We kunnen het maar niet geloven

alfred birney Volgens mij zullen mensen met moslimuiterlijk en zonder jihadneigingen zich deze dagen ongeveer voelen zoals ik me voelde tijdens de Molukse treinkapingen in de jaren zeventig. De eerste treinkaping joeg me naar de spiegel, zodat ik vast kon stellen dat ik inderdaad wel wat weg had van een Molukker. Ik was als Indische jongen van kinds af aan al uitgescholden, dus daar viel nog wel weer mee te leven. Maar tijdens de tweede treinkaping, in 1977, werd het menens. Indische vrienden van me werden het ziekenhuis in geslagen en ik durfde in het weekend de straat niet meer op.

Ik bewoonde een kamer in een huisjesmelkerpand aan de Bazarstraat. Ik zat lekker tussen de Hollanders en die deden boodschappen voor me. Ik had een kantoorbaantje en tijdens de lunchpauze op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen in een wijde boog om me heen. Niet bijster prettig. Je besprak de toestand met wildvreemde Indische generatiegenoten op straat en we konden die Molukkers wel vervloeken. Totdat de regering een troep mariniers naar de gekaapte trein stuurde en er zes Molukkers overhoop werden geschoten. Dat geschiedde onder druk van de toenmalige minister van justitie Van Agt, hij die nota bene nu met een bord voor zijn kop vice-premier Zalm ‘oorlogstaal’ verwijt. Voorlopig zijn er onder Zalm en Balkenende nog geen doden gevallen. Dat kon Van Agt toch moeilijk zeggen.

Indertijd had ik het twijfelachtige genoegen in mijn eentje in een lege coupe in een verder stampvolle trein te mogen zitten. Maar op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen niet meer in een boog om me heen. Ze bekeken me eerder alsof ze net een voetbalwedstrijd tegen ‘mijn club’ hadden gewonnen. Mijn zusje zat in die dagen in de trein op haar gemak een sjekkie te draaien. Toen ze onnadenkend een aansteker in de vorm van een speelgoedpistooltje tevoorschijn haalde, sprong een oudere vrouw tegenover haar in paniek overeind en riep uit: ‘Help! Help! Een treinkaper!’

Dat Molukkers christenen waren, deed er niet toe. Dat de beoogde vijand van nu moslim is, doet er wel toe, en niet zo’n beetje ook. Amerika en zijn bondgenoten voeren een oorlog in Irak die door vele moslims over de hele wereld als provocatief neokoloniaal gedrag wordt ervaren. Futuristen voorspelden in de jaren zeventig al dat later – nu dus – over de hele wereld kleinere brandhaarden zouden gaan woeden. Er is geen enkele reden voor Nederland te denken dat die sfeer van wederzijdse onverdraagzaamheid aan ons voorbij zal gaan. Onze minister-president wentelt zich met de buitenlandse pers in onnozelheid door over een ‘on-Nederlandse situatie’ te spreken. ‘Nederlands’ is een versleten imago dat zich al lang niet meer als tolerant laat onderstrepen. Het is als met ons superieure Nederlandse voetbalsysteem van decennia her. We verliezen meer dan we winnen en kunnen het maar niet geloven.

Haagsche Courant, vrijdag 12 november 2004

Hartono was here

alfred birney Vandaag speelt Hartono voor het laatst in Toko Oen, dus wie hem nog wil horen en zien, moet rennen. Lekker bordje nasi gudek erbij, die is erg lekker daar, al is Toko Oen in de eerste plaats befaamd om zijn loempia Semarang, die inmiddels overal geïmiteerd wordt.

Morgen is er een afscheidsfeestje ergens in een achterafstraatje in de Schilderswijk, waar Hartono zijn logeerkamertje heeft. Hij vroeg me of ik mijn gitaar mee wilde nemen, maar eh, ik hoor liever hem spelen. Zijn repertoire omvat zo’n 100 jaar populaire muziek, van krontjong via jaren twintig blues naar jazz, bossa nova, rock & roll, pop en allerlei Jawa Pop, want Hartono is van Java.

