Tjalie

tjalieZou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 20 december 2008, waarschijnlijk onder een uitgebreidere titel.

Van oude gewoonten, de verwarring die niet voorbijgaat

alfred birneyDe Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA) heeft een auto gestuurd om mij van huis te halen en weer terug te brengen. Mijn chauffeuse ziet er goed uit, rijdt swingend en is een onderhoudend gesprekspartner. Ze oriënteert zich als antropologe op de gevolgen voor Nederlandse soldaten buitengaats die een kameraad verliezen. Maakt dat verlies ze terughoudender of juist wraakzuchtig? Interessante vraag. Ik maak haar attent op mijn roman De onschuld van een vis (1995), die de verregaande gevolgen beschrijft van de oorlog die Nederland in Indonesië voerde.

Ik bereid me niet meer voor op lezingen. Ik beklim het podium en zie wel. Mijn leerschool kreeg ik in Indonesië tijdens mijn promotournees, waartussen onverwachte gastcolleges en optredens werden gewurmd. Er is wel een groot verschil tussen de podia daar en hier. Aan de overkant heeft het publiek een helderder beeld van de koloniale geschiedenis dan hier. Dat is niet verwonderlijk, want het waren de Nederlanders die kwamen, zagen, overwonnen, verloren en weer gingen.

Jonge Indonesiërs zeggen graag dat ze niet weten waar Nederland ligt en dat het hun ook helemaal niet interesseert, maar ze kennen wél allemaal de speelfilms waarin de vrijheidsstrijd jegens de ‘belanda’s’ wordt opgerakeld, zoals Nederlanders die kennen met hun wrok jegens de ‘moffen’. Suffe Nederlandse toeristen krijgen soms te horen dat het leven in de koloniale tijd beter was en dat Indonesiërs zelfs zouden wensen dat ze weer terugkwamen. Het is bespottelijk dat er nu nog Nederlanders zijn die deze beleefdheidsuiting serieus nemen. Ik trof er zelfs eentje tijdens de workshop in Felix Merites, Amsterdam, waar de chauffeuse me had afgezet.

Ik moest er een discussie inluiden met voorlezen uit eigen werk. Ik was het podium nog niet af of ik kreeg in de gaten dat er drie partijen waren en ik mijn positie als Indo weer eens moest gaan verdedigen in een zaal waarin het wemelde van mensen die een of andere gesubsidieerde club vertegenwoordigen en dus meer belang dan belangstelling hebben.

Onder het motto dare2connect was een dag georganiseerd die in het teken stond van culturele uitwisselingen tussen Nederland en Indonesië. Nou is dat een hels karwei – je zou er een volle week voor moeten uittrekken -vooral als je zo volledig mogelijk wilt zijn. Literatuur, film, architectuur, godsdienst, de koloniale geschiedenis… bijna alles wat je kunt bedenken kwam in drie simultane workshops aan de orde.

Ikzelf was ingedeeld bij de workshop Nederlandse cultuurmakers met Indonesische roots. Uiteraard mag je dan een flink percentage Indo’s in de zaal verwachten. Hetgeen een Nederlander deed verzuchten waarom de Indo weer zo nodig centraal moest worden gesteld. Ja, dat krijg je als je een Indo de workshop laat openen met een verhaal over Indisch leven in Nederland. De klacht van de man amuseerde me wel, het is immers altijd zo dat Nederlanders en Indonesiërs centraal worden gesteld en de Indo er maar tussen bengelt.

Op een vraag van de gespreksleidster leek het me interessant te melden dat ik als schrijver vóór 9/11 geen scepsis ontmoette in Indonesië. Na die vervloekte datum werd ik argwanender tegemoet getreden, er was een mondiale godsdienstoorlog uitgebarsten en ik werd de kant van de christenen op geduwd.

