Yournael van Cyberney live op de Pasar Malam Besar

Lezing Studiedagen Indische Nederlanders VI dd 25 & 26 juni 2001: Het Indische na Indië; de onwettige tak van de Indische letteren binnen de Nederlandstalige literatuur, en de dominantie van Indische herinneringsliteratuur ten opzichte van hedendaagse Indische literatuur.

Wanneer je als thema ‘Indisch na Indië’ kunt bedenken, dan moet dat een grond hebben. Je zegt eigenlijk dat er ooit een Indië was en dat er iets Indisch over is gebleven. De opvatting dat Indië als bestuurlijk model vanzelfsprekend dominanter was dan Indië als mengcultuur klinkt erin door. Zou je Indië als mengcultuur vanzelfsprekend laten prevaleren boven Indië als bestuurlijk model, dan kon het thema genoemd worden: ‘Indisch nu na Indisch toen’.

Maar het thema luidt thans ‘Indisch na Indië’ en ik zou dan als subthema kunnen bedenken ‘Indisch na de Indische literatuur’. Dat zou dan suggereren dat de Indische literatuur passé is, maar dat er nog wel iets ‘Indisch’ nagalmt. Indische literatuur zou onlosmakelijk verbonden zijn aan Indië als bestuurlijk model en niet aan een gemengdcultureel erfgoed. Indische literatuur zou per definitie synoniem zijn aan koloniale literatuur met als krachtigste argument het Nederlands als voertaal. Omdat het Nederlands als taal ook invloeden heeft ondergaan uit het Maleis, zou je verwachten dat de Nederlandse literatuur eveneens dergelijke invloeden heeft ondergaan. Dat is niet zo, men doet alleen alsof. Men wappert wat met de namen Multatuli, Couperus en Haasse en laat het daar dan wel ongeveer bij. De rest vindt men al gauw te exotisch, om niet te zeggen: te Indisch.

In het ideaalste geval is de Indische literatuur algemeen bekend bij iedereen van wie aangenomen mag worden dat zij verstand van Nederlandstalige literatuur hebben. De nagalm vormt geen coda op een refrein maar een brug naar een volgend couplet binnen een literatuur waarin geen sprake meer is van enige dominantie van welke cultuur dan ook. Met dit Utopia in mijn hoofd ben ik ooit aan mijn literaire loopbaan begonnen. Helaas moest ik tot het inzicht komen dat beroepslezers nog ver zijn verwijderd van zoiets als multicultureel lezen.

Schrijven vanuit verschillende culturen is bijna vanzelfsprekend voor een Indische schrijver, ook als hij of zij zich dat niet bewust is. De huidige aandacht voor schrijvers ‘tussen twee culturen’ is een trend dat het idee ondersteunt dat schrijvers met een diverse achtergrond in een literaire sandwich gevangen zitten. Het is echter niet de schrijver maar de gemiddelde beroepslezer die zijn eigen tanden stukbijt vanwege het beperkte leesvoer dat hem ooit tijdens zijn studietijd werd voorgezet.

Wie worden geacht verstand van literatuur te hebben? Dat zijn zij aan wie mensen die autoriteit toekennen dan wel zij die zich iets dergelijks aanmeten. Ik noem de dames en heren wetenschappers en critici, kortom wie met een zekere regelmaat iets op papier zet dat gaat over literaire kwesties. Voor het gemak zal ik dus maar even voorbijgaan aan het peloton ijdeltuiten dat in commissies gaat zitten om literaire prijzen te verdelen, stipendia te verstrekken en de auteur aan te wijzen voor het schrijven van zoiets als het jaarlijkse Nederlandse boekenweekgeschenk. Want die lui gedragen zich aldoor vaker als slaven van handelaren in euro’s, vis en oud papier.

Nu is het zo, dat wetenschappers soms als criticus optreden en dat critici soms een wetenschappelijke achtergrond hebben. Eén pot nat zou ik dat stel niet willen noemen, maar als u ze zo wilt zien, dan vind ik het best. Toch maar even iets verduidelijken. Want wat u als lezer van ‘Indische literatuur’ op uw bord krijgt, is namelijk eerder door de handen van deze zogenaamde ‘smaakmakers’ gegaan, suffig leunend tegen sorteermachines via welke de afgrijselijkste boeken bijkans het eeuwige leven gekregen hebben en de mooiste een wiegendood gestorven zijn.

Critici zonder wetenschappelijke achtergrond heb je ook. Die zijn doorgaans naïef, om niet te zeggen onnozel. Ze steken hun natte vinger in de lucht om te zien uit welke hoek de wind waait en rammen dan hun verplicht nummertje uit de laptop aan de keukentafel, met het bordje gestolde Brinta naast zich en jengelende kinderen om zich heen. Is de trend feministisch, dan bespreken ze elke feministe positief en elke machoschrijver negatief. Is de trend multicultureel, dan krijgen elke Saïd en Rachida bij voorbaat een plus voor hun bordenwasserproza en elke Jan en Katrijn bij voorkeur een min voor hun boerenkoolpoëzie.

Ik heb het nu over de doorsnee boekbespreker. Als ik u vertel dat daar een zooi zuiplappen onder zitten wier smaakpapillen geen onderscheid kunnen maken tussen sambal trassi en tomatenketchup, dan kunt u zich misschien voorstellen dat voor hen de rames van de Indische literatuur zonder meer op de multiculturele menukaart geplempt kan worden tussen de souflaki, de couscous en de vlammetjes van Piet Patat op Mallorca. Een boekbespreker met een dergelijk referentiekader bezit een macht die te vergelijken is met de douanier die beslist wie er wel en wie er niet de grens over mag. Gezag heeft zo’n boekbespreker zelden, tenzij die voor een gezaghebbende krant schrijft en daardoor enig gezag krijgt toegeschreven. Dán wordt zo iemand een onuitstaanbaar dom boegbeeld van een schip dat uiteindelijk naar de pijpen danst van de Heeren Zeventien van de Nederlandse literatuur: zij die wel eventjes zullen uitmaken wie er wel en wie er niet op de scholen worden gelezen.

Momenteel het zo, dat in heel literair Nederland er niet één vaste boekbespreker rondloopt met werkelijke kennis van zaken waar het gaat om Indische literatuur. Wordt er een of ander boek gelanceerd dat in de ogen van de hoofdredacties van de gezaghebbende kranten waarschijnlijk wel de moeite van het bespreken waard is, dan wordt een zogeheten ‘kenner’ van het genre gevraagd een recensie te schrijven. Het gaat dan vaak om dikke boeken, want, zo denkt men in de redactielokalen: de uitgever heeft er veel poen in gestopt, dus dan zal het ook wel wat zijn. Een voorbeeld hiervan is mijn bloemlezing Oost-Indische inkt uit 1998. De uitgever besteedde veel aandacht aan het uiterlijk, hing er een serieus prijskaartje aan en de grote kranten hingen direct aan de telefoon van enkele gezaghebbende wetenschappers.