Zoals veel Indonesiërs is Hartono een etnische mix, eigenlijk zijn het een soort Indo’s. Maar om in Indonesië Indo te zijn moet je blank zijn uitgevallen, liefst met een carrière in de showbizz. Om in Nederland Indo te zijn ligt veel ingewikkelder, laten we daar maar over ophouden, want als Indo’s hier er al zelf niks van begrijpen, hoe kunnen ze dan verwachten dat Hollanders dat wel doen?

Hartono noemt zich Chinees, maar hij heeft ook Javaans bloed en misschien iets Europees, dat is vaag. Wat dat betreft loopt het spoor al dood bij zijn vader, die ooit bij het KNIL werkte (in de garage). Chinese christenen zijn de allochtonen van Java en leiden soms een wat angstig bestaan in Indonesië, ze hebben het zwaarder dan wat hier voor allochtoon doorgaat, Nederland is zo extreem nog niet.

Toch voelt Hartono zich Javaans, diep van binnen. Komt door de muziek. Als hij een gamelan hoort, zwijgt hij ontroerd. Krontjong is voor hem geen muziek van tempo doeloe maar een dynamische muziekvorm, die hij steeds nieuwe gezichten geeft in zijn eigen muziek. Hij is de huismuzikant van Toko Oen in Semarang en soms stuurt de bedrijfsleider hem naar Nederland om de zustertoko alhier ook eens van zijn spel te laten genieten. Je moet hem eigenlijk zien spelen: kretekje in zijn mond als hij in een jazzy improvisatie zijn tanige vingers over de toetsen laat dartelen.

Hartono was ooit scheikundeleraar – zijn vader had hem de technische kant op geduwd – maar in de avond maakte hij altijd muziek, als gitarist, pianist en op zondag als organist in de kerk. Op zekere dag zei hij zijn leraarsbaantje vaarwel. In Indonesië is het allemaal anders dan hier: daar kun je met muziek maken geld verdienen, hier niet. Hier kun je met schrijven geld verdienen, daar niet.

Toch is hij aan een boek bezig. Over de repatriëring van Indo’s uit Indonesië. Dat waren toch vrienden van zijn vader. En zijn muzikale voorouders. Wie weet komt hij hier ooit nog terug om zijn boek te promoten. In het Nederlands, want hij is een van de zeer weinige Indonesiërs die onze taal nog willen leren. Ja, die zijn er nog.

Haagsche Courant, vrijdag 27 augustus 2004

Bentheim blues

alfred birney Het is alweer een paar weken terug dat ik per ongeluk televisie keek, maar voor wie vrijwel nooit televisie kijkt is dat natuurlijk een ervaring als de dag van gisteren. Televisie maakt pas indruk als je vrijwel nooit kijkt, anders zijn uitzendingen nauwelijks ervaringen te noemen, eerder geestdodende middelen waaraan nauwelijks te ontsnappen valt, te vergelijken met de junk die een verslaafde dagelijks tot zich neemt: de stakker begint pas een verandering waar te nemen wanneer er niets te snuiven of te spuiten valt. Maar goed, ik dwaal af. Ik keek dus per ongeluk televisie. Ik had dat ding eventjes verplaatst bij mijn jaarlijkse zomeropruiming en toen ik hem terugzette wilde ik hem even testen.

De nieuwslezeres kwam met een item over Nederlanders die van ellende in Duitsland zijn gaan wonen, omdat daar niet om de haverklap wordt ingebroken wanneer je je auto even onbeheerd ergens laat staan, omdat daar de mensen beleefder zijn, omdat men daar nog een praatje met je maakt wanneer je je hond uitlaat, kortom: omdat je voor Leefbaar Nederland nu eenmaal in Duitsland moet zijn. De NOS stuurde een paar vakantiewerkers af op het rustieke plaatsje Bentheim. Een Nederlandse meneer mocht uitleggen waarom Leefbaar Nederland tegenwoordig in Duitsland moet worden gezocht. Een Duitse juf kwam dat volmondig bevestigen. Maar toen kwam een richtige Deutsche in beeld. Die liet van de Hollanders instromers geen spaan heel: ‘Ach, die Hollanders die komen hier maar naar toe, maar ze passen zich niet aan, verstehen Sie? Dass lult maar over die Türken, aber zij zijn zelf ook zo!’

