Hartono was here

alfred birney Vandaag speelt Hartono voor het laatst in Toko Oen, dus wie hem nog wil horen en zien, moet rennen. Lekker bordje nasi gudek erbij, die is erg lekker daar, al is Toko Oen in de eerste plaats befaamd om zijn loempia Semarang, die inmiddels overal geïmiteerd wordt.

Morgen is er een afscheidsfeestje ergens in een achterafstraatje in de Schilderswijk, waar Hartono zijn logeerkamertje heeft. Hij vroeg me of ik mijn gitaar mee wilde nemen, maar eh, ik hoor liever hem spelen. Zijn repertoire omvat zo’n 100 jaar populaire muziek, van krontjong via jaren twintig blues naar jazz, bossa nova, rock & roll, pop en allerlei Jawa Pop, want Hartono is van Java.

Zoals veel Indonesiërs is Hartono een etnische mix, eigenlijk zijn het een soort Indo’s. Maar om in Indonesië Indo te zijn moet je blank zijn uitgevallen, liefst met een carrière in de showbizz. Om in Nederland Indo te zijn ligt veel ingewikkelder, laten we daar maar over ophouden, want als Indo’s hier er al zelf niks van begrijpen, hoe kunnen ze dan verwachten dat Hollanders dat wel doen?

Hartono noemt zich Chinees, maar hij heeft ook Javaans bloed en misschien iets Europees, dat is vaag. Wat dat betreft loopt het spoor al dood bij zijn vader, die ooit bij het KNIL werkte (in de garage). Chinese christenen zijn de allochtonen van Java en leiden soms een wat angstig bestaan in Indonesië, ze hebben het zwaarder dan wat hier voor allochtoon doorgaat, Nederland is zo extreem nog niet.

Toch voelt Hartono zich Javaans, diep van binnen. Komt door de muziek. Als hij een gamelan hoort, zwijgt hij ontroerd. Krontjong is voor hem geen muziek van tempo doeloe maar een dynamische muziekvorm, die hij steeds nieuwe gezichten geeft in zijn eigen muziek. Hij is de huismuzikant van Toko Oen in Semarang en soms stuurt de bedrijfsleider hem naar Nederland om de zustertoko alhier ook eens van zijn spel te laten genieten. Je moet hem eigenlijk zien spelen: kretekje in zijn mond als hij in een jazzy improvisatie zijn tanige vingers over de toetsen laat dartelen.

Hartono was ooit scheikundeleraar – zijn vader had hem de technische kant op geduwd – maar in de avond maakte hij altijd muziek, als gitarist, pianist en op zondag als organist in de kerk. Op zekere dag zei hij zijn leraarsbaantje vaarwel. In Indonesië is het allemaal anders dan hier: daar kun je met muziek maken geld verdienen, hier niet. Hier kun je met schrijven geld verdienen, daar niet.

Toch is hij aan een boek bezig. Over de repatriëring van Indo’s uit Indonesië. Dat waren toch vrienden van zijn vader. En zijn muzikale voorouders. Wie weet komt hij hier ooit nog terug om zijn boek te promoten. In het Nederlands, want hij is een van de zeer weinige Indonesiërs die onze taal nog willen leren. Ja, die zijn er nog.

Haagsche Courant, vrijdag 27 augustus 2004

Follow

alfred birney Ik ga denk ik maar een auto kopen. Kan ik met de tuffende niet-rokers het milieu verder gaan verzieken. Mijn zoontje mag dan halverwege deze eeuw gezellig met een gasmasker over straat. Maar hemel, die auto’s van tegenwoordig zien er niet uit. Het is allemaal dezelfde fantasieloze blikzooi met veel oog voor zuinigheid in brandstofverbruik (zodat we nóg meer kunnen rijden), veel computergefreak (sprekende wegwijzers, dan hoef je niet te denken), op afstand bestuurde vergrendeling (leuk voor zappers), 100 watt hifi-installaties (zodat je het verkeer om je heen niet hoort) en meer van die ongein. Geef mij maar een ouderwetse VW of Citroën Traction Avant waar mijn Brabo opa met zijn dronken kop eens de vaart mee in reed (hij won tweemaal de staatsloterij en had de volgende dag alweer een nieuwe). Die auto’s hadden een eigenheid, wat zeg ik, een ego! Haal ik me wel een probleem mee op de hals, want die ego’s kenden geen therapeuten indertijd. Dus dat wordt sleutelen en dat kan ik niet met die verwende schrijfvingertjes van me.

