Alfred Byrnye / Bedoelt de butler Birney?

alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ voor de lol boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week, getiteld ‘Leven in MP3-formaat’. Deze andere spelwijze van mijn familienaam is verleden week door allerlei technische oorzaken waarmee ik u nu even niet lastig ga vallen abusievelijk in de kop komen te staan. De ware Alfred Birnie is mijn neef uit de gemeente T., die niet zelden voor de schrijver, columnist Alfred Birney wordt gehouden. Straks gaat ie nog de rechten op mijn vorige column claimen, al zal ie dat gezien zijn levenspeil wel niet nodig hebben. Wie weet is er een nog rijkere derde Alfred B., gespeld Alfred Byrnye, die zich lekker schuil houdt in een imposant kasteel ergens in de Schotse Hooglanden. Een kasteelheer vetgevreten van de haggis (schapenmaag of runderdarm, gevuld met stukjes hart, long, lever, niervet en havermout), zeer belezen maar zelf nauwelijks in staat een ganzenveer of pen vast te houden.
Kasteelheer Alfred Byrnye nipt verveeld van de single malt whisky van Glenfiddich en neemt met een minzaam knikje de Nederlandse krant aan van zijn trouwe butler.
‘Heer Byrnye, uw naam wordt kennelijk ijdel gebruikt in een van de kranten aan de overkant van het Kanaal,’ zegt de butler fronsend.
‘Hm, nou, aan het fotootje te oordelen is het niet direct een Schot die mijn naam boven zijn column zet. Wat denkt u dat er staat, mijn beste? Denkt die armoedzaaier op grond van een kennelijk vage afkomst enig recht te kunnen doen gelden op mijn bezittingen?’
‘Wilt u dat ik het stuk voor u laat vertalen, heer?’
‘Wat kost dat, mijn beste?’
‘Denkelijk al gauw drie eurocent per woord, heer.’
‘Veel te duur! Laat deze zaak maar rusten. Schenk me liever nog een single malt in.’
Waarop de heer zijn butler geruststelt door hem te vertellen dat de spelling van de achternaam Birney diverse varianten kent, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, en dan vergeet hij, overigens met genoegen, de Mac’s nog maar even. Hij, de kasteelheer, is met zijn eruditie heel wel op de hoogte van de grote daden van Carel Birnie, de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag, en van de boeken van ene Alfred Birney, een schrijver die ergens tussen Nederland en Indonesië in hangt en volgens hem dan maar beter ergens op de Indische Oceaan gedropt kan worden, met slechts een rubberbootje en een mondvoorraad aan haggis.
‘Met andere woorden: liever diens boeken en columns naar de haaien, heer?’
‘Gaat er dan iemand boven onze eigen grote dichter Robert Burns, mijn beste?’
‘Is Burns dan eigenlijk een Burnie, heer?’
‘Shut up! Another whisky please.’

Dit is een alternatief voor de geweigerde column Hoe spel je dat nou?
Haagsche Courant, vrijdag 16 juli 2004

Verkeersdoden

alfred birney Zomaar een dag. Ik ga de deur uit, de wind is gaan liggen, dat merk je direct aan het verkeer: auto’s rijden rustiger, mensen pezen elkaar niet voorbij, men heeft zelfs tijd voor een glimlach. Ik wandel rustig met mijn rugzakje naar het plein, steek een sigaret op, ik ben wat vroeg, de fysiotherapeut van niks is niet ver lopen, het is mijn laatste consult, verplicht nummer eigenlijk, uit beleefdheid nog maar even een handje geven, hem een prettige vakantie toewensen en meer van dat alledaagse gedoe.

Fysiotherapeuten vormen een hopeloos klasje in het medische veld: ze weten waar je spieren lopen, waar de aanhechtingen van je pezen zitten, ze kunnen je wervels tellen en dat is het dan wel zo’n beetje. Ze lokaliseren de pijn, masseren je en sturen je met nog meer pijn naar huis met het advies alles gewoon te blijven doen zoals je gewend bent te doen, bla bla bla.

