Straks nóg sneller slikken!

alfred birney Een klein miljoen Nederlanders haalde verleden jaar kalmeringsmiddelen bij de apotheek en driekwart miljoen Nederlanders scoorde er slaappillen. Valt nogal mee in een tijd waarin steekpartijen niet van de lucht zijn. Als de onderzoekers mij om een schatting hadden gevraagd zou ik met de natte vinger toch op de helft van onze bevolking zijn gekomen. Wat een rare zin trouwens, ha ha, het lijkt wel alsof ik onder de valium zit! Ja hey, je kunt erg nerveus worden van een deadline, hoor. Ja echt! Deadline… Het woord al. Alsof ze je kop eraf komen hakken wanneer je niet op tijd je column inlevert. Is niet zo hoor, mijn redacteur is errug lief. En ja: deadlines zijn duidelijk. Zoveel anders dan de sluipmoorden die plaatsvinden binnen, zeg, een concern dat in het kader van de zogeheten mondialisering er de gewoonte van maakt om bij meer winst meer personeel te ontslaan in plaats van aan te trekken. Met angst en beven zie je de nieuwe jaarcijfers tegemoet, je telt de collega’s die voor jouw tijd de laan uit werden gestuurd en dan neem je maar weer wat librium, wat net effe lekkerder voelt dan valium. Of je rookt een lekkere joint zodra je thuis komt. Werkt ook. Maar niet als je honderdjarige buurvrouw bij de pinautomaat overhoop wordt gestoken, want dan krijg je zo’n zin om te gaan schreeuwen dat je maar meteen een hele strip benzo-zooi tot je neemt, anders komen ze je in no time plat spuiten. In Frankrijk slikken ze overigens viermaal zo veel sufmakers als hier bij ons, waarschijnlijk omdat de directie van de Tour de France gaarne heeft dat er dit jaar in een nog hoger gemiddeld tempo wordt gejakkerd. Het dopingcontrolecircus zet zo de maffia van de farmaceutische industrie aan tot de ontwikkeling van nog betere pepjunk, waar veel aandelen in rondgaan. U gaat nu toch niet roepen dat wij toch niet allemaal wielrenners zijn, hè? Ik dacht eerlijk gezegd namelijk toch toevallig van helaas wel ja. Het moet allemaal maar sneller, sneller en sneller tegenwoordig. Het dagelijkse leven als de Tour. Snelle, schreeuwerige radio- en teevee-reclames. Nu nóg sneller internetten! Zó zet u nóg sneller een maaltijd op tafel! Vandaag besteld, mórgen in al in huis! Het gaat wel goed, maar het kan allemaal nóg sneller! Leer gitaarspelen in twee weken! Als u van Maastricht vertrekt, dan bent u nóg sneller op uw vakantiebestemming! Nóg sneller bruin met onze bruiningscapsules! Met de nieuwe Sprinterformule biedt NS haar klanten een snellere dienstverlening! UMTS is ruim zes keer sneller dan ISDN! Zo kunnen medewerkers elkaar nog sneller bellen! Wilt u snel geld kunnen overboeken naar het buitenland? Wilt u snel dood? Wilt u nog sneller dood? Als u het snelst dood wilt, wandel dan gewoon volgens de verkeersvoorschriften het zebrapad over. Succes verzekerd! Het leven is prachtig jachtig, vindt u niet? Hé lamstraal, schiet een beetje op joh! Is er al een middel in de handel dat zowel kalmerend als oppeppend werkt? Tjonge, wat duurt dat lang zeg.

Haagsche Courant, vrijdag 1 april 2005

Ik wil slaan!

alfred birney Mijn grootvader had een Odeon grammofoon met zo’n pontificale hoorn waaruit geluid kwam dat op muziek leek. Voor het beluisteren van een concert waren nodig een stapel bakelieten grammofoonplaten en een doos vol naalden, die nogal snel sleten. Ik geloof dat je dat ding ook nog met een slinger moest opwinden. Het beluisteren van een opera gaf dus een hoop soesa, reden waarom mijn grootvader de rotanstok naast de grammofoon had liggen. Waagde iemand het om door de krakende muziek heen te babbelen, dan kreeg ie een tik op de vingers en moest het hele ritueel van voren af aan beginnen. Soerabaja 1930, zoiets.