Het VW-busje is mijn favoriet, liefst een T1 (1948-1966), want daar reed Ome Willem in. Wie Ome Willem is doet er nu even niet toe, dat komt later wel. Eerst maar onze Craig. Die reed, moderner, in een T2 (1967-1979). Mwah, ging nog wel. Enorme zeikerd van een vent overigens, maar hij reed lekker, smooth you know, yeah!

Craig was een naar het stadshippiedom afgegleden ex-militair en toerde een poosje door Holland in een VW-busje met Duits kenteken. Achterin lag een matras, waarop we blowden, gitaar speelden en zemelden over de zin van het leven. Onze tochten waren doelloos en dus perfect, aangezien wij de doelloosheid als de tao van het leven beschouwden. Maar Craig was een kapotte grammofoonplaat, die bleef hangen bij een alarmknop die Amerika het sein kon geven onmiddellijk haar raketten op Rusland af te vuren. Craig had zwetend van angst achter die knop gezeten. De Derde Wereldoorlog had ooit in Craigs handen gelegen! Gitaarspelen kon hij niet. Wat een handicap voor een traumadier. Hij had wel een cassettespeler aan boord, met maar één bandje, dat eindigde met ‘Follow’ van Richie Havens, die zwarte folkartiest die op Woodstock even niet wist wat ie moest zingen en spontaan ‘Freedom’ begon te schreeuwen. Ik heb zijn eerste elpee nog, bekrast, bevlekt, doorleefd. ‘Follow’ staat erop. Als ik dat draai, dan zit ik weer in Craigs busje. Zonsondergang in 1972. Neonlicht. Kalklijnen spelen op het asfalt. Richie Havens zingt: ‘If all the things you see ain’t what they seem… Then don’t mind me, cos I ain’t nothing but a dream…’

We zwijgen, Craig erbij. Wat kan het leven mooi zijn. Met zo’n lied dan, hè? Laat dat VW-busje eigenlijk maar zitten ook. Muziek, tabak en de Haagsche Courant. Dat is zat, joh.

Haagsche Courant, vrijdag 23 januari 2004

Hendrix volgens Nguyên Lê

Nguyên Lê
Nguyên Lê

Van alle kunstvormen is de muziek stellig de minst aanstootgevende bij al dan niet geslaagde pogingen tot etnische kruisbestuiving. In de wereldmuziek brengt het experimenteren in muzikale oases zoveel vormen voort, dat het onderhand heel lastig wordt voor de muziekhandel om al die cd’s keurig per genre aan de consument aan te bieden. Jazz- en popmuziek voeren er het hoogste woord, maar zetten toch schuchtere stappen in de richting van bijvoorbeeld zeer complexe Indiase of Afrikaanse ritmes, waarbij de drie- en vierkwartsmaat verbleken tot infantiele soldatenmarsjes en boerenwalsjes.

