Read My World voordracht en interview Alfred Birney

Read My World – editie Zuidoost-Azië vindt plaats van 1 t/m 3 oktober 2015 in de Tolhuistuin in Amsterdam, met twee optredens van Alfred Birney.

Tuinzaal:

Vrij 2 oktober – 21:00 – 22:00. Over de dood heen

Stel je voor dat je dood bent. Wat had je nog moeten zeggen en tegen wie? Met deze vraag gaan vier auteurs aan de slag. Ellen Heijmerikx, Kira Wuck, Alfred Birney en Seno Gumira Ajidarma (Verenigde Staten/Indonesië) schreven een monoloog en dragen die voor vanuit het perspectief van een al dan niet fictief personage dat nadenkt over wat er nog gezegd had moeten worden. Een opdracht die het vervreemdend perspectief viert en zich zelfs door de dood niet laat stoppen.

Met: Kira Wuck, Alfred Birney, Ellen Heijmerikx, Seno Gumira Ajidarma, Rashid Novaire en Sietske Roscam Abbing

Literair café:

Vrijdag, 2 oktober – 22:00 – 23:00. Dubieuze geschiedenis

Multatuli kent iedereen, maar wie heeft van Victor Ido gehoord? Alfred Birney laat in zijn essay De dubieuzen de onderbelichte kanten zien van de Nederlands-Indische literatuur. Programmamaker en onderzoeker Lisanne Snelders gaat met hem in gesprek over beeldvorming, gemengde afkomst en mooischrijverij.

Postkoloniaal naschrift

Op het moment van dit schrijven vindt er een Oeroeg-hype plaats in de Modderpoel van West-Europa. De filmversie van het boek wordt op de televisie uitgezonden. Er vinden talloze lezingenavonden plaats met medewerking van wetenschappers die onnadenkend de literaire canon dichtmetselen tegen aanvallen van buitenaf. Als klap op de vuurpijl doedelzakt er een speciale voorleestrein op het traject Amsterdam – Den Haag vol BN’ers die geen idee hebben van de koloniale onnozelheid waarvan Oeroeg doortrokken is. Het hele circus schijnt bedoeld om een discussie aan te wakkeren. Maar obligaat gezemel houdt geen miljoen door de CPNB verspreide exemplaren van het beroerdste boek rond de vrijheidsstrijd van Indonesië tegen. Welk thema moet de discussie eigenlijk dienen? De tragiek in tijden van oorlog of het ‘tragische’ einde van Neerlands koloniale heerschappij?

De ‘tragiek’ volgens Hella Haasse in Oeroeg werd al in juni 1948 door Tjalie Robinson als volstrekt onwaarachtig afgedaan. Dat diens nog altijd actuele, scherpe kritiek de CPNB na zestig jaar nóg niet heeft gehaald is pijnlijk. En verwarrend, vooral voor Indo’s, die zich nauwelijks in dat boek herkennen. Nou is verwarring wel zo ongeveer synoniem aan Neerlands oorlogsjaren. Duurde die oorlog nou van 1940 tot 1945, tot 1949 of tot 1963, toen de VN Nieuw-Guinea aan Indonesië overdroeg?

Ik leerde ooit een ernstige snoet trekken bij deprimerend klokgelui op elke 4e meiavond. Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei: de Duitse capitulatie in Nederland. Mijn Indo-vader vierde de 15e augustus: de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Ik ben nooit bij die herdenking rond het Indisch Monument in Den Haag geweest. Ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorstin en Vaderland. En zij houden niet van mij: een ‘linkse Indo’ in hun ogen.

Er is nog altijd gedoe over de onafhankelijkheidsdatum van Indonesië. De Indonesiërs houden het op 17 augustus 1945, toen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië uitriepen. Zestig jaar na dato accepteerde onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ alsnog de datum van 17 augustus 1945 als de dag van de onafhankelijkheid. Politieke onzin natuurlijk, want het gaat om een onafhankelijkheidsverklaring. Tussen die verklaring en de feitelijke soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949, ligt een poel van bloed, zweet en tranen.