Een Nederlander ervoer mijn relaas als een aanval op de Indonesiërs en meende voor hen in de bres te moeten springen. Kan het neokolonialer? Hij verklaarde dat de Indonesiërs na de aardbeving verleden jaar heel vriendelijk waren toen hij met een stel collega’s in Yogyakarta, waar ze op tournee waren, als vrijwilliger meehielp een provisorische brug te bouwen. Ik vond die anekdote zo onnozel dat ik hem dat liet voelen. Gelukkig deed hij het verdere uur zijn mond niet meer open. Dat kwam niet alleen door mij. Een Indonesisch kunstenaar verklaarde namelijk ijskoud dat Indonesiërs slechts geïnteresseerd zijn in landen waar ze kunnen studeren, werken of hun kunsten kunnen vertonen. Duitsland, België en Frankrijk stellen zich gastvrijer op dan Nederland.

Ondanks allerlei goedbedoelde pogingen een brug te slaan tussen Nederland en Indonesië, al is het maar cultureel, lijkt de afstand tussen beide landen alleen maar groter te worden. Dat ligt in de eerste plaats aan de beroerde kennis van de gemiddelde Nederlander van zijn koloniale geschiedenis en zijn visie erop. Als een halve eeuw na de dekolonisatie nog altijd de termen Indisch, Indo en Indonesisch door elkaar worden gehaald, weet men dan eigenlijk wel waarover het gaat? In het verslag van dare2connect word ik bijvoorbeeld een Indonesiër met gemengd bloed genoemd. Toegegeven, zo Indonesisch als op de foto van die dag heb ik er inderdaad nooit eerder uitgezien.

© 2007 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfstnummer 2007

Nasi goreng voor verstorven geld

alfred birney Er slingert nog zo’n 2,5 miljard gulden rond sinds de invoering van de euro. Het gaat om ruwweg 600 miljoen euro aan bankbiljetten en 500 miljoen aan muntgeld. De Nederlandsche Bank schat dat 130 miljoen gulden zeker niet terug zal komen. Dat noemt met ‘versterf’ en dit ranzige woordje betekent winst voor de centrale bank en dus voor de overheid. Waar al die poen nou ligt mag Joost weten. Een woordvoerder van De Nederlandsche Bank komt weinig verder dan wat u en ik zelf wel kunnen verzinnen: “Dat geld is dan verbrand, kwijtgeraakt, in de wasmachine beland, zit in de oude sok, er zijn boekenleggers van gemaakt of misschien zit er ook wel zwart geld bij.”

Hoe vindt u die laatste zinsnede? “Misschien zit er ook wel zwart geld bij.” Misschien… Ha ha! Maar goed, geen nood hoor: u kunt uw muntstukken nog tot 2007 aanbieden en uw papiergeld tot 2032. Hoe u dat moet doen, zou ik niet weten. Wist u al eerder niet hoe u uw geld wit moest wassen, dan zal u dat nu nog niet weten. Verhef uw zwarte geld anders tot kunst, in de geest van Andy Warhol! Dat geeft het wat kleur, als label rond tubes mayo of zo, in vitrines bij hippe galeries.

Ik vond laatst nog een paar bankbiljetten uit de jaren dertig en veertig in mijn bureaulade, afkomstig uit het voormalige Nederlands-Indië, waar men een ‘eigen gulden’ had. Fantasieloze flappen met de kop van Jan Pieterszoon Coen of Koningin Wilhelmina erop. Er zat ook een fraai exemplaar bij van 2,5 gulden, gedrukt door de Javasche Bank. Dus niet de Javaansche Bank. De kop van een Javaanse vorst erop. Of van een wajangfiguur? Ben ik nu al vergeten! Enfin, de achterzijde drietalig bedrukt in het Nederlands, Chinees en Javaans. Of Nederlands-Indië nou multicultureel en multiraciaal dan wel multi-etnisch en multireligieus was, dat laat ik aan onze dweilen van geschiedschrijvers, in elk geval was er voldoende rames voor apartheid.

De eigenaar van het Indonesische Eethuisje Mirasa aan de Reinkenstraat verzamelt bankbiljetten. Ze hangen achter glas aan de muur en liggen onder de glazen toonbank. Er zitten veel biljetten uit Indonesië bij natuurlijk, maar ook Irak en Bulgarije zijn vertegenwoordigd, om enkele landen te noemen. Ik begrijp weinig van verzamelaars, maar het idee om je muur met geld te behangen, denk ik wel te snappen. Wie zoiets doet, heeft tegelijk iets én niets met geld. Voor zo’n persoon is geld waardevol en waardeloos tegelijk.

