Aanbevolen door de kenners

Sinds mijn terugkeer als schrijver van verhalend proza kan ik even geen koloniale en postkoloniale literatuur meer lezen. Ze staat eenvoudig te dichtbij, vooral de Indische. Ver van mijn bed staat de Japanse literatuur. Daar kan ik bij wegdromen, het boeit me maar raakt me niet te diep. Op gevaar af om op pil numero elf-lempers te worden getrakteerd, zal ik maar gauw vermelden dat het boek Eeuwige reizigers; een bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur van Jos Vos (Arbeiderspers, 2008) in de achtste eeuw begint en eindigt in de negentiende. Dus vóór Van den Vos Reynaerde en vóór de Max Havelaar. Een enorme verzameling van vertellingen, poëzie, dagboekfragmenten, memoires en zelfs sprookjes. Als je iets van de Japanse cultuur wilt begrijpen, uit fascinatie voor de vijand van je (voor-)ouders bijvoorbeeld, dan is deze bloemlezing een aanrader. Opvallend is het aantal schrijfsters, net als in de Indische bellettrie, met één van mijn grote idolen: de hofdame Sei Shōnagon, die zo’n 1000 jaar terug leefde en ons haar wereldberoemd Hoofdkussenboek naliet. Interessant is verder dat schrijvers en schrijfsters net zo makkelijk aandacht aan zowel mannen als vrouwen schenken. Beide seksen kunnen niet zonder elkaar. De liefde en de dood spelen de hoofdrol in de meeste geschriften; het overige doet er weinig toe. De liefde vormt wel vaak een probleem, dat bloeit met fraaie poëzie en eindigt vaak in scheiding en de weg naar non of monnik. De dood is niet zo’n probleem, reïncarnatie regeert. De Japanse literatuur als oase van overzichtelijkheid. Neem vooral de tijd voor deze teksten. Zoals de auteurs en de mensen dat toen deden. Hoed af voor de samensteller en vertaler Jos Vos.

De achternaam Vos komt veel voor in Nederland, dus u gelooft me vast wel als ik zeg dat ik nu niet opzettelijk met de naam Felicita Vos aan kom zetten. Haar boek Blauwe haren zwarte ogen; de Roma-cultuur van binnenuit (Meulenhoff, 2008) is een must read. Terwijl wij, Indo’s en Indischen, de grootste minderheid in Nederland vormen, zijn zij, de Roma (zigeuners), de grootste minderheid van Europa. Een slordige 15 miljoen zielen. De Roma vormen een minderheid mét een volkenrechtelijke status, maar zónder land. Na de Joegoslavië-oorlog werd dit besluit erkend voor de VN en de Raad van Europa met nota bene Duitsland die als enige lidstaat er niet mee instemde. Felicita Vos biedt in haar boek een keur aan portretten van beroemde Roma. De bekendste zijn wel Het Rosenberg Trio, Sylvia Tóth en Tata Mirando. De schrijfster heeft alleen Roma gekozen die het ver schopten in de zakenwereld, de muziek, de politiek of op het danspodium. Dat maakt het tot een trots boek. Ellendige verhalen, met de vergassing van ‘zigeuners’ in het zogenoemde ‘Zigeunerlager’ in Birkenau, heeft de schrijfster er subtiel en toch indringend doorheen gevlochten. Net als het verhaal van haarzelf en haar vader. Wat mij zo intrigeerde zijn de treffende overeenkomsten met de Indische opvoeding in de jaren vijftig. Roma vaders die eisen dat hun kinderen later zullen slagen in de maatschappij. De niet aflatende drang tot muziek maken. Jezelf zo onzichtbaar mogelijk maken. Ervoor zorgen dat ze niet merken dat je Roma bent. ‘Doe niet zo Indisch!’ Remember? Ik in elk geval wel. En dat net in een periode waarin ik even geen Indische literatuur lees. Komt er een Roma-schrijfster voorbij…

Verschenen in Indisch Anders, boekenkrant Tong Tong Fair: 2010

Tjalie

tjalieZou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 20 december 2008, waarschijnlijk onder een uitgebreidere titel.

Zatoichi

Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.

Het verhaal van Zatoichi is eenvoudig. Een stadje in het oude feodale Japan wordt geterroriseerd door elkaar beconcurrerende bendes. Zatoichi, een blinde zwervende masseur, strijkt er een poosje neer en neemt het op voor de onderdrukte dorpelingen. Hij is grijs, loopt krom, wordt niet gehinderd door zoiets als een gezichtsvermogen en hoort en voelt alles. De snelheid waarmee hij zijn verborgen zwaard uit zijn wandelstok trekt dankt hij aan een zeer onorthodoxe techniek.

Een tweede outsider hangt rond in het stadje: een samoerai op zoek naar werk om zijn zieke vrouw te kunnen verzorgen, wat hem sympathiek maakt. Helaas wil het lot dat deze samoerai bij de tegenpartij terechtkomt waar Zatoichi voor strijdt. De ziende samoerai is ongemeen bedreven in het zwaardvechten en trekt zijn zwaard zoals het hoort: met de handpalm over het heft heen, de duim omlaag. De blinde masseur daarentegen trekt zijn zwaard andersom uit zijn wandelstok: de handpalm onderlangs, de duim omhoog. Halverwege de film komen zij al tegenover elkaar te staan. Beiden trekken hun zwaard, maar ze staan te dichtbij elkaar om uit te halen. Het verschil in techniek is duidelijk zichtbaar, maar het is moeilijk uit te maken wie later – want dat voel je aankomen – de snelste zal zijn.

