Tjalie

tjalieZou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 20 december 2008, waarschijnlijk onder een uitgebreidere titel.

Zatoichi

Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.

Het verhaal van Zatoichi is eenvoudig. Een stadje in het oude feodale Japan wordt geterroriseerd door elkaar beconcurrerende bendes. Zatoichi, een blinde zwervende masseur, strijkt er een poosje neer en neemt het op voor de onderdrukte dorpelingen. Hij is grijs, loopt krom, wordt niet gehinderd door zoiets als een gezichtsvermogen en hoort en voelt alles. De snelheid waarmee hij zijn verborgen zwaard uit zijn wandelstok trekt dankt hij aan een zeer onorthodoxe techniek.

Een tweede outsider hangt rond in het stadje: een samoerai op zoek naar werk om zijn zieke vrouw te kunnen verzorgen, wat hem sympathiek maakt. Helaas wil het lot dat deze samoerai bij de tegenpartij terechtkomt waar Zatoichi voor strijdt. De ziende samoerai is ongemeen bedreven in het zwaardvechten en trekt zijn zwaard zoals het hoort: met de handpalm over het heft heen, de duim omlaag. De blinde masseur daarentegen trekt zijn zwaard andersom uit zijn wandelstok: de handpalm onderlangs, de duim omhoog. Halverwege de film komen zij al tegenover elkaar te staan. Beiden trekken hun zwaard, maar ze staan te dichtbij elkaar om uit te halen. Het verschil in techniek is duidelijk zichtbaar, maar het is moeilijk uit te maken wie later – want dat voel je aankomen – de snelste zal zijn.

Wanneer de clans door zowel de ziende samoerai als de blinde masseur zijn uitgeschakeld en de dorpelingen zich opmaken voor hun bevrijdingsfeest, moet nog een van de hoofdrolspelers wijken. Ze hebben over elkaars snelheid gehoord en koesteren ontzag voor elkaar. Op een verlaten plek lopen ze op elkaar toe. De ziende samoerai trekt zijn korte zwaard en werpt die naar de blinde masseur, die het wapen met een buitengewone reflex afweert. Hier heeft de ziende samoerai het pleit eigenlijk al verloren. Maar hij is dapper, als een samoerai betaamt, en maakt zich gereed.

De ziende samoerai monstert de blinde masseur, grinnikt en brengt zijn hand net als zijn opponent omgekeerd naar het heft van zijn zwaard. De blinde masseur voelt het en haalt een truc uit, waarin een wijze les verborgen ligt. Hij brengt nu juist zijn hand op de klassieke manier naar het heft. Dat brengt de ziende samoerai van slag. Gaat die blinde masseur nu toch op de klassieke wijze zijn zwaard trekken? Nee, het is een afleidingsmanoeuvre. En in de laatste seconde van zijn leven leert de ziende samoerai nog net dat je altijd trouw moet blijven aan je eigen kunstenaarschap.

Haagsche Courant, vrijdag 11 maart 2005

Ich bin ein Doitser

alfred birney Sinds de moord op Theo van Gogh heb ik al honderd keer moeten lezen dat ‘de multiculturele samenleving op een mislukking is uitgedraaid.’ Zo lijkt het alsof er ooit plannen zijn gemaakt een multiculturele samenleving te scheppen. Ik kan me niet herinneren dat enig Europees land zich ooit als immigratieland heeft geprofileerd, zoals de USA of Australië dat ooit deden. Zeggen dat ‘de multiculturele samenleving op een mislukking is uitgedraaid’ klinkt als: ‘wij hebben ons best gedaan, maar jullie hebben er een zootje van gemaakt.’

Nou ben ik als columnist maar even niet zo dom om dat tegen te spreken, want straks is mijn brievenbus te klein. Maar ik kan natuurlijk wel voor mezelf spreken, dat schijnt momenteel nog wel te kunnen. Kijk: als de Duitse minister van Binnenlandse Zaken roept dat alle Turken die al lang in Duitsland wonen of er zijn opgegroeid zichzelf voortaan ‘Duitser’ moeten noemen, dan beginnen mijn hersenen te knarsen. En anders doet mijn geheugen mij wel in schateren uitbarsten.