Ik gaf de eigenaar van Mirasa mijn oude Indische bankbiljetten. Hij was als een kind zo blij. Ik hoefde mijn nasi goreng niet te betalen. Of heb ik die juist betaald met dat geld van zestig, zeventig jaar terug? Wie weet hangen over een halve eeuw onze patatkramen wel vol met bankbiljetten van bijen, snippen, vuurtorens en wat al niet meer het besef van de vergankelijkheid in ons zal oproepen.

Haagsche Courant, vrijdag 11 februari 2005

Jaarwisseling beneden de zeespiegel

alfred birney Van de beroemde Japanse kunstenaar Hokusai (1760 – 1849) kent bijna iedereen wel de houtsnede ‘De Grote Golf’, die roeiers in hun bootjes overweldigt, terwijl in de verte de berg Fuji in eeuwigheid rust. De prent is veel gereproduceerd op affiches, maar sinds Tweede Kerstdag 2004 zal niemand meer als voorheen naar dit tafereel kunnen kijken zonder associaties met de jongste tsunami die dood en verderf heeft gezaaid in Zuid-Oost-Azië.

Ik kende het woord tsunami niet, totdat een e-mail van mijn broer me alarmeerde. Ik sms-te een vriend die in Thailand zat en hoorde heel lang niets. Een dag later liet hij weten dat zijn hotel er niet meer stond maar dat hij en zijn vrouw nog in leven waren. Ik begon te beseffen dat op dat ogenblik tienduizenden sms-jes naar de getroffen gebieden werden verstuurd met een snelheid hoger dan de tsunami zelf. Dat er, kortom, veel was veranderd sinds de tsunami in 1883, veroorzaakt door een uitbarsting van de Krakatau in de Straat van Sunda tussen Sumatra en Java. Tegen de tijd dat het nieuws de mensen in Europa bereikte, waren de doden toen al geborgen.

Nu is het reality tv geworden. Je zit naar ontluisterende beelden te kijken en het enige positieve dat je kunt bedenken is dat christenen, moslims, hindoes en boeddhisten eensgezind de ramp dragen en dat Indonesische militairen de Atjehers bijstaan in plaats van ze te bevechten. De rest van de wereld leeft mee, dat is iets.

Maar dan. Zodra de van ontzetting geopende monden weer gaan bewegen, begint de mens een van zijn idiootste trekjes te etaleren: leuteren rond de schuldvraag. ‘Als ze niet die mangrovebossen voor de Thaise kust hadden weggekapt, dan zouden die de tsunami hebben tegengehouden.’ Wie weet, maar wij rijke westerlingen willen nu en dan wat ‘zon pakken’ in het Verre Oosten, het liefst in hotels op een steenworp afstand van het strand. En de lokale bevolking, die graag te eten wil hebben, biedt ons die mogelijkheid. Zoals wij hier de Alpen kaal kappen omdat we er zo graag een weekje per jaar willen skiën.

Vervolgens: de Verenigde Naties die Amerika gierigheid verwijten. Amerika die zijn boekhouding toont, waarop een wedrace begint tussen landen die elkaar de loef af lijken te willen steken met recorddonaties. Maar goed, het doel heiligt de middelen. Ten slotte moeten autoriteiten in getroffen toeristische gebieden zich ook nog eens verdedigen tegen aantijgingen waarom zij niet met een waarschuwing naar de stranden zijn gekomen. Inmiddels nuttigen wij hier te lande oliebollen, appelflappen, boerenjongens en champagne en vergeten uiteraard het Pentagon-rapport, dat voorziet dat Nederland in 2007 onder water zal lopen. We zijn maar mensen, toch? En moeder aarde is moeder aarde. Over God zullen we maar even zwijgen, daarover hebben we het afgelopen jaar wel genoeg te horen gekregen.

Haagsche Courant, vrijdag 31 december 2004

De adelaar vliegt weg van hier

alfred birney De echtscheiding tussen Nederland en Indonesië is nu wel zo’n beetje voltooid. Onlangs werd voor ons de visumplicht ingevoerd en nu gaat de Indonesische luchtvaartmaatschappij Garuda haar vluchten op Nederland schrappen. De redenen hiervoor zijn vaag, zelfs de sales manager van Garuda Indonesian Airways weet niet precies wat er speelt. Garuda zou te kampen hebben met financiële problemen. Dat kan. Bali is sinds de bomaanslag niet direct een aantrekkelijk bestemmingsoord meer. Toch meldt de minister van toerisme geen teruggang van toeristen.