Dertig jaar later kruipt mijn vader met zijn Indische kornuiten rond een koffergrammofoon bij de kachel ergens in een Haagse portiekwoning. Ze draaien 45-toerenplaten van Los Indios Tabajaros and all that. De techniek schrijdt voort, er komt een platenwisselaar die met een onooglijk mechaniek de ene na de andere grammofoonplaat omlaag laat kwakken. Zelfs langspeelplaten kunnen een dergelijke behandeling ondergaan, zodat je heel lang door kunt gaan met dansen of kaarten.

In de jaren zeventig cultiveer ik met mijn vrienden het afspelen van grammofoonplaten. Vereist zijn een draaitafel met een los gekochte arm, een versterker en peperdure speakerboxen. Veel tijd gaat zitten in het afstoffen van de grammofoonplaten, het afregelen van het geluid en het urenlange gezanik over wat nou eigenlijk het allerbeste is voor je grammofoonplatenverzameling. Maar het beluisteren van muziek is tenminste nog een echte sociale aangelegenheid.

Dan gaat het mis. De muziekcassette doet zijn intrede. We zetten onze muziekcollecties over op gammele bandjes, zien onze tapedecks vastlopen, de muziek jankt als je de koppen niet vaak genoeg schoonmaakt en ga zo maar door. Ik blijf zo veel mogelijk grammofoonplaten draaien, maar met de intrede van de cd wordt het allemaal nog veel erger. De muziek doet pijn aan je oren, niets klinkt meer gezellig vals en grammofoonplaten verdwijnen uit de schappen van de muziekhandel. Iedereen koopt op cd wat ze al jaren op vinyl hebben staan, ik snap er helemaal niets van.

We zijn intussen weer enkele decennia verder. Mensen spenderen uren aan het overzetten van muziek-cd’s op pc’s. Lekker makkelijk, met afspeellijsten en zo. Mijn platenspeler, cassettedeck en versterkers lopen op hun laatste benen, dus ik doe maar mee. Maar wat een gedoe zeg. Voor het overzetten van je grammofoonplaten op je pc heb je extra apparatuur en software nodig plus tijd voor snelcursussen. Met muziekcassettes gaan het nog wel, maar je komt dan wel in een softwareoorlog terecht tussen allerlei bestandsformaten die het op de ene mediaplayer wel doen maar op de andere weer niet. MP3 is de hype, maar klinkt volgens mij net zo slecht als die toetergrammofoon uit mijn grootvaders tijd. Waar is de rotanstok? Ik wil slaan!

Haagsche Courant, vrijdag 18 maart 2005

De juforde

alfred birney Onze kleuters zijn in het nieuws. Wat zeg ik? Een hype zijn ze! Als eentje een ander aan de mouw trekt, noemt men dat agressie. Het recht van de sterkste heerst op het schoolplein! Tjonge, wat een nieuws zeg. Dit hebben wij echt nooit maar dan ook nooit geweten. Jarenlang hebben we moeten wachten op het onlangs gepresenteerde onderzoek naar agressie bij kleuters. Groot is de Faculteit Pedagogiek van de Universiteit van Utrecht! De ene na de andere eye-opener rolt er uit, niet te bevatten allemaal, je zou die onderzoekers bijna voordragen voor de Nobelprijs. Zo weten ze te melden dat in bijna alle onderzochte klassen dominante daders te vinden zijn die al op zeer jonge leeftijd de zwakkere groepsgenoten eruit weten te pikken. En wat dacht u van het volgende verheven inzicht? ‘Kinderen die zich agressief opstellen jegens hun groepsgenoten worden zelf weer belaagd door andere dominante belagers. Ze zijn zowel dader als slachtoffer.’ Nou, wilt u nog meer briljants horen?

Horden journalisten spoeden zich naar juf a, b of c van school x, y of z om haar opdringerig, dominant en agressief de microfoon met die ene brandende vraag onder de neus te duwen: ‘Is het waar, juf?’

‘Ja,’ zegt de juf. ‘Er zit eigenlijk toch best wel een stukje van een kern van waarheid in. Maar ik wil niet dat het recht van de sterkste in mijn klas zegeviert.’