Wanneer de clans door zowel de ziende samoerai als de blinde masseur zijn uitgeschakeld en de dorpelingen zich opmaken voor hun bevrijdingsfeest, moet nog een van de hoofdrolspelers wijken. Ze hebben over elkaars snelheid gehoord en koesteren ontzag voor elkaar. Op een verlaten plek lopen ze op elkaar toe. De ziende samoerai trekt zijn korte zwaard en werpt die naar de blinde masseur, die het wapen met een buitengewone reflex afweert. Hier heeft de ziende samoerai het pleit eigenlijk al verloren. Maar hij is dapper, als een samoerai betaamt, en maakt zich gereed.

De ziende samoerai monstert de blinde masseur, grinnikt en brengt zijn hand net als zijn opponent omgekeerd naar het heft van zijn zwaard. De blinde masseur voelt het en haalt een truc uit, waarin een wijze les verborgen ligt. Hij brengt nu juist zijn hand op de klassieke manier naar het heft. Dat brengt de ziende samoerai van slag. Gaat die blinde masseur nu toch op de klassieke wijze zijn zwaard trekken? Nee, het is een afleidingsmanoeuvre. En in de laatste seconde van zijn leven leert de ziende samoerai nog net dat je altijd trouw moet blijven aan je eigen kunstenaarschap.

Haagsche Courant, vrijdag 11 maart 2005

Strafkamp Aarde

alfred birney In Genesis 6:1-4 staat een van de raadselachtigste zinnen uit de Bijbel: “De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.”

Het woordje ‘daarna’ verwijst naar de Zondvloed, die ongetwijfeld momenteel door fundamentalistische christenen met de jongste tsunami in verband zal worden gebracht. Niet hardop, dat past niet bij de huidige massale hulpverlening, die over de grenzen van alle religies heen stapt. Kan de politiek wat van leren. Of helemaal niets. Politiek is immers berekening.

Laat ik de Zondvloed als oer-tsunami even vergeten. Wie waren die reuzen dan? Wanneer waren ze eigenlijk gekomen? En hoe? Met ruimteschepen? En wanneer vertrokken ze van hier? Er is veel over geschreven, gedebatteerd, gebakkeleid, kortom: gefantaseerd. In mijn donkerste ogenblikken koester ik de fantasie dat de reuzen van een andere planeet waren, die de opdracht hadden het grootste tuig uit het universum, mensen genoemd, maar op Strafkamp Aarde te dumpen.

Ja, we zijn maar mensen. Nog geen week na de ramp in Zuid-Oost-Azië wordt de eerste opblaasbare tsunami al aangeboden. Kunnen de kids lekker glijbaantje op spelen. Je kunt er donder op zeggen dat nu al een schrijversteam aan een Hollywoodscenario werkt, want de poen die de VS uitgaat moet er ook weer binnenkomen. Maar dergelijke commerciële streken zijn oneindig doorzichtiger dan de duistere breinen van politici op het wereldtoneel. De Duitse bondskanselier denkt investerend, wat dacht je. Onze minister van Binnenlandse Zaken Remkes doet dat juist niet, Colin Powell weer wel, tamelijk geloofwaardig ook nog, gezien zijn uitspraak dat zelfs hij als oorlogsveteraan nooit eerder zo’n ellende heeft aanschouwd.

Enige verholen ergernis is er over de onvoorziene hulp uit China. De Chinezen zouden iedereen maar voor de voeten lopen. China maakt een economische groei door die de wereld op zijn kop gaat zetten, dus het land begint zich gaandeweg te manifesteren. Zuid-Oost-Azië is als afzetgebied niet langer alleen aan Japan voorbehouden, zelfs Noord-Korea laat zich niet onbetuigd met de hulpverlening.

Niet alles is berekening natuurlijk. Vele mensen zijn geroerd. Dat duurt niet lang. Emoties zijn als golven. Emoties kunnen hele naties in beweging brengen voor kortetermijnhulp aan volkeren die in ellende zijn gedompeld. Gevoelens zijn als stromen, kalmer maar aanhoudender. Een blijvende en eerlijke verdeling van de welvaart over de hele wereld zou nog mooier zijn dan wat nu gebeurt. Dat krijgen wij mensen niet voor elkaar, wij vergeten snel. Kwamen de reuzen maar weer terug op aarde. Een bovenmaanse wereldregering zou een zegen zijn.