Ook zo lekker vaag is dat Garuda zegt ‘tijdelijk’ haar vluchten tussen Nederland en Indonesië te staken. Garuda is nauw verbonden met de staat Indonesia en heeft een flink deel van haar internationale imago te danken aan haar luchtbrug met Nederland. Die werd begin jaren zeventig geslagen toen Indische Nederlanders heimwee- en Tweede Generatie Indo’s roots-reizen begonnen te ondernemen. Wat er sindsdien tussen beide landen is gebeurd is zou in telegramstijl nog niet passen in deze column. De verhouding tussen Nederland en Indonesië is daarvoor veel te complex, met verwijten over en weer, je moet diep de geschiedenis induiken om er iets van te kunnen begrijpen. Nou, wie wil dat? Onze volksvertegenwoordigers in elk geval niet. En zo’n club als het Nationale Comité VOC, dat in maart 2002 de Indonesiërs enorm tegen de schenen schopte met zijn eenzijdige herdenking van de oprichting van de VOC, al helemaal niet.

In Indonesië werd toen flink gedemonstreerd tegen de ‘glorifikasi’ van de VOC. Men eiste excuses aan het Indonesische volk wegens schending van de mensenrechten, kwijtschelding van alle schuld van de Republiek Indonesia aan Nederland en compensatie voor de rijkdommen die Nederland eeuwenlang ten koste van Indonesië heeft verworven. Symbolische eisen waren dat feitelijk. Die neokoloniale organisatoren hadden er beter aan gedaan Indonesische organisaties bij hun feestplannetjes te betrekken. Het Nationale Comité VOC heeft uit goede wil het woordje ‘viering’ nog wel veranderd in ‘herdenking’, maar daarvoor was het al te laat. De term ‘viering’ was al ingeburgerd en de Indonesische ambassadeur bedankte voor de kranslegging.

Een half jaar later de bom op Bali. Ik moest toevallig naar Indonesië om een vertaling van een van mijn boeken te promoten. In toerde langs vijf steden en zag vrijwel geen Europese toerist. Dat er ondanks de ingeklapte toeristenindustrie op Bali – goed voor 10 procent van het nationale inkomen – toch een visumplicht voor allerlei landen werd ingesteld, kan niet anders worden gezien dan in het licht van de spanningen tussen islamieten en christenen. Toch zou Nederland nooit haar speciale status hebben verloren als er door de jaren heen wat meer respect was getoond. Die aanmatigende koloniale en neokoloniale houding van ons is ze aan de overkant gewoon de strot uitgekomen. Daarom vliegt Garuda weg van hier. Nou maar hopen dat ik het mis heb.