Dat lijkt mij tamelijk voor de hand liggend en ook wel handig, anders heb je geen leven als juf. Want die eeuwige knokpartijtjes op het schoolplein zijn niet van vandaag of gisteren, hè juf? Maar het heeft niet alleen te maken met het ‘bepalen van de pikorde’ hoor, zoals u dat zegt, juf. Er heerst ook nog zoiets als een kutorde onder de meisjes, uiteraard zoveel subtieler dan, zeg, de USA-orde in Irak om de boel maar even in macroperspectief te plaatsen. Ik heb in een grijs verleden ook heel hard moeten rennen om de knuisten van de sterkste jongen uit de klas niet alweer te hoeven voelen. Dat die jongen op zijn beurt voor een ander moest rennen wist ik ook; vandaar dat ik door die treiterkous geen trauma heb opgelopen. Traumatiserend werkten wel de juffen en meesters die ons zeiden wat we allemaal wel en niet mochten doen en dat God alles noteerde wat je deed. Nu is dat nog ingewikkelder geworden, want ook Allah kijkt toe. God waakt over de auto en Allah over de olie, terwijl wij stervelingen elkaar in hun naam afmaken. Onze kleuters zien de pikorde in vele varianten ook al heel vroeg op televisie. Maar wist u dat ze al vanaf hun zesde jaar op jeugdjudo kunnen? Weinig is beter dan dat voor hun ontwikkeling. Ik zou pleiten voor jeugdjudo als verplicht vak op alle basisscholen. Maar het zal vast wel een halve eeuw duren eer de Faculteit Pedagogiek van de Universiteit van Utrecht tot dat inzicht is gekomen met dat legertje laatnegentiende-eeuwse psychologen dat voor de geringste stoeipartij al een traumateam in de startblokken zet. Gesubsidieerd, ook dat nog.

Haagsche Courant, vrijdag 18 februari 2005

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Columns Getagged ,

Nasi goreng voor verstorven geld

alfred birney Er slingert nog zo’n 2,5 miljard gulden rond sinds de invoering van de euro. Het gaat om ruwweg 600 miljoen euro aan bankbiljetten en 500 miljoen aan muntgeld. De Nederlandsche Bank schat dat 130 miljoen gulden zeker niet terug zal komen. Dat noemt met ‘versterf’ en dit ranzige woordje betekent winst voor de centrale bank en dus voor de overheid. Waar al die poen nou ligt mag Joost weten. Een woordvoerder van De Nederlandsche Bank komt weinig verder dan wat u en ik zelf wel kunnen verzinnen: “Dat geld is dan verbrand, kwijtgeraakt, in de wasmachine beland, zit in de oude sok, er zijn boekenleggers van gemaakt of misschien zit er ook wel zwart geld bij.”

Hoe vindt u die laatste zinsnede? “Misschien zit er ook wel zwart geld bij.” Misschien… Ha ha! Maar goed, geen nood hoor: u kunt uw muntstukken nog tot 2007 aanbieden en uw papiergeld tot 2032. Hoe u dat moet doen, zou ik niet weten. Wist u al eerder niet hoe u uw geld wit moest wassen, dan zal u dat nu nog niet weten. Verhef uw zwarte geld anders tot kunst, in de geest van Andy Warhol! Dat geeft het wat kleur, als label rond tubes mayo of zo, in vitrines bij hippe galeries.

Ik vond laatst nog een paar bankbiljetten uit de jaren dertig en veertig in mijn bureaulade, afkomstig uit het voormalige Nederlands-Indië, waar men een ‘eigen gulden’ had. Fantasieloze flappen met de kop van Jan Pieterszoon Coen of Koningin Wilhelmina erop. Er zat ook een fraai exemplaar bij van 2,5 gulden, gedrukt door de Javasche Bank. Dus niet de Javaansche Bank. De kop van een Javaanse vorst erop. Of van een wajangfiguur? Ben ik nu al vergeten! Enfin, de achterzijde drietalig bedrukt in het Nederlands, Chinees en Javaans. Of Nederlands-Indië nou multicultureel en multiraciaal dan wel multi-etnisch en multireligieus was, dat laat ik aan onze dweilen van geschiedschrijvers, in elk geval was er voldoende rames voor apartheid.

