Jij niet

alfred birney Het wordt bijkans gebracht als ongekend nieuws: discotheken discrimineren op grote schaal. De Haagse Jongerenraad ontdekte dit bij een onderzoek onder jongeren naar hun ervaringen in het Haagse uitgaansleven. Gut. Nu gaan ze ook nog eens een extra onderzoek instellen. Om tot de conclusie te komen dat Jan de Portier weinig anders doet dan naar iemands uiterlijk kijken. De een mag erin. De ander mag er niet in. Waarom? Uw kop staat ons niet aan.

In de jaren zestig hadden Indo’s gelazer in het uitgaansleven. In de jaren zeventig Molukkers. Jaren tachtig Surinamers. Jaren negentig Turken, Marokkanen. Nu: Antillianen en overigen. Even afgezien van hippies, freaks, punkers, maanmannetjes en dergelijke buitenaardse wezens heeft etniciteit altijd een belangrijke rol gespeeld bij het toelatingsbeleid van Jan de Portier.

Thans verandert het accent naar de mondiale trend. Je bent zo ongeveer christelijk, al dan niet praktiserend, dan wel islamiet. Homo’s, die al eeuwen worden vervolgd, mogen nu even als mascotte fungeren in de koude oorlog tegen de islam. Zo worden minderheden door de meerderheid tegen elkaar uitgespeeld. Tot de meerderheid behoren zij die zich zonder meer ‘wij’ kunnen noemen. Die er geen benul van hebben ergens niet welkom te zijn.

Wat te doen als je ergens niet welkom bent? Je monstert de portier met een verachtelijke blik en wendt je af. Bedelen om toegang is voor desperado’s. Dansen op straat heeft ook wel iets. De straat is van ons allemaal. Nou ja, bij wijze van spreken.

Haagsche Courant, woensdag 1 mei 2002

Sambal badjak

alfred birney Als ik één bezwaar zou moeten noemen tegen Het Gebaar dan is het wel dat de overheid er nogal laat mee komt. In de jaren zestig is al van iets dergelijks sprake geweest, dus je zou kunnen zeggen dat Indische mensen een jaar of veertig op dat Gebaar hebben zitten wachten. Cynische tongen in de Indische gemeenschap spreken van een opzettelijke vertragingstactiek van de staat. Men heeft extra lang gewacht en boekhoudend de Indische mensen hun graf ingekeken, onder wie de vader van een Indische vriendin van me.

Hoe díe het graf inging… Huh, met een geheim! Zijn sambal badjak was de lekkerste die ik ooit proefde, een genot, een onvergetelijke weldaad op de tong van wie sambal eet. De Indo maakte verder helemaal niks klaar in de keuken, zijn enige recept was zijn sambal badjak, dat hij weigerde prijs te geven. Op zijn sterfbed was het enige dat hij erover wilde zeggen dat hij er een scheutje whisky aan toevoegde. Maar wanneer? Voordat of nadat de olie boven kwam drijven?

Waarom moest hij zo nodig zijn sublieme recept tot in zijn graf meenemen? Voelde hij zich een tikje schuldig aan de verslaving waarmee zijn afnemers telkens weer met hun lege jampotten bij hem voor de deur stonden? Niet dat hij aan ons verdiende, hij vroeg geen geld voor de sambal badjak die hij elke zondagmiddag in een grote wadjan bereidde. Hij was dus niet zoals die Chinese tokohouder die ooit een heel dorp aan zijn eten verslaafd maakte door cocaïne eraan toe te voegen en zo de hele concurrentie om zeep hielp. Zijn doel was een ander. Blijft ook geheim.

Haagsche Courant, woensdag 10 april 2002