Neem nou een land als Indonesië. Daar bezoek je geen fysiotherapeut, maar een pidjitman of –vrouw. Die laat je niet gaan eer je pijnvrij bent. Of je nou pijn hebt aan je hoofd, je nek, je ledematen of ergens in je buik, ze nemen je van top tot teen onder handen. Zó moet het. Dat noemen wij hier de holistische benadering, daar doen we hier heel gewichtig over, terwijl ginds de hele reut van sportmassage, reiki, magnetiseren, aura-healing, acupressuur, acupunctuur, voetreflexmassage en wat al niet meer gewoon pidjit heet. Meer niet.

Maar Indonesië is een heel eind vliegen en vandaag is zomaar een dag, er is niets om je werkelijk druk over te maken. Je moet wel oppassen waar je loopt, zoals altijd, want de straat blijft hier een openbaar toilet voor honden.

Toch blijft het dagelijkse leven verrassingen zitten. Vliegen zwermen rond een stoeptegel, er kruipen insecten af en aan, alles krioelt rond iets dat ik aanvankelijk voor een jonge vogel houd maar dat bij nader inzien een rattenkop blijkt te zijn. Waar is zijn lijf gebleven? Heeft een kat zijn kop eraf gebeten en hem laten liggen of heeft een automobilist zijn lijf plat gereden en zijn straatjongens met zijn kop gaan pingelen? De rattenkop ligt er zo triest bij. Wég zijn leven. Insecten vluchten, bang dat mijn schoen ze zal vertrappen.

Onwillekeurig moet ik denken aan hoe Friedrich Nietzsche in Turijn huilend een trekpaard om de hals viel toen hij zag dat het werd afgerost, – een beroemde scène die Nietzsches totale instorting markeert. Ik wankel even terwijl ik doorloop. In de avond lees ik in de krant dat onze minister van Verkeer het aantal dodelijke ongevallen in het jaar 2020 omlaaggebracht wil hebben naar 640. Waarom niet naar nul? Gewoon: nul.

Een rare berekening moet het zijn die het aantal verkeersdoden van 1100 in 2003 terug moet brengen naar 640 zeventien jaar later. Mogelijk kleeft er een hoog realiteitsgehalte aan de norm die onze minister voor ogen staat? Mensen zijn ratten. Zoiets?