Haagsche Courant, vrijdag 13 augustus 2004

Morsig

alfred birney Akkefietjes tussen Nederland en Indonesië hebben altijd een link naar het verleden, zoals het besluit van BZ om het bezoek van de koningin in 1995 niet op 17 augustus – de dag van de zelfgeproclameerde autonomie van de Indonesische republiek – te laten beginnen, maar vier dagen later. Deze diplomatieke provocatie werd vet onderstreept met vijf miljoen gulden als Nederlands nationaal geschenk, ter restauratie van een pand van een Hollandse koopman uit de VOC-tijd en bijeengebracht door zakenlui. Zeven jaar later besloten dergelijke lieden met heimwee naar vieze zeilschepen de oprichting van de VOC te herdenken. Als reactie werd in Jakarta gedemonstreerd tegen de ‘glorifikasi’ van de VOC door een comité dat onder meer excuses wenste aan het Indonesische volk wegens schending van de mensenrechten. Intussen bespeelde in de Ridderzaal een Batavier de gamelan, westers gestemd maar geen hond die dat opviel natuurlijk. Een Indonesische minister van justitie die thans roept dat hij Nederlanders haat, hoort men uiteraard wel. Onze minister van justitie, huisdier in het Kabinet bij gratie eens premiers, is verontwaardigd en vindt dat zijn Indonesische ambtscollega geen oude koeien uit de sloot moet halen door over de slachtingen van kapitein Westerling van vijftig jaar geleden te beginnen. Delen wij geen verleden dan? Het Parool drukte ooit de volgende zin af over de schattingen van Westerlings dodelijke slachtoffers (10.000 – 40.000) in Sulawesi: ‘Aan die schattingen willen wij geen al te grote waarde hechten, hoe morsig er ook met de mensenlevens is omgesprongen.’ Morsig! Nou, je zal dat woord maar eens in een bericht over de aanslag op het WTC bezigen. Een ‘Indonesië-kenner’ op de buis zinspeelde erop dat de komende visumplicht voor Nederlanders is ontsproten aan het brein van onze verklaarde Nederlanderhater opdat deze met het oprakelen van ons koloniale verleden een makkelijke sfeer kan scheppen om de islamitische wetgeving er in Indonesië doorheen te kunnen jassen. Nederland zou een van de weinige landen zijn waarvoor nog geen visumplicht geldt. Alsof er geen 36 andere landen zijn die op de nominatie staan. Dat Indonesiërs wél een visum nodig hebben voor Nederland vermeldde hij voor het gemak maar even niet. Als Nederland zo hoog van de toren blaast een ‘speciale relatie’ met Indonesië te hebben, dan is het er wel eentje met een hoog eenrichtingsverkeergehalte. Van vakantie uit Indonesië terugkomen met de tekst ‘dat ze ons vragen of we weer terug willen komen omdat toen wij er nog zaten alles zoveel beter was…’ zal er in elk geval niet meer bij zijn. Er waren er heel wat die die woorden wel erg letterlijk namen. De Indonesische minister van justitie zal ook wel niet bedoelen dat hij Nederlanders echt haat maar dat hij zich dood ergert aan hun domme arrogantie. Maar een beetje morsige journalist gaat daar niet voor. Haat klinkt veel swingender. Is meer soap.

Haagsche Courant, 10 oktober 2003

Kutmarokkanen

alfred birney Onze kutmarokkanen (jargon van de een of andere PVDA-lul) hebben het moeilijk. Als een van hen ergens een steen door een ruit gooit, dan hebben alle Marokkanen het hele Westland aan diggelen gesmeten. Mijn buurjongens hebben baantjes waar de eerste de beste Hollandse ex-gedetineerde zijn neus voor zou ophalen en noemen zichzelf lachend kutmarokkanen. Want wie zo de hoek in wordt gedrukt, die zoekt zijn redding in zelfspot. Marokkanen zijn openlijker tegen mij dan tegen een blanke Hollander, omdat ik Indisch ben en zij zich dan wat veiliger voelen. Op de sportschool waar ik de kunst der zelfverdediging beoefen, zitten twee Marokkaanse jongens van even in de twintig bij mij in de groep. Een van hen kreeg op school economieles van een vriend van me, studeert nu informatica en hoopt op een aardige baan later. De ander is afgestudeerd in bedrijfskunde maar werkt nog steeds bij een benzinepomp omdat, zo denkt hij, men hem niet moet als Marokkaan. Hij vraagt me of ik een goed woordje voor hem bij de krant kan doen, want hij denkt dat die dingen hier zo werken. Na de training gaan ze nooit mee naar het café aan de overkant. Ze zeggen dat ze vroeg op moeten, maar het kan ook zijn dat ze zich er niet echt welkom voelen. Marokkanen wordt op grote schaal de toegang tot cafés, discotheken en sauna’s geweigerd, ook wie eerder werd toegelaten, zo meldden de kranten onlangs. Vreemd voor een bevolkingsgroep die zijn best doet zich te mengen in het Nederlandse leven. Marokkanen vinden het bepaald onfatsoenlijk dat Turken gewoon in hun eigen taal verder praten wanneer een Hollander binnenkomt. Marokkanen gaan meteen in het Nederlands verder, zodat de Hollander weet waar ze het over hebben. Chinezen beginnen ook niet met elkaar in het Nederlands te praten wanneer er een Hollander binnenkomt. Laat die Hollander nou juist een stuk minder afgeven op Chinezen en Turken dan op Marokkanen. Ooit luidde het zinnetje over ‘buitenlanders’: ‘Ze leren niet eens fatsoenlijk Nederlands praten.’ Dat cliché ligt dus in de prullenbak. Je zou onderhand bijna gaan denken dat Hollanders buitenlanders liever helemaal níet verstaan. Terug naar Nederlands-Indië dan maar, met voor elke bevolkingsgroep een apart register? In Indonesië vind je daar nog sporen van terug. Indonesische Chinezen dienen speciale persoonsbewijzen te kopen en te overleggen, al zit hun familie al zeven generaties daar en spreken ze geen woord Chinees. Dat gedoe hadden ze al toen de Hollanders er de scepter zwaaien. Als je ook nog bedenkt dat de Hollanders met hun mensen = handel verantwoordelijk zijn voor enorme migratiestromen, dan moet je toch concluderen dat er al eeuwenlang iets fundamenteel mis is onder dat zogenaamde tolerante denken van ze. Maar goed, het woordje tolerantie is meen ik verleden jaar uit het woordenboek geschrapt. Tjonge, wat een zelfbewustheid toch opeens.

