huh. Gelukkig las hij laatst zeer geboeid een jeugdroman uit van Craig Strete, een indiaanse schrijver uit de USA.

Mijn vader had geen benul van literatuur, maar zag wel dat ik wilde lezen. Hij kwam met de populaire boeken aanzetten over de vliegenier Biggles van W.E. Johns, die oorlog en overheersing verheerlijkte met avonturenromans als ‘Biggles in vijandelijk gebied’. De piloot is er een van het soort ‘helden sterven niet’, de geur van motorolie hangt over de bladzijden. Jaren later las ik dat de Biggles-boeken uit de bibliotheken van Zweden zouden worden gehaald vanwege verhuld racisme.

Mijn vader zal hebben vermoed dat de boeken van Biggles mij niet konden bekoren. Hij kwam aanzetten met de pockets van Karl May, dikke delen waarvan het eerste luidde: ‘Winnetou het grote opperhoofd’. Het was toen dat mijn vader me plechtig zei hoe je eigenlijk een boek moest lezen: ‘Als er staat geschreven dat een Indiaan te paard ergens op een heuvel verschijnt, dan moet je de woorden niet letterlijk lezen maar je er een voorstelling van maken.’

Dat had hij me niet hoeven vertellen, maar braaf als ik was begon ik me van elke zin een extra uitgebreide voorstelling te maken. Creatief ook nog droomde ik elke bladzijde een hele andere kant op dan Karl May had gedaan. Daardoor kreeg ik dat boek slechts met grote moeite uit, terwijl mijn boekenrekje zich allengs vulde met de vele delen uit de Karl May pocketreeks.

Indertijd waren de ‘Illustrated Classics’ populair: literatuur in stripvorm. Chopin zonder middenregister, zeg maar. Gelukkig kreeg ik dat pas veel later in de gaten. Nee, dan nog liever terug naar mijn jeugdliefde, mijn eerste boek, dat ik met Sinterklaas kreeg: ‘Sjors en Sjimmie in Wonderland’. Een strip over een blond jongetje en, zoals dat toen heette, een ‘negerjongetje’. De vriendjes komen terecht in een vervlogen riddertijdperk, ik ben een jaar of zeven, acht, maar raak toch heimelijk verliefd op de jonkvrouw. Het slot van het stripverhaal laat me in verbijstering achter. De hoofdrolspelers in het boek, onder wie de ridder en de jonkvrouw, raken in de tijd bevroren. Het zal 600 jaar duren eer ze weer tot leven komen. Zo oud word ik nooit! Nooit zal ik de jonkvrouw weer tot leven zien komen! Ik achtervolg mijn moeder avondenlang naar de keuken om haar van alles te vragen over leven en dood. Ik krijg geen antwoord. Er is geen sterveling die antwoord krijgt.

Haagsche Courant, vrijdag 3 december 2004

Bentheim blues

alfred birney Het is alweer een paar weken terug dat ik per ongeluk televisie keek, maar voor wie vrijwel nooit televisie kijkt is dat natuurlijk een ervaring als de dag van gisteren. Televisie maakt pas indruk als je vrijwel nooit kijkt, anders zijn uitzendingen nauwelijks ervaringen te noemen, eerder geestdodende middelen waaraan nauwelijks te ontsnappen valt, te vergelijken met de junk die een verslaafde dagelijks tot zich neemt: de stakker begint pas een verandering waar te nemen wanneer er niets te snuiven of te spuiten valt. Maar goed, ik dwaal af. Ik keek dus per ongeluk televisie. Ik had dat ding eventjes verplaatst bij mijn jaarlijkse zomeropruiming en toen ik hem terugzette wilde ik hem even testen.

De nieuwslezeres kwam met een item over Nederlanders die van ellende in Duitsland zijn gaan wonen, omdat daar niet om de haverklap wordt ingebroken wanneer je je auto even onbeheerd ergens laat staan, omdat daar de mensen beleefder zijn, omdat men daar nog een praatje met je maakt wanneer je je hond uitlaat, kortom: omdat je voor Leefbaar Nederland nu eenmaal in Duitsland moet zijn. De NOS stuurde een paar vakantiewerkers af op het rustieke plaatsje Bentheim. Een Nederlandse meneer mocht uitleggen waarom Leefbaar Nederland tegenwoordig in Duitsland moet worden gezocht. Een Duitse juf kwam dat volmondig bevestigen. Maar toen kwam een richtige Deutsche in beeld. Die liet van de Hollanders instromers geen spaan heel: ‘Ach, die Hollanders die komen hier maar naar toe, maar ze passen zich niet aan, verstehen Sie? Dass lult maar over die Türken, aber zij zijn zelf ook zo!’