Haagsche Courant, vrijdag 2 juli 2004

Hindostaanse suiker

alfred birney Meeuwen behoren te vliegen. Er is werkelijk niets lelijkers dan een meeuw die naast je komt staan niksen terwijl jij lekker op je strandmatje ligt te zonnen in Scheveningen Paradise. Vooral de jongere exemplaren zitten afgrijselijk in hun veren. Daarbij zijn ze ook nog eens strontvervelend. Je meisje is amper teruggekeerd van de Egyptische snackcar, of er komt zo’n afzichtelijke, brutale meeuw een patatje uit je bakje wegkapen, en passant ook nog eens een lik mayo dan wel pinda nemend. Maar het moet gezegd: vliegt zo’n meeuw eenmaal weg, dan metamorfoseert zijn lelijkheid allengs in een schoonheid waar de mooiste mannen en vrouwen op het strand bij verbleken. En ze zien al zo bleek, die volgevreten auto’s (autochtonen) en allo’s (allochtonen) die het strand bezoedelen met hun weggeworpen halfgeconsumeerde etenswaren. Ziedaar de reden van de meeuwenplaag, die Scheveningen Paradise teistert. Waar hangen de hindostanen eigenlijk uit? Met 40.000 zijn ze in ’t Haegsche neergestreken, maar je ziet ze nauwelijks op het strand. En al helemaal niet in badkleding. Het lijken wel Scheveningers! Die beperken zich ook tot geflaneer over de boulevard. Het is daar waar je de hindostanen moet zoeken, smetteloos gekleed en all that, wandelend of tuffend over de boulevard. Zouden zij zich zelfs op de boulevard suf snoepen aan zuurstokken, smarties, suikerspinnen, popcorn, spekkies en meer van die levensverkortende goedjes? De krant staat weer vol over de eetgewoonten van onze kampioenen suikerzieken. Opvallend is dat hierbij melding wordt gemaakt van hindostanen en niet van hindoestanen. Hindostanen hebben hun wortels in en rond India en hun omweg naar Nederland via Suriname. Tachtig procent is hindoe en twintig procent moslim. Volgens de GGD heeft veertig procent van de Haagse hindostanen kans op suikerziekte. Nou ben ik benieuwd of er verschillen zijn tussen de hindoes en de moslims onder de hindostanen. Hebben rituele maaltijden invloed op suikerziekte? Hebben moslims onder de hindostanen misschien minder kans op suikerziekte omdat ze wellicht minder snoepen dan hindoes? Interessante vraag, lijkt mij. Enfin, onderzoek en berichtgeving over ‘etnische minderheden’ munten toch al zelden uit in helderheid. Ik hou het er maar even op dat niet hindostanen maar hindoestanen in de rij staan voor een abonnement op insuline. Mijn advies aan hen luidt: eet wat u wilt, maar blijf niet op de boulevard aan die suikerspinnen plakken. Trek eens een zwembroek of badpak aan en meng u op het strand tussen de auto’s, allo’s en meeuwen! Neem eens een verfrissende duik in onze van geneeskrachtige algen vergeven zee. Die is schoner dan de Ganges. Cool! En laat die heilige auto eens staan. Ga fietsen! Een hindoestaan op een fiets is nog altijd zoiets als een eskimo op rolschaatsen. Niet dan? Nee? Waar fietsen jullie dan, hindoe… eh… hindostanen?

Haagsche Courant, vrijdag 18 juli 2003

Kutmarokkanen

alfred birney Onze kutmarokkanen (jargon van de een of andere PVDA-lul) hebben het moeilijk. Als een van hen ergens een steen door een ruit gooit, dan hebben alle Marokkanen het hele Westland aan diggelen gesmeten. Mijn buurjongens hebben baantjes waar de eerste de beste Hollandse ex-gedetineerde zijn neus voor zou ophalen en noemen zichzelf lachend kutmarokkanen. Want wie zo de hoek in wordt gedrukt, die zoekt zijn redding in zelfspot. Marokkanen zijn openlijker tegen mij dan tegen een blanke Hollander, omdat ik Indisch ben en zij zich dan wat veiliger voelen. Op de sportschool waar ik de kunst der zelfverdediging beoefen, zitten twee Marokkaanse jongens van even in de twintig bij mij in de groep. Een van hen kreeg op school economieles van een vriend van me, studeert nu informatica en hoopt op een aardige baan later. De ander is afgestudeerd in bedrijfskunde maar werkt nog steeds bij een benzinepomp omdat, zo denkt hij, men hem niet moet als Marokkaan. Hij vraagt me of ik een goed woordje voor hem bij de krant kan doen, want hij denkt dat die dingen hier zo werken. Na de training gaan ze nooit mee naar het café aan de overkant. Ze zeggen dat ze vroeg op moeten, maar het kan ook zijn dat ze zich er niet echt welkom voelen. Marokkanen wordt op grote schaal de toegang tot cafés, discotheken en sauna’s geweigerd, ook wie eerder werd toegelaten, zo meldden de kranten onlangs. Vreemd voor een bevolkingsgroep die zijn best doet zich te mengen in het Nederlandse leven. Marokkanen vinden het bepaald onfatsoenlijk dat Turken gewoon in hun eigen taal verder praten wanneer een Hollander binnenkomt. Marokkanen gaan meteen in het Nederlands verder, zodat de Hollander weet waar ze het over hebben. Chinezen beginnen ook niet met elkaar in het Nederlands te praten wanneer er een Hollander binnenkomt. Laat die Hollander nou juist een stuk minder afgeven op Chinezen en Turken dan op Marokkanen. Ooit luidde het zinnetje over ‘buitenlanders’: ‘Ze leren niet eens fatsoenlijk Nederlands praten.’ Dat cliché ligt dus in de prullenbak. Je zou onderhand bijna gaan denken dat Hollanders buitenlanders liever helemaal níet verstaan. Terug naar Nederlands-Indië dan maar, met voor elke bevolkingsgroep een apart register? In Indonesië vind je daar nog sporen van terug. Indonesische Chinezen dienen speciale persoonsbewijzen te kopen en te overleggen, al zit hun familie al zeven generaties daar en spreken ze geen woord Chinees. Dat gedoe hadden ze al toen de Hollanders er de scepter zwaaien. Als je ook nog bedenkt dat de Hollanders met hun mensen = handel verantwoordelijk zijn voor enorme migratiestromen, dan moet je toch concluderen dat er al eeuwenlang iets fundamenteel mis is onder dat zogenaamde tolerante denken van ze. Maar goed, het woordje tolerantie is meen ik verleden jaar uit het woordenboek geschrapt. Tjonge, wat een zelfbewustheid toch opeens.