Dat in geschiedenisboeken nog altijd eufemistisch over de Politionele Acties wordt gesproken is een ontkenning van de vieze oorlog die Nederland overzee voerde. Voor Indo’s was het een lange oorlog. Zij maken sindsdien een spagaat tussen beide landen en worden daar onderhand stram en stijf van. Elke oorlog eindigt op papier. En wordt uiteindelijk fictie. Oeroeg is pulpfictie. Dat de kritiek van Tjalie Robinson nooit gehoord werd is veel tragischer dan dat verhaal zelf.

© 2009 Alfred Birney – gastcolumn voor De Republikein winternr 2009/10

Ons Indisch erfgoed

De invloed van de Indische cultuur op de Nederlandse blijkt zo groot te zijn, dat je beter kunt spreken van een innige vervlechting tussen beide culturen. Althans, volgens Lizzy van Leeuwen, antropologe, die in haar nieuwe boek Ons Indisch erfgoed talloze opvattingen over de Indische geschiedenis van Nederland volkomen op zijn kop zet. Dat doet ze zo overtuigend dat het weleens het belangrijkste boek over de Indische geschiedenis kan worden sinds J.J.P. de Jongs De waaier van het fortuin (1998). Daarin werd de Indische geschiedenis van 1595 tot 1950 beschreven.

Lizzy van Leeuwen neemt de afgelopen zestig jaar voor haar rekening. Voor degenen zonder voorkennis: geen zorgen, ze neemt het complete verhaal vanaf de VOC-tijd in vogelvlucht nog even door. Actueel spilpunt in haar boek is de opkomst en ondergang van het Indisch Huis. Het is een verhaal dat vooral de Haagse gemoederen zeer heeft beziggehouden maar dat gezien de diepe historische achtergronden in heel Nederland bekend zou moeten zijn. Wat ging er aan de bouw van het Indisch Huis vooraf, wat kwam erna en hoe liep het uiteindelijk af? Belangrijker nog is de vraag waarom dat Indisch Huis er zo nodig had moeten komen. Het is hier vanwaar de sporen leiden naar talloze personen, instellingen en ondernemingen.

Lizzy van Leeuwen toont zich een uitstekend gedocumenteerd auteur met oog voor detail én het grote geheel, een intelligente gedachtegang en een meeslepende schrijfstijl, die zoveel van haar wetenschappelijke collega’s ontberen. Heel Indisch Nederland, met al zijn bekende en op de achtergrond opererende figuren, komt ter sprake. Ook de vaderlandse politiek blijkt innig verweven met de Indische cultuur en het is smullen geblazen voor wie van roddels en weetjes houdt. Speels knoopt Lizzy van Leeuwen bekende en onbekende, soms ronduit hilarische feiten aan elkaar. Ze biedt de lezer een bonte kijk op het Indische leven, dat, zo blijkt, eigenlijk nooit een kwestie is geweest van onderonsjes onder Indo’s. Wat dat aangaat is haar invalshoek bijna revolutionair te noemen. Zelfs de opvatting, dat ‘Indo’s een probleem hebben’, weet ze met flair terug te kaatsten naar de bedenkers ervan. De worsteling met de naoorlogse overkomst van scheepsladingen vol Indische mensen met Nederlandse achternamen is niet aan boord van die schepen ontstaan, maar achter onze dijken en duinen. Vanzelfsprekend is de conclusie dat het niet alleen een boek is voor Indische mensen maar ook, of misschien wel juist voor Hollanders, ofwel autochtonen. Welke Hollanders dan? Wat te denken van geschiedenisleraren, ambtenaren, schrijvers, journalisten en webloggers. Als die de Nederlandse geschiedenis in een groter kader leren zien en niet angstvallig in een hoekje blijven zitten, dan kan Nederland zich, bevrijd van allerlei taboes, met al zijn ervaring eens met flair in het internationale culturele debat mengen.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 11 oktober 2008 onder de titel: De Indische literatuur achter de dijken. Antropologe Lizzy van Leeuwen zet in “Ons Indisch erfgoed” de Indische geschiedenis van Nederland op zijn kop.

