Read My World voordracht en interview Alfred Birney

Read My World – editie Zuidoost-Azië vindt plaats van 1 t/m 3 oktober 2015 in de Tolhuistuin in Amsterdam, met twee optredens van Alfred Birney.

Tuinzaal:

Vrij 2 oktober – 21:00 – 22:00. Over de dood heen

Stel je voor dat je dood bent. Wat had je nog moeten zeggen en tegen wie? Met deze vraag gaan vier auteurs aan de slag. Ellen Heijmerikx, Kira Wuck, Alfred Birney en Seno Gumira Ajidarma (Verenigde Staten/Indonesië) schreven een monoloog en dragen die voor vanuit het perspectief van een al dan niet fictief personage dat nadenkt over wat er nog gezegd had moeten worden. Een opdracht die het vervreemdend perspectief viert en zich zelfs door de dood niet laat stoppen.

Met: Kira Wuck, Alfred Birney, Ellen Heijmerikx, Seno Gumira Ajidarma, Rashid Novaire en Sietske Roscam Abbing

Literair café:

Vrijdag, 2 oktober – 22:00 – 23:00. Dubieuze geschiedenis

Multatuli kent iedereen, maar wie heeft van Victor Ido gehoord? Alfred Birney laat in zijn essay De dubieuzen de onderbelichte kanten zien van de Nederlands-Indische literatuur. Programmamaker en onderzoeker Lisanne Snelders gaat met hem in gesprek over beeldvorming, gemengde afkomst en mooischrijverij.

Tjalie

tjalieZou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 20 december 2008, waarschijnlijk onder een uitgebreidere titel.

Het licht van de maan

Mitorai light of the moon Een groot voordeel van de weeromslag is dat er veel meer zuurstof in de lucht zit. Als een mens moet kiezen tussen een leven in een zonovergoten bakpan vol koolmonoxide of een leven in een winderige betonnen hel vol zuurstof, dan hij maar beter voor de hel kiezen. Ik kwam bijna geen fietser tegen gisteren, de softies hadden de auto genomen, bang voor een druppeltje regen, te slap om tegen de wind in te beuken. Nou moet ik niet stoer gaan doen, want toen ik op de boulevard de wind vol tegen kreeg, dacht ik heel even aan afstappen, ha! Ik keek om me heen en genoot van Igor Mitoraj’s Light of the Moon, ik vind dat beeld toevallig mooi, hoe zeer tegenstanders (kunstkenners) mij ook op andere gedachten hebben geprobeerd te brengen. Die Igor Mitoraj heeft als peuter het bombardement van Dresden meegemaakt, dus wie weet is hij daarom zo gepreoccupeerd met beschadiging. De beschadiging van het klassieke beeld, veel meer hoef je niet achter zijn werk te zoeken, denk ik.

Even verderop, als je helling af bent en het vlakke deel van de boulevard op fietst, krijg je die afschuwelijke Sprookjesbeelden aan Zee van Tom Otterness. Ik had tot afgelopen middag altijd geweigerd om die infantiele beelden wat beter te bekijken, maar nu het zo hard waaide en ik van narigheid even niet wist waarnaar ik kijken moest, ontwaarde ik de Haringeter. Dat kwam natuurlijk doordat ik vlak voor het ontwaken een voorspellende droom had over de nieuwe haring. Ja, ik droomde dat de nieuwe haring véél lekkerder was dan die van afgelopen jaar, die waarschijnlijk de slechtste haring is sinds Hollanders besloten rauwe vis uit de zee te eten. Men had verleden jaar besloten de nieuwe haringvangst met twee weken uit te stellen vanwege het veel te koude weer. Een blunder. Net als die Sprookjesbeelden aan Zee. Maar wil het zeewater niet al te koud blijven zodat de haring wat op gewicht kan komen, moet de zon straks wel weer gaan schijnen. Het zal dan weer een gekkenhuis zijn op Scheveningen, met kilometers lange files die de lucht verzieken. Hoe zal het leven op de maan zijn over vijftig jaar?