Haagsche Courant, vrijdag 7 januari 2005

Spoelwet

alfred birney Zo, dus de FC Den Haag, nee ik bedoel ADO, eh nee ADO Den Haag heeft nu ook een Japanse kanjer. Ik dacht eerst even dat ik las ‘Japanse karper’ (= koi) en vroeg me meteen af of die karper de ooievaar op de spelershirts zou vervangen en welke kleur die vis dan wel niet zou hebben, of dat de middenstip misschien was vervangen door een rond vijvertje waarin de koi vredig kon zwemmen ter lering ende vermaeck van voetbalvandalen. Maar nee, we hebben hier dus echt van doen met een ‘Japanse kanjer’. Zijn naam is Kazu Toda. Hij was die speler met die rode kuif, zeg de Koi van het Japanse team, tijdens het WK van Hiddink weet u wel. Het opmerkelijkste wat over Toda’s lippen kwam bij de eerste persconferentie in het Haegsche is dat zijn appartement een bad mist. Leuk, hè? Nou zijn de verschillen in badcultuur tussen Holland en Japan al zo’n 400 jaar bekend, er is uitgebreid over geschreven in een megaseller als Shogun van James Clavell, maar een Japanner het hier naar de zin maken door zoiets eenvoudigs als een bad, nou nee, dat zal nog zo’n 600 jaar duren, denk ik. Gut, straks stuurt ADO een gedelegeerde naar de voetballende Karper om hem uit te leggen hoe ie een washandje moet gebruiken, wah! Kan ie van schrik niet meer voetballen tot zeg de laatste wedstrijd voor degradatie naar de flutdivisie.

Ik maak effe een sprongetje naar de Indische mensen die met 300.000 naar Holland werden verscheept in de jaren vijftig. Beetje link dit, want er zijn oudere Indische mensen die terstond mata gelap (oog rood = woedend) worden als ze in één adem met een ‘Jap’ (Jap = zoiets als Mof) worden genoemd. Maar ik begon dit sprongetje toch netjes met een nieuwe alinea, niet? (Voor wie werkelijk niet weet waar ik het over heb: zet die teevee eens uit en lees een geschiedenisboek, desnoods eentje van Bosma en Raben).

Goed, sprong gemaakt. Nou, die Indische mensen die keken zich hier de ogen uit het hoofd. Wat bleek? Hun Hollandse voorouders bedienden zich op het toilet van papier! Smeercultuur, wah! Indische mensen daarentegen hadden een spoelcultuur. In het eenvoudigste geval bedienden zij, en bedienen zij zich van de fles om hun achterste mee te spoelen. Spoelcultuur, ya! (Botol cebok = mencebok met fles.) Die vergaten onze dominee Multatuli en onze dandy Couperus helaas te beschrijven in hun romans en met echte Indische romans vegen onze ‘grote’ recensenten in Damsko zich de gat af, tja, ach, al, sudah laat maar.

Of ADO inmiddels niet al een klusjesman op onze Japanse Karper heeft afgestuurd om een bad te plaatsen zou ik niet weten. Maar nu ik het er toch over heb… eh, is het niet mogelijk dat er een Spoelwet komt, waarin staat vermeld dat elke verhuurder verplicht is voor Indische mensen een sproeiertje in het toilet te monteren? Laat geen sporen na. Is Indisch.

Haagsche Courant, vrijdag 30 januari 2004

Hoestnorm

alfred birney Nou had ik net het plan opgevat een column te schrijven onder de Q, X of Y, want die letters heb ik nog niet in mijn columnalfabet, en nu krijg ik de hoest! Het enige voordeel van de hoest is dat je het er warm van krijgt en niet kunt roken. Nadelen te over. Helder denken wordt lastig. Het is al middernacht en ik heb nog geen letter op papier, ik bedoel op het scherm. Maar ik zal en moet een column schrijven, een columnist is namelijk nooit ziek, hoest of geen hoest. Hé! Hoe’s’t? Aan de hoest!? Medicijn tegen de hoest? Gewoon niet hoesten! Schreef Atte Jongstra eens ergens, de nar van de Nederlandse letteren, het zou in Groente of hoe-heet-dat-boek kunnen staan maar ik duik nu even niet mijn boekenkast in, die vieze stoffige boeken bezorgen me straks nog meer hoest. Het stofvrije internet biedt veel info tegen de hoest maar zonder een omschrijving van normen en waarden. Ligt hier geen taak voor de overheid? Wat is hoest eigenlijk? Volgens mij zijn er twee soorten hoest: hoest waaraan je niet en hoest waaraan je wel doodgaat. Over geen van deze soorten hoef je je druk te maken, immers beide leiden naar de weg die de goden voor je hebben uitgestippeld. Maar is er geen gedragscode voor het openbaar bedrijven van de hoest in onze samenleving? Ik bedoel kan er geen hoestmelding boven deze column in een verder leeg veld? Dan kan ik mijn nest in! Nu moet ik schrijven terwijl ik over mijn toetsenbord klap van de hoest. Wie weet begint de lezer bij deze woorden wel spontaan te hoesten! Is hoest eigenlijk geen groter taboe dan seks? Wordt het geen tijd voor lekkere hoestprogramma’s op teevee? Dan kan het van de straat, begrijpt u? Mensen hoesten elkaar maar in de smoel onder het motto ‘ik de hoest, jij de hoest’. Moet dat voor saamhorigheid doorgaan of zo? Wat zou zo’n minister Hoogervorst van Volksgezondheid voor bespiegelingen koesteren rond de hoest? Onze premier Balkenende verbluft ons toch steeds maar weer met zijn ethische bezwaren aangaande huwelijken, televisieprogramma’s en zo meer. Als alles klopt is hij nu even niet aanspreekbaar. Zijn naam begint met een B., dus Balkenende, Berlusconi, Birney en Bush zijn aan de hoest. De A’s waren al begonnen, straks komen de C’s erbij enzovoort. Dit volgens de aanname van uw snotterige columnist in alweer een ijdele zoektocht naar wetmatigheid, maar goed, voordat de H’s aan de beurt zijn kan zo’n Hoogervorst, al is hij liberaal, als pleister voor Operatie Afbraak Volksgezondheid toch alvast voorstellen de Japanse gewoonte om bij hoest een mondkapje te dragen te laten onderzoeken? Bestaat die gewoonte nog wel? Is in het kader van de eeuwenoude betrekkingen tussen Nederland en Japan geen mondkapjesconferentie te beleggen? Het idee achter het mondkapje is niet, zoals bij SARS, de angst besmet te worden, maar de wens te voorkomen dat anderen door jou aangestoken worden. Hé, is een ratel niks?