Geven krantenredacteuren hiermee impliciet aan de beperkingen van hun vaste boekbesprekers te kennen? Hoe dan ook: in elk geval weten ze dat er een groot publiek is voor boeken met een Indische uitstraling. Heeft een wetenschapper nou toevallig even een middagje tijd en kan hij of zij met een recensie invloed uitoefenen op de weg die zo’n boek aflegt, dan krijgt het leespubliek opeens een stuk onder ogen van een recensent die voor de rest van het jaar de mond maar weer houdt. Het gaat hier veelal om overzichtswerken met betrekking tot de Indische literatuur. Voor contemporaine prozawerken komt deze zogenaamde autoriteit niet in actie. Hij of zij verlaagt zich niet tot zoiets ordinairs als zeg een maandelijkse boekbespreking. Men beweegt zich op een ander niveau om zo te zeggen. Dus niet tussen de koffiedames en postbodes op het redactielokaal van een krant maar tussen de koffieautomaten en kopieermachines van een of andere universiteit of instituut.

Wat spoken zij daar dan wel niet uit? Nou, ze wisselen artikelen uit, maken elkaar onsterfelijk in de voetnotengalerij en laten bijvoorbeeld elk kwartaal iets van zich horen via hun orgaan, in het onderhavige geval getiteld Indische Letteren met een grote L. De titel van dat kwartaalblad is listig gekozen, want Indische letteren met een kleine L is een onwettige, dus niet erkende literaire tak aan de boom van de Nederlandstalige letteren. De oprichters van het kwartaalblad Indische Letteren hebben als het ware beide, dus de term én de naam, geclaimd. En dat is nogal arrogant voor een stel discipelen dat na het verstrijken van de dertiende jaargang in 1998 het eerste nummer van de véértiende jaargang wederom liet verschijnen in 1998. Deze omissie vond plaats in maart 1999. Met de millenniumwisseling in zicht zullen de schatbewaarders van de Indische letteren ongetwijfeld hebben gezien dat de houdbaarheidsdatum van hun tijdschrift eigenlijk al was verstreken. Ze zijn dan ook niet zelden laat als er werk aan de winkel is. Zo bestaat de Tweede Generatie Indische schrijvers bijvoorbeeld al even lang als de club rond het tijdschrift Indische Letteren, maar een serieus overzicht van deze groep schrijvers zal men in geen der jaargangen aantreffen.

Het tijdschrift Indische Letteren is zich ooit gaan opwerpen als hoeder van de koloniale literatuur. Indische Letteren blikt voornamelijk terug. Dat is logisch, maar het getuigt eveneens van een verregaande kortzichtigheid. Indië bestaat dan wel niet meer, maar het Indische toch zeker wél. Een beetje meer bij de tijd blijven en vooruit kijken zou dus wel wenselijk zijn, wil je als literaire tak serieus genomen worden.

Een vraag: hoé kijken ze bij het tijdschrift Indische Letteren terug? Antwoord: voornamelijk domweg inventariserend zonder ooit maar tot een duidelijke formulering te komen van wát Indische literatuur nou eigenlijk is. Zij kunnen het hun vakgenoten die zich louter met de Nederlandse polderliteratuur bezighouden in elk geval níet uitleggen. En wie niet kan uitleggen waar-ie mee bezig is, die wordt natuurlijk niet serieus genomen. Met als ernstig bijkomend nadeel dat dientengevolge ook hedendaagse Indische schrijvers niet serieus genomen worden.

Wat behelzen de Indische letteren nou eigenlijk? Het antwoord luidt: een heleboel. Méér dan zelfs de meest verwoede lezer lief is. Zo wemelt het al van de onduidelijkheden rond de betekenissen van prekoloniale, koloniale, postkoloniale, neokoloniale, Indisch-Nederlandse of Nederlands-Indische, kortom: de Indische letteren. Wat is wat? Weet u het? Nou, zij weten het niet. Als canon zijn de Indische letteren een janboel, die enerzijds breder moet worden gedefinieerd en anderzijds door strengere specifieke literaire eisen moet worden beperkt tot een overzichtelijk geheel, opdat men ook in de Amsterdamse Grachtengordel enig idee krijgt waar we het nou eigenlijk over hebben.

Rob Nieuwenhuys als godfather van de Indische literatuur heeft ons met zijn Oost-Indische Spiegel in 1972 een overzichtswerk geboden dat handelt van de vroegste scheepsjournalen tot en met de werken van zo’n beetje de laatsten die in Indië dan wel in een kersvers Indonesië geboren zijn. Het standaardwerk lijkt compleet en solide, is bijzonder leesbaar maar rammelt aan vele kanten. Schrijvers met nauwelijks meer talent dan een redacteurtje van een buurtkrant krijgen van Pak Rob een eervolle vermelding, terwijl anderen met waardevolle boeken naar de prullenbak worden verwezen. Onze beroemde Pak Rob heeft – aantoonbaar! – lang niet alles intensief van a tot z gelezen, hij heeft het ons alleen maar op de mouw weten te spelden, wat op zich wel een aardige apenstreek genoemd kan worden.

Rob Nieuwenhuys heeft eens verklaard dat het maar eens afgelopen moest zijn met de Indische literatuur en trok op de gok een streep onder de laatste naam die aan de overkant was geboren: een zekere Kester Freriks. Deze schrijver heeft dit blijkbaar zo zeer als een compliment opgevat dat hij in zijn dorst naar literaire onsterfelijkheid Indië tenslotte maar ‘eeuwig’ is gaan noemen. Dat Rob Nieuwenhuys in een later stadium de lijn doortrok naar de Tweede Generatie in een bescheidener overzichtswerk, getiteld Oost-Indisch Magazijn, geschiedde op instigatie en met medewerking van Bert Paasman en Peter van Zonneveld, twee redacteuren van het tijdschrift Indische Letteren. Dat was in 1990. Sedertdien zijn er nieuwe Indische schrijvers opgestaan, maar de wetenschappers gaan in het algemeen toch het liefst over lijken.

De leden van de club rond het tijdschrift Indische Letteren leken zich in 1990 rekenschap te gaan geven van de taak men zichzelf had gesteld: het werk van Rob Nieuwenhuys voortzetten. Maar ze doen het niet. Veel verder dan wat herkauwen en hier en daar een gaatje stoppen komen ze niet. Een andere kijk dan hun godfather Rob Nieuwenhuys ontwikkelen ze nauwelijks, ze houden zich het liefst bezig met de ‘verbreding van het aandachtsveld’. Alles, maar dan ook álles dat gaat over Indië wordt onder de wetenschappelijke loep gelegd. Nog even en ze bombarderen de Reynaert óók tot de Indische literatuur, aangezien, zoals u weet, de vos toevallig bruin is.