Het licht van de maan

Mitorai light of the moon Een groot voordeel van de weeromslag is dat er veel meer zuurstof in de lucht zit. Als een mens moet kiezen tussen een leven in een zonovergoten bakpan vol koolmonoxide of een leven in een winderige betonnen hel vol zuurstof, dan hij maar beter voor de hel kiezen. Ik kwam bijna geen fietser tegen gisteren, de softies hadden de auto genomen, bang voor een druppeltje regen, te slap om tegen de wind in te beuken. Nou moet ik niet stoer gaan doen, want toen ik op de boulevard de wind vol tegen kreeg, dacht ik heel even aan afstappen, ha! Ik keek om me heen en genoot van Igor Mitoraj’s Light of the Moon, ik vind dat beeld toevallig mooi, hoe zeer tegenstanders (kunstkenners) mij ook op andere gedachten hebben geprobeerd te brengen. Die Igor Mitoraj heeft als peuter het bombardement van Dresden meegemaakt, dus wie weet is hij daarom zo gepreoccupeerd met beschadiging. De beschadiging van het klassieke beeld, veel meer hoef je niet achter zijn werk te zoeken, denk ik.

Even verderop, als je helling af bent en het vlakke deel van de boulevard op fietst, krijg je die afschuwelijke Sprookjesbeelden aan Zee van Tom Otterness. Ik had tot afgelopen middag altijd geweigerd om die infantiele beelden wat beter te bekijken, maar nu het zo hard waaide en ik van narigheid even niet wist waarnaar ik kijken moest, ontwaarde ik de Haringeter. Dat kwam natuurlijk doordat ik vlak voor het ontwaken een voorspellende droom had over de nieuwe haring. Ja, ik droomde dat de nieuwe haring véél lekkerder was dan die van afgelopen jaar, die waarschijnlijk de slechtste haring is sinds Hollanders besloten rauwe vis uit de zee te eten. Men had verleden jaar besloten de nieuwe haringvangst met twee weken uit te stellen vanwege het veel te koude weer. Een blunder. Net als die Sprookjesbeelden aan Zee. Maar wil het zeewater niet al te koud blijven zodat de haring wat op gewicht kan komen, moet de zon straks wel weer gaan schijnen. Het zal dan weer een gekkenhuis zijn op Scheveningen, met kilometers lange files die de lucht verzieken. Hoe zal het leven op de maan zijn over vijftig jaar?

Hunebedden op Scheveningen

alfred birney Gaat het nou goed of slecht met Neerlands grootste grutter Appie Heijn? Een enorm reclamebord bij een abri schreeuwde me onlangs toe dat AH 1000 producten in prijs gaat verlagen. Ik geloof dat dit keer de drogisterijen de pineut zijn van AH’s prijzenslag. Die zullen wel met een antwoord komen, met gratis zuurkool met worst bij een dozijn tubes tandpasta of zo. Kunnen ze wel betalen, want genaaid zijn we toch al ruim sinds de invoering van de euro. In het pre-eurotijdperk gebeurde dat natuurlijk ook, maar wat minder hard, softer, kortom: lekkerder.

Ik zag dat de door mijn zoontje gewenste middelbare school het vak geschiedenis niet op het lesrooster heeft staan. Ik weet niet meer welk bezopen kabinet dat onderdeel ooit heeft geschrapt, maar de gevolgen zijn om van te huilen. Kijk maar eens naar AH’s koffie. In AH’s assortiment zit een koffiesoort genaamd Gunung Blau. Koffie met een peperachtige smaak, afkomstig van Oost-Java.