Het werd me even niet duidelijk wat die mevrouw nou erger vond: dat die Hollandse kolonie zich niet fundamenteel tot de braadworst bekeerde en haar Heineken afzwoer of het gewoon verdomde haar kinderen naar Duitse scholen te sturen. Maar goed, de boodschap was duidelijk: vol = vol. Diep onder de indruk van dit televisieavontuur verviel ik in diep gepeins. Niet van die vreemdelingenangst natuurlijk, dat is gewoon dagelijkse kost. Maar waar kende ik die plaatsnaam Bentheim ook weer van? Ik slaapwandelde op mijn boekenkast af, trok een boek tussen de duizend-en-een ruggen vandaan en ja… ik had het teruggevonden.

Mijn bedovergrootvader, genaamd Johan Willem Birnie, was een van de groten die de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten te Deventer bestierde, zo’n anderhalve eeuw geleden. De man was zo braaf en hardwerkend dat Koning Willem III hem met ridderkruizen overlaadde. Maar toen het even minder ging met de wereldberoemde tapijtfabriek verviel Johan Willem Birnie in somberheid. Op een dag kon hij de neergang van de fabriek niet langer meer aanzien. Hij vertrok naar Bentheim. Niet om een nieuw leven te beginnen, maar om het leven uit te stappen. De man verdronk zich er in een meertje. Zou hij zich met die daad nou hebben aangepast aan de cultuur daar in Bentheim?

Haagsche Courant, vrijdag 23 juli 2004

Is de bal wel goed van dessin?

alfred birney Ik heb nog nooit zo’n fascinatie voor een bal gevoeld als tijdens dit EK in Portugal. Bij eerdere edities waren het de spelers, de combinaties, techniek en tactiek en wat al niet meer die mijn aandacht trokken. Nu is dat helemaal anders, al is het maar omdat het vertoonde spel van geen der landen mij ook maar vijf minuten kon boeien. Zelfs tijdens editie numero zoveel van Nederland tegen Duitsland interesseerde het me hoegenaamd niets of Oranje nog zou tegenscoren. Mijn fascinatie voor de bal was al wel gewekt, vooral toen onze spits in de eerste minuten net niet de punt van zijn schoen tegen de bal kon zetten ben ik dat ding met nog grotere ogen gaan volgen. Want deze bal, dames en heren, heeft iets hinderlijks, met een eigen wil, om niet te zeggen een onwil. Hij beschikt over de zeldzame gave de ene na de andere speler net even te snel af te zijn. Dat onze voetbalcommentatoren daar geen oog voor hebben, zegt veel over hun volslagen ondeskundigheid. Ze zaniken aldoor over 4-3-3 of 4-5-1 maar ik hoor geen enkele verwondering over die rare bal waarmee men thans in Portugal speelt.

Wat is er dan met die bal aan de hand, of aan de voet? Nou, ten eerste heeft ie de kleur van een racefiets of mountainbike. Hij is zilverkleurig, je zou bijna denken dat dat speeltuig van aluminium is. Ten tweede zit er een rare zwarte strik omheen, zonder lussen, het is een cadeautje dat je liever niet krijgt, een soort kanonskogel direct uit de konstabelkamer van een VOC-schip, waarop Hollanders en Zeeuwen zich gereed maken om de zich in luiheid wentelende Portugezen van hun lekkere stekkies langs de kusten van het vroege zeventiende eeuwse Indië te gaan verjagen. Maar wat zou zo’n Bush nou van die bal denken? Dat Al-Quida er een bom in heeft verstopt of zo? Portugal ligt niet ver van Spanje, hoor.