Nieuwenhuys’ discipelen van Indische Letteren zijn aardige schatbewaarders, maar zijn te zeer blijven hangen in wetenschappelijk geleuter om de Indische literatuur door middel van een up-to-date overzichtswerk enig gewicht te geven en het zo een serieuze plek te bieden binnen de Nederlandstalige literatuur.

In de Indische literatuur ligt het accent op de koloniale tijd. Het perspectief daarin ligt grotendeels bij totokschrijvers, die wat ruimer in getal zijn vertegenwoordigd. Maar omdat het Indische ná Indië in de allereerste plaats bestaat bij gratie van Indo’s en Indo-kinderen zou het toch allang méér dan vanzelfsprekend moeten zijn om de boeken van vergeten Indoschrijvers te gaan herlezen, herwaarderen en bij het publiek opnieuw onder de aandacht te brengen. J.J.Th. Boon, alias Tjalie Robinson en alias Vincent Mahieu uitroepen tot de one and only Indoschrijver aller tijden is dodelijk voor de rest van de Indo-tak, die met gemak 30 goede schrijvers kan halen. Waarom niet laten zien welke Indo-schrijvers vóór en ná hem kwamen, zodat hij wellicht nog meer kan stralen in zijn uniciteit? Hoe breder de basis, hoe hoger de top van de piramide, dacht ik zo.

Overeenkomsten en verschillen in accenten en perspectief van totokschrijvers ten opzichte van Indoschrijvers in de Indische literatuur worden veel te weinig serieus onderzocht, terwijl juist zo’n studie zou kunnen leiden tot een duidelijker definiëring van wat Indische literatuur nou eigenlijk is. Indo-schrijvers kunnen niet zonder meer gelijk worden gesteld aan koloniale schrijvers, omdat Indo’s zowel tot de groep van kolonisatoren als gekoloniseerden behoorden. Mijn persoonlijke leeservaring van vergeten boeken van Indo-schrijvers heeft mij geleerd dat boeken van Indo’s meestal een genuanceerder beeld geven van de gemengde samenleving in Indië dan die van totokschrijvers. Indo-schrijvers weten net even beter het fijne te vertellen van de verhoudingen tussen laten we zeggen totoks, ‘inlanders’ en indo’s. Die nuances zitten niet zelden verstopt in terloopse detailleringen, waar de gemakzuchtige lezer snel overheen leest. Daarop moet het huiswerk van Rob Nieuwenhuys opnieuw worden gedaan en in de prullenbak geworpen boeken er weer uit worden opgevist en opnieuw op hun waarde worden getoetst.

Koloniale literatuur is dus niet synoniem aan Indische literatuur. Dát misverstand moet de wereld uit. Dan ben je meteen van het gelazer af wie er nou eigenlijk tot de postkoloniale literatuur moeten worden gerekend. Nu zijn dat onder andere nog de Indo-schrijvers. Wat mij betreft plakken ze dat etiket op totokschrijvers die koketterend met het buitengaetse zich opeens allemaal zo nodig expat moeten gaan noemen. Sommigen lopen met succes in zogenaamd ‘Indisch-literaire kringen’ te leuren met hun door het Fonds voor de Letteren gesubsidieerde verhalenbundeltjes over verlopen hippies die op Java en Bali neerstrijken om er zich dagelijks tegen een spotprijs door minderjarige jongens en meisjes te laten pidjitten, als u begrijpt wat ik bedoel. Ze doen hun best maar. Dan kan de term Indische literatuur voortaan staan voor bellettrie geschreven door Indo-schrijvers van toen, nu en morgen.

In de pers worden contemporaine totokschrijvers opvallend eerder serieus genomen dan Indoschrijvers, wanneer het over Indië dan wel het Indische ná Indië gaat. Hetzelfde geldt voor Indische schrijvers – ditmaal zowel totoks als Indo’s – uit het land van herkomst ten opzichte van schrijvers uit het land van aankomst. Een Indisch decor spreekt kennelijk meer tot de verbeelding dan een Hollands decor. Daarom blijft de Indische herinneringsliteratuur dominant ten opzichte van de hedendaagse Indische literatuur. En daardoor komt de hedendaagse Indische literatuur in een volkomen verkeerd daglicht te staan.

De discussie gaat té vaak over de rol van contemporaine Indische schrijvers die Indië wél hebben meegemaakt en zij die Indië niet hebben meegemaakt. Waarbij de winnaars áltijd diegenen zij die Indië wél hebben meegemaakt. Schrijvers van de Tweede Generatie springen veelal pas in het oog wanneer zij het Indoschap van zichzelf of van hun ouders in een problematisch perspectief zetten. Een wérkelijk probleem is echter dat familieverhalen – per slot van rekening de basis van de Indische literatuur – niet zonder meer kunnen worden verteld: de Indische mengcultuur is te complex voor de doorsnee Nederlandse recensent, binnen wiens referentiekader meestal maar een paar bekende klassiekers van totokschrijvers model staan voor het geheel.

Als ik Bert Paasman mag geloven, zal binnen niet al te lange tijd toch een nieuw overzichtswerk gaan verschijnen. Hij heeft namelijk met enkele collega’s het plan opgevat om een handboek samen te stellen over Indische, Surinaamse, Caribische en Afrikaanse literatuur. Hij vertelde me dit naar ik hoop níet in vertrouwen, want dan heb ik hem met deze slip of the tongue toch maar mooi even met een extra klusje opgezadeld.

Maar ach: plannen zat, als je zo eens om je heen kijkt. De hele wereld doet niets anders dan plannen rondbazuinen. Als het erop aankomt krijgen we toch gewoon een riolering in de vorm van een tramtunnel in de Haagse binnenstad, een Indisch Herinnerings Centrum op de Haagse Poetjak waar men zich vóór de opening al niet meer herinnert wat de plannen ook al weer waren, of een door Pelita gestichte Indische woongroep in een omgebouwde sick building met uitzicht op Medisch Centrum Haaglanden.

Zo’n nieuw handboek van Bert Paasman zal vast wel een register krijgen dat kilometers afwijkt van het voorwoord, zal ongetwijfeld ook ergens ondergronds worden gedrukt, geheel aan de aandacht van de media voorbijgaan en louter een aantrekkingskracht uitoefenen op familie, kennissen en buren van de samenstellers en in een stijl geschreven waar ik nú al hoofdpijn van krijg.

Maar toch: beter iets dan niets. Er is namelijk dringend behoefte aan een nieuw handboek, en wel hierom: op 17 januari 1997 vond er in het gebouw van de Eerste Kamer een studiedag plaats, georganiseerd door de Nederlandse Taalunie. Een groep van liefst 50 Neerlandici en literatuurwetenschappers discussieerde er over de uitgangspunten van een nieuwe geschiedenis van de ‘Nederlandstalige’ literatuur, die vanaf het jaar 2004 deelsgewijs moet verschijnen. Nou, het project was nog niet begonnen of men stuitte al op de volgende ‘problemen’: hoort de Vlaamse literatuur eigenlijk wel bij de Nederlandse? Moeten Surinaamse auteurs opgenomen worden? En: is er wel sprake van een Indische literatuur? En dat zit dan te vergaderen over de NederlandsTALIGE literatuur.