Haagsche Courant, vrijdag 14 november 2003

WKaziatismen

alfred birney Mijn grootmoeder van vaders kant was een Chinese, maar om nou ’s morgens vroeg mijn nest uit te komen om naar China tegen Costa Rica te kijken, nee. Ik was tijdig wakker voor Japan tegen België en zag in de rust tot mijn afgrijzen televisieflitsen van een stelletje Chinese lamzakken, voor wie mijn grootmoeder ongetwijfeld de bamboe zou hebben klaargelegd. Of de Chinezen zich lieten doldraaien door Costa Ricaanse virtuositeiten dan wel dim sum in de schoenen hebben gehad, zou ik afgaande op die paar flitsen niet kunnen zeggen. China schijnt het al een hele eer te vinden om mee te mogen doen. En dat bewoont met 1,25 miljard mensen de aardkloot! Nou vooruit, op naar Japan tegen de Belgen dan maar. België is voor veel Nederlanders second choice, voor mij mooi niet. Ik ga me daar een beetje olé voor die houterige Rode Duivels roepen. Mijn vader koestert als ouderwetse Indo een diepe haat jegens de Japanners, maar daar heb ik maling aan. Zij vonden het jiu jitsu in de huidige vorm uit, brachten briljante schrijvers voort en ja, ze voetballen met hun hart. Waarom dan niet protesteren wanneer een glaszuiver derde doelpunt tegen die Belgen wordt afgekeurd? Beleefd zijn is edel, maar er zijn grenzen. Die Japanners hadden die scheidsrechter een lesje karate moeten geven! Leuk voor columnisten! Enfin, lekker toetje van de Koreaantjes, die niet alleen met hun hart maar ook met het brein van Guus Hiddink speelden. Onder Louis van Gaal zouden ze mooier hebben gespeeld. Hollands! En heel mooi hebben verloren natuurlijk.

Haagsche Courant, woensdag 5 juni 2002

Without a face

My only memory of my grandmother is the one of her grave. My father’s only memory of his grandmother is the one of her funeral. I don’t know what I received from my grandmother by way of heredity. My father doesn’t know what he received from his grandmother, and couldn’t ask her anymore by the time I asked him about it.

Maybe I inherited my grandmother’s moods. My father recalled his mother was moody. He wrote this once in a letter to somebody, a carbon copy of which I later read. Nowadays moodiness is called: sensitivity to moods. Moods are subdivided into depressions, fears, and melancholy. Melancholy is probably the finest among these three moods. Homesickness in a minor key. Maybe my grandmother was homesick for a country she didn’t know, her mother’s country: China. Homesickness handed down from her mother, who was from there. Or inherited from her grandmother, whom she in turn perhaps also hadn’t known.

My father recalled that his grandmother still had those little bound feet. As a Chinese woman she had thus complied with the old Chinese ideal of beauty. My great-grandmother came to the Dutch East Indies from Canton a long time ago, probably with part of her family, because Chinese uncles and aunts wandered around in the stories my father told. Exactly when she came to the Dutch East Indies, I don’t know. She would have been born after 1860, when slavery in the Dutch East Indies was abolished and the Indies had to struggle with a lack of personnel.

The Dutch went to the Mediterranean to scour up guest workers during the sixties of the last century, as they did on the Chinese coasts back then, 100 years earlier. Many guest workers settled in Holland for good, as they did in the Dutch East Indies. There they arrived in rickety little boats, and they were called koelies. I don’t know what she was called, my great-grandmother. She may have had Nio in her name: girl.

My father was about four years old when he lost his grandmother. She must have been slight of build, but in his memory her coffin was big and made of djati-wood and heavy to lift. Under his mother’s supervision, Chinese dishes were prepared and offered to the gods. My father, his two brothers, and two sisters got chalk smeared behind their ears. Those chalk smudges were to protect them from evil spirits at the funeral service.

Who else would have been at the funeral? Did my Chinese great-grandmother leave a husband behind, had he already passed away, or was he living with another, a younger woman meanwhile?

The bier was loaded onto a tjikar, an oxcart. The procession went to the Chinese cemetery in Soerabaja. With Chinese ceremony, the woman with the little feet was consecrated to the earth, flowers were strewn, and the little boy’s mouth watered as he looked at the way the dishes with offerings were being placed around the grave. He escaped the notice of the mourners, and sampled all that deliciousness around his grandmother’s grave. Maybe the gods would be so good as to tolerate a little boy in their midst for a moment?

If they were there, those gods, and if they became wrathful because the little boy had stolen a taste of their foods, then perhaps here lies a clue regarding the bitter fate that later awaited the boy. But I do not believe this. More precisely: hardly. That’s a little more than not. Because you can’t be sure, if they exist or not, those gods, or if they were present at my father’s grandmother’s funeral.

