Treinspoor naar het dak van de wereld

het spoor naar tibet China is hot. Tibet is cold, ook wanneer er toeristen worden toegelaten. De grote Chinese leider Mao liet ruim een halve eeuw terug twee wegen aanleggen naar de woeste hoogten van een van de geheimzinnigste gebieden ter wereld. Voor elke kilometer viel een arbeider dood neer, maar een kniesoor die daar op lette. Wat hadden de Chinezen eigenlijk te zoeken in dat hoge, bijkans onherbergzame Tibet met zijn gevreesde hoogteziekte, die alleen Tibetanen kunnen weerstaan?

De Amerikaanse antropoloog Abrahm Lustgarten wijdde er een boek aan. Het is vertaald door Gerrit Jan Zwier en houdt het midden tussen een reisverslag, een antropologisch onderzoek en journalistiek. Centraal staat de aanleg van een spoorlijn in de huidige eeuw over ruim 1100 kilometer naar het dak van de wereld. Alleen Chinezen, met hun traditie van spoorwegen aanleggen, halen zich zoiets in hun hoofd. Er moest veel, heel veel voor het plan wijken. Zesduizend kloosters werden vernietigd, om maar wat te noemen. Toeristen die zich mogen vergapen aan gouden boeddha’s, bekijken replica’s van wat ooit door de Chinezen werd geroofd en omgesmolten. Dat wordt hen natuurlijk niet verteld.

Hoewel Lustgartens sympathie uitgaat naar de onderdrukte groep, komt hij ook met enkele boeiend geschreven portretten van Chinezen die met de bouw van de enorme spoorlijn te maken hadden. Het zijn de prettigst leesbare stukken. De politiek staat immers ver van de gewone mens af en kan dan ook bijna niet anders dan droog worden neergepend. Zoals de vroege bemoeienis van de Engelsen met het gebied en de actieve rol van de Amerikaanse CIA, die de Tibetaanse guerrilla’s trainde maar tegelijk de Chinese heerschappij over Tibet officieel erkende.

De expansiedrift van de Chinezen gaat niet alleen om Tibets ijzererts en overige delfstoffen. De krankzinnige goudkoorts die maandelijks honderdduizend Chinezen naar de trein doet hollen, maakt van de hoofdstad Lhasa een protserig en poenig oord van kitsch en hoererij, waar Tibetaanse kinderen in een wereld van gadgets hun eigen taal niet meer zuiver spreken.

Nog geen twee jaar geleden was de Qinghai-Tibetspoorlijn opeens gevuld met soldaten van het Volksbevrijdingsleger. Die zou buitenposten van het Indiase leger aan de betwiste grens met Arunachal Pradesh hebben vernietigd. Oorlogen zullen in de toekomst om water gaan en beide enorme landen zijn afhankelijk van wat er uit de Himalaya omlaag stroomt.

Lustgarten lijkt al zijn kennis over Tibet in dit ene boek te hebben willen proppen. Gevolg is dat na vele bladzijden over die ene krankzinnige spoorlijn er in hoofdstuk 10 opeens een hypermodern vliegveld in Lhasa uit de hemel komt vallen. Door een overvloed aan details is dit boek niet direct geschikt als vakantielectuur. Maar daar is het ook niet voor bedoeld. Het is maar dat u het weet.

Auteur: Abrahm Lustgarten
Titel: Het spoor naar Tibet.
Paperback, aantal pagina’s 320 (met noten)
Uitgever: Atlas
Prijs: € 24,90

© 2009 Alfred Birney. Deze recensie verscheen eerder verkort en geredigeerd in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 6 juni 2009 onder de titel Met de trein naar Tibet.

Strafkamp Aarde

alfred birney In Genesis 6:1-4 staat een van de raadselachtigste zinnen uit de Bijbel: “De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.”