Onder de groep van 50 Neerlandici en literatuurwetenschappers die intussen al 4 jaar lang bezig is de nieuwe smaak te bepalen voor toekomstige generaties, bevindt zich een afvaardiging van 3 leden uit Indische, Surinaamse en Afrikaanse literaire hoek. Die hebben het de overige 47 Batavieren niet aan het verstand kunnen brengen wat nou precies onder Indische letteren moet worden verstaan.

Aangezien wij leven in een tijd van ideeën lanceren, vernieuwing en originaliteit verzon de voltallige club maar weer eens iets ánders om tot het schrijven van het beoogde standaardwerk te komen: uitgangspunt is een rijtje zogeheten belangwekkende historische feiten in de Nederlandse geschiedenis. Ha, mooi, dan hoeven we ze niet meer uit te leggen wat Indische literatuur nou eigenlijk is!

Nou, nee. Ik kan u nu al vertellen dat de onafhankelijkheid van Indonesië en de dekolonisatie niet bij die zogedachte ‘belangwekkende historische feiten’ zullen zitten, want wij Indische mensen schijnen hier zo geruisloos aangekomen te zijn, dat men ons tot op de dag van vandaag nog niet heeft opgemerkt, tenzij er per ongeluk 385-miljoen onze kant op wordt geschoven.

Ik verdenk onze literaire afvaardiging van een schijnvertoning. Wie met drie personen aan de onderhandelingstafel blijft hameren op het feit dat de onafhankelijkheid van Indonesië en het dumpen van Suriname geschiedkundige voorvallen zijn waar je in het licht van de huidige bevolkingssamenstelling nauwelijks omheen kunt, die moét toch een gehoor vinden. En daarmee een plaats voor althans de belangrijkste schrijvers waar het om Indië en het Indische gaat. Waren ze niet bruingebrand genoeg, die afgevaardigden van de non-polderliteratuur? Wensen ze eigenlijk niet stilletjes de marge zodat ze het debat met de opperbatavieren van de Nederlandse letteren niet hoeven aan te gaan? De patatvrije boekenplank in een verscholen toko ergens in een Zoetermeers achterafstraatje? Het lijken wel Indo’s uit de jaren vijftig, die literatuurwetenschappers van nu.

Waarom hebben Indische mensen zoiets als een herinneringscentrum nodig? Omdat er voor hen geen herkenbaarheid ligt in de Nederlandse geschiedschrijving, die we ook na een halve eeuw wachten níet zullen krijgen in het nieuwe literatuuroverzicht van de grootboekhouders der polderliteratuur. Dat nieuwe overzichtswerk zal hopelijk niet zo lang meegaan als die nieuwe spelling waarmee een zelfde club idioten ons opgezadeld heeft, geheel naar de eisen van de tijd onder druk van een poenige uitgever die al zo veel geld had gestoken in de productie van het nieuwe woordenboek dat alleen dáárom die nieuwe spelling niet kon worden afgeblazen en ons nu in rode, groene en geile boekjes door de strot wordt geduwd.

Een alternatieve literatuurgeschiedenis, waarin onder andere de werken behorende tot de zogenoemde Indische literatuur een plaats krijgen, is dus een noodzaak. Maar hoe moet die Indische literatuurgeschiedenis er nou eigenlijk uitzien? Nou, daarover wordt flink gebakkeleid onder de wetenschappers die elk kwartaal braaf hun nieuwe aflevering van Indische Letteren volschrijven.

De een wenst de literatuurgeschiedschrijving te laten beginnen met de invoering van het cultuurstelsel rond 1825 en de eindstreep te trekken rond 1942, toen de Japanners een einde kwamen maken aan de koloniale Nederlandse heerschappij. Voor zo iemand bestaan uiteraard louter de koloniale letteren en niet de Indische en al helemaal niet de Indische literatuur na Indië.

Een ander vindt dat de VOC-tijd óók bij de Indische literatuurgeschiedenis moet worden betrokken én daarbij het Indische na Indië. Kortom: zijn aandachtsveld is zo breed als maar kan zijn, maar een zwakte is weer dat hij nauwelijks literaire criteria weet aan te leggen.

A: Schijnt de zon op bladzijde 1?
B: Ja.
A: Staat er een palmboom op bladzijde 2?
B: Ja.
A: Valt er op bladzijde 3 een kokosnoot op de kop van een bestuursambtenaar?
B: Eh…ja!
Hamer: interessante Indische Literatuur!

A: Regent het op bladzijde 1?
B: Ja.
A: Staat er een bruine vader voor het raam op bladzijde 2?
B: Eh, beetje onduidelijk, niet helemaal goed te zien.
A: Geurt de trassi de lezer tegemoet op bladzijde 3?
B: Hm, nee, ik geloof dat de kinderen patat en kroketten om de hoek zijn gaan halen.
A: Patatje mayo of pinda?
B: Mayo.
Hamer: géén Indische literatuur! Met dien verstande – zegt weer een derde – dat als het patatje mayo wordt verorberd onder de luifel van een Indisch toko op de Beeklaan, dat het boek in kwestie dan misschien toch wél tot de Indische literatuur zou kunnen worden gerekend.

En zo leutert men maar aan. In elk geval zijn de wetenschappers tot de ontdekking gekomen dat Rob Nieuwenhuys’ standaardwerk Oost-Indische spiegel is verouderd. Een klassieker blijft het, dumpen moeten we het boek in géén geval. Ook is men tot het lucide, zo niet revolutionaire inzicht gekomen dat het nieuwste overzicht van de koloniale Nederlandse literatuur, geschreven door de Amerikaan E.M. Beekman, bijkans ongenietbaar is voor niet-Amerikanen, als het al genietbaar is voor Amerikanen zelf. Het boek laat het licht grotendeels op slechts 20 auteurs schijnen en houdt op bij de dekolonisatie van Nederlands-Indië. Het enige positieve dat kleeft aan Paradijzen van weleer – zo heet dat boek in Nederlandse vertaling – is dat Beekman niet elk stukkie tekst uit Indië bombardeert tot iets uiterst waardevols, zoals men in Indische Letteren nogal eens pleegt te doen.

