Zatoichi

Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.

Het verhaal van Zatoichi is eenvoudig. Een stadje in het oude feodale Japan wordt geterroriseerd door elkaar beconcurrerende bendes. Zatoichi, een blinde zwervende masseur, strijkt er een poosje neer en neemt het op voor de onderdrukte dorpelingen. Hij is grijs, loopt krom, wordt niet gehinderd door zoiets als een gezichtsvermogen en hoort en voelt alles. De snelheid waarmee hij zijn verborgen zwaard uit zijn wandelstok trekt dankt hij aan een zeer onorthodoxe techniek.

Een tweede outsider hangt rond in het stadje: een samoerai op zoek naar werk om zijn zieke vrouw te kunnen verzorgen, wat hem sympathiek maakt. Helaas wil het lot dat deze samoerai bij de tegenpartij terechtkomt waar Zatoichi voor strijdt. De ziende samoerai is ongemeen bedreven in het zwaardvechten en trekt zijn zwaard zoals het hoort: met de handpalm over het heft heen, de duim omlaag. De blinde masseur daarentegen trekt zijn zwaard andersom uit zijn wandelstok: de handpalm onderlangs, de duim omhoog. Halverwege de film komen zij al tegenover elkaar te staan. Beiden trekken hun zwaard, maar ze staan te dichtbij elkaar om uit te halen. Het verschil in techniek is duidelijk zichtbaar, maar het is moeilijk uit te maken wie later – want dat voel je aankomen – de snelste zal zijn.

Wanneer de clans door zowel de ziende samoerai als de blinde masseur zijn uitgeschakeld en de dorpelingen zich opmaken voor hun bevrijdingsfeest, moet nog een van de hoofdrolspelers wijken. Ze hebben over elkaars snelheid gehoord en koesteren ontzag voor elkaar. Op een verlaten plek lopen ze op elkaar toe. De ziende samoerai trekt zijn korte zwaard en werpt die naar de blinde masseur, die het wapen met een buitengewone reflex afweert. Hier heeft de ziende samoerai het pleit eigenlijk al verloren. Maar hij is dapper, als een samoerai betaamt, en maakt zich gereed.

De ziende samoerai monstert de blinde masseur, grinnikt en brengt zijn hand net als zijn opponent omgekeerd naar het heft van zijn zwaard. De blinde masseur voelt het en haalt een truc uit, waarin een wijze les verborgen ligt. Hij brengt nu juist zijn hand op de klassieke manier naar het heft. Dat brengt de ziende samoerai van slag. Gaat die blinde masseur nu toch op de klassieke wijze zijn zwaard trekken? Nee, het is een afleidingsmanoeuvre. En in de laatste seconde van zijn leven leert de ziende samoerai nog net dat je altijd trouw moet blijven aan je eigen kunstenaarschap.

Haagsche Courant, vrijdag 11 maart 2005

Gekkoleven

gekkoDe bogen van het balkon op de hoek van mijn Grieks appartement hadden model kunnen staan voor Eschers Droom, een houtgravure uit 1935: in een koude wereld met bogen onder het nachtelijk firmament ligt iemand voor lijk te dromen met een enorm insect op zich, dat hem niet stoort overigens. Hier op het balkon zit ik met mijn hoofd in mijn nek naar het plafond te kijken. De gekko’s dienen zich aan rond twaalven, wanneer de discotheken verderop het volume temperen en de muziek van de cicaden weer de boventoon voert. Mijn favoriete gekko is te laat langs de bogen naar de gevellantaarn komen kruipen, de ideale plek is al ingenomen door een grote gekko. Vlinders en langpootmuggen strijken neer rond de gevellantaarn. Aanvankelijk sluipt de grote gekko behoedzaam naderbij, met pauzes om zijn prooi niet te alarmeren. Maar als de muur eenmaal vol zit met insecten laat de gekko zijn geduld varen en jaagt gulzig in het rond. De kleine gekko, jong en onervaren, is zo vermetel om het territorium van de grote binnen te dringen. Die bolt zijn rug en ziet de kleine dreigend aan. De kleine zwaait met zijn staart en blaast de aftocht. Nadat de grote, volgevreten, de arena heeft verlaten, komt de kleine terug. Tegelijk doemt een nog groter exemplaar op. Dat jaagt de kleine niet weg met lichaamstaal, maar bijt hem bruut in de flank. Ai! De kleine zal lang moeten wachten eer hij eens aan de beurt is. De volgende morgen zit hij er nog. Hij lijkt wel dood, zoals de dromer op de houtgravure van Escher. Is de kleine gekko vandaag gedoemd van insecten te dromen?


© 2002 Alfred Birney
Haagsche Courant, vrijdag 26 juli 2002

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog Getagged ,