De eigenaar van het Indonesische Eethuisje Mirasa aan de Reinkenstraat verzamelt bankbiljetten. Ze hangen achter glas aan de muur en liggen onder de glazen toonbank. Er zitten veel biljetten uit Indonesië bij natuurlijk, maar ook Irak en Bulgarije zijn vertegenwoordigd, om enkele landen te noemen. Ik begrijp weinig van verzamelaars, maar het idee om je muur met geld te behangen, denk ik wel te snappen. Wie zoiets doet, heeft tegelijk iets én niets met geld. Voor zo’n persoon is geld waardevol en waardeloos tegelijk.

Ik gaf de eigenaar van Mirasa mijn oude Indische bankbiljetten. Hij was als een kind zo blij. Ik hoefde mijn nasi goreng niet te betalen. Of heb ik die juist betaald met dat geld van zestig, zeventig jaar terug? Wie weet hangen over een halve eeuw onze patatkramen wel vol met bankbiljetten van bijen, snippen, vuurtorens en wat al niet meer het besef van de vergankelijkheid in ons zal oproepen.

Haagsche Courant, vrijdag 11 februari 2005

Jaarwisseling beneden de zeespiegel

alfred birney Van de beroemde Japanse kunstenaar Hokusai (1760 – 1849) kent bijna iedereen wel de houtsnede ‘De Grote Golf’, die roeiers in hun bootjes overweldigt, terwijl in de verte de berg Fuji in eeuwigheid rust. De prent is veel gereproduceerd op affiches, maar sinds Tweede Kerstdag 2004 zal niemand meer als voorheen naar dit tafereel kunnen kijken zonder associaties met de jongste tsunami die dood en verderf heeft gezaaid in Zuid-Oost-Azië.

Ik kende het woord tsunami niet, totdat een e-mail van mijn broer me alarmeerde. Ik sms-te een vriend die in Thailand zat en hoorde heel lang niets. Een dag later liet hij weten dat zijn hotel er niet meer stond maar dat hij en zijn vrouw nog in leven waren. Ik begon te beseffen dat op dat ogenblik tienduizenden sms-jes naar de getroffen gebieden werden verstuurd met een snelheid hoger dan de tsunami zelf. Dat er, kortom, veel was veranderd sinds de tsunami in 1883, veroorzaakt door een uitbarsting van de Krakatau in de Straat van Sunda tussen Sumatra en Java. Tegen de tijd dat het nieuws de mensen in Europa bereikte, waren de doden toen al geborgen.

Nu is het reality tv geworden. Je zit naar ontluisterende beelden te kijken en het enige positieve dat je kunt bedenken is dat christenen, moslims, hindoes en boeddhisten eensgezind de ramp dragen en dat Indonesische militairen de Atjehers bijstaan in plaats van ze te bevechten. De rest van de wereld leeft mee, dat is iets.

Maar dan. Zodra de van ontzetting geopende monden weer gaan bewegen, begint de mens een van zijn idiootste trekjes te etaleren: leuteren rond de schuldvraag. ‘Als ze niet die mangrovebossen voor de Thaise kust hadden weggekapt, dan zouden die de tsunami hebben tegengehouden.’ Wie weet, maar wij rijke westerlingen willen nu en dan wat ‘zon pakken’ in het Verre Oosten, het liefst in hotels op een steenworp afstand van het strand. En de lokale bevolking, die graag te eten wil hebben, biedt ons die mogelijkheid. Zoals wij hier de Alpen kaal kappen omdat we er zo graag een weekje per jaar willen skiën.

Vervolgens: de Verenigde Naties die Amerika gierigheid verwijten. Amerika die zijn boekhouding toont, waarop een wedrace begint tussen landen die elkaar de loef af lijken te willen steken met recorddonaties. Maar goed, het doel heiligt de middelen. Ten slotte moeten autoriteiten in getroffen toeristische gebieden zich ook nog eens verdedigen tegen aantijgingen waarom zij niet met een waarschuwing naar de stranden zijn gekomen. Inmiddels nuttigen wij hier te lande oliebollen, appelflappen, boerenjongens en champagne en vergeten uiteraard het Pentagon-rapport, dat voorziet dat Nederland in 2007 onder water zal lopen. We zijn maar mensen, toch? En moeder aarde is moeder aarde. Over God zullen we maar even zwijgen, daarover hebben we het afgelopen jaar wel genoeg te horen gekregen.