Door alsmaar terugblikken krijgt namelijk tenslotte ook het briefje in de fles van een VOC-drenkeling literaire waarde toegemeten. Belachelijk, want de Indische literatuur is nog altijd springlevend. En pertinent niet alleen zoals de boekentoptien die ons laat zien. Zolang de Tweede Generatie niet behoorlijk in kaart is gebracht en gepresenteerd, kun je moeilijk spreken van zoiets als ‘Indisch na Indië’. En zonder een Tweede Generatie is er geen Derde Generatie die zich aangemoedigd voelt een bijdrage te leveren aan de interessantste geschiedenis van de Lage Landen, die Nederland zelf tot op heden met grandioos succes uit de boeken weet te houden.

Nog maar even een nieuwtje: het laatst geworven redactielid binnen de club rond Indische Letteren houdt zich intensief bezig met de VOC-tijd. Leuke hobby, lekker ver van huis. Maar dames en heren, iemand met de blik op het hier en nu en de dag van morgen gericht… die zal je onder die lui niet aantreffen. ‘Indisch na Indië’ heeft eenvoudig hun belangstelling niet. Ze zullen het niet toegeven en allerlei uitvluchten verzinnen, hoe dan ook: progressiviteit kennen ze niet. Dus wie interesse heeft in het Indische na Indië, die zal zijn of haar heil bij een ander tijdschrift moeten zoeken.

Nou, tijdschriften zat, maar er is er geen dat duidelijk gedragen wordt door leden van de Tweede Generatie zelf. Voor dát opvallende feit kun je moeilijk je beklag gaan doen bij de Leidse hoeders van de Indische letteren. Een generatie die zichzelf niet profileert via zoiets voordehandliggends als een tijdschrift, die is volkomen afhankelijk van de gunsten van anderen. Deze situatie mag niet blijven voortduren.

Alle huidige Indo-schrijvers van de Tweede Generatie zijn geboren tussen 1948 en 1953 en bevinden zich bovendien in het gezelschap van totokpublicisten van naam en faam met wie zij regelmatig een tijdschrift zouden moeten kunnen volschrijven met artikelen en verhalen die er nú toe doen. De Derde Generatie is in aantocht en ik zie niet waar die met hun stukken naartoe zou moeten. Ik heb negen maanden lang een wekelijks internetjournaal gerund en in die periode zeven medewerkers om me heen weten te verzamelen, onder wie zelfs een Nederlands sprekende en schrijvende Peranakan-Chinese uit Semarang. Personen die onbetaald hun bijdragen wilden leveren. Ik stel me voor dat als ik niet alleen was geweest wij intussen al enkele tientallen publicisten hadden gevonden. Kortom: talent en enthousiasme genoeg. Nou, waar blijft het broodnodige platform?

Bij bekende Nederlandse tijdschriften zie je dat de ene de andere generatie opvolgt. Je ziet ook dat het niet nodig is eerst de ene generatie ten grave te dragen eer je met de volgende aan kunt komen zetten. Er zijn meer totoks dan Indo’s in Nederland, dus zijn er ook meer tijdschriften bedoeld voor totoks. Indische tijdschriften kennen we natuurlijk ook – meer dan genoeg volgens sommigen – maar van een werkelijk progressief Indisch-na-Indië-tijdschrift heb ik nog nooit gehoord. De Pasarkrant komt er naar mijn smaak nog het dichtst bij in de buurt, maar is helaas gelieerd aan de Pasar Malam Besar en kan daarom niet als onafhankelijk dan wel progressief spreekorgaan dienen. Bovendien houdt deze krant op te bestaan en gaat het terug naar wat het ooit was: een programmablad voor de jaarlijkse Pasar Malam Besar. Met het verdwijnen van de extra nummers verdwijnt er dus ook een stem die dan wel niet officieel de stem van de Tweede Generatie was, maar naar mijn smaak toch wel het meest van alle Indische periodieken in die richting kwam.

Een vooraanstaand Indisch publiciste zei me eens dat voor Indische schrijvers-in-spé er geen Indische uitgeverij hoefde te bestaan, omdat het talent vanzelf de weg zou vinden in uitgeversland. Aan die uitspraak begin ik onderhand te twijfelen. Uitgeverij Vassallucci profileert zich de laatste jaren zo overduidelijk als multiculturele uitgeverij, dat ze als honing werkt op jonge schrijvers met een Marokkaanse, Turkse, Chinese en ga-zo-maar-door-achtergrond. Was deze uitgeverij niet zo opvallend in de schijnwerpers gaan staan, dan zouden de schappen in de boekhandels intussen toch echt wel wat minder gevuld zijn geweest met werken van onze multiculturele broeders en zusters.

Nu de gemiddelde leeftijd van de Tweede Generatie zo’n beetje de 50 nadert, zal de Derde Generatie intussen tenminste toch wel weten wat het is om zoiets als een schoolopstel te schrijven. De Derde Generatie is overigens niet gebonden aan Tweede Generatie-ouders. Immers: Indo’s met een of twee ouders direct afkomstig uit Indië maar een stuk later geboren – zeg in de jaren 60 – die zijn vaak geneigd zich op grond van hun leeftijd ook tot de Derde Generatie te rekenen.

Nou, wat vreet die Derde Generatie al niet uit? Waar blijven ze met hun proza, die Derde Generatie Indo’s? Hebben zij niet hun eigen Indische thema soms? Mochten er enkelen met het plan rondlopen zich aan de fictie te gaan wijden, dan kan ik hen alvast vertellen dat absolute literaire vrijheid voor de Indoschrijver een mythe is. Het zogeheten ‘kleur bekennen’ wordt je als schrijver eenvoudigweg opgedrongen. Ik heb dat geprobeerd aan te tonen in eerdere artikelen. Wie dat feit onderkenden waren Indo’s en wie dat feit glashard ontkenden waren totoks. Tja, hoe zou dát nou komen.

Kennis van de geschiedenis van de Indo en het vertellen daarover lijkt een taak die elke Indoschrijver tijdens zijn carrière zal moeten aanvaarden, al is het maar voor eens en daarna nooit weer. Dat geldt voor schrijvers van elke generatie, dus ook voor de derde. Let wel: ik heb het over het schrijven van proza, fictie. Verhalen. Novellen. Romans. Wetenschappelijke artikelen worden niet door het gewone volk, zeg maar het publiek van Vassallucci, gelezen. ‘Indisch na Indië’ veroordelen tot een permanent verblijf in de wetenschappelijke salon staat gelijk aan het geleuter van de club rond Indische Letteren. Het leespubliek heeft verhalen nodig, al is het maar omdat de kennis van de Indische geschiedenis al zo gebrekkig is. Ik ben optimistisch, want ondanks de kortzichtigheid waarmee men belangrijke stemmen buiten de officiële literatuurgeschiedenis weet te houden, heeft de schrijver nog altijd het laatste woord.