Toen AH met die koffie aan kwam zetten, bracht onze grootgrutter het genotmiddel in een bruin pak, waarop de afbeelding prijkte van een mistig bergachtig landschap. Dat was namelijk het Idjen Plateau, ooit door mijn oudoom David B. in cultuur gebracht en reeds in 1895 door de koffie-inkopers hier te lande ontdekt. Het hele gebied rond Djember is trouwens door mijn voorouders in cultuur gebracht. Ik lijd niet aan de tempo-doeloe-ziekte hoor, maar u heeft het nu vast wel te doen met zo’n arme schrijver als ik die voor straf columns moet schrijven om zijn huishuur te kunnen betalen en natuurlijk om die heerlijke koffie van Gunung Blau te kunnen kopen.

Maar ach, snik snik. AH gaat mee met de vormgevingswoede van amateurs die onze echte grafische kunstenaars brodeloos maken. Er komt een nieuwe manager met een flashy laptoppie bij AH aangewaaid en hup het moet weer allemaal anders, want de hersenloze ijdeltuit ziet later graag zijn hoefafdrukken terug in de modder waar hij ooit gelopen heeft. Dus de inhoud moet gelijk blijven, maar het uiterlijk moet anders. En zo wordt het vertrouwde bruine pak van Gunung Blau vervangen door een zilverkleurig pak. Okay, kan ik nog wel inkomen, bruin is wel errug hippiedom jaren zeventig. Maar dan… De historische informatie die op het oude pak stond is botweg geschrapt! En wég is de snoet van de bebrilde meneer in het zegel, dat het pak zo’n mooi historisch Indisch tintje gaf. Nu zit er zo’n lullige antidiefstalbutton op.

Het allerergste is het nieuwe etiket. Een plaatje geschoten vanaf de beroemde Boeddhistische tempel de Borobudur! Die ligt op Midden-Java, Appie Heijn! Nogal een eindje tuffen van daar naar Oost-Java! Als jij straks je Noordzeevis in de vriezers van een grootgrutter op Java wilt gaan leggen, doe je dat dan in oranje doosjes met plaatjes van hunebedden langs de kust van Scheveningen? Ja? Dat noem jij dan zeker ‘de geschiedenis in een ander perspectief zetten.’

Haagsche Courant, vrijdag 4 februari 2005

Ich bin ein Doitser

alfred birney Sinds de moord op Theo van Gogh heb ik al honderd keer moeten lezen dat ‘de multiculturele samenleving op een mislukking is uitgedraaid.’ Zo lijkt het alsof er ooit plannen zijn gemaakt een multiculturele samenleving te scheppen. Ik kan me niet herinneren dat enig Europees land zich ooit als immigratieland heeft geprofileerd, zoals de USA of Australië dat ooit deden. Zeggen dat ‘de multiculturele samenleving op een mislukking is uitgedraaid’ klinkt als: ‘wij hebben ons best gedaan, maar jullie hebben er een zootje van gemaakt.’

Nou ben ik als columnist maar even niet zo dom om dat tegen te spreken, want straks is mijn brievenbus te klein. Maar ik kan natuurlijk wel voor mezelf spreken, dat schijnt momenteel nog wel te kunnen. Kijk: als de Duitse minister van Binnenlandse Zaken roept dat alle Turken die al lang in Duitsland wonen of er zijn opgegroeid zichzelf voortaan ‘Duitser’ moeten noemen, dan beginnen mijn hersenen te knarsen. En anders doet mijn geheugen mij wel in schateren uitbarsten.

Ik ben zelf een halve eeuw terug in Den Haag geboren. Met een Engelse achternaam en een Aziatisch uiterlijk. Hoe dat allemaal mogelijk was zal ik maar even achterwege laten, want voor die geschiedenis is zelfs de zaterdageditie van de Haagsche Courant nog te klein. Maar goed, mijn naam is Alfred Alexander Birney. Aangenaam.