Het woordje ‘daarna’ verwijst naar de Zondvloed, die ongetwijfeld momenteel door fundamentalistische christenen met de jongste tsunami in verband zal worden gebracht. Niet hardop, dat past niet bij de huidige massale hulpverlening, die over de grenzen van alle religies heen stapt. Kan de politiek wat van leren. Of helemaal niets. Politiek is immers berekening.

Laat ik de Zondvloed als oer-tsunami even vergeten. Wie waren die reuzen dan? Wanneer waren ze eigenlijk gekomen? En hoe? Met ruimteschepen? En wanneer vertrokken ze van hier? Er is veel over geschreven, gedebatteerd, gebakkeleid, kortom: gefantaseerd. In mijn donkerste ogenblikken koester ik de fantasie dat de reuzen van een andere planeet waren, die de opdracht hadden het grootste tuig uit het universum, mensen genoemd, maar op Strafkamp Aarde te dumpen.

Ja, we zijn maar mensen. Nog geen week na de ramp in Zuid-Oost-Azië wordt de eerste opblaasbare tsunami al aangeboden. Kunnen de kids lekker glijbaantje op spelen. Je kunt er donder op zeggen dat nu al een schrijversteam aan een Hollywoodscenario werkt, want de poen die de VS uitgaat moet er ook weer binnenkomen. Maar dergelijke commerciële streken zijn oneindig doorzichtiger dan de duistere breinen van politici op het wereldtoneel. De Duitse bondskanselier denkt investerend, wat dacht je. Onze minister van Binnenlandse Zaken Remkes doet dat juist niet, Colin Powell weer wel, tamelijk geloofwaardig ook nog, gezien zijn uitspraak dat zelfs hij als oorlogsveteraan nooit eerder zo’n ellende heeft aanschouwd.

Enige verholen ergernis is er over de onvoorziene hulp uit China. De Chinezen zouden iedereen maar voor de voeten lopen. China maakt een economische groei door die de wereld op zijn kop gaat zetten, dus het land begint zich gaandeweg te manifesteren. Zuid-Oost-Azië is als afzetgebied niet langer alleen aan Japan voorbehouden, zelfs Noord-Korea laat zich niet onbetuigd met de hulpverlening.

Niet alles is berekening natuurlijk. Vele mensen zijn geroerd. Dat duurt niet lang. Emoties zijn als golven. Emoties kunnen hele naties in beweging brengen voor kortetermijnhulp aan volkeren die in ellende zijn gedompeld. Gevoelens zijn als stromen, kalmer maar aanhoudender. Een blijvende en eerlijke verdeling van de welvaart over de hele wereld zou nog mooier zijn dan wat nu gebeurt. Dat krijgen wij mensen niet voor elkaar, wij vergeten snel. Kwamen de reuzen maar weer terug op aarde. Een bovenmaanse wereldregering zou een zegen zijn.

Haagsche Courant, vrijdag 7 januari 2005

Amerika blijft maar ontdekt worden

alfred birney Blijft een thema hoor, de ontdekking van Amerika. Historici en overige babbelkousen raken er maar niet over uitgepraat. De beroemdste ontdekker van Amerika is natuurlijk Columbus, maar er wordt ook gefluisterd over koning Abukari II van Mali, de Vikingen en de Chinese eunuch en admiraal Zheng He. De vraag: wie ontdekte Amerika? Antwoord: de oorspronkelijke bewoners. Maar die tellen niet mee. Schande, niet? Columbus noemde hen Indianen omdat hij dacht in Indië te zijn aangekomen. Amerigo Vespucci ontdekte de vergissing en kaartenmakers besloten het werelddeel tussen Europa en Azië dan maar Amerigo te noemen.

Even het rijtje af. Duizend jaar geleden waaierden de Vikingen uit op hun snelle schepen. Varen konden ze goed, navigeren wat minder en zo zou Leif Eriksson per ongeluk in Noord-Amerika terecht zijn gekomen. Hij noemde het land Vinland en er zouden veel druiven groeien. Maar toen in 1960 archeologen op New Foundland resten van Vikingdorpen vonden, zagen ze geen druiven hangen. Vaag verhaal dus.