Moet de Derde Generatie worden uitgedaagd? Ik denk het niet. Maar een thuishaven in de vorm van een breed cultureel Indisch tijdschrift, gastvrij ook naar overige multiculturele groepen, zou onderhand toch echt geen overbodige luxe zijn. Wat de boekhouders van de Indische letteren verzaken, dat doen wij van de Tweede Generatie óók: initiërend werken in een regelmatig verschijnend orgaan. Een grote nadruk leggen op het ‘Indische ná Indië’. Het is alsof de Tweede Generatie tegen de Derde Generatie zegt: ‘De Eerste Generatie heeft het ons allemaal zelf laten uitzoeken, dus zoeken jullie het nu óók zelf maar uit.’

Als je een dergelijke scheiding wenst te handhaven, dan zul je voor de niet-Indische wereld nooit dat smoel krijgen waarmee je je duidelijk kunt affichiëren bij alles wat je onderneemt.

Voor de Eerste, Tweede en Derde Generatie gaat het onderhand toch steeds minder om de verschillen en meer om de overeenkomsten. Overeenkomsten vormen de basis. Met verschillen kunnen interessante nuanceringen worden aangebracht. Een Tweede Generatie in een voortrekkersrol zou een brug moeten kunnen slaan tussen de Eerste en de Derde Generatie.

Dat kan, als de wil er tenminste is. Haastige spoed is geboden. Wij hebben het eeuwige leven niet. Maar als we mooie werken achterlaten, wie weet… dan wél.

De Studiedagen Indische Nederlanders VI vonden plaats op 25 & 26 juni 2001 onder het motto Het Indische na Indië. Gastvrouw van de Studiedagen was de Pasar Malam Besar op het Malieveld te Den Haag. De studiedagen werden georganiseerd door Centrum voor de Geschiedenis van Migranten (Universiteit van Amsterdam), Instituut voor Migratie- en Etnische Studies (UvA), Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur (Universiteit van Utrecht) en Stichting Tong Tong. Leden van het organisatiecomité waren Esther Captain, Ellen Derksen, Esther Wils, Rick Wolff en de bedenker van de Indische Studiedagen Wim Willems. Deze tekst werd voorgedragen door de acteur Victor Löw vanwege een kortstondige ziekenhuisopname van de auteur.

Without a face

My only memory of my grandmother is the one of her grave. My father’s only memory of his grandmother is the one of her funeral. I don’t know what I received from my grandmother by way of heredity. My father doesn’t know what he received from his grandmother, and couldn’t ask her anymore by the time I asked him about it.

Maybe I inherited my grandmother’s moods. My father recalled his mother was moody. He wrote this once in a letter to somebody, a carbon copy of which I later read. Nowadays moodiness is called: sensitivity to moods. Moods are subdivided into depressions, fears, and melancholy. Melancholy is probably the finest among these three moods. Homesickness in a minor key. Maybe my grandmother was homesick for a country she didn’t know, her mother’s country: China. Homesickness handed down from her mother, who was from there. Or inherited from her grandmother, whom she in turn perhaps also hadn’t known.

My father recalled that his grandmother still had those little bound feet. As a Chinese woman she had thus complied with the old Chinese ideal of beauty. My great-grandmother came to the Dutch East Indies from Canton a long time ago, probably with part of her family, because Chinese uncles and aunts wandered around in the stories my father told. Exactly when she came to the Dutch East Indies, I don’t know. She would have been born after 1860, when slavery in the Dutch East Indies was abolished and the Indies had to struggle with a lack of personnel.

The Dutch went to the Mediterranean to scour up guest workers during the sixties of the last century, as they did on the Chinese coasts back then, 100 years earlier. Many guest workers settled in Holland for good, as they did in the Dutch East Indies. There they arrived in rickety little boats, and they were called koelies. I don’t know what she was called, my great-grandmother. She may have had Nio in her name: girl.

My father was about four years old when he lost his grandmother. She must have been slight of build, but in his memory her coffin was big and made of djati-wood and heavy to lift. Under his mother’s supervision, Chinese dishes were prepared and offered to the gods. My father, his two brothers, and two sisters got chalk smeared behind their ears. Those chalk smudges were to protect them from evil spirits at the funeral service.

Who else would have been at the funeral? Did my Chinese great-grandmother leave a husband behind, had he already passed away, or was he living with another, a younger woman meanwhile?

The bier was loaded onto a tjikar, an oxcart. The procession went to the Chinese cemetery in Soerabaja. With Chinese ceremony, the woman with the little feet was consecrated to the earth, flowers were strewn, and the little boy’s mouth watered as he looked at the way the dishes with offerings were being placed around the grave. He escaped the notice of the mourners, and sampled all that deliciousness around his grandmother’s grave. Maybe the gods would be so good as to tolerate a little boy in their midst for a moment?

If they were there, those gods, and if they became wrathful because the little boy had stolen a taste of their foods, then perhaps here lies a clue regarding the bitter fate that later awaited the boy. But I do not believe this. More precisely: hardly. That’s a little more than not. Because you can’t be sure, if they exist or not, those gods, or if they were present at my father’s grandmother’s funeral.

I hope that they were there. That it was the gods who took my father’s fate into their hands. I hope so, because I look for the innocence in people, my family.

As for my great-grandmother on my grandfather’s side, I know her face from photographs. I even know her name: Rabina. According to my father she was Madoerese. According to an aunt of mine, who wrote a private family chronicle, she was East Javanese, the daughter of Pa Grimin and Sayeh. Many East Javanese are of Madoerese origin. Rabina most likely lived somewhere in the Eastern part of Java, when, a decade before slavery was abolished, a young man by the name of George Birnie left Holland and sailed for the Dutch East Indies. He was to bring a portion of East Java under cultivation by planting coffee and tobacco. He married Rabina, pretty exceptional in those days, and Rabina presented him, as that was called, with eight children: Indisch children: Indos. They were sent to the Netherlands to be raised and educated. Later, George also took Rabina to the Netherlands, from where he ran the Birnie empire. There this woman took control of the kitchen in the family home, located somewhere in the basement. God only knows how she felt over there.

In the family chronicle it is written that George passed away in the Netherlands, but it doesn’t state how things ended up for Rabina. The writer only charts the Birnie empire. So I know what the men did. I know that they brought tracts of land under cultivation in the Dutch East Indies. I also know that my great-grandmother Rabina cooked for her husband and children and spoke comically broken Dutch. For the rest I know nothing. Again: how did she feel in the Netherlands? Uprooted? Or did she feel at home anywhere in the world, as long as she was with her husband? I take it that after her husband’s death, Rabina returned to the Dutch East Indies, and that she passed away there. I hope so, because, as the older Indos say, the ground is warmer there.

The fourth of George and Rabina’s children was named Willem, and entered the world in 1868 in Djamber, East Java. This pure-blooded Indo first married his cousin, a woman of another branch of the Birnie family. They had two children. I don’t know how long their marriage lasted. Legally probably their entire lives. But they ended up living apart. That was when Willem met my grandmother, one of the two daughters of the Chinese woman with the little feet. He lived together with her, as my father would say. Others would say: he took her into his house as a maid. Then took her as a consort, a njai , the intriguing Indisch word for concubine.