Ik ben zelf een halve eeuw terug in Den Haag geboren. Met een Engelse achternaam en een Aziatisch uiterlijk. Hoe dat allemaal mogelijk was zal ik maar even achterwege laten, want voor die geschiedenis is zelfs de zaterdageditie van de Haagsche Courant nog te klein. Maar goed, mijn naam is Alfred Alexander Birney. Aangenaam.

‘Aangenaam, Mister Beurnie. Waar komt u vandaan?’

‘Uit Nederland.’

‘Ja, nee, ik bedoel waar u vandaan komt.’

‘Uit Ne-der-land. Ich bin ein eh… Holländer, ich meine: Niederländer.’

‘O, maar daar ziet u niet naar uit.’

Volgt een beknopte geschiedenisles van mijn kant, al duizend keer door mij herhaald, waar ook ter wereld. Ik kan nergens maar dan ook nergens zonder meer zeggen dat ik een Nederlander ben. Ik word namelijk beoordeeld op mijn kop. Als ik zeg dat mijn vader uit Nederlands-Indië afkomstig is, dan heb ik het over een kolonie die niet meer bestaat. Nou, daar wordt dan meteen Indonesië van gemaakt. En dan zegt de ander: ‘O, dus u bent Indonesisch.’

Ik kan nog wel een kwart eeuw doorgaan met dat geschiedenislesje van me, maar het blijft toch water naar de zee dragen. Zodra ik over de grens ben, noem ik mezelf ‘Eurasian’. Dan weten ze het ongeveer wel. Daar kom ik tegenwoordig het makkelijkst mee weg. Maar niet met ‘Nederlander’. Dat geloven ze alleen in Den Haag, de ‘weduwe van Indië’, die overigens ook haar beste tijd al heeft gehad.

Nou, ziet u die Turken uit Berlijn al aan de grens van Timbuktu zeggen dat zij ‘Doitser’ zijn? Ja? Nee, hè? Doitser! Die worden toch uitgelachen daar, joh. En in München ook.

Haagsche Courant, vrijdag 26 november 2004

Leeg = Leeg

alfred birney Vakantietijd. Relatieve rust in Den Haag. Het is toch steeds weer opvallend hoe Den Haag vrijwel leeg lijkt te stromen in de zomervakantie. Recessie of niet: de straten zijn verlaten, er zijn minder verkeersdoden dan anders, ondanks de jongste fatale steekpartij bij het eindpunt van tramlijn 2 worden er minder mensen overhoop gestoken, er worden minder vrouwen mishandeld en verkracht enzovoort. Het kan beter, maar het gaat nogal in de zomer.

Volgens een telling van het CBS telde Den Haag op 1 januari 2003 463.826 inwoners. Als je daar wat illegalen en overige gasten bij optelt, dan kom je op een half miljoen. Nou zou ik wel eens willen weten hoeveel inwoners Den Haag heeft gedurende de hondsdagen, die zoals u weet duren tot aan mijn verjaardag – nou die weet u allemaal wel hè? Volgens mij zitten we momenteel met 200.000 mensen inclusief toeristen in ons dorp, dat bestaat sedert 1248 toen graaf Willem II van Holland een kasteel liet bouwen aan een duinmeer, de huidige Hofvijver, – een dorp dat pas in 1806 onder Frans bewind zijn stadsrechten kreeg.