Haagsche Courant, vrijdag 20 juni 2003

De B.-dimensie

alfred birney De minister-president spreekt! Een verademing na de polariserende graffiti van die LPF-novicen op de muren van het Binnenhof. Je valt bijna in slaap van zijn tekst in de krant van gisteren, maar goed, het is tenminste een betoog. Gewoonlijk spreekt hij zonder iets te zeggen. Nu is het nog net niet zo dat hij zijn heimwee bezingt naar een tijd waarin Hollandse vrouwen getooid met hoofddoekjes bij de grutter een onsje suiker gingen halen en ’s avonds de pantoffels voor hun Hollandse echtgenoten klaarlegden, maar dat lied staat wel op zijn diskman. De premier ziet namelijk een bijzondere dimensie: een morele. Einstein zou zich achter het hoofd hebben gekrabd, maar die schijnt inmiddels ook al achterhaald met zijn god-dobbelt-niet-theorie. Balkenende dobbelt wel, al is zijn inzet hooguit een versleten fiche uit het casino van vijftig jaar terug. Hij bepleit de terugkeer van de morele dimensie in de politiek, zegt dat de overheid niet moet voorschrijven maar wel grenzen moet stellen, enzovoort. Zijn geroep is netter dan dat gekraai van dat LPF-ongeregeld, maar vaag is het wel. Citaat: “in de relatie tot God komt de mens pas volledig tot zijn recht”. Was die God niet zoiets als Allah? Gedoe met die profeten, hè? Er zijn wijze lieden die menen dat de ellende niet begint bij raciale verschillen maar bij godsdienstige. Aardig thema voor de door Balkenende gewenste Nederlandse variant op de Noorse Commission on Human Values. Christelijke morele grenzen zijn bijvoorbeeld zo mooi, dat ze eeuwenlang zijn overschreden.