Het werd me even niet duidelijk wat die mevrouw nou erger vond: dat die Hollandse kolonie zich niet fundamenteel tot de braadworst bekeerde en haar Heineken afzwoer of het gewoon verdomde haar kinderen naar Duitse scholen te sturen. Maar goed, de boodschap was duidelijk: vol = vol. Diep onder de indruk van dit televisieavontuur verviel ik in diep gepeins. Niet van die vreemdelingenangst natuurlijk, dat is gewoon dagelijkse kost. Maar waar kende ik die plaatsnaam Bentheim ook weer van? Ik slaapwandelde op mijn boekenkast af, trok een boek tussen de duizend-en-een ruggen vandaan en ja… ik had het teruggevonden.

Mijn bedovergrootvader, genaamd Johan Willem Birnie, was een van de groten die de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten te Deventer bestierde, zo’n anderhalve eeuw geleden. De man was zo braaf en hardwerkend dat Koning Willem III hem met ridderkruizen overlaadde. Maar toen het even minder ging met de wereldberoemde tapijtfabriek verviel Johan Willem Birnie in somberheid. Op een dag kon hij de neergang van de fabriek niet langer meer aanzien. Hij vertrok naar Bentheim. Niet om een nieuw leven te beginnen, maar om het leven uit te stappen. De man verdronk zich er in een meertje. Zou hij zich met die daad nou hebben aangepast aan de cultuur daar in Bentheim?

Haagsche Courant, vrijdag 23 juli 2004

Leven in MP3-formaat

alfred birney Ik heb nog een grammofoonplaat van een obscuur platenlabeltje met antieke opnamen van Pablo Casals. Helaas niet de Bachsuites voor cello, die hem wereldberoemd maakten, of die hij wereldberoemd maakte, maar stuff van Tartini, Schumann, Boccherini and all that. De opnamen dateren uit een periode waarin men nog niet over microfoons beschikte en druk in de weer was met een fonograaf, een toestel dat met een membraan en een naald trillingen op een draaiende wasrol schreef. De grammofoonplaat opent met een uitvoering van Chopins Nocturne, Opus 9 nr. 2, te mooi om niet heel snel de naald er af te halen. Voor de rest kan de muziek niet tegen het afschuwelijke geluid op en gaat bij mij de naald eraf. Waarom bracht dat obscure platenlabeltje ondanks de beroerde geluidskwaliteit toch die antieke opnamen van Pablo Casals uit? Het was een poging ons te laten horen hoe Pablo Casals destijds live speelde. Toen jaren later de draaitafel in onze huiskamers plaats maakte voor de cd-speler, werden we overspoeld met heruitgaven van muziek uit alle mogelijke genres. Het idee erachter was alleen heel anders. De cd was makkelijker hanteerbaar dan de langspeelplaat en er kon meer muziek op. Mensen zetten hun hele muziekcollectie op cd en gaven hun platen aan de vuilnisman mee. Er kwamen lui die zich specialiseerden in het wegmoffelen van het gekras en getik van grammofoonplaten bij het overzetten op cd. Maar later begonnen mensen terug te verlangen naar dat gezellige gekraak en geknars en er kwamen lui die op bestelling je cd’s van gekraak en geknars konden voorzien. Ik heb een cd van Otis Redding waarop de muziek in haar analoge karakter te horen is, met dat typische omgevingsgeluid dat zo eigen was aan de grammofoonplaat en zo vreemd aan de cd. Zeldzaam. Thans bevinden wij ons in de MP3-revolutie. MP3 is een manier van muziek opslaan vergelijkbaar met de productie van, zeg, het bouillonblokje. Wat voor het menselijk oor nauwelijks waarneembaar is, wordt weggelaten. Muziek wordt van alle karakteristieke ruis en omgevingsgeluiden ontdaan, zodat alleen dat overblijft wat je in principe op een stuk bladmuziek kunt lezen. Met MP3-technologie kun je tienmaal zo veel muziek kwijt op een cd als voorheen. Maar die cd zal moeten wijken voor de geheugenkaarten die je in zeer kleine MP3-spelers of in je mobieltje kunt stoppen. De geluidskwaliteit is vergelijkbaar met Pablo Casals’ cello op een wasrol. Een verkooppraatje luidt dat MP3-spelers ongevoelig zijn voor schokken en dat je er dus lekker mee kunt sporten. Niks van de wijze Zen-gedachte die zegt dat als je zit je moet zitten, dat als je loopt je moet lopen en dat als je naar muziek luistert je naar muziek moet luisteren. Wij willen niet kiezen tussen auto rijden en naar muziek luisteren, wij doen beide en denken dan aan seks. Met zo’n stijl van leven in MP3-formaat is geluk een bouillonblokje. Geen soep.