Maar daar wou ik het niet over hebben. Waar ik het over wilde hebben is die enorme leegloop als het weer een beetje tegen zit (en dat is meestal het geval). Een beetje internetreisbureau krijgt op een regenachtige dag een miljoen bezoekers te verwerken en die willen allemaal naar Turkije, Griekenland, Portugal, Brazilië, Thailand, Cambodja, Mexico, Mauritius of de Zuidpool (waar het veiliger is met die pinguïns dan op de Noordpool met die ijsberen). Het zij ze gegund, maar waar betalen ze het van? Een weekje Turkije last minute kost al gauw een bijstandsuitkering, met zijn tweetjes twee bijstandsuitkeringen. En wat is een gezin kwijt? Okay, je kunt er voor sparen, maar die toeristenkudde pakt dan ook nog in de winter effe een skivakantietje en tussendoor ‘nog effe wat zon in Tel Aviv’ of zo.

Aan het begin van de vakantie vroegen achterblijvers elkaar nog wel naar vakantieplannen, maar nu de boel duidelijk is, hebben achterblijvers iets berustends over zich gekregen. Velen kunnen een vakantie gewoonweg niet betalen en ze hebben er geen idee van hoe die anderen dat voor elkaar krijgen. Achterblijvers klagen niet, zelfs niet over de vervuilde zee, daar laten we onze vette baggerhumor op los, wat moet je anders.

Weet je wíe er klagen? Die straks terugkeren van die vakantieparadijzen, waar ze zich vet hebben liggen vreten en zuipen en vervelen. Klagen over hoe verschrikkelijk de prijzen weer zijn gestegen, hoe ze worden genaaid waar ze bijstaan, en dan roepen ze dat ze blij zijn dat ze weer thuis zijn. Maar moeten wij, trouwe dienaren des vaderlands, daar dan ook blij om zijn? Kunnen we niet even een noodwet in werking stellen waarmee we die klagers linea recta terug kunnen sturen naar waar ze vandaan komen? Leeg = Leeg. Ja toch?

Haagsche Courant, vrijdag 30 juli 2004

Alfred Byrnye / Hoe spel je dat nou?

alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week. Dat is namelijk fout. Alfred Birnie is mijn neef uit Twello, een grafische vormgever die overigens nogal eens voor de schrijver Alfred Birney wordt gehouden. De spelling ‘Byrnye’ die hopelijk boven deze column staat, is ook fout. In mijn geval dan. Het verschil met verleden week is dat een mij onbekend gebleven redactielid het nodig vond mijn naam van ‘Birney’ in ‘Birnie’ te wijzigen en dat deze week ik het zelf nodig vind. Even kijken hoe het met mijn vrijheid van columnist is gesteld. Er ging trouwens meer mis met mijn column verleden week, de tekst kreeg een dubbel slot, deels mijn eigen schuld, ik was vergeten het afgekeurde deel uit het document te wissen, dat stond tien witregels verderop, ik zat aan de whisky, of aan het bier, dat weet ik nu even niet meer.

De spelling van mijn achternaam Birney kent diverse varianten, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, Byrne en ga zo maar door. Dat iemand bij de krant, nadat het 229 columns goed is gegaan, aan de nota bene door mijzelf getypte achternaam is gaan morrelen, is mij een raadsel, maar goed, het is vakantietijd en de een gaat druiven plukken en de ander kruipt achter een pc in een half verlaten redactielokaal.

Wanneer schrijf je nou ‘Birnie’ en wanneer ‘Birney’? Nou, als je het over de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag hebt, neem je de eerste spelling en in het geval van de schrijver, columnist de tweede. Waarom? Omdat zij die namen zo gekregen hebben.

De naam schijnt oorspronkelijk uit het oude Ierland te zijn overgewaaid naar Schotland, naar verluidt als ‘Birnie’ (bright). Toen ergens in de negende eeuw na Christus drie Birnies, strijdend voor de Scoten, door de Picten gevangen werden genomen en zij met hun benen in een houtblok werden vastgezet, waren ze zo vermetel eigenhandig hun benen af te hakken en de strijd hinkend op één been voort te zetten. Kenneth the Second beloonde het drietal met een baronie in Elgin. Zo verkregen mijn verre voorouders een baronie bij Elgin. Op hun wapenschild prijken de obligate leeuw en helm. Het vaandel is bloedrood en wordt doorsneden door een wit erelint. Boven het lint staan pijl en boog afgebeeld. Eronder de drie afgehakte benen, achter elkaar aan wandelend in de richting waarnaar de pijl wijst.