Haagsche Courant, vrijdag 20 juni 2003

Vissen in de herinnering

alfred birney Iemand gaat dood. Herinneringen komen tot leven. Het jaar 1986 liep ten einde, ik hing een beetje rond in Amsterdam, de stad waar ik me om een of andere reden nooit op mijn gemak voel, al woont de helft van mijn familie daar. In het voorjaar van 1987 zou mijn debuutroman verschijnen en mijn zus Miranda maakte in het Oosterpark een serie portretten voor op het achterplat van het boek. Zus Maureen werkte achter de bar in de Tangram, een etablissement met een anarchistisch Amsterdams sfeertje.

Peter Schat (5 juni 1935 – 3 februari 2003) kwam er dagelijks lunchen, of ontbijten, whatever. We kwamen bij elkaar aan een tafel te zitten en hij vroeg me van alles over mijn aanstaande boek. Ik vroeg hem van alles over zijn muziek. Hij legde me zijn eigen toonsysteem (de Toonklok) uit, dat ik toen kon volgen maar de dag erop weer was vergeten. Hij sprak ook met vervoering over de gamelanmuziek uit Indonesië. Hij droomde de gamelan in een symfonieorkest maar worstelde, denk ik, nog met de stemming van het Indonesische slagwerk.

Ik raakte verzeild op een oud-en-nieuwfeestje in zijn woning. In de keuken stond op het fornuis een ovenschaal met kippenboutjes te pruttelen. Ik dacht dat Peter Schat het gerecht zelf had bereid en complimenteerde hem. Hij zei dat het niet van eigen hand was, net als die provorookbommen in de jaren zestig: die waren wel in zijn kelder gefabriceerd maar niet door hem. Niet dat hij zo wilde onderstrepen dat een componist aan potlood, vlakgom en papier genoeg heeft of zoiets. Hij had het feitelijk over vrijheid. Eens, ergens in een Zwitsers of Oostenrijks hotel, had hij in de lade van zijn nachtkastje een bijbel aangetroffen en die van woede uit het raam gegooid. Die bijbel tastte immers zijn homoseksuele vrijheid aan.

Het huis van Peter Schat was vol mensen. Ik zocht rust en afzondering bij de kleine huisvijver. Het was een onooglijke hoekige bak, met wanden van badkamertegels en een douchekop als uitstromer van de filterinstallatie. Er zwommen karpers in rond. Ik at mijn kippenboutjes aan de rand van de bak en deelde mijn stokbrood met de vissen. Peter Schat zei me dat ik altijd langs kon komen als ik in de buurt was, maar het kwam er nooit van.

Laatst kwam Rudy Kousbroek in zijn serie Fotosynthese (nr. 26 – In memoriam) met een verhaal over zijn heengegane karper. Vissen zijn een diersoort waarmee je geen verbinding hebt. Maar zijn karper was aaibaar en daarom kon hij van hem houden.