‘Aangenaam, Mister Beurnie. Waar komt u vandaan?’

‘Uit Nederland.’

‘Ja, nee, ik bedoel waar u vandaan komt.’

‘Uit Ne-der-land. Ich bin ein eh… Holländer, ich meine: Niederländer.’

‘O, maar daar ziet u niet naar uit.’

Volgt een beknopte geschiedenisles van mijn kant, al duizend keer door mij herhaald, waar ook ter wereld. Ik kan nergens maar dan ook nergens zonder meer zeggen dat ik een Nederlander ben. Ik word namelijk beoordeeld op mijn kop. Als ik zeg dat mijn vader uit Nederlands-Indië afkomstig is, dan heb ik het over een kolonie die niet meer bestaat. Nou, daar wordt dan meteen Indonesië van gemaakt. En dan zegt de ander: ‘O, dus u bent Indonesisch.’

Ik kan nog wel een kwart eeuw doorgaan met dat geschiedenislesje van me, maar het blijft toch water naar de zee dragen. Zodra ik over de grens ben, noem ik mezelf ‘Eurasian’. Dan weten ze het ongeveer wel. Daar kom ik tegenwoordig het makkelijkst mee weg. Maar niet met ‘Nederlander’. Dat geloven ze alleen in Den Haag, de ‘weduwe van Indië’, die overigens ook haar beste tijd al heeft gehad.

Nou, ziet u die Turken uit Berlijn al aan de grens van Timbuktu zeggen dat zij ‘Doitser’ zijn? Ja? Nee, hè? Doitser! Die worden toch uitgelachen daar, joh. En in München ook.

Haagsche Courant, vrijdag 26 november 2004

De adelaar vliegt weg van hier

alfred birney De echtscheiding tussen Nederland en Indonesië is nu wel zo’n beetje voltooid. Onlangs werd voor ons de visumplicht ingevoerd en nu gaat de Indonesische luchtvaartmaatschappij Garuda haar vluchten op Nederland schrappen. De redenen hiervoor zijn vaag, zelfs de sales manager van Garuda Indonesian Airways weet niet precies wat er speelt. Garuda zou te kampen hebben met financiële problemen. Dat kan. Bali is sinds de bomaanslag niet direct een aantrekkelijk bestemmingsoord meer. Toch meldt de minister van toerisme geen teruggang van toeristen.

Ook zo lekker vaag is dat Garuda zegt ‘tijdelijk’ haar vluchten tussen Nederland en Indonesië te staken. Garuda is nauw verbonden met de staat Indonesia en heeft een flink deel van haar internationale imago te danken aan haar luchtbrug met Nederland. Die werd begin jaren zeventig geslagen toen Indische Nederlanders heimwee- en Tweede Generatie Indo’s roots-reizen begonnen te ondernemen. Wat er sindsdien tussen beide landen is gebeurd is zou in telegramstijl nog niet passen in deze column. De verhouding tussen Nederland en Indonesië is daarvoor veel te complex, met verwijten over en weer, je moet diep de geschiedenis induiken om er iets van te kunnen begrijpen. Nou, wie wil dat? Onze volksvertegenwoordigers in elk geval niet. En zo’n club als het Nationale Comité VOC, dat in maart 2002 de Indonesiërs enorm tegen de schenen schopte met zijn eenzijdige herdenking van de oprichting van de VOC, al helemaal niet.