Wat ik jammer vind van de spelers van nu is dat ze niet zeuren over de bal. Toen Nederland onder veel protest van dominee Freek de Jonge naar Argentinië was afgereisd voor het WK van 1978 begon al direct het geklaag over de zogenoemde Tango-bal. Die was veel te licht voor onze jongens, had een enorme afwijking bij passes over de volle breedte van het veld, en die smiechten van Argentino’s hadden er al lekker mee geoefend en konden er beter mee overweg met hun korte combinatie-spel. Dit is slechts één voorbeeld in de bonte geschiedenis van de bal.

En dan zijn uiterlijk. Voor het televisietijdperk was de bal gewoon bruin. Toen kreeg je de televisiebal, zwart en wit geblokt, de eerste bal met allure. Onder druk van kleurentelevisiekijkers werd een oranje bal gebruikt voor partijtjes op besneeuwde velden in Alkmaar of achter het IJzeren Gordijn. De televisiebal en de oranje bal hadden dus een functie. Maar wat is nou de functie van deze merkwaardige zwartgestrikte bal? Waarom konden tot aan dit schrijven alleen de Zweden er goed mee overweg? Is het een IKEA-bal misschien? Dat zou wel passen bij die dertien in een dozijn-partijtjes die we voorgeschoteld krijgen.

Haagsche Courant, vrijdag 18 juni 2004

Zus Soemini

alfred birney Zus Soemini was jarig, ik bedoel haar warung was jarig. Hollandse restaurants vieren hun zoveeljarig bestaan, maar de warung van Zus was dus jarig. Ze werd vijf. Nogal roerige jeugd, vijf inbraken in drie jaar tijd. Haar warung, op de hoek van de Weimarstraat en de Franklinstraat, had een volglazen deur van een Jamin-zaak geërfd en gemeenteambtenaren wilden dat onding met die pompeuze nepgouden deurknop behouden voor ons armzalige cultuurgoed. Er vliegt een steen doorheen, inbrekers nemen een paar duiten mee en Zus zit met een paar duizend gulden schade. Glazen deur hersteld, weer een steen erdoorheen, inbrekers kapen een doos AA-sportdrank en na een derde inbraak kan de deur niet meer gerepareerd. Maandenlang moet Zus het stellen met een deur van sinaasappelkistjeshout, terwijl gemeenteambtenaren zich buigen over de richtlijnen inzake het straatbeeld. Na veel bureaucratische soesa heeft Zus nu een glazen deur met sponningen, iets tussen Jamin en ABN-AMRO in, met het zegel van onze gemeenteambtenaartjes. Ze kwamen niet eten op de verjaardag van de warung. Ik zou ze stellig hebben herkend. Humorloos type, zuinige lolliemondjes en een historisch besef dat niet verder teruggaat dan de deuren van Jamin: een snoepwinkelketen die ooit hele legers tandartsen wist te mobiliseren. In mobiliseren is Nederland altijd goed geweest, met name in verband met slavernij en ronselarij. In de periode van 1890 – 1939 werden ruim 30.000 Javaanse contractarbeiders van Nederlands-Indië naar Suriname verscheept, waar de slavernij in 1863 was afgeschaft en de ‘vrije slaven’ en masse naar Paramaribo waren getrokken. Het ontstane tekort aan arbeidskrachten had men eerder geprobeerd te dekken met Portugezen uit Madeira en Chinezen uit Java en, onder handjeklap met de Engelse regering, met Hindoestanen uit Brits Guyana. De aanwas van Javanen stopte bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Een derde van hen keerde na de oorlog terug naar Java. De onafhankelijkheid van Suriname in 1975 dreef groepen Javanen met Hindoestanen, Creolen en Chinezen naar Nederland. De Javanen hebben nog het meest weg van Indo’s, je hoort ze het minst van allemaal. Beetje broertjes en zusjes, zo voelt dat voor mij. Daarom noem ik de eigenaresse van Warung Soemini ‘zus’. Ze werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Als ze eens vakantie heeft gaat ze naar Jakarta, waar ze nog familie heeft wonen. Misschien zit er nog een oudje bij die zich destijds niet door de Hollanders in de maling heeft laten nemen met een armzalig contractje voor ontberingen op zee en harde arbeid op de plantages, allemaal onder het toeziende oog van Hollandse gouverneurs van het slag dat nu mag bepalen aan welke eisen een deur van een Javaans-Surinaamse warung moet voldoen. Hogere functies vereisen geen bijzonder talent maar een mentaliteit, begrijpt u?