De adelaar vliegt weg van hier

alfred birney De echtscheiding tussen Nederland en Indonesië is nu wel zo’n beetje voltooid. Onlangs werd voor ons de visumplicht ingevoerd en nu gaat de Indonesische luchtvaartmaatschappij Garuda haar vluchten op Nederland schrappen. De redenen hiervoor zijn vaag, zelfs de sales manager van Garuda Indonesian Airways weet niet precies wat er speelt. Garuda zou te kampen hebben met financiële problemen. Dat kan. Bali is sinds de bomaanslag niet direct een aantrekkelijk bestemmingsoord meer. Toch meldt de minister van toerisme geen teruggang van toeristen.

Ook zo lekker vaag is dat Garuda zegt ‘tijdelijk’ haar vluchten tussen Nederland en Indonesië te staken. Garuda is nauw verbonden met de staat Indonesia en heeft een flink deel van haar internationale imago te danken aan haar luchtbrug met Nederland. Die werd begin jaren zeventig geslagen toen Indische Nederlanders heimwee- en Tweede Generatie Indo’s roots-reizen begonnen te ondernemen. Wat er sindsdien tussen beide landen is gebeurd is zou in telegramstijl nog niet passen in deze column. De verhouding tussen Nederland en Indonesië is daarvoor veel te complex, met verwijten over en weer, je moet diep de geschiedenis induiken om er iets van te kunnen begrijpen. Nou, wie wil dat? Onze volksvertegenwoordigers in elk geval niet. En zo’n club als het Nationale Comité VOC, dat in maart 2002 de Indonesiërs enorm tegen de schenen schopte met zijn eenzijdige herdenking van de oprichting van de VOC, al helemaal niet.

In Indonesië werd toen flink gedemonstreerd tegen de ‘glorifikasi’ van de VOC. Men eiste excuses aan het Indonesische volk wegens schending van de mensenrechten, kwijtschelding van alle schuld van de Republiek Indonesia aan Nederland en compensatie voor de rijkdommen die Nederland eeuwenlang ten koste van Indonesië heeft verworven. Symbolische eisen waren dat feitelijk. Die neokoloniale organisatoren hadden er beter aan gedaan Indonesische organisaties bij hun feestplannetjes te betrekken. Het Nationale Comité VOC heeft uit goede wil het woordje ‘viering’ nog wel veranderd in ‘herdenking’, maar daarvoor was het al te laat. De term ‘viering’ was al ingeburgerd en de Indonesische ambassadeur bedankte voor de kranslegging.

Een half jaar later de bom op Bali. Ik moest toevallig naar Indonesië om een vertaling van een van mijn boeken te promoten. In toerde langs vijf steden en zag vrijwel geen Europese toerist. Dat er ondanks de ingeklapte toeristenindustrie op Bali – goed voor 10 procent van het nationale inkomen – toch een visumplicht voor allerlei landen werd ingesteld, kan niet anders worden gezien dan in het licht van de spanningen tussen islamieten en christenen. Toch zou Nederland nooit haar speciale status hebben verloren als er door de jaren heen wat meer respect was getoond. Die aanmatigende koloniale en neokoloniale houding van ons is ze aan de overkant gewoon de strot uitgekomen. Daarom vliegt Garuda weg van hier. Nou maar hopen dat ik het mis heb.