In Indonesië werd toen flink gedemonstreerd tegen de ‘glorifikasi’ van de VOC. Men eiste excuses aan het Indonesische volk wegens schending van de mensenrechten, kwijtschelding van alle schuld van de Republiek Indonesia aan Nederland en compensatie voor de rijkdommen die Nederland eeuwenlang ten koste van Indonesië heeft verworven. Symbolische eisen waren dat feitelijk. Die neokoloniale organisatoren hadden er beter aan gedaan Indonesische organisaties bij hun feestplannetjes te betrekken. Het Nationale Comité VOC heeft uit goede wil het woordje ‘viering’ nog wel veranderd in ‘herdenking’, maar daarvoor was het al te laat. De term ‘viering’ was al ingeburgerd en de Indonesische ambassadeur bedankte voor de kranslegging.

Een half jaar later de bom op Bali. Ik moest toevallig naar Indonesië om een vertaling van een van mijn boeken te promoten. In toerde langs vijf steden en zag vrijwel geen Europese toerist. Dat er ondanks de ingeklapte toeristenindustrie op Bali – goed voor 10 procent van het nationale inkomen – toch een visumplicht voor allerlei landen werd ingesteld, kan niet anders worden gezien dan in het licht van de spanningen tussen islamieten en christenen. Toch zou Nederland nooit haar speciale status hebben verloren als er door de jaren heen wat meer respect was getoond. Die aanmatigende koloniale en neokoloniale houding van ons is ze aan de overkant gewoon de strot uitgekomen. Daarom vliegt Garuda weg van hier. Nou maar hopen dat ik het mis heb.

Haagsche Courant, vrijdag 13 augustus 2004

Is de bal wel goed van dessin?

alfred birney Ik heb nog nooit zo’n fascinatie voor een bal gevoeld als tijdens dit EK in Portugal. Bij eerdere edities waren het de spelers, de combinaties, techniek en tactiek en wat al niet meer die mijn aandacht trokken. Nu is dat helemaal anders, al is het maar omdat het vertoonde spel van geen der landen mij ook maar vijf minuten kon boeien. Zelfs tijdens editie numero zoveel van Nederland tegen Duitsland interesseerde het me hoegenaamd niets of Oranje nog zou tegenscoren. Mijn fascinatie voor de bal was al wel gewekt, vooral toen onze spits in de eerste minuten net niet de punt van zijn schoen tegen de bal kon zetten ben ik dat ding met nog grotere ogen gaan volgen. Want deze bal, dames en heren, heeft iets hinderlijks, met een eigen wil, om niet te zeggen een onwil. Hij beschikt over de zeldzame gave de ene na de andere speler net even te snel af te zijn. Dat onze voetbalcommentatoren daar geen oog voor hebben, zegt veel over hun volslagen ondeskundigheid. Ze zaniken aldoor over 4-3-3 of 4-5-1 maar ik hoor geen enkele verwondering over die rare bal waarmee men thans in Portugal speelt.

Wat is er dan met die bal aan de hand, of aan de voet? Nou, ten eerste heeft ie de kleur van een racefiets of mountainbike. Hij is zilverkleurig, je zou bijna denken dat dat speeltuig van aluminium is. Ten tweede zit er een rare zwarte strik omheen, zonder lussen, het is een cadeautje dat je liever niet krijgt, een soort kanonskogel direct uit de konstabelkamer van een VOC-schip, waarop Hollanders en Zeeuwen zich gereed maken om de zich in luiheid wentelende Portugezen van hun lekkere stekkies langs de kusten van het vroege zeventiende eeuwse Indië te gaan verjagen. Maar wat zou zo’n Bush nou van die bal denken? Dat Al-Quida er een bom in heeft verstopt of zo? Portugal ligt niet ver van Spanje, hoor.

Wat ik jammer vind van de spelers van nu is dat ze niet zeuren over de bal. Toen Nederland onder veel protest van dominee Freek de Jonge naar Argentinië was afgereisd voor het WK van 1978 begon al direct het geklaag over de zogenoemde Tango-bal. Die was veel te licht voor onze jongens, had een enorme afwijking bij passes over de volle breedte van het veld, en die smiechten van Argentino’s hadden er al lekker mee geoefend en konden er beter mee overweg met hun korte combinatie-spel. Dit is slechts één voorbeeld in de bonte geschiedenis van de bal.