Dan koning Abukari II van Mali: een machtig rijk in de middeleeuwen, maar te saai voor Abukari. In 1311 deed hij vrijwillig afstand van de troon en ging met 2000 schepen op ontdekkingstocht. Wetenschappers uit Mali gebruiken Egyptische teksten voor de bewijsvoering die hem tot ontdekker van Amerika moet maken. Wat deze wetenschappers mee hebben is dat Columbus in 1492 zwartgetinte handelaren aantrof in Amerika. Columbus’ kracht indertijd was dat hij Indianen als levend bewijs meenam terug naar huis. Chemisch onderzoek van veel later op speerpunten van Indianen wijzen in de richting van goud uit West-Afrika.

Revolutionair is de stelling van amateur-historicus en ex-onderzeebootkapitein Gavin Menzies. Deze Brit verdedigde in de Royal Geographic Society te Londen met verve zijn stelling dat de Chinese moslim Zheng He tussen 1405 en 1433 zeven wereldreizen ondernam en met een vloot van honderd enorme schepen de zeeëngte van Baja Californië bereikte. Maar ging hij er aan land? China zou nog voor de dood van Zheng He zijn maritieme roeping afzweren en alle kaarten van hem hebben verbrand. Een paar kaarten zouden echter door de ontdekkingsreiziger Nicolo da Conti worden gered en in Venetië en Portugal terechtkomen.

Zes eeuwen na Zheng He wordt Amerika voor de zoveelste maal ontdekt. En hoe. Dit keer door de islamitische terreurgroep Jamaat al-Tawhid al-Islamiya. Die is erachter gekomen dat Amerika onder meer in Nederland ligt, en dreigt daarom met aanslagen tegen Nederland als het zijn troepen niet terugtrekt uit Irak.

Tja, Amerika ligt inmiddels overal. Dat voorzagen de Chinezen al in de tijd van Zheng He. Wijze lui, met buitenaardse wezens als hun adviseurs. Helaas nogal dol op boekverbrandingen. Bang om te worden ontdekt zeker.