Haagsche Courant, vrijdag 31 december 2004

Kerstboodschap

alfred birney Volgens een borrelpraatgezegde loopt Nederland zo’n 30 jaar achter op de Verenigde Staten van Amerika. Amerika is een federatie van 50 staten. Nederland wordt wel eens de 51e staat van de VS genoemd wanneer het zich als braafste leerlingetje van de klas toont. Als voorzitter van de EU wilde Nederland laatst bijvoorbeeld nog even in de luwte tijdens de kwestie Turkije de multinational Microsoft met een hamerstuk bedienen. Daar heeft Polen heel wijs ten leste een stokje voor gestoken.

Ruim 30 jaar geleden (1969) had Elvis Presley een wereldhit met ‘In the ghetto’. Sneeuw valt in Chicago. Op een koude ochtend wordt een kind geboren, wéér een kind te veel in het getto. Het joch groeit op voor galg en rad, hij leert stelen en vechten voor zijn brood. Op een avond wil hij weg uit de buurt. Hij koopt een revolver, jat een auto, maar komt niet ver. Daar ligt hij: zijn gezicht in de sneeuw, revolver nog in de hand, mensen drommen om zijn levenloze lichaam heen.

Dat soort toestanden is alleen mogelijk in Amerika, dachten we dertig jaar terug. Inmiddels zwerven duizenden jongeren zonder thuis langs de Nederlandse straten. En dit verschijnsel is niet van gisteren. In 1993 nam de Zangeres Zonder Naam al een album op ten bate van de Stichting Zwerfkinderen Nederland, die nu onderdak heeft bij Stichting Zwerfjongeren Nederland. Want ook stichtingen kunnen dakloos worden, vooral als ze niet worden gesubsidieerd door de overheid.

Onze minister-president acht het in de week voor kerst van belang alvast te melden dat hij ook in 2007 voor een nieuwe ambtstermijn wil gaan. Er valt namelijk nog zo veel te doen. Ja, dat weten we. Het zou hem als christen sieren om rond de kerst ook eens stil te staan bij de eenzaamheid van onze zwerfjongeren. Die staan toch duidelijk ergens symbool voor. Balkenende zoekt het liever wat verderop en stuurt onze soldaten in Irak een cd met een door hem ingesproken stoffig missionarisgedicht van Anton van Duinkerken: ‘Nu zal het wel gauw gaan sneeuwen’.

Nou, in de eerste zin van ‘In the ghetto’ sneeuwt het al. Niet zoals Anton van Duinkerken voor ogen stond. Geen verheven rijmelarij. Direct tot de kern. De kloof tussen arm en rijk, zwart en wit, de burger die de andere kant op kijkt. Maar ja, ‘hebt uw naaste lief’ of ‘gij zult niet doden’ kan Balkenende natuurlijk moeilijk in zijn mond nemen. Er wordt gesjoemeld met die geboden uit de Bijbel, die een revival beleeft op het podium der heilige boeken. Dat ook songteksten weinig uithalen doet er niet toe voor de muziekindustrie. Wat er deze dagen toe doet is dat de verlichting van de kerstboom niet uitvalt, de kalkoenvulling niet dilettanterig kwistig van kruiden is voorzien, de wijn niet naar oude kurk smaakt en er geen vlekken op je kostuum komen. Voor de rest is het hopen op een witte kerst. Sneeuw op straat. Mooi om naar te kijken. Niet om met je smoel in te liggen natuurlijk. Nou ja, even dan. Voor de lol.

Haagsche Courant, vrijdag 24 december 2004

Hey Mike, lees dit maar niet

alfred birney Kinderen kunnen in enkele dagen een jaar groeien, lijkt het wel. Ik zag mijn zoontje drie dagen niet en opeens staat daar geen zoontje maar een zoon voor me. Gisteren werd hij twaalf. Hij mag nu van mij alleen naar school fietsen. Ik bedoel: hij moet. Hij moet het eens leren. Verder moet hij goede boeken leren lezen, uit alle werelddelen. Er is meer onder de zon dan Cervantes, Stevenson en Carroll. Gaat me wat worden, mijn zoon is namelijk een fan van Dagobert Duck, huh. Gelukkig las hij laatst zeer geboeid een jeugdroman uit van Craig Strete, een indiaanse schrijver uit de USA.