En dan zijn uiterlijk. Voor het televisietijdperk was de bal gewoon bruin. Toen kreeg je de televisiebal, zwart en wit geblokt, de eerste bal met allure. Onder druk van kleurentelevisiekijkers werd een oranje bal gebruikt voor partijtjes op besneeuwde velden in Alkmaar of achter het IJzeren Gordijn. De televisiebal en de oranje bal hadden dus een functie. Maar wat is nou de functie van deze merkwaardige zwartgestrikte bal? Waarom konden tot aan dit schrijven alleen de Zweden er goed mee overweg? Is het een IKEA-bal misschien? Dat zou wel passen bij die dertien in een dozijn-partijtjes die we voorgeschoteld krijgen.

Haagsche Courant, vrijdag 18 juni 2004

Gatenkaas

alfred birney We hebben één beeldend kunstenaar in Nederland. Zijn naam is Jan. Sinds afgelopen week hebben we nu ook één schrijver. Zijn naam is Jan. Leuk hè? Is goed voor de poldercultuur! Zo was ik laatst op een verjaardagspartijtje. Nou, daar loopt dan een beeldend kunstenaar rond en die zegt: ‘Kijk, dan zit je in zo’n commissie en dan moet er ergens een beeld komen en roepen alle commissieleden: we nemen Jan! Zo gaat dat. Al jaren!’ De beeldend kunstenaar in kwestie klaagde niet, veeleer lag er berusting in zijn toon. Zal ik die berusting dan maar met hem delen? We hebben Jan nu eenmaal en straks wordt die man 80. Nou, hebben we dan te veel gezegd? Ik zou niet weten of het prettig is om 80 te worden, maar goed, waarom geen ouwe grijze duif het boekenweekgeschenk voor 2005 laten verzorgen? Hella Haasse hebben we al twee keer gehad, toen ze jong was en toen ze oud was, en Mulisch was toch ook al redelijk op leeftijd. De jonkies kunnen nog wel een halve eeuw wachten, mits het Pentagon het mis heeft met dat zondvloedscenario van ze voor de Lage Landen, maar goed, dan schrijven we allemaal in het Engels en dan doet die hele CPNB er niet meer toe en staat die Henk Kraima, de baas van die club, al lang haring te verkopen op Mallorca. Moet je eens horen, ik heb niks tegen onze Jan hoor, aardige vent, altijd onderhoudend, maar echt in vorm, nee, dat is ie niet meer. In 1982 was ie dat wel. En hoe! Hem was de Constantijn Huygens-prijs toegekend. Die wees hij minachtend van de hand. Voor de televisiecamera’s trok hij het ene na het andere boek van zichzelf uit zijn kast, dat hij stuk voor stuk tot meesterwerk bombardeerde. Ik lag in een deuk. Onze Jan vond dat men rijkelijk laat was met hem die prijs toe te kennen. En gelijk had ie. Maar waarom vindt hij dan nu niet dat men veel te laat is hem het boekenweekgeschenk te laten verzorgen? Nou, onze Jan was al eens eerder door de CPNB uitgenodigd, maar: ‘de afgevaardigde die toen kwam overleggen zat in de kaas. Ik heb hem toen uitgemaakt voor gatenkaas. Maar de huidige directeur van de CPNB, Henk Kraima, is een prima man!’ Dit lijkt mij het allerafschuwelijkste uit Jan Wolkers. Die bandiet van een Henk Kraima heeft in 2001 de Nederlandstalige literatuur afgeserveerd omdat ie zo nodig modieus moest doen door Salman Rushdie het boekenweekgeschenk te laten verzorgen. De man kraaide zelfs dat elk in het Nederlands vertaald boek als Nederlandse literatuur moest worden beschouwd en hij voegde er ook nog de smerige leugen aan toe dat de Nederlandse literatuur al lang en breed multicultureel was. Nou Jan, als je een kaasverkoper uitmaakt voor gatenkaas, waar maak je dan zo’n Kraai-maar-aan-mannetje voor uit? Het thema van de boekenweek staat volgend jaar in het teken van ‘de duizenden boeken waarin de geschiedenis van Nederland wordt beschreven’, is het niet? Dat is toch heel veel gatenkaas.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 9 april 2004