Haagsche Courant, vrijdag 20 augustus 2004

Zus Soemini

alfred birney Zus Soemini was jarig, ik bedoel haar warung was jarig. Hollandse restaurants vieren hun zoveeljarig bestaan, maar de warung van Zus was dus jarig. Ze werd vijf. Nogal roerige jeugd, vijf inbraken in drie jaar tijd. Haar warung, op de hoek van de Weimarstraat en de Franklinstraat, had een volglazen deur van een Jamin-zaak geërfd en gemeenteambtenaren wilden dat onding met die pompeuze nepgouden deurknop behouden voor ons armzalige cultuurgoed. Er vliegt een steen doorheen, inbrekers nemen een paar duiten mee en Zus zit met een paar duizend gulden schade. Glazen deur hersteld, weer een steen erdoorheen, inbrekers kapen een doos AA-sportdrank en na een derde inbraak kan de deur niet meer gerepareerd. Maandenlang moet Zus het stellen met een deur van sinaasappelkistjeshout, terwijl gemeenteambtenaren zich buigen over de richtlijnen inzake het straatbeeld. Na veel bureaucratische soesa heeft Zus nu een glazen deur met sponningen, iets tussen Jamin en ABN-AMRO in, met het zegel van onze gemeenteambtenaartjes. Ze kwamen niet eten op de verjaardag van de warung. Ik zou ze stellig hebben herkend. Humorloos type, zuinige lolliemondjes en een historisch besef dat niet verder teruggaat dan de deuren van Jamin: een snoepwinkelketen die ooit hele legers tandartsen wist te mobiliseren. In mobiliseren is Nederland altijd goed geweest, met name in verband met slavernij en ronselarij. In de periode van 1890 – 1939 werden ruim 30.000 Javaanse contractarbeiders van Nederlands-Indië naar Suriname verscheept, waar de slavernij in 1863 was afgeschaft en de ‘vrije slaven’ en masse naar Paramaribo waren getrokken. Het ontstane tekort aan arbeidskrachten had men eerder geprobeerd te dekken met Portugezen uit Madeira en Chinezen uit Java en, onder handjeklap met de Engelse regering, met Hindoestanen uit Brits Guyana. De aanwas van Javanen stopte bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Een derde van hen keerde na de oorlog terug naar Java. De onafhankelijkheid van Suriname in 1975 dreef groepen Javanen met Hindoestanen, Creolen en Chinezen naar Nederland. De Javanen hebben nog het meest weg van Indo’s, je hoort ze het minst van allemaal. Beetje broertjes en zusjes, zo voelt dat voor mij. Daarom noem ik de eigenaresse van Warung Soemini ‘zus’. Ze werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Als ze eens vakantie heeft gaat ze naar Jakarta, waar ze nog familie heeft wonen. Misschien zit er nog een oudje bij die zich destijds niet door de Hollanders in de maling heeft laten nemen met een armzalig contractje voor ontberingen op zee en harde arbeid op de plantages, allemaal onder het toeziende oog van Hollandse gouverneurs van het slag dat nu mag bepalen aan welke eisen een deur van een Javaans-Surinaamse warung moet voldoen. Hogere functies vereisen geen bijzonder talent maar een mentaliteit, begrijpt u?

Haagsche Courant, vrijdag 21 mei 2004

Kutmarokkanen

alfred birney Onze kutmarokkanen (jargon van de een of andere PVDA-lul) hebben het moeilijk. Als een van hen ergens een steen door een ruit gooit, dan hebben alle Marokkanen het hele Westland aan diggelen gesmeten. Mijn buurjongens hebben baantjes waar de eerste de beste Hollandse ex-gedetineerde zijn neus voor zou ophalen en noemen zichzelf lachend kutmarokkanen. Want wie zo de hoek in wordt gedrukt, die zoekt zijn redding in zelfspot. Marokkanen zijn openlijker tegen mij dan tegen een blanke Hollander, omdat ik Indisch ben en zij zich dan wat veiliger voelen. Op de sportschool waar ik de kunst der zelfverdediging beoefen, zitten twee Marokkaanse jongens van even in de twintig bij mij in de groep. Een van hen kreeg op school economieles van een vriend van me, studeert nu informatica en hoopt op een aardige baan later. De ander is afgestudeerd in bedrijfskunde maar werkt nog steeds bij een benzinepomp omdat, zo denkt hij, men hem niet moet als Marokkaan. Hij vraagt me of ik een goed woordje voor hem bij de krant kan doen, want hij denkt dat die dingen hier zo werken. Na de training gaan ze nooit mee naar het café aan de overkant. Ze zeggen dat ze vroeg op moeten, maar het kan ook zijn dat ze zich er niet echt welkom voelen. Marokkanen wordt op grote schaal de toegang tot cafés, discotheken en sauna’s geweigerd, ook wie eerder werd toegelaten, zo meldden de kranten onlangs. Vreemd voor een bevolkingsgroep die zijn best doet zich te mengen in het Nederlandse leven. Marokkanen vinden het bepaald onfatsoenlijk dat Turken gewoon in hun eigen taal verder praten wanneer een Hollander binnenkomt. Marokkanen gaan meteen in het Nederlands verder, zodat de Hollander weet waar ze het over hebben. Chinezen beginnen ook niet met elkaar in het Nederlands te praten wanneer er een Hollander binnenkomt. Laat die Hollander nou juist een stuk minder afgeven op Chinezen en Turken dan op Marokkanen. Ooit luidde het zinnetje over ‘buitenlanders’: ‘Ze leren niet eens fatsoenlijk Nederlands praten.’ Dat cliché ligt dus in de prullenbak. Je zou onderhand bijna gaan denken dat Hollanders buitenlanders liever helemaal níet verstaan. Terug naar Nederlands-Indië dan maar, met voor elke bevolkingsgroep een apart register? In Indonesië vind je daar nog sporen van terug. Indonesische Chinezen dienen speciale persoonsbewijzen te kopen en te overleggen, al zit hun familie al zeven generaties daar en spreken ze geen woord Chinees. Dat gedoe hadden ze al toen de Hollanders er de scepter zwaaien. Als je ook nog bedenkt dat de Hollanders met hun mensen = handel verantwoordelijk zijn voor enorme migratiestromen, dan moet je toch concluderen dat er al eeuwenlang iets fundamenteel mis is onder dat zogenaamde tolerante denken van ze. Maar goed, het woordje tolerantie is meen ik verleden jaar uit het woordenboek geschrapt. Tjonge, wat een zelfbewustheid toch opeens.