I hope that they were there. That it was the gods who took my father’s fate into their hands. I hope so, because I look for the innocence in people, my family.

As for my great-grandmother on my grandfather’s side, I know her face from photographs. I even know her name: Rabina. According to my father she was Madoerese. According to an aunt of mine, who wrote a private family chronicle, she was East Javanese, the daughter of Pa Grimin and Sayeh. Many East Javanese are of Madoerese origin. Rabina most likely lived somewhere in the Eastern part of Java, when, a decade before slavery was abolished, a young man by the name of George Birnie left Holland and sailed for the Dutch East Indies. He was to bring a portion of East Java under cultivation by planting coffee and tobacco. He married Rabina, pretty exceptional in those days, and Rabina presented him, as that was called, with eight children: Indisch children: Indos. They were sent to the Netherlands to be raised and educated. Later, George also took Rabina to the Netherlands, from where he ran the Birnie empire. There this woman took control of the kitchen in the family home, located somewhere in the basement. God only knows how she felt over there.

In the family chronicle it is written that George passed away in the Netherlands, but it doesn’t state how things ended up for Rabina. The writer only charts the Birnie empire. So I know what the men did. I know that they brought tracts of land under cultivation in the Dutch East Indies. I also know that my great-grandmother Rabina cooked for her husband and children and spoke comically broken Dutch. For the rest I know nothing. Again: how did she feel in the Netherlands? Uprooted? Or did she feel at home anywhere in the world, as long as she was with her husband? I take it that after her husband’s death, Rabina returned to the Dutch East Indies, and that she passed away there. I hope so, because, as the older Indos say, the ground is warmer there.

The fourth of George and Rabina’s children was named Willem, and entered the world in 1868 in Djamber, East Java. This pure-blooded Indo first married his cousin, a woman of another branch of the Birnie family. They had two children. I don’t know how long their marriage lasted. Legally probably their entire lives. But they ended up living apart. That was when Willem met my grandmother, one of the two daughters of the Chinese woman with the little feet. He lived together with her, as my father would say. Others would say: he took her into his house as a maid. Then took her as a consort, a njai , the intriguing Indisch word for concubine.

According to my father she was born in 1893 in Kediri, East Java, and was named Sie Swan Nio, the family name at the beginning. However, the 1925 certificate recognizing him as their child reads: Sie Swan Nio, without profession, residing in Soerabaia, Koninginnelaan 3, according to her admission, thirty-five years of age and unwed. Was the year of her birth 1890, then? It could be that for some reason or other, maybe money, she lied to the notary about her age.

If she is of the year 1890, according to her admission, then she is of the Chinese Year of the Tiger. If she is of the year 1893, then she is of the Chinese Year of the Snake.

There is a big difference between women born in the Year of the Tiger and those born in that of the Snake. Tiger women are born feminists, and therefore the least liked among the old Chinese. Snake women are mysterious and sensual. What is certain is that the date of her birth: July 23, is on the cusp between the zodiac signs of Cancer and Leo in Western astrology. Undoubtedly my father remembered her birthday well later, when he was all alone in the Netherlands, separated from his family for good because he was forced to flee the Indonesians after the war.

Sie Swan Nio already had a previous child, a daughter by a Chinese man. I don’t know if she was ever married to that man. I only know that he was addicted to gambling. Could also have been something my father made up. There is a theory that says that after a divorce, you look for somebody who is like your previous partner, or who at least substantially shares this partner’s traits. My grandmother found another gambler in her second husband.

He, Willem, a privileged descendant of the Birnies’ meanwhile rich and renowned plantation-owners’ empire, had 12 hunting rifles up on the wall according to my father. They say that Indos enjoyed the hunt. They hunted tjellengs, wild pigs. My grandmother definitely would have seen him set off on regular trips into the jungle, to go hunting there. But perhaps his jungle was mostly a mishmash of private addresses, with lovers, and that these were the tjellengs he hunted.

According to my father, Willem owned a steamship, a laundry, and a legal practice. Later, I read in my aunt’s family chronicle that the man had been the enfant terrible of the family, that he dreamed up enterprises with respect to his family, to borrow money from the family funds. A coal mine in Borneo, that kind of thing. Traveling between Holland and the Indies, he always stopped in at the casino in Monaco.

The bon vivant did not walk in his father George’s footsteps, and never recognized the five children he had fathered through her. For this reason she herself had gone to report the birth of my father, a late arrival. According to the certificate, she waited until the last moment to do this, because he was already three months old. The law did not permit a longer period of time. Maybe she tried all that time to move her husband to recognize his son, so that at least her anak mas, her favorite child, could become an heir with the prospect of a privileged future.

Maybe my grandmother was a Tiger and quarreled about legitimizing their last child, and maybe the hunter kept saying that he would think about it but kept on forgetting, a bottle of whiskey at his lips. In the family chronicle it is written that at the end of his life my grandfather was placed under family supervision. He received an allowance of 600 guilders per month and furthermore was not to involve himself in family affairs anymore. When the gambler died, just before the Second World War broke out, he left nothing but debts.