In de twaalfde eeuw werd in de streek een kerkje gebouwd: Birnie Kirk. Het staat er nog steeds. De varianten op de spelling van de naam Birnie begonnen zo’n beetje aan het einde van de vijftiende eeuw, toen de Schotten whisky leerden stoken. Het bijhouden van de kerkregisters zou nooit meer een puur nuchtere aangelegenheid zijn. Dat de spelling vele eeuwen later ook in Nederland voor verwarring zorgt, zal hier het bier dan wel zijn.

Geweigerde column 16 juli 2004

Bevrijdingsfeest anno 2004

alfred birney Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei, de Duitse capitulatie in Nederland, en mijn Indische vader herdacht de 15e augustus, de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Wij, de kinderen, dienden te herdenken wat zij herdachten. En hoe. Ernstige smoelen trekken bij het luiden van afschuwelijke klokken. Maar de tijd is een zegen: de dingen krijgen een ander gezicht. Ik hoor ergens rap-muziek vandaan komen, ga naar buiten en kom op mijn gehoor bij het Koningsplein uit. Op een podium staan jongens van allerlei komaf over hun rauwe leven in Den Haag te rappen. Doen ze in het Nederlands, wow, dat is moeilijk. Ze schieten sigarettenpeuken de straat op, zuipen bier en claimen een redelijk leven in de Schilderswijk, waar ze zijn geboren. Ik hou van rap, het is de redding voor de poëzie. Verderop wordt door Hollanders vrolijk op Afrikaanse trommels geslagen terwijl aikidoka’s van een van de dojo’s uit de omtrek pauzeren met hun jassen over hun Japanse tenues, want het is fris. (Of een Japanse gevechtskunstdemonstratie op de 15e augustus bij het Indisch monument zou kunnen denk ik niet, al zijn de beste aikidoka-leraren uit Den Haag nota bene Indo’s: Peter Bacas en Francisca van Leeuwen.) Ik verlaat het Koningsplein en loop de Weimarstraat in. Op de kruising bij de Surinaamse toko en de Turkse tabaksboer is een breakdance battle op een verhoging aan de gang. Uit twee breakdance-groepen van elk ongeveer zes personen maken zich er steeds twee los om met elkaar een dansgevecht aan te gaan. Ze dansen om beurten op rapmuziek en proberen elkaar met adembenemende acrobatische toeren en mime de loef af te steken. Donkere jongens overheersen licht in aantal. Ik zie geen donkere meisjes, wel blanke. Een lange soepele blanke jongen met Slavische trekken valt mij op. Op zijn shirt staan de letters CCCP. Ik vraag hem of hij Russisch is en hij zegt: ‘Hoe weet je dat?’ Ze noemen hem Daan. Zijn stijl van dansen is zeer communicatief, de mime op zijn gelaat is superieur aan die van de anderen, ik zet mijn kaarten op hem. Een Aziaat demonstreert een groot acrobatisch vermogen, maar speelt soms vals door zijn opponent te storen in zijn dans. Wanneer na een ladies battle een van de Hollandse meisjes tegen een Mediterraanse jongen mag uitkomen, wordt het spannend. Het meisje opent uitdagend, maar fatsoenlijk. De jongen antwoordt met een obscene dansbeweging en wordt door de showmaster vermaand. RESPECT. Dat zegt hij. Dat woord zal als een mantra nog vaak worden uitgesproken door de breakdancers onderling. De breakdance battle eindigt in een strijd tussen Daan en alias ‘Latino’. De jury, die uit de serre op de eerste etage boven de Turkse tabaksboer hangt, laat het tweetal een extra ronde doen. Daan verliest van Latino. Misschien vond de jury die Russische danspasjes tussendoor wel te on-Amerikaans. Ze snappen het niet. Wij zijn toch ook door de Russen bevrijd?