Haagsche Courant, vrijdag 21 mei 2004

Bevrijdingsfeest anno 2004

alfred birney Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei, de Duitse capitulatie in Nederland, en mijn Indische vader herdacht de 15e augustus, de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Wij, de kinderen, dienden te herdenken wat zij herdachten. En hoe. Ernstige smoelen trekken bij het luiden van afschuwelijke klokken. Maar de tijd is een zegen: de dingen krijgen een ander gezicht. Ik hoor ergens rap-muziek vandaan komen, ga naar buiten en kom op mijn gehoor bij het Koningsplein uit. Op een podium staan jongens van allerlei komaf over hun rauwe leven in Den Haag te rappen. Doen ze in het Nederlands, wow, dat is moeilijk. Ze schieten sigarettenpeuken de straat op, zuipen bier en claimen een redelijk leven in de Schilderswijk, waar ze zijn geboren. Ik hou van rap, het is de redding voor de poëzie. Verderop wordt door Hollanders vrolijk op Afrikaanse trommels geslagen terwijl aikidoka’s van een van de dojo’s uit de omtrek pauzeren met hun jassen over hun Japanse tenues, want het is fris. (Of een Japanse gevechtskunstdemonstratie op de 15e augustus bij het Indisch monument zou kunnen denk ik niet, al zijn de beste aikidoka-leraren uit Den Haag nota bene Indo’s: Peter Bacas en Francisca van Leeuwen.) Ik verlaat het Koningsplein en loop de Weimarstraat in. Op de kruising bij de Surinaamse toko en de Turkse tabaksboer is een breakdance battle op een verhoging aan de gang. Uit twee breakdance-groepen van elk ongeveer zes personen maken zich er steeds twee los om met elkaar een dansgevecht aan te gaan. Ze dansen om beurten op rapmuziek en proberen elkaar met adembenemende acrobatische toeren en mime de loef af te steken. Donkere jongens overheersen licht in aantal. Ik zie geen donkere meisjes, wel blanke. Een lange soepele blanke jongen met Slavische trekken valt mij op. Op zijn shirt staan de letters CCCP. Ik vraag hem of hij Russisch is en hij zegt: ‘Hoe weet je dat?’ Ze noemen hem Daan. Zijn stijl van dansen is zeer communicatief, de mime op zijn gelaat is superieur aan die van de anderen, ik zet mijn kaarten op hem. Een Aziaat demonstreert een groot acrobatisch vermogen, maar speelt soms vals door zijn opponent te storen in zijn dans. Wanneer na een ladies battle een van de Hollandse meisjes tegen een Mediterraanse jongen mag uitkomen, wordt het spannend. Het meisje opent uitdagend, maar fatsoenlijk. De jongen antwoordt met een obscene dansbeweging en wordt door de showmaster vermaand. RESPECT. Dat zegt hij. Dat woord zal als een mantra nog vaak worden uitgesproken door de breakdancers onderling. De breakdance battle eindigt in een strijd tussen Daan en alias ‘Latino’. De jury, die uit de serre op de eerste etage boven de Turkse tabaksboer hangt, laat het tweetal een extra ronde doen. Daan verliest van Latino. Misschien vond de jury die Russische danspasjes tussendoor wel te on-Amerikaans. Ze snappen het niet. Wij zijn toch ook door de Russen bevrijd?