Haagsche Courant, vrijdag 9 juli 2004

Verkeersdoden

alfred birney Zomaar een dag. Ik ga de deur uit, de wind is gaan liggen, dat merk je direct aan het verkeer: auto’s rijden rustiger, mensen pezen elkaar niet voorbij, men heeft zelfs tijd voor een glimlach. Ik wandel rustig met mijn rugzakje naar het plein, steek een sigaret op, ik ben wat vroeg, de fysiotherapeut van niks is niet ver lopen, het is mijn laatste consult, verplicht nummer eigenlijk, uit beleefdheid nog maar even een handje geven, hem een prettige vakantie toewensen en meer van dat alledaagse gedoe.

Fysiotherapeuten vormen een hopeloos klasje in het medische veld: ze weten waar je spieren lopen, waar de aanhechtingen van je pezen zitten, ze kunnen je wervels tellen en dat is het dan wel zo’n beetje. Ze lokaliseren de pijn, masseren je en sturen je met nog meer pijn naar huis met het advies alles gewoon te blijven doen zoals je gewend bent te doen, bla bla bla.

Neem nou een land als Indonesië. Daar bezoek je geen fysiotherapeut, maar een pidjitman of –vrouw. Die laat je niet gaan eer je pijnvrij bent. Of je nou pijn hebt aan je hoofd, je nek, je ledematen of ergens in je buik, ze nemen je van top tot teen onder handen. Zó moet het. Dat noemen wij hier de holistische benadering, daar doen we hier heel gewichtig over, terwijl ginds de hele reut van sportmassage, reiki, magnetiseren, aura-healing, acupressuur, acupunctuur, voetreflexmassage en wat al niet meer gewoon pidjit heet. Meer niet.

Maar Indonesië is een heel eind vliegen en vandaag is zomaar een dag, er is niets om je werkelijk druk over te maken. Je moet wel oppassen waar je loopt, zoals altijd, want de straat blijft hier een openbaar toilet voor honden.

Toch blijft het dagelijkse leven verrassingen zitten. Vliegen zwermen rond een stoeptegel, er kruipen insecten af en aan, alles krioelt rond iets dat ik aanvankelijk voor een jonge vogel houd maar dat bij nader inzien een rattenkop blijkt te zijn. Waar is zijn lijf gebleven? Heeft een kat zijn kop eraf gebeten en hem laten liggen of heeft een automobilist zijn lijf plat gereden en zijn straatjongens met zijn kop gaan pingelen? De rattenkop ligt er zo triest bij. Wég zijn leven. Insecten vluchten, bang dat mijn schoen ze zal vertrappen.

Onwillekeurig moet ik denken aan hoe Friedrich Nietzsche in Turijn huilend een trekpaard om de hals viel toen hij zag dat het werd afgerost, – een beroemde scène die Nietzsches totale instorting markeert. Ik wankel even terwijl ik doorloop. In de avond lees ik in de krant dat onze minister van Verkeer het aantal dodelijke ongevallen in het jaar 2020 omlaaggebracht wil hebben naar 640. Waarom niet naar nul? Gewoon: nul.

Een rare berekening moet het zijn die het aantal verkeersdoden van 1100 in 2003 terug moet brengen naar 640 zeventien jaar later. Mogelijk kleeft er een hoog realiteitsgehalte aan de norm die onze minister voor ogen staat? Mensen zijn ratten. Zoiets?

Haagsche Courant, vrijdag 2 juli 2004

Lulverhaal

alfred birney Het is nog geen mode, maar dat kan het natuurlijk worden: de penis van je man afsnijden. Moet gepaard gaan met een dubieus voorspel, want een weekdier laat zich niet zomaar hakken, lijkt mij.

Voor wie het nog niet weet: onlangs heeft een Duitse vrouw de penis van haar ex-man afgesneden. Plaats van handeling: Kassel. Afloop van dit lulverhaal: de man, een Ghanees, rent de vrouw achterna en steekt haar overhoop op straat. De vrouw overlijdt een uur later in het ziekenhuis. Geen bijster plezierig bericht dus.

Dan was dat akkefietje in Amerika in 1993 toch amusanter. Een vrouw snijdt de piemel van haar man af en smijt het geval uit het autoraam. Ambulancepersoneel gaat op zoek naar het gereedschap en in het ziekenhuis wordt dat ding er gewoon weer aangenaaid, om zo te zeggen, want die vrouw zal zich toch ongetwijfeld genaaid hebben gevoeld door die plastische chirurgen, die als het moet een olifantenslurf op de kont van uw buurman planten (onze Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten wil experimenten in die richting gaan doen, maar dit even terzijde). Het slachtoffer, een luldebehanger van de eerste orde (ramt stelselmatig vrouwen in elkaar), maakte van de lulligste dag uit zijn leven een hype: hij liet T-shirts printen met zijn piemel erop, maakte een grand tour langs allerlei televisiestations, accepteerde een rol in een pornofilm om te bewijzen dat zijn dingeling nog operationeel was en zette zo zijn vrouw en haar seksegenoten voor paal. Later zou hij zijn nieuwe vriendin gaan mishandelen en in de gevangenis terechtgekomen, maar wel met zijn jongeheer.