Ik ben afstandelijker dan Peter Schat was en Rudy Kousbroek is. Mijn favoriete vis is de onaaibare geheimzinnige meerval, die in sommige van mijn boeken optreden. Men vraagt mij soms: ‘Wat heb jij toch met vissen?’ Dan geef ik geen antwoord. De vraag is gewoonweg te onbescheiden. Ik heb het Peter Schat toen ook niet gevraagd. Je snapt het of je snapt het niet. Okay, Rudy Kousbroek gaf antwoord. Maar ongevraagd.

Haagsche Courant, vrijdag 7 februari 2003

Chocolade en zo

alfred birney Als je een paar weken in Indonesië bent geweest, kost het je net zo veel tijd weer te wennen aan het grote binnenlandse nieuws dat hier dagelijks de kranten haalt. Soesa in het demissionair kabinet, omgewaaide bomen, een trein die vijf minuten te laat vertrekt – al dat soort dingen zijn lachwekkend vergeleken met de problemen waarmee de gewone Indonesische burger kampt. Maar goed, als contractarbeider begin ik toch weer braaf mijn krantje te lezen. Nou begon ik net zowaar interesse te krijgen in het Europarlement – want daar gebeurt het allemaal, niet? – en warempel, ik word op mijn wenken bediend! Dat samenraapsel van wijze dames en heren komt namelijk met het idee de chocoladesigaret te verbieden. Want die zou onze kinderen ‘opleiden’ tot ‘echte rokers’. Beeldspraakje van die Eurowijzen, hè? Het sinterklaasfeest als fase in de opleiding des levens. De chocoladesigaret als hoogtepunt in de hysterie der antirooklobby. Singapore zou daar toch met een serieus antwoord op moeten komen, zoals de doodstraf op roken op de eigen wc. Europa, gesterkt door de mondiale aandacht, kan dan volgen met het verbod op chocolade autootjes, omdat dat onze kinderen opleidt tot echte automobilisten. Zou Singapore alle auto’s de plomp in mikken en Nederland aan fietsen leegkopen? Zou wat zijn, zeg. Nog even een verbod op pistooltjes van drop proberen, want die leiden onze kinderen op tot echte moordenaars. Zou Amerika luisteren en alle vuurwapenvergunningen intrekken? Mwah. Het blijven cowboys, hè mam? Met kauwgom van Saddamkopjes.

Haagsche Courant, maandag 25 november 2002

Indische anekdotes

alfred birney Ze zeggen dat Indo’s altijd te laat zijn. Mwah. Ik was maar anderhalf jaar te laat voor de verlenging van mijn rijbewijs. Gaat wel. Ik sta aan het loket om mijn eurootjes te storten voor een herbewijs van mijn rijvaardigheid, staat er een andere Indo naast me aan het loket om zijn paspoort op te halen. Beetje een net type, niet zo casual als ik. Hij bekijkt het product dat hem zo-even is overhandigd en zegt: ‘Ho, wacht even, ik bén helemaal geen 1 meter 70!’ De loketbeambte vraagt: ‘Hoelang bent u dan?’ ‘Ik ben 1 meter 72!’ ‘Nou,’ zegt de loketbeambte, ‘dat scheelt toch weinig? Het ligt er maar aan, waar u vandaag of morgen op loopt, op gympen, laarzen…’ Ik neem mijn ‘broertje’ eens van opzij op en zie hem al denken: ‘die vent denkt zeker dat ik aan linedancing doe.’ Hij loopt roodbruin aan maar besluit het document toch te accepteren. Zal-ie wel moeten, wie zeikt er nou over twee centimeter? Nou ja, het hangt er maar vanaf wat je meet, hè?

Later, bij de toko op de Markthof, waar je veel Chinezen en Indo’s ziet, zwaait een ander ‘broertje’ naar me. Ik herken hem niet maar begin een praatje. Hij blijkt te zijn afgekeurd voor zijn werk vanwege rheuma. Kassian zeg, dese! Soms zoekt-ie de warmte op in de tropen, dat helpt dan even. Zo zat hij verleden jaar bij een kapper ergens in Jakarta en las er een vertaald verhaal in Femina, een soort Indonesische Cosmopolitan. Enfin, hij heeft het verhaal uit, leest de naam van de schrijver eronder en denkt: verrek, die fen ken ik! Nou, dat was ik dus. Maar wie was hij nou?

Haagsche Courant, maandag 4 november 2002