Haagsche Courant, vrijdag 7 mei 2004

Funk van Candy of junk van Qaeda?

alfred birney Woah, het is alweer een tijdje terug dat het eerste North Sea Jazz Festival in Den Haag van start ging. Ik was een jaar of vijfentwintig en kreeg een beetje genoeg van popmuziek. Een vriend liet elpees van Billie Holiday bij mij achter en zo kwam ik bij de jazz terecht. Het was wel wennen aan die toeters, ik hou meer van snarenspel, maar van Lester Young kon je leren hoé je noten te kiezen in plaats van onnadenkend met toonladders goochelen. Lester Young was natuurlijk al dood, maar je kon Earl Coleman in die tijd nog live horen zingen, je stond dan met een man of tien naar dat geweldige chagrijn te luisteren. Het was rustig die eerste jaren in het Congresgebouw, ik zat eens te luisteren naar Larry Coryell met twintig man verdeeld over een paar honderd stoelen. Gezellig? Nee, maar die gozer speelde de sterren van de hemel. Later begon de organisatie met mainstreamspul meer mensen te trekken. Ik geloof dat ik de eerste zes afleveringen van het North Sea Jazz Festival heb bijgewoond en toen ben afgehaakt. Het werd ontzettend druk met mensen die eenmaal per jaar naar jazz kwamen luisteren en dan weer teruggingen naar de Zangeres Zonder Naam, heel vervelend allemaal, je moest urenlang een stoel bezet houden om je helden te kunnen zien. Ik had één held: Baden Powell, die zelfs door verkopers in speciaalzaken van jazzmuziek nog voor padvinder werd aangezien, als ze je al niet probeerden te verbeteren door te zeggen: ‘Je zal zeker Budd Powell bedoelen?’ Nee! Baden Powell de Aquinho! Tja, zijn vader was een fan van de stichter van de padvinders, poor boy die Baden Powell, net als die andere Braziliaantjes die naar Johan Cruyff, Mike Tyson en wie weet intussen naar Bill Gates worden vernoemd. Enfin, Baden Powell, meestergitarist, was de laatste die ik zag op het North Jazz Jazz Festival. Daar kon voor mij niets meer tegenop, geen Steps Ahead, Miles Davis, Candy Dulfer and what have you. Maar voor anderen toch wel? Moet het North Sea Jazz Festival werkelijk straks gaan verhuizen naar Rotterdam? Naar Ahoy? Is dat niet eerder iets voor Lee Towers? Gezeik op grootboekhouderniveau, hè? Er moet zeker voorrang gegeven worden aan Europol door de heren van TCN Property Projects met hun handel in kantoren, kantoren en kantoren. In Den Haag zetelt het Internationaal Gerechtshof, de OPCW, het Joegoslavië-tribunaal, we verlenen hosting aan Volkert van der G. in de gevangenis van Scheveningen, kortom onze gastvrijheid is grenzeloos, maar Nguyên Lê zullen we hier dan wel niet meer te zien krijgen. Wie dat is? Go ask those jazzfreaks! Die zakken weten dat zelf niet eens. Montreux maar doen? Berlijn? Tokio? Wat willen we hier? Funk van Candy of junk van Qaeda? Wanneer zou het bij ons volgens het Pentagon ook al weer onder water lopen? 2007? Gooi de trossen los op de daken van uw huizen en zing bee-doo-bee-doo-wah! Our Ultimate North Sea Jazz Festival! Yeah!