Haagsche Courant, vrijdag 20 juni 2003

SARS en de Marathon

alfred birney Terwijl neokoloniale High-Tech-cowboys naar biologische wapens zoeken in Irak, vinden ze per ongeluk olie. Gut, hadden ze toevallig net nodig in Amerika, dat in zijn eentje een kwart van de grondstoffen op aarde verbruikt om de hamburgerdemocratie te kunnen vetmesten. En terwijl de oud-koloniale Low-Tech-boeren hier te lande naar besmette kippen zoeken, dekt men zich te Rotterdam in tegen een aanval van Chinese biologische zelfmoordcommando’s.

Hebben die organisatoren van de marathon van Rotterdam hun opleiding in New York gekregen of zo? New war, new paranoia! De uitnodigingen voor de vrouwen Ying-Jie Sun en Jin Li worden bruusk ingetrokken. Deze serieuze kandidates voor de eindzege mogen thuisblijven in dat SARS-land van ze. En anders moeten ze maar in Noord-Korea gaan lopen over de terreinen van verdachte kernreactoren.

‘De overige atleten zouden erg gestresst kunnen raken van Chinezen in het hotel,’ wauwelde de woordvoerder van het organisatiecomité. Wie weet lispelde hij nog off the record dat álle Chinezen thans dubieuze wezens zijn in de straten van Rotterdam. Geef meneer een ministerspost vreemdelingenzaken in een leefbaar kabinet en er komt geen Chinees ons vreedzame SARS-loze landje meer binnen. Het organisatiecomité zou desgevraagd ongetwijfeld de koorzang hebben aangeheven dat ‘onze Chinezen’ zelf ook bang zijn SARS op te lopen. SARS is immers het gesprek van de dag in hun Chinatowns, niet de oorlog in Irak. Chinezen vliegen veel in die Yankee Boeings, begrijpt u, met die ziekmakende airconditioning van niks boven die kleffe hoofdsteunen. Mensen uit Afrikaanse landen doen dat weliswaar ook, maar AIDS is Amerikaans, dus dat zit wel goed, dat is friendly fire.

Wat een kansen we al niet missen. Welke marathonatleet blijft er nou achter een SARS-loper hangen? Weg kans op toptijden van atletes die zich het vuur uit de sloffen lopen om de SARS-lopers voor te blijven en geen bacillen te hoeven snuiven. Weg vrachtvluchten met onze zieke kippen tegen een vriendenprijsje voor die toch al zieke SARS-lijders in China.