Maybe my grandmother was a Snake and suffered during the regular absence of her man. Maybe he didn’t give her enough money to be able to live decently. I don’t know if they loved each other. If it is the case that he first took her on as a maid, she became his lover afterward. As a lover you could say, or believe, that you were no longer a maid. That you were the wife of a big man, a toean besar, somebody with money, power, and standing.

The toean besar did not have the power to divorce his cousin. This first wife, with whom he had two legal children, refused to divorce, and maybe that had something to do with shares in the family stock. Or did my grandmother feel that his heart had always stayed with his cousin? True intimacy is only possible between two persons, says the I Ching, the Book of Changes, an old legacy of Confucius and his students, my only passport to my Chinese forebears’ thought: Where three are together, jealousy arises, and one of them will have to yield.

My father said that during the war years his mother switched from Confucianism to Christianity. This means: she began to read the Bible, in Malay. Maybe she sought comfort for the sadness that her youngest son caused her with his needless, pro-Dutch, political ideas and particularly with his actions during the war.

When the Japanese invaded the Dutch East Indies, during the first bombing of Soerabaja, half the house was demolished. The family had to find shelter elsewhere in the city. My father’s oldest brother, who had been appointed his guardian, managed to get Chinese identity papers, so the family made it through the war years reasonably well. Thinking pretty much in Indonesian fashion, the entire family clung to Djojobojo’s prediction: that after three years the yellow domination would give way and the Indonesian people would be free. However, my grandmother’s anak mas had lost his father too early, and he had started romanticizing about him, this “real European” Willem, with his Dutch passport. It was now three years after Willem’s death, and he himself had meanwhile turned seventeen. He was neither Chinese, nor Indo, nor Dutch. He walked around with a Chinese brooch pinned to his chest, but at home he hung a portrait of the Dutch queen above his bed. He had acquired a hatred of the Japanese, and for many years would still grieve the loss of twelve enormous Chinese vases during the bombing.

What else did my grandmother do during the war besides read the Bible? She earned her money by preparing ketjap in her back yard. During the Japanese occupation her twin daughters went out to work as serving girls in an establishment catering to Japanese officers. They brought home money, and when my father protested, she said, “Shut up. We have to eat.” When, as a young man in his early twenties, he came home with his first soldier’s pay, ready to hand it to his mother, she said, “I don’t want that money. It’s soaked in blood.”

That story was told to me dozens of times by my mother, a Dutch correspondent of my father’s, introduced to him by a southern Dutch soldier.

The Japanese had capitulated, and the Dutch army tried to grab power over the Indies with what were called Police Actions. The Indonesians did not desire guardianship anymore, took up weapons, and the Indies turned into a chaos that would finally be called Indonesia. My father chose the side of the Dutch-as his late illegal father was after all Dutch-and participated in the First Police Action. He drove over a landmine, and during the Second Police Action had to remain in the barracks.

I got all of this from his memoir, which he wrote at my request some time ago. One day he went home on leave. He was, according to his own writing, in uniform and had his pistol with him. I don’t know if that’s possible, because when on leave, the men had to leave their weapons behind at the barracks. He heard a baby crying, took a peek into the back room, and saw a little child with Japanese features. He took out his pistol, loaded it, and aimed the barrel at the baby. The babus (nannies) wailed, and begged for mercy. He walked away, deeply offended that one of his sisters had had the baby of a Japanese officer, of the enemy.

Where did he go, where did he spend his time? At the barracks? According to his memoir he hung around a lot in the city, where factions were starting to fight one another. He does not write that, or in what manner, one night in the city during that chaotic period, his sister’s boyfriend, the Japanese officer, was murdered.

Later, in the Netherlands, whenever we sat around the coal stove, listening to the war stories that were on his lips every evening, he called his sister Ella a collaborator, a hostess, a Jap-whore. As a young boy I tried fruitlessly to understand what he was always going on about. It was many years later that I started writing her, my aunt Ella. I was to become one of those Second Generation Indos who would take a roots trip to Indonesia. Aside from which, writers need a framework for their stories, as many different voices as possible on the same subject, from different perspectives.

I visited my grandmother’s grave and stayed five weeks at my aunt Ella’s, who was closest to my grandmother because her mother had lived in with her practically until her mother’s death. Now she was living in a new house somewhere in a “corridor,” a street in the Kertajaya, a district in Surabaya. Aunt Ella lived there with her half-Japanese daughter, whom she had called Yosta, after her father, the Japanese officer Yoshida.

Yosta had three children with a Chinese man, a hardworking contractor who came by a couple of times a week, and sometimes stayed over. He had a first wife somewhere in the city. Imitating our grandmother, Yosta was also a consort, a concubine, albeit a Chinese-Buddhist variation.

Yosta’s son, Yongky, had one great desire: to see Japan, the country of his unknown grandfather. His ideal of beauty was the Japanese woman. There was a calendar above his bed of Japanese fashion models. Yosta’s daughter, Lily, had a liking for things Chinese and had a Chinese boyfriend. Every evening she would come home from work chattering busily, and would rattle on about everything she had seen, what she was going to do, what she liked, and what she didn’t like. They said that she resembled my grandmother, Sie Swan Nio. But Lily laughed a lot, and my father said that his mother rarely laughed. My cousin Yosta’s youngest child was a girl and she was called Ervina.

When you list the names in a row, descending by age, you can taste the differences: Yongky, Lily, Ervina. The first carries traces of his unknown Japanese grandfather in his name. The second is a nice name for a modern Chinese girl. The third sounds Indonesian.