Haagsche Courant, vrijdag 13 augustus 2004

Morsig

alfred birney Akkefietjes tussen Nederland en Indonesië hebben altijd een link naar het verleden, zoals het besluit van BZ om het bezoek van de koningin in 1995 niet op 17 augustus – de dag van de zelfgeproclameerde autonomie van de Indonesische republiek – te laten beginnen, maar vier dagen later. Deze diplomatieke provocatie werd vet onderstreept met vijf miljoen gulden als Nederlands nationaal geschenk, ter restauratie van een pand van een Hollandse koopman uit de VOC-tijd en bijeengebracht door zakenlui. Zeven jaar later besloten dergelijke lieden met heimwee naar vieze zeilschepen de oprichting van de VOC te herdenken. Als reactie werd in Jakarta gedemonstreerd tegen de ‘glorifikasi’ van de VOC door een comité dat onder meer excuses wenste aan het Indonesische volk wegens schending van de mensenrechten. Intussen bespeelde in de Ridderzaal een Batavier de gamelan, westers gestemd maar geen hond die dat opviel natuurlijk. Een Indonesische minister van justitie die thans roept dat hij Nederlanders haat, hoort men uiteraard wel. Onze minister van justitie, huisdier in het Kabinet bij gratie eens premiers, is verontwaardigd en vindt dat zijn Indonesische ambtscollega geen oude koeien uit de sloot moet halen door over de slachtingen van kapitein Westerling van vijftig jaar geleden te beginnen. Delen wij geen verleden dan? Het Parool drukte ooit de volgende zin af over de schattingen van Westerlings dodelijke slachtoffers (10.000 – 40.000) in Sulawesi: ‘Aan die schattingen willen wij geen al te grote waarde hechten, hoe morsig er ook met de mensenlevens is omgesprongen.’ Morsig! Nou, je zal dat woord maar eens in een bericht over de aanslag op het WTC bezigen. Een ‘Indonesië-kenner’ op de buis zinspeelde erop dat de komende visumplicht voor Nederlanders is ontsproten aan het brein van onze verklaarde Nederlanderhater opdat deze met het oprakelen van ons koloniale verleden een makkelijke sfeer kan scheppen om de islamitische wetgeving er in Indonesië doorheen te kunnen jassen. Nederland zou een van de weinige landen zijn waarvoor nog geen visumplicht geldt. Alsof er geen 36 andere landen zijn die op de nominatie staan. Dat Indonesiërs wél een visum nodig hebben voor Nederland vermeldde hij voor het gemak maar even niet. Als Nederland zo hoog van de toren blaast een ‘speciale relatie’ met Indonesië te hebben, dan is het er wel eentje met een hoog eenrichtingsverkeergehalte. Van vakantie uit Indonesië terugkomen met de tekst ‘dat ze ons vragen of we weer terug willen komen omdat toen wij er nog zaten alles zoveel beter was…’ zal er in elk geval niet meer bij zijn. Er waren er heel wat die die woorden wel erg letterlijk namen. De Indonesische minister van justitie zal ook wel niet bedoelen dat hij Nederlanders echt haat maar dat hij zich dood ergert aan hun domme arrogantie. Maar een beetje morsige journalist gaat daar niet voor. Haat klinkt veel swingender. Is meer soap.