Haagsche Courant, vrijdag 7 mei 2004

Pollmans evangelie voor de Indo

alfred birney Tessel Pollman schreef ooit recensies over boeken van Indo’s en Molukkers, voor wie ze een lans brak. Jammer dat ze verdween. Jammer dat ze weer verscheen, namelijk in een gastcolumn op de website van het NIOD. Dat instituut voor oorlogsdocumentatie is een onderzoeksprogramma gestart om de geschiedenis van Indië naar Indonesië in een breder kader te kunnen plaatsen. Kritiek van Indo’s doet TP zich thans opwerpen als de evangeliste van Het Redelijke, opdat haar voormalige doelgroep zich vermag te verzoenen met haar lot. Amen. Allereerst doopt TP Indo’s terug tot Indo-Europeanen, zoals men hen van overheidswege aan het einde van de negentiende eeuw is gaan noemen. TP zit intussen namelijk bij het Ministerie van OC & W en is daar een ander taaltje gaan spreken. Volgens TP zouden nogal wat Indo’s in wrok leven jegens de Indonesiër en de Nederlander, omdat ze zich verbannen voelen van hun geboortegrond. TP schopt een open deur in door te zeggen dat niet alleen Indo’s ellende hebben gehad tijdens de Japanse bezetting. Het centraal stellen van Indo’s in een geschiedschrijving over de dekolonisering vindt zij dus ‘onwerkelijk’. Nou zijn dergelijke boeken, van Nederlandse historici, zeer recent en op één hand te tellen, maar TP vindt het wel weer genoeg. Open deur numero 2: Indo’s vormden geen hechte samenhangende gemeenschap. Maar ze werden wél ooit tot groep gebombardeerd. En door wie ook weer? Is mevrouw TP wakker? Er is geen Indo die beweert dat zijn geschiedenis losstaat van Europa en Azië. TP wekt de indruk dat Indo’s dat wel doen en richt haar Nieuwe Brede Vizier op overige groepen in Indië, waarmee ze toont helemaal niets van perspectief in geschiedschrijving te begrijpen. Geschiedenis is een belichting, het is de complete waarheid niet. Nooit. Nergens. Als je zegt dat Indo’s geen hoofdrol maar een bijrol speelden in de geschiedenis, dan betekent dat niet dat zij geen geschiedenis hebben. Het betekent hooguit dat hun geschiedenis moeilijk valt te begrijpen. Heeft TP ooit geschiedenisboeken van de hand van Indonesiërs gelezen? Die hebben maling aan wat Nederlanders over hen schrijven. Wat Indo’s schrijven, vinden ze intussen wél interessant. Hoe zou dát nou komen? TP doceert dat de ‘inheemsen’ van toen niet meer dan decor waren in de boeken van de Hollanders. Klopt. Maar níet in boeken van Indo’s. Die werden alleen genegeerd in de pers. In de boekenlawine van Hollanders over de kloof tussen hen en ‘de Javaan’ is de laatste behalve decor ook nog een romantisch ideaal. Indo’s sloegen bruggen over die kloof, maar ja, de Hollanders gingen liever zwemmen. En verzuipen deden ze, slecht geïnstrueerd door ambtenaren die dachten Nederlands-Indië vanuit Den Haag te kunnen besturen. Dat is hun geschiedenis, die van de domme arrogantie. Probleem voor de Indo’s is daarmee te moeten leven.

Haagsche Courant, vrijdag 8 augustus 2003

Stigma’s waren ooit voor vee

alfred birney Twee, overigens serieuze, brieven uit het Westland naar aanleiding van mijn column getiteld Kutmarokkanen. De eerste brief is van een werkgever. Hij heeft drie Turken in zijn bedrijf en nooit gelazer met ze gehad. ‘Ondanks alle waarschuwingen toch maar Marokkaan geprobeerd.’ Nou, dat werd stelen en bedreiging met de dood bij ontslag. De afzender schrijft dat alle Marokkaanse sollicitanten die bij hem aanklopten een strafblad hadden. ‘Moeten niet zeuren over gebrek aan kansen. Hebben gewoon de verkeerde mentaliteit’.