Mijn vader had geen benul van literatuur, maar zag wel dat ik wilde lezen. Hij kwam met de populaire boeken aanzetten over de vliegenier Biggles van W.E. Johns, die oorlog en overheersing verheerlijkte met avonturenromans als ‘Biggles in vijandelijk gebied’. De piloot is er een van het soort ‘helden sterven niet’, de geur van motorolie hangt over de bladzijden. Jaren later las ik dat de Biggles-boeken uit de bibliotheken van Zweden zouden worden gehaald vanwege verhuld racisme.

Mijn vader zal hebben vermoed dat de boeken van Biggles mij niet konden bekoren. Hij kwam aanzetten met de pockets van Karl May, dikke delen waarvan het eerste luidde: ‘Winnetou het grote opperhoofd’. Het was toen dat mijn vader me plechtig zei hoe je eigenlijk een boek moest lezen: ‘Als er staat geschreven dat een Indiaan te paard ergens op een heuvel verschijnt, dan moet je de woorden niet letterlijk lezen maar je er een voorstelling van maken.’

Dat had hij me niet hoeven vertellen, maar braaf als ik was begon ik me van elke zin een extra uitgebreide voorstelling te maken. Creatief ook nog droomde ik elke bladzijde een hele andere kant op dan Karl May had gedaan. Daardoor kreeg ik dat boek slechts met grote moeite uit, terwijl mijn boekenrekje zich allengs vulde met de vele delen uit de Karl May pocketreeks.

Indertijd waren de ‘Illustrated Classics’ populair: literatuur in stripvorm. Chopin zonder middenregister, zeg maar. Gelukkig kreeg ik dat pas veel later in de gaten. Nee, dan nog liever terug naar mijn jeugdliefde, mijn eerste boek, dat ik met Sinterklaas kreeg: ‘Sjors en Sjimmie in Wonderland’. Een strip over een blond jongetje en, zoals dat toen heette, een ‘negerjongetje’. De vriendjes komen terecht in een vervlogen riddertijdperk, ik ben een jaar of zeven, acht, maar raak toch heimelijk verliefd op de jonkvrouw. Het slot van het stripverhaal laat me in verbijstering achter. De hoofdrolspelers in het boek, onder wie de ridder en de jonkvrouw, raken in de tijd bevroren. Het zal 600 jaar duren eer ze weer tot leven komen. Zo oud word ik nooit! Nooit zal ik de jonkvrouw weer tot leven zien komen! Ik achtervolg mijn moeder avondenlang naar de keuken om haar van alles te vragen over leven en dood. Ik krijg geen antwoord. Er is geen sterveling die antwoord krijgt.

Haagsche Courant, vrijdag 3 december 2004

Veldmaarschalk KPN

alfred birney Een van de grootste blunders die de overheid ooit maakte is bij de privatisering van de PTT aan de KPN het hele netwerk cadeau te doen. De privatisering op zich was zo erg nog niet, dat was gewoon zoiets als zeggen: ‘Ga jij maar op jezelf wonen.’ Dat krijgen velen dagelijks te horen, om welke reden dan ook. Maar mij lijkt niet dat iemand te horen krijgt: ga jij maar op jezelf wonen, hier heb je mijn huis, geluk ermee.

Dat gebeurde KPN wel. Het hele netwerk was al lang en breed afbetaald door ons gebel naar mam, tante en opa, dus KPN wreef zich verlekkerd in de handen. Beter was geweest dat de overheid het netwerk bij de staat had gehouden. Die had kunnen zeggen: ‘Iedereen, KPN incluis, die er gebruik van wil maken, betaalt evenveel aan huur van het netwerk.’ Dan had je dat gedoe niet gekregen met allerlei aanbieders die thans hun eigen netwerken aanleggen. Nu ligt er zoveel spaghetti onder de bestrating dat je er bijna geraspte kaas overheen zou willen strooien.