Haagsche Courant, 10 oktober 2003

Bloemlezen

alfred birney Als er één boek is waar ik liever niet mijn naam op had zien staan, dan is het wel de bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Ik heb dat geval vijf jaar geleden gefabriceerd in een periode dat ik geld nodig had om mijn huur en zo te kunnen betalen. Mijn uitgever wilde me financieel helpen, mits ik die onzalige bloemleesklus aannam. Ik begon enthousiast, kon mijn koelkast weer vullen en hoefde niet steeds de stad door om ergens bij vrienden te gaan eten. Dat bloemlezen begon met drie maanden gevangenisstraf binnen de bunkermuren van de Koninklijke Bibliotheek en werd verlengd met een strijd met een wankelmoedige redacteur op de uitgeverij, wie de zoveelste bloemleeskloon voor ogen stond: Multatuli’s klaagzang getiteld Saïdjah en Adinda, wat Oeroeg-stuff van Hella Haasse, een beetje petjoh van Tjalie Robinson en nog zo wat voordehandliggends. Ik wilde eens iets anders, een verkapt kettingverhaal van prozafragmenten rond het wel en wee van de Indo en maakte mijn prozakeuze daaraan ondergeschikt. Mijn voorwoord zou de lezer het een en ander verduidelijken. Mijn redacteur werd hysterisch toen ik zei dat ik die egotripper van Multatuli niet kon gebruiken en ging toen op vakantie na mij te hebben opgezadeld met een eindredacteur die inderhaast van de Libelle was ingehuurd om mijn bloemlezing persklaar te maken. Uiteindelijk telde ik nauwkeurig het aantal woorden en stuurde de koerier met mijn stapel kopieën naar Amsterdam. De interim eindredacteur kon niet tellen en meldde me dat de kopij te veel was. Nadat ik teksten had weggesmeten kreeg ik te horen dat het achteraf gezien toch wel in orde was. Maar er was geen tijd meer om wederom met een fietstas vol kwartjes naar de kopieerinrichting terug te gaan: de boel moest naar de drukker, het boek zou en moest in oktober op de markt komen. Sinterklaas, weet u wel. Na uitgave zette de uitgever de turbo op de p.r. en mocht ik aan suffe journalisten gaan uitleggen hoe Nederland zijn koloniale literatuur veronachtzaamde. De pers, met een referentiekader van een gordel van smaragd met wat palmen onder een blauwe hemel, geloofde het allemaal wel. Vervolgens kwam het peloton van zogenoemde Indische literatuurkenners aan fietsen. ‘Waarom staat die schrijver er in en waarom die niet?’ Antwoord: ‘lees het voorwoord.’ ‘Ja, maar een voorwoord lees je toch niet?’ Dat dus. Inmiddels werd ik belaagd door schrijvers die er niet in stonden, terwijl een volslagen onbekende Indische schrijfster die er wél in stond mij met een proces dreigde omdat de uitgever te laat was met haar contract. Enfin, aan bloemlezen valt weinig eer te behalen. Ik krijg nu nog vragen van lezers die hun favorieten missen. Die lezer houdt niet van het avontuur, maar wil bevestiging van de eigen smaak. Zou-ie willen bloemlezen?

Haagsche Courant, vrijdag 6 juni 2003

Tien Michaeltjes

alfred birney Michael Boogerd. Wielrenner uit het Haegsche. Rijdt erg hard maar gebruikt te weinig dope om het tot tourwinnaar te schoppen. Michael Jackson. Zingende narcis die in zuurstoftank slaapt. Michael Schumacher. Autocoureur uit de Ferrari-stal. Maakt de sport saai door te vaak te winnen. Michael Chapman. Onderschat Engels folkartiest met cynisch-melancholieke teksten en een lekkere gitaartechniek. Michael Ondaatje. Schrijver met een Ceylonese koloniale achtergrond, door sommige Indo’s beschouwd als eentje van hunnie. ‘The English patient’ is zijn beroemdste titel. Michael Chang. Tennist vanuit het yin & yang-principe. Michaël de aartsengel. Heeft het eeuwige leven. Is belast met de natuur, zoals de regen en de plantengroei. Houdt het ecologisch evenwicht in de gaten en probeert zorg te dragen voor voedsel voor alle mensen, nogal een hondenbaan met een noordelijk halfrond vol vetgevreten kleine zielen met grote ego’s. ‘Michael row the boat ashore’. Roeiersliedje uit ± 1860, toegeschreven aan slaven die naar de Solomon Eilanden waren verscheept en zich daar in kleine bootjes tussen de plantages verplaatsten. Volgens de een is Michael onze aartsengel, volgens de ander een roeier van een der plantages. Michael Brecker. Begaafd tenorsaxofonist, door jazzpuristen verafschuwd omdat hij niet zwart is, net als zij trouwens. Michael Birney. Wordt tien vandaag! Hoera! Blijft evenwel liever nog een tijdje in het negende droomjaar, overigens zonder kennis van Aldous Huxley’s bewering dat we allemaal genieën zijn tot onze tiende.

Haagsche Courant, maandag 2 december 2002