Ik zal wel weer cynisch klinken, maar als een werkgever na één vervelende ervaring met een Marokkaan in zijn bedrijf al afhaakt, dan moet er bij voorbaat al weinig vertrouwen in hem hebben geleefd. Je probeert er een en daarna niet meer. Dat is denken in soorten: ik probeer dat soort even. Ga jij roepen dat ‘ze gewoon de verkeerde mentaliteit’ hebben, dan hebben zij het recht om te ‘zeuren over gebrek aan kansen.’ Wat kan een kansarme anders dan zeuren als hij of zij regelrecht kansloos dreigt te worden? Ja: stelen. Dan zijn we weer thuis.

De tweede brief is het relaas van iemand die Marokkanen probeerde ‘te helpen én te vriend te maken’. Feitelijk eenzelfde uitgangspunt als in de eerste brief. Ging denkelijk goed, totdat zijn Marokkaanse buren binnen een week driemaal een steen door zijn ruit wierpen. De bedreigde begreep later pas dat zijn Marokkaanse buren zijn zoon ‘een rare hardrocker én dus homo vonden’. De zoon werd geslagen, ‘met z’n vieren tegen één, dat wel. Vandaar die cursus “zelfverdediging” op die sportschool van u natuurlijk.’

Hier doelt de afzender op mijn lidmaatschap bij een sportschool, waar ik twee Marokkaanse jongens ken, van wie er eentje een hogere beroepsopleiding heeft gevolgd maar een hopeloze benzinepompbediende is geworden. Voor de goede orde: ik bezoek een sportschool die een grote reputatie geniet, al ruim 80 jaar bestaat en waar de kunst van het jiu-jitsu wordt onderwezen: een edele Japanse gevechtskunst. De leerlingen daar zijn doorgaans tamelijk deemoedig en in de regel nou juist géén vechtjassen. Er zijn relatief veel vrouwen bij en die zitten daar echt niet om uit eigener beweging een beetje te gaan rossen. Nog altijd vindt 80 procent van verkrachtingen plaats in huis en is de dader een bekende van het slachtoffer.

De briefschrijver heeft zich in vijf jaar laten wegpesten. Treurig. Resteert de kunst om niet in gestigmatiseer te vervallen. Niet met clichés komen van drie Marokkaanse WAO-ers die elke ochtend worden opgehaald door een busje. Als hun werkgever een Hollander is, zit die zeker niet fout? Even stellen: één Hollandse moordenaar maakt nog altijd niet van alle Hollanders een moordenaar. Nou ja, nog niet. In de Tweede Wereldoorlog leek het bijna zo. Hele treinen werden met ‘een zeker soort’ volgestouwd en er was geen hond die het zag.