I didn’t feel at home out on the street in Indonesia. I did on my aunt’s front veranda. Maybe because the veranda was more reminiscent of my father’s stories about the Dutch East Indies. I spent my evenings there and looked at the tjitjaks on the walls for hours. These lizards were always up in brass on the walls of Indo homes in the Netherlands during the sixties, and maybe still are in the homes of older Indos.

Aunt Ella had her spot in the kitchen where she listened to her wajang-radio play every day and preoccupied herself with light household duties. In the evening she would visit me out on the porch, stand behind me, and always greet me with her pidjit-ing hands on my shoulders and my neck, which was stiffly Dutch in tense anticipation of her stories.

I had to wait for days, for weeks for her story about Yoshida, the Japanese officer who was so hated by my father. The story came to me in two versions. First in my cousin Yosta’s version, after that in my aunt Ella’s version.

Yosta told me, while mopping the floor, about how her unknown father had gone out to get cigarettes one night. Japan had capitulated and the Japanese soldiers were waiting to be repatriated to their homeland. It was Bersiap: some Japanese started fighting side-by-side with the Indonesians against the Dutch, others hid in the warehouses at the harbor or in houses that they had confiscated before, when they invaded the Dutch East Indies. There were also those who hid out at the homes of their girlfriends, like Yoshida.

Most Indonesians left the Japanese alone, but desperados roamed around, including Indos who still had scores to settle with their former adversaries. Yes, like my father. You would have had to be an idiot to be out on the streets by yourself if you were Japanese. This is why Yoshida didn’t go alone, but in the company of his cousin, also an officer. Aunt Ella had waited, but not seen him come back. She had gone out to look, and learned that someone had been found dead on the pasar . His face had been mutilated, he was hardly recognizable at the identifikasie. It was Yoshida’s cousin.

And Yoshida?

Well, he ran away of course. He doesn’t dare go back, you see? Mama still tried to track him down, until long after the war. All the way to Tokyo, you know how far that is, through go-betweens. But she never got to know anything about him. Kasian, a pity for my mother, it is.

Days later, out on the front porch, right before my departure for the Netherlands, my aunt Ella comes over and sits beside me. She doesn’t greet me with her pidjit-fingers, she has something to tell me. First she looks off in silence for a while at the corridor, the street where it is dark, and quiet. Then she lays her old hands in her lap, and tells me that one particular evening Yoshida went out to get cigarettes. It is dangerous outside, and that’s why he goes together with his cousin. It will be the last time that she sees her beloved Yoshida, because they will not come back. Both find their deaths in the marketplace, their faces are mutilated by sharp weapons.

Both of them?

Yes, both of them. After Yoshida, your aunt never had another man. But I have Yosta, and Yoshida lives on in her, and so he is always around me. Lily resembles your grandma, you know she would prefer to go to China. And Jongky, he looks strikingly like his grandfather, that’s why he dreams of a Japanese girl and Japan.

But Yosta told me that only Yoshida’s cousin had been found dead.

Yes, I didn’t tell her everything. Kasian, it would be a pity for her. But she’s asleep now, so I can tell you. You can have a man who isn’t always there, or a lover who leaves you. But who wants a father without a face?

* * *
Notes from the author:

I utilize the old spellling Soerabaja when I am talking about prior to or during the war, and Surabaya when I’m talking about after
Indonesian independence. The spelling of Malay words I present in the classical Dutch spelling, because many of these words enriched Dutch dictionaries in this form. Moreover, my story is Indisch and not Indonesian. This is why I decided against modern Indonesian spelling elsewhere.

King Jojobojo, the “Javanese Nostradamus,” ruled over one of the Hindu realms on Java around 900. The king had two residences: in Daha (unknown) and in Kediri (East Java). One day he received a visit from the Arabic scholar Maulana Ali Samsujin. Jojobojo was impressed by this Moslem’s supernatural gifts, and steeped himself in the science of the occult. It turned out that he, too, possessed prophetic gifts. By means of seven platters of food, Jojobojo predicted seven periods during which seven great realms would succeed one another. Among them were seafaring nations, the Dutch and the Japanese, respectively, who would transform Java into a cesspit of vice. These would finally be driven out, after which the kings of Java would be able to regain the power to rule. As with all true predictions, Jojobojo’s is capable of more than one explanation on various points. Thus the length of the domination by the strange yellow people (the Japanese) was compared with the time corn needs to mature, namely three-and-a-half months. But the faded handwriting in which the prediction is written has become illegible in some places. Was the king referring to “djagoeng” or “djago”? Corn or Rooster? If it was “djago,” rooster, then it would take three-and-a-half years before liberation, because this is how long it takes a rooster to reach its full maturity.

Copyright ©2000, Alfred Birney. Original title: Zonder gezicht. From the collection of stories and essays on the Dutch East Indies Vertrouwd en vreemd. Ontmoetingen tussen Nederland, Indië en Indonesië. A compilation by Esther Captain, Marieke Hellevoort & Marian van der Klein (red.). A publication of Uitgeverij Verloren, Hilversum, The Netherlands, 2000. This biographical story is translated from the Dutch by Wanda Boeke. No reproducing is allowed in any form without written permission from both the author and translator.