Fusion kan heel spannend zijn. Op het podium van de world jazz stapt een gitarist rond die luistert naar de naam Nguyên Lê. Hij is geboren in Parijs in 1959 uit Vietnamese ouders. Bezig baasje. Eerst drummen leren, dan gitaar en basgitaar, studies in Visual Arts en filosofie, met een thesis over exotisme. Laat ik zeggen dat, wanneer je naar zijn muziek luistert, de man weet waarmee hij bezig is. Niet alleen speelt hij vanuit een gevoel, nee, er zit altijd een idee achter. Of een regelrechte zoektocht naar zijn Vietnamese roots, zoals op de zeer intrigerende cd Tales from Vietnam (ACT, 1996). Daarin komt hij met uitstekende muzikanten tot een synthese tussen jazz en traditionele folksongs, met de mooie stem van de zangeres Huong Thanh. Tussen 1997 en 2000 komt hij zwervend van de Amerikaanse fusion bij de Noord-Afrikaanse Funk-Raï terecht en steekt ten slotte met een Spaans-Algerijns-Vietnamees-Italiaans-Turks-Noors-Amerikaans-Frans gezelschap de macroculturele woestijn over.

Thans is hij met de cd Purple (2002) terug bij zijn grote held, zijn jeugdliefde: de legendarische Jimi Hendrix. Wiens held is dat eigenlijk niet, zou je kunnen zeggen, maar Nguyên Lê beperkt zich niet tot minimaal gevarieer op Hendrix’ composities, zoals Steve Ray Vaughan dat deed. Hij gebruikt ze als standards voor zijn crossing border jazz en laat enkele nummers zelfs vertolken door een zanger in het Bambara uit Mali. Met welk idee?

Aan het einde van Jimi Hendrix’ korte leven werd het al duidelijk dat de gitaargod een andere weg in zou slaan, hij bezocht niet voor niets Miles Davis als zijn mentor. Of Jimi Hendrix een terugkeer naar Afrika koesterde valt niet op te maken uit de tekst van Voodoo Child. Mogelijk heeft Nguyên Lê dat wel als een aanname gebruikt, wellicht uit een persoonlijk verlangen naar het land van zijn ouders: Vietnam.

Hendrix droeg zijn Machine Gun op oudejaarsnacht 1969-1970 op aan de soldaten in Vietnam, met wie hij begaan was. Was het juist díe oorlog die Nguyên Lê’s ouders had doen vluchten naar Parijs? Wie zich nergens op de wereld helemaal thuis voelt, zoekt misschien dit soort verbanden in het noodlot als rechtvaardiging voor migratie uit een opgedrongen zelfverdediging in het land van aankomst. De muziek loopt in dit alles niet voor op de literatuur. Dat lijkt maar zo. Kwestie van zoeken.

Haagsche Courant, vrijdag 17 januari 2003
Copyright © 2003 Alfred Birney

Tim

alfred birney Een verlopen Amerikaan met een afgeragde gitaar op de rug klampt me aan op de Prinsengracht en vraagt me naar Het Paard. Ik wijs de reizende muzikant op de loze gevel en vertel hem dat ze het gebouw gaan restaureren. Het is de waarheid niet, zeg ik, want achter de gevel zal een nieuw gebouw komen.

‘Oh boy,’ jammert de Amerikaan, ‘so I could never get on the same stage like Tim Hardin did many years ago here in The Hague. Ever heard of him?’

Ik knik en hij vraagt me of ik toevallig diens optreden hier heb gezien, jaren geleden.

Nee, toevallig niet. Mijn broertje belde me destijds nog op, om me te zeggen dat de grote Tim Hardin in Het Paard zou spelen. Maar het was in een tijd dat ik uitgeluisterd was op de folksinger, of ik was gewoon chagrijnig, ik ben niet gegaan.

‘You feel sorry for that?’

Ik knik. Het scheen een zeldzaam mooi concert, hij had de lage en hoge e-snaren omlaag gedraaid naar d, mijn broertje wist nu eindelijk hoe we Tim Hardin moesten spelen.

Deze gitaristische informatie laat de Amerikaan koud. Het gaat hem hierom: dat Tim Hardin in de voetsporen van de zuiplap Hank Williams trad, aan wie hij een nummer wijdde. En dat hij nu op zijn beurt in de voetsporen van de aan drugs ten onder gegane Tim Hardin wil treden en daarom op zoek is naar plaatsen waar hij heeft gespeeld.

‘Guess I better get back to the USA,’ verzucht hij. ‘Plenty of places to die there.’