Pollmans evangelie voor de Indo

alfred birney Tessel Pollman schreef ooit recensies over boeken van Indo’s en Molukkers, voor wie ze een lans brak. Jammer dat ze verdween. Jammer dat ze weer verscheen, namelijk in een gastcolumn op de website van het NIOD. Dat instituut voor oorlogsdocumentatie is een onderzoeksprogramma gestart om de geschiedenis van Indië naar Indonesië in een breder kader te kunnen plaatsen. Kritiek van Indo’s doet TP zich thans opwerpen als de evangeliste van Het Redelijke, opdat haar voormalige doelgroep zich vermag te verzoenen met haar lot. Amen. Allereerst doopt TP Indo’s terug tot Indo-Europeanen, zoals men hen van overheidswege aan het einde van de negentiende eeuw is gaan noemen. TP zit intussen namelijk bij het Ministerie van OC & W en is daar een ander taaltje gaan spreken. Volgens TP zouden nogal wat Indo’s in wrok leven jegens de Indonesiër en de Nederlander, omdat ze zich verbannen voelen van hun geboortegrond. TP schopt een open deur in door te zeggen dat niet alleen Indo’s ellende hebben gehad tijdens de Japanse bezetting. Het centraal stellen van Indo’s in een geschiedschrijving over de dekolonisering vindt zij dus ‘onwerkelijk’. Nou zijn dergelijke boeken, van Nederlandse historici, zeer recent en op één hand te tellen, maar TP vindt het wel weer genoeg. Open deur numero 2: Indo’s vormden geen hechte samenhangende gemeenschap. Maar ze werden wél ooit tot groep gebombardeerd. En door wie ook weer? Is mevrouw TP wakker? Er is geen Indo die beweert dat zijn geschiedenis losstaat van Europa en Azië. TP wekt de indruk dat Indo’s dat wel doen en richt haar Nieuwe Brede Vizier op overige groepen in Indië, waarmee ze toont helemaal niets van perspectief in geschiedschrijving te begrijpen. Geschiedenis is een belichting, het is de complete waarheid niet. Nooit. Nergens. Als je zegt dat Indo’s geen hoofdrol maar een bijrol speelden in de geschiedenis, dan betekent dat niet dat zij geen geschiedenis hebben. Het betekent hooguit dat hun geschiedenis moeilijk valt te begrijpen. Heeft TP ooit geschiedenisboeken van de hand van Indonesiërs gelezen? Die hebben maling aan wat Nederlanders over hen schrijven. Wat Indo’s schrijven, vinden ze intussen wél interessant. Hoe zou dát nou komen? TP doceert dat de ‘inheemsen’ van toen niet meer dan decor waren in de boeken van de Hollanders. Klopt. Maar níet in boeken van Indo’s. Die werden alleen genegeerd in de pers. In de boekenlawine van Hollanders over de kloof tussen hen en ‘de Javaan’ is de laatste behalve decor ook nog een romantisch ideaal. Indo’s sloegen bruggen over die kloof, maar ja, de Hollanders gingen liever zwemmen. En verzuipen deden ze, slecht geïnstrueerd door ambtenaren die dachten Nederlands-Indië vanuit Den Haag te kunnen besturen. Dat is hun geschiedenis, die van de domme arrogantie. Probleem voor de Indo’s is daarmee te moeten leven.

Haagsche Courant, vrijdag 8 augustus 2003