KPN melkt sinds jaar en dag het netwerk uit en zodra de concurrent een beetje sterker wordt, verlaagt KPN de prijzen even. Goed, niks aan te doen. Maar die wolven van KPN willen meer, meer, meer. Ze zijn intussen doodleuk begonnen met de handel in onze persoonlijke gegevens. Kunt u zich herinneren dat KPN dat u iets heeft gevraagd? Nee? Nou, ik ook niet. Wel is het zo dat wij onlangs een briefje op A-5-formaat kregen waarin staat dat ‘gebleken is dat niet voor iedere klant duidelijk is wat de status is van “Telefoonnummers met Beperkte Bekendheid”, in het spraakgebruik ook wel ‘Geheim Nummer’ genoemd’.

Tjonge, wat een aanhef. Heeft u dan nog zin om zo’n berichtje uit te lezen? Nou, ik zou het toch maar doen. KPN zegt dat ooit geen naam-, adres- en woonplaatsgegevens aan derden beschikbaar werden gesteld. ‘KPN is echter meegegaan met de ontwikkeling in de maatschappij ten aanzien van marketingcommunicatietechnieken.’ Dus vinden ze dat uw genoemde gegevens aan derden ter beschikking mogen stellen. Lees: verkopen.

Wat zou die maffia daar nou aan verdienen? Hoezo is het ‘in het belang van de klant, die door het beschikbaar zijn van accurate en actuele gegevens, toegang krijgt tot voor hem interessante commerciële informatie’? Wat bedoelt u, Veldmaarschalk KPN? Kunt u zich misschien nader verklaren? Nee, hè? Fijn dat u ons niettemin in de gelegenheid stelt bezwaar te maken tegen deze zoveelste streek van een kapsones monopolist! Wat is u ons toch weer goed gezind! Inmiddels zit ik zeker ergens in een dossier van lastige klanten die zo nodig hun adres geheim willen houden, hè? Zeg, waarom zet KPN haar fysieke adres eigenlijk niet onder dat bericht? Een postbusnummer is louche, ordinair, dubieus. En wat doet KPN eigenlijk met de poen die aan de verkoop van onze gegevens wordt verdiend? Mensen ontslaan zeker.

Haagsche Courant, vrijdag 10 september 2004

Hartono was here

alfred birney Vandaag speelt Hartono voor het laatst in Toko Oen, dus wie hem nog wil horen en zien, moet rennen. Lekker bordje nasi gudek erbij, die is erg lekker daar, al is Toko Oen in de eerste plaats befaamd om zijn loempia Semarang, die inmiddels overal geïmiteerd wordt.

Morgen is er een afscheidsfeestje ergens in een achterafstraatje in de Schilderswijk, waar Hartono zijn logeerkamertje heeft. Hij vroeg me of ik mijn gitaar mee wilde nemen, maar eh, ik hoor liever hem spelen. Zijn repertoire omvat zo’n 100 jaar populaire muziek, van krontjong via jaren twintig blues naar jazz, bossa nova, rock & roll, pop en allerlei Jawa Pop, want Hartono is van Java.

Zoals veel Indonesiërs is Hartono een etnische mix, eigenlijk zijn het een soort Indo’s. Maar om in Indonesië Indo te zijn moet je blank zijn uitgevallen, liefst met een carrière in de showbizz. Om in Nederland Indo te zijn ligt veel ingewikkelder, laten we daar maar over ophouden, want als Indo’s hier er al zelf niks van begrijpen, hoe kunnen ze dan verwachten dat Hollanders dat wel doen?

Hartono noemt zich Chinees, maar hij heeft ook Javaans bloed en misschien iets Europees, dat is vaag. Wat dat betreft loopt het spoor al dood bij zijn vader, die ooit bij het KNIL werkte (in de garage). Chinese christenen zijn de allochtonen van Java en leiden soms een wat angstig bestaan in Indonesië, ze hebben het zwaarder dan wat hier voor allochtoon doorgaat, Nederland is zo extreem nog niet.

Toch voelt Hartono zich Javaans, diep van binnen. Komt door de muziek. Als hij een gamelan hoort, zwijgt hij ontroerd. Krontjong is voor hem geen muziek van tempo doeloe maar een dynamische muziekvorm, die hij steeds nieuwe gezichten geeft in zijn eigen muziek. Hij is de huismuzikant van Toko Oen in Semarang en soms stuurt de bedrijfsleider hem naar Nederland om de zustertoko alhier ook eens van zijn spel te laten genieten. Je moet hem eigenlijk zien spelen: kretekje in zijn mond als hij in een jazzy improvisatie zijn tanige vingers over de toetsen laat dartelen.