Haagsche Courant, vrijdag 19 april 2002

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Columns Getagged

Poppy

alfred birney Poppy is in het knusse souterrain tussen het publiek gaan zitten en luistert naar de Hanson Hawaiian Minstrels op het podium. Haar gloriedagen met de Honolulu Queens liggen in een tijd toen mijn ouders teenagers waren: mijn vader in Soerabaja, mijn moeder in Helmond. Van de zusjes Apontoweil speelde Poppy contrabas en ukelele, Elly Hawaiian-gitaar en Tity gitaar. Poppy is inmiddels 85 en monstert de ukkies van 50 tot 70 in hun witte pantalons en dito schoenen onder hun gebloemde shirts. De Hawaiian-gitarist is een Hollander, de andere vier bandleden zijn Indo’s. Het zaaltje zit vol oudere, meest Indische mensen, die bij sommige nummers nauwelijks stil kunnen blijven zitten en het liefst op de stoelen zouden gaan dansen. In de pauze raak ik in gesprek met een bandlid over de oorlog in Nederlands-Indië, waar hij heeft moeten vechten voor de Nederlanders tegen zijn oude vrienden. ‘Wah, ze snappen er niks van, hier in Nederland,’ verzucht hij. Maar zijn ereteken KNIL ORDE en VREDE kunnen ze hem niet afnemen. Zijn gitaar trouwens ook niet.

Poppy wordt rusteloos en vraagt zich af of die jochies de nummers uit haar bijkans vervlogen repertoire straks wel kunnen spelen. Eenmaal op het podium zweept ze hen op, bij het tweede nummer begint ze echt te swingen, het oude meisje dat ooit volle zalen trok met de Honolulu Queens. Tegen de avond weer buiten, voelt het extra kil aan in Den Haag. Ik kijk nog even om en lees het bordje aan de gevel: Regentenkamer. Zingend fiets ik weg over de Laan van Meerdervoort: I’m going back someday, come what may…

Haagsche Courant, maandag 8 april 2002

Indianenverhaal

alfred birney Tram gemist. In mijn kielzog twee sigarettenhijsende meisjes, die een taal spreken die ik niet versta, Servo-Kroatisch of Sloveens. Misschien praten ze over hun nieuwe laarzen, waar ze aldoor hun blik op werpen. Een blonde man met een customized daklozenoutfit sluit aan. Markante kop. Hij rookt twee keer zo snel als die meisjes en spuugt met korte intervallen hoestend de asfaltweg langs de abri onder. We beginnen een weerpraatje. Hij zegt dat hij drie jaar op straat heeft geleefd en toen nooit ziek was. Zijn moeder dook onlangs op en nu heeft hij een studiootje. Hij houdt wél de cv uit, om gehard te blijven. Hij kijkt me opeens onderzoekend aan en vraagt of ik gitaar speel. Ik knik. Hij roept: ‘Ha! Ik wist het! Ik zag het meteen aan je kop gewoon, ja ja!’

Zelf zingt hij. Nee, zong. Hij had ooit een band met Ambonese jongens. Ziet hij mij, een Indische jongen, soms aan voor een Ambonees en verzint hij zomaar wat?

Ik zeg dat Ambonezen vaak zelf goed zingen. Hij grijnst en laat een Engelstalig intro uit zijn geraspte strot komen, iets tussen Van Morrison en Joe Cocker in. Klinkt goed, op straat.

‘Ik ben geen echte Hollander,’ zegt hij. ‘Ik ben een halve Braziliaan. Daar ben ik laatst achtergekomen. Mijn moeder wil het niet toegeven, maar toen zij met mijn vader langs de Amazone trok, is ze op een nacht met een Indiaan de boom ingeklommen, begrijp je wel? Ik ben eigenlijk allochtoon. Echte Batavieren heb je bijna niet. Maar dat willen ze niet weten.’

Haagsche Courant, vrijdag 15 februari 2002