Haagsche Courant, vrijdag 19 maart 2004

Spoelwet

alfred birney Zo, dus de FC Den Haag, nee ik bedoel ADO, eh nee ADO Den Haag heeft nu ook een Japanse kanjer. Ik dacht eerst even dat ik las ‘Japanse karper’ (= koi) en vroeg me meteen af of die karper de ooievaar op de spelershirts zou vervangen en welke kleur die vis dan wel niet zou hebben, of dat de middenstip misschien was vervangen door een rond vijvertje waarin de koi vredig kon zwemmen ter lering ende vermaeck van voetbalvandalen. Maar nee, we hebben hier dus echt van doen met een ‘Japanse kanjer’. Zijn naam is Kazu Toda. Hij was die speler met die rode kuif, zeg de Koi van het Japanse team, tijdens het WK van Hiddink weet u wel. Het opmerkelijkste wat over Toda’s lippen kwam bij de eerste persconferentie in het Haegsche is dat zijn appartement een bad mist. Leuk, hè? Nou zijn de verschillen in badcultuur tussen Holland en Japan al zo’n 400 jaar bekend, er is uitgebreid over geschreven in een megaseller als Shogun van James Clavell, maar een Japanner het hier naar de zin maken door zoiets eenvoudigs als een bad, nou nee, dat zal nog zo’n 600 jaar duren, denk ik. Gut, straks stuurt ADO een gedelegeerde naar de voetballende Karper om hem uit te leggen hoe ie een washandje moet gebruiken, wah! Kan ie van schrik niet meer voetballen tot zeg de laatste wedstrijd voor degradatie naar de flutdivisie.

Ik maak effe een sprongetje naar de Indische mensen die met 300.000 naar Holland werden verscheept in de jaren vijftig. Beetje link dit, want er zijn oudere Indische mensen die terstond mata gelap (oog rood = woedend) worden als ze in één adem met een ‘Jap’ (Jap = zoiets als Mof) worden genoemd. Maar ik begon dit sprongetje toch netjes met een nieuwe alinea, niet? (Voor wie werkelijk niet weet waar ik het over heb: zet die teevee eens uit en lees een geschiedenisboek, desnoods eentje van Bosma en Raben).

Goed, sprong gemaakt. Nou, die Indische mensen die keken zich hier de ogen uit het hoofd. Wat bleek? Hun Hollandse voorouders bedienden zich op het toilet van papier! Smeercultuur, wah! Indische mensen daarentegen hadden een spoelcultuur. In het eenvoudigste geval bedienden zij, en bedienen zij zich van de fles om hun achterste mee te spoelen. Spoelcultuur, ya! (Botol cebok = mencebok met fles.) Die vergaten onze dominee Multatuli en onze dandy Couperus helaas te beschrijven in hun romans en met echte Indische romans vegen onze ‘grote’ recensenten in Damsko zich de gat af, tja, ach, al, sudah laat maar.

Of ADO inmiddels niet al een klusjesman op onze Japanse Karper heeft afgestuurd om een bad te plaatsen zou ik niet weten. Maar nu ik het er toch over heb… eh, is het niet mogelijk dat er een Spoelwet komt, waarin staat vermeld dat elke verhuurder verplicht is voor Indische mensen een sproeiertje in het toilet te monteren? Laat geen sporen na. Is Indisch.