Haagsche Courant, woensdag 4 september 2002

Lunsigheden

alfred birney Een ouder Nederlands echtpaar stopt even bij de lectuurladder voor de toeristenminimarket en werpt een blik op een Nederlandse krant, die het heengaan van onze arrogantste politicus van de vorige eeuw meldt: Joseph Luns. Ze staan versteld, alsof de leeftijd van 90 niet mooi genoeg is. Ik trek de krant uit het rek en reik het het echtpaar aan. Ze slaan de krant af met een zuinig mondje en wat gebarentaal, want ik zie er op een Grieks eiland nog minder Nederlands uit dan ik thuis al doe. Wanneer ik herinneringen begin op te halen aan Luns, in het bijzonder de ‘kwestie Nieuw-Guinea’, hoort het echtpaar me met open mond aan, alsof ze in de snikhete zon een opfriscursusje vaderlandse geschiedenis krijgen van een Vietnamese bootvluchteling. Ik vertrek met het krantje onder mijn arm naar mijn appartement en bekijk er meewarig de kiekjes van Luns met generaal De Gaulle, Luns met Paus de zoveelste en Luns met J.F. Kennedy. Politici stonden indertijd minder openlijk ter discussie dan nu en de pers slijmde er geweldig op los. De ‘kwestie Nieuw-Guinea’ was een kwestie aangezien Luns een kwestie was. Met het idee dat Nederland nog in de Gouden Eeuw leefde, weigerde Luns de Nederlandse souvereiniteit over Nieuw-Guinea af te staan. Totdat, naar verluid, Kennedy hem op de man af vroeg: ‘Wil je dat land soms behouden om er die paar honderdduizend Indische Nederlanders van jullie te kunnen dumpen?’ ‘Eh, de kwestie, prezzident, de kwestie is dat ik bang ben dat die mensen het bij ons erg koud zullen krijgen.’ En verdomd: hij kreeg gelijk.

Haagsche Courant, maandag 22 juli 2002

Gewijde aarde

alfred birney Enkele maanden terug verscheen in een Indonesische krant het bericht dat de avondtrein Jakarta-Semarang een oponthoud had van een uur in Cirebon, waar hij normaal niet stopt. Bommelding! De politie trof een plastic zak aan. De eigenaar, een gewone passagier, maakte heftig bezwaar terwijl de politie de zak opende. Toch zat er niets anders dan aarde in. ‘Gewijde aarde,’ gaf de man als verklaring… Dertig jaar eerder verleende mijn vader een poosje onderdak aan een Indonesische portretschilderes, die hier asiel kwam zoeken. Voor haar overkomst schreef ze hem een brief waarin ze vroeg of hij iets wenste. Mijn vader vroeg haar wat zand mee te nemen van het graf van zijn moeder in Ungaran op Java. De portretschilderes charterde een auto met chauffeur. De weg liep vanuit het zuiden omhoog en de chauffeur kreeg aldoor te maken met een afslaande motor. Dicht bij de plek wilde de auto helemaal niet meer vooruit. De chauffeur heeft hem ten leste in de achteruitversnelling gezet en zo de laatste helling genomen. De kunstschilderes vulde een zakje met zand van het graf van mijn grootmoeder. Ik keek met argusogen naar de urn waarin mijn vader dat spookzand bewaarde. Zou hij het ooit gaan gebruiken voor tovenarij? De kunstschilderes werd alvast gestraft door de goden. Gedesoriënteerd door het rechtse verkeer liep ze op een dag aan de verkeerde kant van de weg en raakte gewond door een student in een Lelijke Eend. Pas veel later is mijn vader er toe gekomen zich van het zand te ontdoen. Bommelding uit de hemel?

Haagsche Courant, vrijdag 21 juni 2002

Doei

alfred birneyDe jongens op de steiger aan het einde van de straat hebben me al vaker voorbij zien fietsen en roepen of ze me even iets mogen vragen. Wah, de zon schijnt, waarom niet. Gebogen over mijn stuur hoor ik ze aan. Wat of ‘doei’ eigenlijk betekent, vragen ze me in het Duits.
‘Doei betekent doeg,’ zeg ik droog.
‘Ah, aber was heisst doeg denn?’
‘Doeg betekent: de mats,’ grijns ik.
‘De mats? Und was heisst de mats denn?’
‘Eh, de mats heisst: zie je.’
‘Und… was heisst zie je?’
‘See ya, bye, ciao, tschüs, dag, da-hag!’
A ha! Nu snappen ze eindelijk wat die donkere krantenbezorger van zo-even altijd naar ze roept, wanneer hij de krant in de brievenbus onder hun steiger heeft gedeponeerd.
‘Wij hier in Den Haag zeggen eigenlijk geen doei,’ zeg ik. ‘De Hagenaar zegt gewoon dag. Doei woei over uit Amsterdam,’ beweer ik met een natte vinger in de lucht.
Okay, dag! roepen de Ossies, nadat ze zich met hun geuzennaam hebben voorgesteld. Maar nog één vraag voor ik verder ga. Waarom zingen Hollandse bouwvakkers niet op de steigers? Die hebben altijd zo’n gettoblaster aan staan.
Ik zeg dat die hun vak niet meer verstaan. En hoor de Ossies zingen terwijl ik van ze wegfiets.