According to my father she was born in 1893 in Kediri, East Java, and was named Sie Swan Nio, the family name at the beginning. However, the 1925 certificate recognizing him as their child reads: Sie Swan Nio, without profession, residing in Soerabaia, Koninginnelaan 3, according to her admission, thirty-five years of age and unwed. Was the year of her birth 1890, then? It could be that for some reason or other, maybe money, she lied to the notary about her age.

If she is of the year 1890, according to her admission, then she is of the Chinese Year of the Tiger. If she is of the year 1893, then she is of the Chinese Year of the Snake.

There is a big difference between women born in the Year of the Tiger and those born in that of the Snake. Tiger women are born feminists, and therefore the least liked among the old Chinese. Snake women are mysterious and sensual. What is certain is that the date of her birth: July 23, is on the cusp between the zodiac signs of Cancer and Leo in Western astrology. Undoubtedly my father remembered her birthday well later, when he was all alone in the Netherlands, separated from his family for good because he was forced to flee the Indonesians after the war.

Sie Swan Nio already had a previous child, a daughter by a Chinese man. I don’t know if she was ever married to that man. I only know that he was addicted to gambling. Could also have been something my father made up. There is a theory that says that after a divorce, you look for somebody who is like your previous partner, or who at least substantially shares this partner’s traits. My grandmother found another gambler in her second husband.

He, Willem, a privileged descendant of the Birnies’ meanwhile rich and renowned plantation-owners’ empire, had 12 hunting rifles up on the wall according to my father. They say that Indos enjoyed the hunt. They hunted tjellengs, wild pigs. My grandmother definitely would have seen him set off on regular trips into the jungle, to go hunting there. But perhaps his jungle was mostly a mishmash of private addresses, with lovers, and that these were the tjellengs he hunted.

According to my father, Willem owned a steamship, a laundry, and a legal practice. Later, I read in my aunt’s family chronicle that the man had been the enfant terrible of the family, that he dreamed up enterprises with respect to his family, to borrow money from the family funds. A coal mine in Borneo, that kind of thing. Traveling between Holland and the Indies, he always stopped in at the casino in Monaco.

The bon vivant did not walk in his father George’s footsteps, and never recognized the five children he had fathered through her. For this reason she herself had gone to report the birth of my father, a late arrival. According to the certificate, she waited until the last moment to do this, because he was already three months old. The law did not permit a longer period of time. Maybe she tried all that time to move her husband to recognize his son, so that at least her anak mas, her favorite child, could become an heir with the prospect of a privileged future.

Maybe my grandmother was a Tiger and quarreled about legitimizing their last child, and maybe the hunter kept saying that he would think about it but kept on forgetting, a bottle of whiskey at his lips. In the family chronicle it is written that at the end of his life my grandfather was placed under family supervision. He received an allowance of 600 guilders per month and furthermore was not to involve himself in family affairs anymore. When the gambler died, just before the Second World War broke out, he left nothing but debts.

Maybe my grandmother was a Snake and suffered during the regular absence of her man. Maybe he didn’t give her enough money to be able to live decently. I don’t know if they loved each other. If it is the case that he first took her on as a maid, she became his lover afterward. As a lover you could say, or believe, that you were no longer a maid. That you were the wife of a big man, a toean besar, somebody with money, power, and standing.

The toean besar did not have the power to divorce his cousin. This first wife, with whom he had two legal children, refused to divorce, and maybe that had something to do with shares in the family stock. Or did my grandmother feel that his heart had always stayed with his cousin? True intimacy is only possible between two persons, says the I Ching, the Book of Changes, an old legacy of Confucius and his students, my only passport to my Chinese forebears’ thought: Where three are together, jealousy arises, and one of them will have to yield.

My father said that during the war years his mother switched from Confucianism to Christianity. This means: she began to read the Bible, in Malay. Maybe she sought comfort for the sadness that her youngest son caused her with his needless, pro-Dutch, political ideas and particularly with his actions during the war.

When the Japanese invaded the Dutch East Indies, during the first bombing of Soerabaja, half the house was demolished. The family had to find shelter elsewhere in the city. My father’s oldest brother, who had been appointed his guardian, managed to get Chinese identity papers, so the family made it through the war years reasonably well. Thinking pretty much in Indonesian fashion, the entire family clung to Djojobojo’s prediction: that after three years the yellow domination would give way and the Indonesian people would be free. However, my grandmother’s anak mas had lost his father too early, and he had started romanticizing about him, this “real European” Willem, with his Dutch passport. It was now three years after Willem’s death, and he himself had meanwhile turned seventeen. He was neither Chinese, nor Indo, nor Dutch. He walked around with a Chinese brooch pinned to his chest, but at home he hung a portrait of the Dutch queen above his bed. He had acquired a hatred of the Japanese, and for many years would still grieve the loss of twelve enormous Chinese vases during the bombing.

What else did my grandmother do during the war besides read the Bible? She earned her money by preparing ketjap in her back yard. During the Japanese occupation her twin daughters went out to work as serving girls in an establishment catering to Japanese officers. They brought home money, and when my father protested, she said, “Shut up. We have to eat.” When, as a young man in his early twenties, he came home with his first soldier’s pay, ready to hand it to his mother, she said, “I don’t want that money. It’s soaked in blood.”

That story was told to me dozens of times by my mother, a Dutch correspondent of my father’s, introduced to him by a southern Dutch soldier.

The Japanese had capitulated, and the Dutch army tried to grab power over the Indies with what were called Police Actions. The Indonesians did not desire guardianship anymore, took up weapons, and the Indies turned into a chaos that would finally be called Indonesia. My father chose the side of the Dutch-as his late illegal father was after all Dutch-and participated in the First Police Action. He drove over a landmine, and during the Second Police Action had to remain in the barracks.

I got all of this from his memoir, which he wrote at my request some time ago. One day he went home on leave. He was, according to his own writing, in uniform and had his pistol with him. I don’t know if that’s possible, because when on leave, the men had to leave their weapons behind at the barracks. He heard a baby crying, took a peek into the back room, and saw a little child with Japanese features. He took out his pistol, loaded it, and aimed the barrel at the baby. The babus (nannies) wailed, and begged for mercy. He walked away, deeply offended that one of his sisters had had the baby of a Japanese officer, of the enemy.

Where did he go, where did he spend his time? At the barracks? According to his memoir he hung around a lot in the city, where factions were starting to fight one another. He does not write that, or in what manner, one night in the city during that chaotic period, his sister’s boyfriend, the Japanese officer, was murdered.