Haagsche Courant, vrijdag 30 januari 2004

Pollmans evangelie voor de Indo

alfred birney Tessel Pollman schreef ooit recensies over boeken van Indo’s en Molukkers, voor wie ze een lans brak. Jammer dat ze verdween. Jammer dat ze weer verscheen, namelijk in een gastcolumn op de website van het NIOD. Dat instituut voor oorlogsdocumentatie is een onderzoeksprogramma gestart om de geschiedenis van Indië naar Indonesië in een breder kader te kunnen plaatsen. Kritiek van Indo’s doet TP zich thans opwerpen als de evangeliste van Het Redelijke, opdat haar voormalige doelgroep zich vermag te verzoenen met haar lot. Amen. Allereerst doopt TP Indo’s terug tot Indo-Europeanen, zoals men hen van overheidswege aan het einde van de negentiende eeuw is gaan noemen. TP zit intussen namelijk bij het Ministerie van OC & W en is daar een ander taaltje gaan spreken. Volgens TP zouden nogal wat Indo’s in wrok leven jegens de Indonesiër en de Nederlander, omdat ze zich verbannen voelen van hun geboortegrond. TP schopt een open deur in door te zeggen dat niet alleen Indo’s ellende hebben gehad tijdens de Japanse bezetting. Het centraal stellen van Indo’s in een geschiedschrijving over de dekolonisering vindt zij dus ‘onwerkelijk’. Nou zijn dergelijke boeken, van Nederlandse historici, zeer recent en op één hand te tellen, maar TP vindt het wel weer genoeg. Open deur numero 2: Indo’s vormden geen hechte samenhangende gemeenschap. Maar ze werden wél ooit tot groep gebombardeerd. En door wie ook weer? Is mevrouw TP wakker? Er is geen Indo die beweert dat zijn geschiedenis losstaat van Europa en Azië. TP wekt de indruk dat Indo’s dat wel doen en richt haar Nieuwe Brede Vizier op overige groepen in Indië, waarmee ze toont helemaal niets van perspectief in geschiedschrijving te begrijpen. Geschiedenis is een belichting, het is de complete waarheid niet. Nooit. Nergens. Als je zegt dat Indo’s geen hoofdrol maar een bijrol speelden in de geschiedenis, dan betekent dat niet dat zij geen geschiedenis hebben. Het betekent hooguit dat hun geschiedenis moeilijk valt te begrijpen. Heeft TP ooit geschiedenisboeken van de hand van Indonesiërs gelezen? Die hebben maling aan wat Nederlanders over hen schrijven. Wat Indo’s schrijven, vinden ze intussen wél interessant. Hoe zou dát nou komen? TP doceert dat de ‘inheemsen’ van toen niet meer dan decor waren in de boeken van de Hollanders. Klopt. Maar níet in boeken van Indo’s. Die werden alleen genegeerd in de pers. In de boekenlawine van Hollanders over de kloof tussen hen en ‘de Javaan’ is de laatste behalve decor ook nog een romantisch ideaal. Indo’s sloegen bruggen over die kloof, maar ja, de Hollanders gingen liever zwemmen. En verzuipen deden ze, slecht geïnstrueerd door ambtenaren die dachten Nederlands-Indië vanuit Den Haag te kunnen besturen. Dat is hun geschiedenis, die van de domme arrogantie. Probleem voor de Indo’s is daarmee te moeten leven.

Haagsche Courant, vrijdag 8 augustus 2003

Reisadvieshysterie

alfred birney Gemopper over negatieve reisadviezen na de aanslag op Bali bereikt voorzichtig aan de Aziatische pers. Die is er niet snel mee, daar is men te beleefd voor, maar het gemor klinkt al veel langer op straat. De e-zine e-borneo.com vindt dat Amerika de regering van Maleisië eerst had moeten inlichten over het zich almaar uitbreidende negatieve reisadvies voor de regio Zuid-Oost Azië. De FBI en CIA willen hun inlichtingen niet prijsgeven, dat wordt begrepen, maar de mensen in Maleisië zouden wel graag vernemen wat er nou eigenlijk zo onveilig is aan hun land. Voor de beruchte elfde september had Maleisië al ingestemd met samenwerking met Amerika aan een antiterrorismecentrum. Amerika kan inmiddels moeilijk volhouden dat het in Maleisië gevaarlijker is dan in New York. Zelfs voor avonturiers die enkel door de jungle willen trekken op zoek naar neushoorns, krokodillen, olifanten en de gevlekte panter is het minder gevaarlijk dan zeg het verkeer in New York, om over bepaalde stukken in de metro maar te zwijgen. Europeanen weten dat en laten zich minder snel bang maken. In Maleisië begint men zich nu verbitterd af te vragen of de reisadvieshysterie van de Amerikanen op zich al niet als een vorm van terreur moet worden beschouwd. Immers Amerika zaait net zo veel angst als de terroristen zelf. ‘Laat anders Amerika zijn onderdanen waarschuwen voor elke beweging buiten de eigen grenzen, in plaats van hen te zeggen waar ze wel en niet kunnen gaan en staan.’ Lijkt me redelijker voor een volk dat Den Haag op Bikini zou zoeken.

Haagsche Courant, vrijdag 29 november 2002