Haagsche Courant, vrijdag 7 juni 2002

Patatje boek

alfred birney Die troel van een, pardon, effe wennen aan een ‘betamelijke’ columnstijl, ik bedoel Hare Excellentie madame Jorritsma, zijnde demissionair minister van economische zaken, liet eergisteren weten dat de vaste boekenprijs passé is, aangezien deze geen garantie biedt voor meer literair aanbod. Nou kwam er wel vaker allerlei onzinnigs uit de mond van Hare Excellentie, die als lezer waarschijnlijk nooit het Donald Duck-niveau is ontstegen, dus dit kan er aan het einde van haar ambtstermijn ook nog wel bij.

Voor wie niet verder kijkt dan de boekentoptien lang is, kan het topje van de boekenberg best tussen de pudding en voorgebakken patat bij de Konmar worden geplempt. Dan kan de klassieke boekhandel in de stad tenminste met de grond worden gelijkgemaakt door de bulldozers van MacDonald’s.

Wie wil weten hoe cultuurbevorderend de ‘vaste boekenprijs’ is, moet niet Hare Excellentie consulteren, want die heeft maling aan het behoud van de Nederlandse boekencultuur én taal. Beter Aad Nuis hierover een pagina in deze krant laten volschrijven.

Als op de Nederlandse boekenmarkt de fastfoodwet wordt losgelaten, kan de helft van de boekhandels er een snackafdeling naast beginnen om de kosten te dekken voor een ruim boekenaanbod. Nieuw talent zal eerst als centerfold de Playboy moeten sieren, wil het kans maken op een debuutje. Van ons, Nederlandse schrijvers, kunnen er zó negen van de tien naar de bijstand dan wel columns gaan schrijven, wat nou ook weer niet direct de grootst denkbare vrijheid inhoudt die voor een schrijver is weggelegd.

Haagsche Courant, vrijdag 26 april 2002

De column

alfred birney1.
De column werd ooit schuin gedrukt en ‘het cursiefje’ genoemd om aan te geven dat de schrijver ervan een andere status en taak heeft dan de journalist.
2.
De serieuze columnist is een eigentijdse hofnar.
3.
De column is een apart genre met eigen regels.
4.
De column als geheel is een vrijplaats die door een hoofdredactie aan een columnist wordt geboden.
5.
Een serieuze columnist kan geen stukken schrijven waarmee iedereen het eens is of waaraan niemand zich stoort.
6.
Een columnist mag gerust gehaat worden door een deel van de lezers. Een hoofdredactie behoort zich niet door enkele woedende lezers te laten knechten.
7.
De columnist geeft de krant een extra gezicht. Het is niet zo, dat de krant dat de columnist geeft. De column wordt altijd ondertekend.
8.
De columnist mag zeggen wat eigenlijk niet gezegd mag worden. Een goede columnist doet dat met eigen stijlmiddelen. Hij moet het wel zeer gortig maken wil een hoofdredactie een tekst weigeren.
9.
Excuses aan de lezer aanbieden voor een eerder geplaatste column, waarbij achteraf de columnist publiekelijk wordt verweten de grenzen van het betamelijke te hebben overschreden, is moeilijker te verklaren dan de gewraakte column zelf.
10.
De positie van de columnist als hofnar, die groeiende is, zowel in de krant als in de hele maatschappij, is in een aantal beroemde vonnissen door de rechter onderstreept.

Alfred Birney,
Haagsche Courant, maandag 22 april 2002