Waking Up

The background was black with a few strokes of indigo, randomly brushed in so it seemed, or were they the first attempts of a budding Chinese calligrapher? Then there was a noise. I couldn’t bring the sound home. But the sound took shape: in the dark distance, wasn’t I seeing the contours of a mountain appear? Pattering footsteps approached. They seemed to be those of some kind of animal that was invading my domain. Before I could brace myself, it jumped on my bed. I uttered a cry and bolted upright. The animal shrank back, took on the guise of a five-year-old boy.
Without further discussion they roughly pulled him outside.
It stood beside my bed, looked at me in bewilderment, and asked, “Daddy, can the TV be turned on now?”
“Sure, kiddo.”
My small son had rapidly collected himself, already seemed to have forgotten my fearful reaction as his cartoon heroes flew across the TV screen. Had he honestly forgotten?
Things that really make an impression on somebody usually require a delayed response. Perhaps I had seen my father scared by me that way once, but forgotten about it because the ex-marine had the ability to roll out of bed in a flash, to then jump to his feet and assume a catlike fighting stance. You’d rather see your father ready to fight than scared, somehow.
In particular, I remember this: “What do you want?”
Toneless question, threatening nevertheless. A provocative smirk glimmers in my father’s eyes. The Indo, tormented by memories of war, does not see his son. He sees a Japanese soldier or an Indonesian freedom fighter there in front of him. Rattling little hammers on typewriter arms leave a trail of printed letters across his frowning forehead: Who are you and what do you want in my room?

There was no television set at home, it was during the fifties, and I was just as old as my little boy is now. There was a coconut mat in the hallway that hurt my feet. I had sensitive feet, wasn’t used to walking barefoot like my father was in the country he had fled six years earlier right after the war. There was the kitchen with its yellow tiles and small Formica table, in the crystal ashtray lay cigarette butts with my Dutch mother’s half-moon lipstick prints on them. It was cold. What was I doing in my parents’ bedroom?
My father didn’t want me there and chased me away by assigning me the task of stirring up the coal stove.
I hurried to the living room. The stove stood on bowed legs in front of the mantelpiece framed by dirty yellow bathroom tiles. I pulled the drawer holding the hot ashes out of the black cast-iron monstrosity which bore the brand name Etna, the name of an Italian volcano. In the kitchen, I tipped the ashes into the metal garbage bucket. Out of the hallway closet I loaded a sack of coal onto my shoulder, although I heard my mother complaining to my father that these kinds of chores were nothing for little boys.
I opened the door to the stove and in its depths saw the glowing remains of the coals that had made it through the night. Small black diamonds conserved in the rictus of a hell. I ripped up newspapers, made wads, tossed them into the maw of the stove, and lay kindling on top. Lugging the sack over, I let the egg-shaped pieces of coal roll into the fire. I watched the black smoke that developed, waited until the stove began to roar, and closed the door.
Forty years later with a simple motion I adjust the thermostat on the wall to turn up the central heating in my apartment. I place a child’s breakfast in front of my little boy on a small table beside the couch and go back to bed. Maybe I’ll be able to sleep another hour for a better start to the day. Without a scare, without recollections of my father and what all is lurking there.

In the future, my little boy will not wake me up like that again. Not that I told him not to. He has come up with all kinds of strategies himself. He’ll take out his first wooden toy train and walk through the apartment with it, the way he did when he was two. One of its wheels rubs and makes a squeaking sound. It’s a sound that I know and that shouldn’t frighten me. On occasion, he’ll sit on the couch and softly start singing the familiar songs he has learned at school, waiting for me to come turn on the TV for him. Sometimes I catch him peeking around the corner of my open bedroom door, quiet so as not to scare me.
My bedroom door is always wide open. My father’s was always half-open. After he was left to himself, separated from his wife and children, he had put a daybed in the living room. For his Indisch siesta, I thought, but later I suspected that he slept there at night as well.
A daybed in the living room can be a friend to frightened people. Bedrooms can be serious enemies, no matter how hard you try to make them cozy. They do, you think, happen to hide the memory of your most terrifying nightmares. A daybed in the living room is surrounded by the familiar elements of your days: the television, the sound system, your books, somewhere a scarf left lying around by somebody who visited you, your small son has left his little train in the middle of the room.
I don’t have a living room like that. When my little boy is at his mother’s again after the weekend, I bring all his things back to his room. In order not to stifle the memory of his presence, I leave the door to his room wide open. My living room is as empty as possible, nothing is allowed to disturb me when I’m sitting at my desk. Green linoleum, black blinds; a cell with a hint of Japanese austerity. The sight of a daybed would hopelessly paralyze me.
My bedroom has the same emptiness. I sleep on a Japanese futon. There is one white chipboard closet, nothing more. The room is separated from the living room by folding doors. By leaving them open, I am in a certain sense sleeping in an extension of the living room. Not that it helps. Why else would my little boy give me such a turn?
Your little boy’s one overnight a week is a break in your reclusive writer’s existence. By the time his presence seems natural, he already has to leave again. By the time you have reconciled with the day, night is coming on.

* * *
Copyright © 2001, Alfred Birney. Original title: Wakker worden. From Yournael van Cyberney, a collection of prose. Haarlem: Knipscheer Publishers, 2001. Translation by Wanda Boeke. No reproducing allowed in any form without written permission from both the author and translator.