Haagsche Courant, vrijdag 4 juli 2003

Kutmarokkanen

alfred birney Onze kutmarokkanen (jargon van de een of andere PVDA-lul) hebben het moeilijk. Als een van hen ergens een steen door een ruit gooit, dan hebben alle Marokkanen het hele Westland aan diggelen gesmeten. Mijn buurjongens hebben baantjes waar de eerste de beste Hollandse ex-gedetineerde zijn neus voor zou ophalen en noemen zichzelf lachend kutmarokkanen. Want wie zo de hoek in wordt gedrukt, die zoekt zijn redding in zelfspot. Marokkanen zijn openlijker tegen mij dan tegen een blanke Hollander, omdat ik Indisch ben en zij zich dan wat veiliger voelen. Op de sportschool waar ik de kunst der zelfverdediging beoefen, zitten twee Marokkaanse jongens van even in de twintig bij mij in de groep. Een van hen kreeg op school economieles van een vriend van me, studeert nu informatica en hoopt op een aardige baan later. De ander is afgestudeerd in bedrijfskunde maar werkt nog steeds bij een benzinepomp omdat, zo denkt hij, men hem niet moet als Marokkaan. Hij vraagt me of ik een goed woordje voor hem bij de krant kan doen, want hij denkt dat die dingen hier zo werken. Na de training gaan ze nooit mee naar het café aan de overkant. Ze zeggen dat ze vroeg op moeten, maar het kan ook zijn dat ze zich er niet echt welkom voelen. Marokkanen wordt op grote schaal de toegang tot cafés, discotheken en sauna’s geweigerd, ook wie eerder werd toegelaten, zo meldden de kranten onlangs. Vreemd voor een bevolkingsgroep die zijn best doet zich te mengen in het Nederlandse leven. Marokkanen vinden het bepaald onfatsoenlijk dat Turken gewoon in hun eigen taal verder praten wanneer een Hollander binnenkomt. Marokkanen gaan meteen in het Nederlands verder, zodat de Hollander weet waar ze het over hebben. Chinezen beginnen ook niet met elkaar in het Nederlands te praten wanneer er een Hollander binnenkomt. Laat die Hollander nou juist een stuk minder afgeven op Chinezen en Turken dan op Marokkanen. Ooit luidde het zinnetje over ‘buitenlanders’: ‘Ze leren niet eens fatsoenlijk Nederlands praten.’ Dat cliché ligt dus in de prullenbak. Je zou onderhand bijna gaan denken dat Hollanders buitenlanders liever helemaal níet verstaan. Terug naar Nederlands-Indië dan maar, met voor elke bevolkingsgroep een apart register? In Indonesië vind je daar nog sporen van terug. Indonesische Chinezen dienen speciale persoonsbewijzen te kopen en te overleggen, al zit hun familie al zeven generaties daar en spreken ze geen woord Chinees. Dat gedoe hadden ze al toen de Hollanders er de scepter zwaaien. Als je ook nog bedenkt dat de Hollanders met hun mensen = handel verantwoordelijk zijn voor enorme migratiestromen, dan moet je toch concluderen dat er al eeuwenlang iets fundamenteel mis is onder dat zogenaamde tolerante denken van ze. Maar goed, het woordje tolerantie is meen ik verleden jaar uit het woordenboek geschrapt. Tjonge, wat een zelfbewustheid toch opeens.

Haagsche Courant, vrijdag 20 juni 2003

Strandbeeld

alfred birney Lijn 11 heeft de eer het gekkengetal te dragen, u weet wel: het 11e huis dat wordt geregeerd door Uranus, die elke Waterman een tik van de molen geeft. Voor wie geen gevoel heeft voor astrologie, niet getreurd: ooit kreeg lijn 11 langs de ‘Woeste Hoogte’ regelmatig een tik van straatstenen die hangjongeren wierpen. Die Scheveningse wijk is nu met de grond gelijk gemaakt, de mensen zijn verdreven. Hier en daar weigeren mensen te vertrekken. Gelijk hebben ze, die asociale woningcorporatie had de boel heus wel kunnen opknappen. Maar ja, men wil zakenmannetje spelen sinds de overheid geen miljarden meer in die schimmige corporaties pompt. Enfin, het strand krijgen ze er niet weg, tenzij het B-kabinet besluit een snelweg langs de vloedlijn aan te leggen, platforms voor woningen boven zee, een vliegveld aan de kim en zo meer. Eer het zo ver is en de asteroïde 2002 NT7 kosmische stenen over de zeevilla’s strooit, stappen we nog lekker de gekkentram uit (wordt thans bestenigd langs de Schilderswijk door kids die daar rondhangen) en dansen we de zebra over naar een kleurrijk stuk strand. De tijden zijn voorbij dat alleen Hollanders zich in zee waagden. Nu poedelen ook Surinamers, Marokkanen, Turken, Antillianen, Latino’s, Chinezen en wat al niet meer in het lekkere koele water rond. Als dat zich gaat vermengen, wordt Nederland een klein Brazilië. Sex-appeal en topvoetbal. Jammer dat op Turkse vrouwen een embargo rust, om even een groep te noemen. Maar dat gaat wel over. Geen heilig boek die de liefde klein krijgt.

Haagsche Courant, woensdag 31 juli 2002