Sommige kranten zaaien in het jongste bericht verwarring met koppen als: ‘Man doodt vrouw na castratie’. Er leeft een enorm misverstand onder mensen, die denken dat het afsnijden van een penis gelijkstaat aan castratie. Waarschijnlijk een erfenis van die frustraat Sigmund Freud uit Wenen, die aan castratie de betekenis van het verwijderen van de penis gaf om zo zijn inmiddels ingeburgerde absurde theorie van penisnijd aan vrouwen toe te kunnen schrijven. Werkelijke castratie is echter het verwijderen van de testikels. Het vond al plaats in religies ouder dan het christendom. Via allerlei omwegen vonden castraten, eunuchen genoemd, de weg naar de christelijke kerk, waar men graag jongetjes met engelenstemmetjes in het koor wilde horen zingen en de ballen maar in de kerstboom hing.

Vier jaar terug beet in Chicago een vrouw de testikels af van een man die haar belaagde en deponeerde ze persoonlijk op het politiebureau. Geen chirurg die later nog met de ballen raad wist. Dat dit verhaal minder bekend is komt misschien door wat de mensen graag willen lezen. Een lulverhaal gaat er lekkerder in.

Haagsche Courant, vrijdag 11 juni 2004

Bevrijdingsfeest anno 2004

alfred birney Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei, de Duitse capitulatie in Nederland, en mijn Indische vader herdacht de 15e augustus, de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Wij, de kinderen, dienden te herdenken wat zij herdachten. En hoe. Ernstige smoelen trekken bij het luiden van afschuwelijke klokken. Maar de tijd is een zegen: de dingen krijgen een ander gezicht. Ik hoor ergens rap-muziek vandaan komen, ga naar buiten en kom op mijn gehoor bij het Koningsplein uit. Op een podium staan jongens van allerlei komaf over hun rauwe leven in Den Haag te rappen. Doen ze in het Nederlands, wow, dat is moeilijk. Ze schieten sigarettenpeuken de straat op, zuipen bier en claimen een redelijk leven in de Schilderswijk, waar ze zijn geboren. Ik hou van rap, het is de redding voor de poëzie. Verderop wordt door Hollanders vrolijk op Afrikaanse trommels geslagen terwijl aikidoka’s van een van de dojo’s uit de omtrek pauzeren met hun jassen over hun Japanse tenues, want het is fris. (Of een Japanse gevechtskunstdemonstratie op de 15e augustus bij het Indisch monument zou kunnen denk ik niet, al zijn de beste aikidoka-leraren uit Den Haag nota bene Indo’s: Peter Bacas en Francisca van Leeuwen.) Ik verlaat het Koningsplein en loop de Weimarstraat in. Op de kruising bij de Surinaamse toko en de Turkse tabaksboer is een breakdance battle op een verhoging aan de gang. Uit twee breakdance-groepen van elk ongeveer zes personen maken zich er steeds twee los om met elkaar een dansgevecht aan te gaan. Ze dansen om beurten op rapmuziek en proberen elkaar met adembenemende acrobatische toeren en mime de loef af te steken. Donkere jongens overheersen licht in aantal. Ik zie geen donkere meisjes, wel blanke. Een lange soepele blanke jongen met Slavische trekken valt mij op. Op zijn shirt staan de letters CCCP. Ik vraag hem of hij Russisch is en hij zegt: ‘Hoe weet je dat?’ Ze noemen hem Daan. Zijn stijl van dansen is zeer communicatief, de mime op zijn gelaat is superieur aan die van de anderen, ik zet mijn kaarten op hem. Een Aziaat demonstreert een groot acrobatisch vermogen, maar speelt soms vals door zijn opponent te storen in zijn dans. Wanneer na een ladies battle een van de Hollandse meisjes tegen een Mediterraanse jongen mag uitkomen, wordt het spannend. Het meisje opent uitdagend, maar fatsoenlijk. De jongen antwoordt met een obscene dansbeweging en wordt door de showmaster vermaand. RESPECT. Dat zegt hij. Dat woord zal als een mantra nog vaak worden uitgesproken door de breakdancers onderling. De breakdance battle eindigt in een strijd tussen Daan en alias ‘Latino’. De jury, die uit de serre op de eerste etage boven de Turkse tabaksboer hangt, laat het tweetal een extra ronde doen. Daan verliest van Latino. Misschien vond de jury die Russische danspasjes tussendoor wel te on-Amerikaans. Ze snappen het niet. Wij zijn toch ook door de Russen bevrijd?

Haagsche Courant, vrijdag 7 mei 2004