Later, in the Netherlands, whenever we sat around the coal stove, listening to the war stories that were on his lips every evening, he called his sister Ella a collaborator, a hostess, a Jap-whore. As a young boy I tried fruitlessly to understand what he was always going on about. It was many years later that I started writing her, my aunt Ella. I was to become one of those Second Generation Indos who would take a roots trip to Indonesia. Aside from which, writers need a framework for their stories, as many different voices as possible on the same subject, from different perspectives.

I visited my grandmother’s grave and stayed five weeks at my aunt Ella’s, who was closest to my grandmother because her mother had lived in with her practically until her mother’s death. Now she was living in a new house somewhere in a “corridor,” a street in the Kertajaya, a district in Surabaya. Aunt Ella lived there with her half-Japanese daughter, whom she had called Yosta, after her father, the Japanese officer Yoshida.

Yosta had three children with a Chinese man, a hardworking contractor who came by a couple of times a week, and sometimes stayed over. He had a first wife somewhere in the city. Imitating our grandmother, Yosta was also a consort, a concubine, albeit a Chinese-Buddhist variation.

Yosta’s son, Yongky, had one great desire: to see Japan, the country of his unknown grandfather. His ideal of beauty was the Japanese woman. There was a calendar above his bed of Japanese fashion models. Yosta’s daughter, Lily, had a liking for things Chinese and had a Chinese boyfriend. Every evening she would come home from work chattering busily, and would rattle on about everything she had seen, what she was going to do, what she liked, and what she didn’t like. They said that she resembled my grandmother, Sie Swan Nio. But Lily laughed a lot, and my father said that his mother rarely laughed. My cousin Yosta’s youngest child was a girl and she was called Ervina.

When you list the names in a row, descending by age, you can taste the differences: Yongky, Lily, Ervina. The first carries traces of his unknown Japanese grandfather in his name. The second is a nice name for a modern Chinese girl. The third sounds Indonesian.

I didn’t feel at home out on the street in Indonesia. I did on my aunt’s front veranda. Maybe because the veranda was more reminiscent of my father’s stories about the Dutch East Indies. I spent my evenings there and looked at the tjitjaks on the walls for hours. These lizards were always up in brass on the walls of Indo homes in the Netherlands during the sixties, and maybe still are in the homes of older Indos.

Aunt Ella had her spot in the kitchen where she listened to her wajang-radio play every day and preoccupied herself with light household duties. In the evening she would visit me out on the porch, stand behind me, and always greet me with her pidjit-ing hands on my shoulders and my neck, which was stiffly Dutch in tense anticipation of her stories.

I had to wait for days, for weeks for her story about Yoshida, the Japanese officer who was so hated by my father. The story came to me in two versions. First in my cousin Yosta’s version, after that in my aunt Ella’s version.

Yosta told me, while mopping the floor, about how her unknown father had gone out to get cigarettes one night. Japan had capitulated and the Japanese soldiers were waiting to be repatriated to their homeland. It was Bersiap: some Japanese started fighting side-by-side with the Indonesians against the Dutch, others hid in the warehouses at the harbor or in houses that they had confiscated before, when they invaded the Dutch East Indies. There were also those who hid out at the homes of their girlfriends, like Yoshida.

Most Indonesians left the Japanese alone, but desperados roamed around, including Indos who still had scores to settle with their former adversaries. Yes, like my father. You would have had to be an idiot to be out on the streets by yourself if you were Japanese. This is why Yoshida didn’t go alone, but in the company of his cousin, also an officer. Aunt Ella had waited, but not seen him come back. She had gone out to look, and learned that someone had been found dead on the pasar . His face had been mutilated, he was hardly recognizable at the identifikasie. It was Yoshida’s cousin.

And Yoshida?

Well, he ran away of course. He doesn’t dare go back, you see? Mama still tried to track him down, until long after the war. All the way to Tokyo, you know how far that is, through go-betweens. But she never got to know anything about him. Kasian, a pity for my mother, it is.

Days later, out on the front porch, right before my departure for the Netherlands, my aunt Ella comes over and sits beside me. She doesn’t greet me with her pidjit-fingers, she has something to tell me. First she looks off in silence for a while at the corridor, the street where it is dark, and quiet. Then she lays her old hands in her lap, and tells me that one particular evening Yoshida went out to get cigarettes. It is dangerous outside, and that’s why he goes together with his cousin. It will be the last time that she sees her beloved Yoshida, because they will not come back. Both find their deaths in the marketplace, their faces are mutilated by sharp weapons.

Both of them?

Yes, both of them. After Yoshida, your aunt never had another man. But I have Yosta, and Yoshida lives on in her, and so he is always around me. Lily resembles your grandma, you know she would prefer to go to China. And Jongky, he looks strikingly like his grandfather, that’s why he dreams of a Japanese girl and Japan.

But Yosta told me that only Yoshida’s cousin had been found dead.

Yes, I didn’t tell her everything. Kasian, it would be a pity for her. But she’s asleep now, so I can tell you. You can have a man who isn’t always there, or a lover who leaves you. But who wants a father without a face?

Notes from the author:

I utilize the old spellling Soerabaja when I am talking about prior to or during the war, and Surabaya when I’m talking about after
Indonesian independence. The spelling of Malay words I present in the classical Dutch spelling, because many of these words enriched Dutch dictionaries in this form. Moreover, my story is Indisch and not Indonesian. This is why I decided against modern Indonesian spelling elsewhere.

King Jojobojo, the “Javanese Nostradamus,” ruled over one of the Hindu realms on Java around 900. The king had two residences: in Daha (unknown) and in Kediri (East Java). One day he received a visit from the Arabic scholar Maulana Ali Samsujin. Jojobojo was impressed by this Moslem’s supernatural gifts, and steeped himself in the science of the occult. It turned out that he, too, possessed prophetic gifts. By means of seven platters of food, Jojobojo predicted seven periods during which seven great realms would succeed one another. Among them were seafaring nations, the Dutch and the Japanese, respectively, who would transform Java into a cesspit of vice. These would finally be driven out, after which the kings of Java would be able to regain the power to rule. As with all true predictions, Jojobojo’s is capable of more than one explanation on various points. Thus the length of the domination by the strange yellow people (the Japanese) was compared with the time corn needs to mature, namely three-and-a-half months. But the faded handwriting in which the prediction is written has become illegible in some places. Was the king referring to “djagoeng” or “djago”? Corn or Rooster? If it was “djago,” rooster, then it would take three-and-a-half years before liberation, because this is how long it takes a rooster to reach its full maturity.

Copyright ©2000, Alfred Birney. Original title: Zonder gezicht. From the collection of stories and essays on the Dutch East Indies Vertrouwd en vreemd. Ontmoetingen tussen Nederland, Indië en Indonesië. A compilation by Esther Captain, Marieke Hellevoort & Marian van der Klein (red.). A publication of Uitgeverij Verloren, Hilversum, The Netherlands, 2000. This biographical story is translated from the Dutch by Wanda Boeke. No reproducing is allowed in any form without written permission from both the author and translator.