Boze tongen fluisteren dat het Severe Acute Respiratory Syndrome is ontstaan door het vrijkomen van chemicaliën bij de fabricage van biologische wapens waarmee de Chinese oorlogsmachine zou experimenteren. Is dat waar, dan kunnen Bush en zijn trawanten China als vijfde poot aan de as van het kwaad toevoegen. Pentagonischer kan niet. Kan nog gezellig worden op aarde.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 11 april 2003

Indische anekdotes

alfred birney Ze zeggen dat Indo’s altijd te laat zijn. Mwah. Ik was maar anderhalf jaar te laat voor de verlenging van mijn rijbewijs. Gaat wel. Ik sta aan het loket om mijn eurootjes te storten voor een herbewijs van mijn rijvaardigheid, staat er een andere Indo naast me aan het loket om zijn paspoort op te halen. Beetje een net type, niet zo casual als ik. Hij bekijkt het product dat hem zo-even is overhandigd en zegt: ‘Ho, wacht even, ik bén helemaal geen 1 meter 70!’ De loketbeambte vraagt: ‘Hoelang bent u dan?’ ‘Ik ben 1 meter 72!’ ‘Nou,’ zegt de loketbeambte, ‘dat scheelt toch weinig? Het ligt er maar aan, waar u vandaag of morgen op loopt, op gympen, laarzen…’ Ik neem mijn ‘broertje’ eens van opzij op en zie hem al denken: ‘die vent denkt zeker dat ik aan linedancing doe.’ Hij loopt roodbruin aan maar besluit het document toch te accepteren. Zal-ie wel moeten, wie zeikt er nou over twee centimeter? Nou ja, het hangt er maar vanaf wat je meet, hè?

Later, bij de toko op de Markthof, waar je veel Chinezen en Indo’s ziet, zwaait een ander ‘broertje’ naar me. Ik herken hem niet maar begin een praatje. Hij blijkt te zijn afgekeurd voor zijn werk vanwege rheuma. Kassian zeg, dese! Soms zoekt-ie de warmte op in de tropen, dat helpt dan even. Zo zat hij verleden jaar bij een kapper ergens in Jakarta en las er een vertaald verhaal in Femina, een soort Indonesische Cosmopolitan. Enfin, hij heeft het verhaal uit, leest de naam van de schrijver eronder en denkt: verrek, die fen ken ik! Nou, dat was ik dus. Maar wie was hij nou?

Haagsche Courant, maandag 4 november 2002

De elfde

alfred birney Het zou wat zijn als president Bush vandaag met literatordictator Saddam een robbertje ging knokken in een boksring ergens in Moskou. Ik denk dat Bush een gevaarlijke uppercut heeft en Saddam een snelle frontkick. Ze kunnen natuurlijk ook samen ergens gaan Chinezen in Sjanghai. Saddam zal dan wel geen speenvarken lusten en Bush geen bamboescheuten. Samen picknicken op Bikini is een aardig alternatief. Ieder met zijn eigen koelbox met lekkernijen. Bush, kluivend aan een kwartel, kan Saddam, kauwend op een dadel, op de man af vragen: heb jij het gedaan? En Saddam zal zeggen: nee, ik heb het niet gedaan. Enige raadslieden zullen Bush in het oor fluisteren dat het wel kan kloppen, wat Saddam zegt, immers: de daders van de aanslag op de elfde september 2001 Anno Domine zijn samen met hun slachtoffers de vernieling in gegaan en vieren thans in Hemel Numero zoveel in Penthouse Duizend-en-een-nacht hun overwinning. Of ze branden in de hel, indien de christenen het gelijk aan hun zijde hebben. Hoe de zaken inmiddels er op aarde voor staan weten we. Bush roffelt onophoudelijk op zijn New War-trom, terwijl hij toch een ouderwetse invasie voorbereidt. Saddam zapt dagelijks naar CNN en laat zijn mannetjes proefnemingen doen met lachgas, zodat hij de vijand LIVE & LOL de dood in kan zien gaan. Wij eenvoudige burgers kunnen van alles denken, maar we weten niet wat er zich achter de schermen afspeelt. Ook de informatie bij eenvoudige staatshoofden houdt natuurlijk ergens op. Graancirkels, UFO’s, de Bermudadriehoek… De Chinezen?