Hartono was ooit scheikundeleraar – zijn vader had hem de technische kant op geduwd – maar in de avond maakte hij altijd muziek, als gitarist, pianist en op zondag als organist in de kerk. Op zekere dag zei hij zijn leraarsbaantje vaarwel. In Indonesië is het allemaal anders dan hier: daar kun je met muziek maken geld verdienen, hier niet. Hier kun je met schrijven geld verdienen, daar niet.

Toch is hij aan een boek bezig. Over de repatriëring van Indo’s uit Indonesië. Dat waren toch vrienden van zijn vader. En zijn muzikale voorouders. Wie weet komt hij hier ooit nog terug om zijn boek te promoten. In het Nederlands, want hij is een van de zeer weinige Indonesiërs die onze taal nog willen leren. Ja, die zijn er nog.

Haagsche Courant, vrijdag 27 augustus 2004

Amerika blijft maar ontdekt worden

alfred birney Blijft een thema hoor, de ontdekking van Amerika. Historici en overige babbelkousen raken er maar niet over uitgepraat. De beroemdste ontdekker van Amerika is natuurlijk Columbus, maar er wordt ook gefluisterd over koning Abukari II van Mali, de Vikingen en de Chinese eunuch en admiraal Zheng He. De vraag: wie ontdekte Amerika? Antwoord: de oorspronkelijke bewoners. Maar die tellen niet mee. Schande, niet? Columbus noemde hen Indianen omdat hij dacht in Indië te zijn aangekomen. Amerigo Vespucci ontdekte de vergissing en kaartenmakers besloten het werelddeel tussen Europa en Azië dan maar Amerigo te noemen.

Even het rijtje af. Duizend jaar geleden waaierden de Vikingen uit op hun snelle schepen. Varen konden ze goed, navigeren wat minder en zo zou Leif Eriksson per ongeluk in Noord-Amerika terecht zijn gekomen. Hij noemde het land Vinland en er zouden veel druiven groeien. Maar toen in 1960 archeologen op New Foundland resten van Vikingdorpen vonden, zagen ze geen druiven hangen. Vaag verhaal dus.

Dan koning Abukari II van Mali: een machtig rijk in de middeleeuwen, maar te saai voor Abukari. In 1311 deed hij vrijwillig afstand van de troon en ging met 2000 schepen op ontdekkingstocht. Wetenschappers uit Mali gebruiken Egyptische teksten voor de bewijsvoering die hem tot ontdekker van Amerika moet maken. Wat deze wetenschappers mee hebben is dat Columbus in 1492 zwartgetinte handelaren aantrof in Amerika. Columbus’ kracht indertijd was dat hij Indianen als levend bewijs meenam terug naar huis. Chemisch onderzoek van veel later op speerpunten van Indianen wijzen in de richting van goud uit West-Afrika.

Revolutionair is de stelling van amateur-historicus en ex-onderzeebootkapitein Gavin Menzies. Deze Brit verdedigde in de Royal Geographic Society te Londen met verve zijn stelling dat de Chinese moslim Zheng He tussen 1405 en 1433 zeven wereldreizen ondernam en met een vloot van honderd enorme schepen de zeeëngte van Baja Californië bereikte. Maar ging hij er aan land? China zou nog voor de dood van Zheng He zijn maritieme roeping afzweren en alle kaarten van hem hebben verbrand. Een paar kaarten zouden echter door de ontdekkingsreiziger Nicolo da Conti worden gered en in Venetië en Portugal terechtkomen.

Zes eeuwen na Zheng He wordt Amerika voor de zoveelste maal ontdekt. En hoe. Dit keer door de islamitische terreurgroep Jamaat al-Tawhid al-Islamiya. Die is erachter gekomen dat Amerika onder meer in Nederland ligt, en dreigt daarom met aanslagen tegen Nederland als het zijn troepen niet terugtrekt uit Irak.

Tja, Amerika ligt inmiddels overal. Dat voorzagen de Chinezen al in de tijd van Zheng He. Wijze lui, met buitenaardse wezens als hun adviseurs. Helaas nogal dol op boekverbrandingen. Bang om te worden ontdekt zeker.

Haagsche Courant, vrijdag 20 augustus 2004