Haagsche Courant, woensdag 11 september 2002

Zwarte lijst

alfred birney Ziezo, de zwarte lijst is gepubliceerd. Hier heeft de burger lang op gewacht, naar verlangd, naar gesmacht. Het introotje ‘ik ben echt geen racist hoor, maar…’ was toch al aan slijtage onderhevig, nu kan de burger gewoon volstaan met te verwijzen naar de lijst die is opgesteld door het Korps Landelijke Politiediensten in opdracht van het ministerie van binnenlandse zaken. Men wringt zich in vele bochten om het vooral geen ‘etnische lijst’ te noemen. Vergeefs. Zo’n lijst nestelt zich in vereenvoudigde vorm voor jaren in het geheugen van de burger: het grootste tuig zijn de Antillianen (seksueel geweld en drugs), op de voet gevolgd door de Marokkanen (openbare geweldpleging en drugs). Joegoslaven zijn ook geteisem (bankovervallen) en Oost-Europeanen denken dat verkrachten gelijk staat aan een meisje versieren. Met de Turken valt het nog wel mee, al zijn dat proleten in het verkeer. Nederlanders (blanken) doen een beetje aan vernieling, wildplassen en te hard rijden. Mwah, gaat nogal. Eens in de 100 jaar knalt een zot een prins neer, maar daar blijft het verder dan ook bij. Nou, met dit stereotiepe beeld kan de burger weer even vooruit. Interessanter is het de lijst eens om te draaien. Dan zie je dat Indonesiërs bovenaan staan op de lijst der schone handen. Die komen uit het grootste moslimland ter wereld, om maar even wat te noemen. Over Chinezen hoor je helemaal niks. Die houden de criminaliteit binnen de eigen gelederen. Dat telt niet… Kortom: misdraagt zich u naar believen, maar dan wel binnen uw eigen soort.

Haagsche Courant, maandag 12 augustus 2002

Strandbeeld

alfred birney Lijn 11 heeft de eer het gekkengetal te dragen, u weet wel: het 11e huis dat wordt geregeerd door Uranus, die elke Waterman een tik van de molen geeft. Voor wie geen gevoel heeft voor astrologie, niet getreurd: ooit kreeg lijn 11 langs de ‘Woeste Hoogte’ regelmatig een tik van straatstenen die hangjongeren wierpen. Die Scheveningse wijk is nu met de grond gelijk gemaakt, de mensen zijn verdreven. Hier en daar weigeren mensen te vertrekken. Gelijk hebben ze, die asociale woningcorporatie had de boel heus wel kunnen opknappen. Maar ja, men wil zakenmannetje spelen sinds de overheid geen miljarden meer in die schimmige corporaties pompt. Enfin, het strand krijgen ze er niet weg, tenzij het B-kabinet besluit een snelweg langs de vloedlijn aan te leggen, platforms voor woningen boven zee, een vliegveld aan de kim en zo meer. Eer het zo ver is en de asteroïde 2002 NT7 kosmische stenen over de zeevilla’s strooit, stappen we nog lekker de gekkentram uit (wordt thans bestenigd langs de Schilderswijk door kids die daar rondhangen) en dansen we de zebra over naar een kleurrijk stuk strand. De tijden zijn voorbij dat alleen Hollanders zich in zee waagden. Nu poedelen ook Surinamers, Marokkanen, Turken, Antillianen, Latino’s, Chinezen en wat al niet meer in het lekkere koele water rond. Als dat zich gaat vermengen, wordt Nederland een klein Brazilië. Sex-appeal en topvoetbal. Jammer dat op Turkse vrouwen een embargo rust, om even een groep te noemen. Maar dat gaat wel over. Geen heilig boek die de liefde klein krijgt.

Haagsche Courant, woensdag 31 juli 2002