Treinspoor naar het dak van de wereld

het spoor naar tibet China is hot. Tibet is cold, ook wanneer er toeristen worden toegelaten. De grote Chinese leider Mao liet ruim een halve eeuw terug twee wegen aanleggen naar de woeste hoogten van een van de geheimzinnigste gebieden ter wereld. Voor elke kilometer viel een arbeider dood neer, maar een kniesoor die daar op lette. Wat hadden de Chinezen eigenlijk te zoeken in dat hoge, bijkans onherbergzame Tibet met zijn gevreesde hoogteziekte, die alleen Tibetanen kunnen weerstaan?

De Amerikaanse antropoloog Abrahm Lustgarten wijdde er een boek aan. Het is vertaald door Gerrit Jan Zwier en houdt het midden tussen een reisverslag, een antropologisch onderzoek en journalistiek. Centraal staat de aanleg van een spoorlijn in de huidige eeuw over ruim 1100 kilometer naar het dak van de wereld. Alleen Chinezen, met hun traditie van spoorwegen aanleggen, halen zich zoiets in hun hoofd. Er moest veel, heel veel voor het plan wijken. Zesduizend kloosters werden vernietigd, om maar wat te noemen. Toeristen die zich mogen vergapen aan gouden boeddha’s, bekijken replica’s van wat ooit door de Chinezen werd geroofd en omgesmolten. Dat wordt hen natuurlijk niet verteld.

Hoewel Lustgartens sympathie uitgaat naar de onderdrukte groep, komt hij ook met enkele boeiend geschreven portretten van Chinezen die met de bouw van de enorme spoorlijn te maken hadden. Het zijn de prettigst leesbare stukken. De politiek staat immers ver van de gewone mens af en kan dan ook bijna niet anders dan droog worden neergepend. Zoals de vroege bemoeienis van de Engelsen met het gebied en de actieve rol van de Amerikaanse CIA, die de Tibetaanse guerrilla’s trainde maar tegelijk de Chinese heerschappij over Tibet officieel erkende.

De expansiedrift van de Chinezen gaat niet alleen om Tibets ijzererts en overige delfstoffen. De krankzinnige goudkoorts die maandelijks honderdduizend Chinezen naar de trein doet hollen, maakt van de hoofdstad Lhasa een protserig en poenig oord van kitsch en hoererij, waar Tibetaanse kinderen in een wereld van gadgets hun eigen taal niet meer zuiver spreken.

Nog geen twee jaar geleden was de Qinghai-Tibetspoorlijn opeens gevuld met soldaten van het Volksbevrijdingsleger. Die zou buitenposten van het Indiase leger aan de betwiste grens met Arunachal Pradesh hebben vernietigd. Oorlogen zullen in de toekomst om water gaan en beide enorme landen zijn afhankelijk van wat er uit de Himalaya omlaag stroomt.

Lustgarten lijkt al zijn kennis over Tibet in dit ene boek te hebben willen proppen. Gevolg is dat na vele bladzijden over die ene krankzinnige spoorlijn er in hoofdstuk 10 opeens een hypermodern vliegveld in Lhasa uit de hemel komt vallen. Door een overvloed aan details is dit boek niet direct geschikt als vakantielectuur. Maar daar is het ook niet voor bedoeld. Het is maar dat u het weet.

Auteur: Abrahm Lustgarten
Titel: Het spoor naar Tibet.
Paperback, aantal pagina’s 320 (met noten)
Uitgever: Atlas
Prijs: € 24,90

© 2009 Alfred Birney. Deze recensie verscheen eerder verkort en geredigeerd in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 6 juni 2009 onder de titel Met de trein naar Tibet.

Confucius ontmanteld

Confucius China is hot. En dus kan Confucius de boekenkist uit en in de etalage worden gezet. Maar China is niet meer als voorheen. Complete steden verdwijnen onder wolkenkrabbers en het colbert heeft het Chinese jasje verdrongen. Tijd natuurlijk voor een gloednieuwe biografie over Confucius. Is dat mogelijk met fors uitgedund bronnenmateriaal? Annping Chin mikt zonder blikken of blozen tien werken uit de Dertien Klassieken de waterput in voor ze zich van haar taak kwijt. Ze wenst zich vrijwel uitsluitend te baseren op de Gesprekken van Confucius en de Commentaren van Zuo. “Als dat betekende dat mijn verhaal grote leemten zou vertonen, had ik dat maar te accepteren,” schrijft ze ter verantwoording. Waarmee ze die acceptatie uiteraard ook van de lezer vraagt. Ze neemt de Gesprekken, een soort bloemlezing van verschillende auteurs, omdat Confucius dan niet kan worden vastgepind op “een rol als promotor van zijn leer”. De Commentaren van Zuo zijn ooit door de overheid samengesteld en kunnen dus dienen voor alles wat van politiek belang was tijdens het leven van Confucius. Het beroemde Boek der Veranderingen, de I Tjing, waarin de Commentaren aan Confucius en zijn leerlingen worden toegeschreven, krijgt niet eens een vermelding! Nou, dan moet je wel met iets wereldschokkends komen. Het wordt al snel duidelijk dat Annping Chin, geboren in Taiwan en wonend en docerend in Amerika, weinig op heeft met de allereerste geschiedschrijver van China, genaamd Sima Qian. Die man schreef immers meer dan honderd biografieën over allerlei figuren en gebruikte zijn fantasie zodra zich leemten vertoonden, zoals in het leven van Confucius. Annping Chin stelt daartegenover een gortdroog verslag van een Chinese wijze die aldoor moeite moet doen om een aanstelling te krijgen bij hertogen, vorsten, kanseliers, koningen en omhooggevallen kooplieden die een ambtelijke functie zijn gaan bekleden. Haar boek heeft als subtitel: Een leven tussen filosofie en politiek. De biografe zet haar held eerst hoofdstukken lang neer als een raadsheer voor allerlei politici en machthebbers die elkaar voortdurend bevechten. Wanneer Confucius in een mistige periode van zijn leven veertien jaar een zwervend bestaan leidt, tovert de schrijfster verscheidene geschiedschrijvers uit de hoge hoed, zolang ze maar geen Sima Qian heten. Alleen feiten die haar demythologisering van Confucius ondersteunen, glippen door haar wetenschappelijk filter. Die zijn zo oninteressant dat Confucius zelfs de liefhebber begint te vervelen. Waarom moet de filosoof zo nodig van zijn voetstuk? Wat was zijn werkelijke betekenis voor China? De schrijfster zwijgt, het gaat over háár relatie met Confucius, ze sluit de lezer buiten. Je bent blij wanneer ze aan het einde van haar boek Mencius aanhaalt, de grote navolger van Confucius. Mencius schreef namelijk erg goed. Dat moet Annping Chin nu ook maar eens gaan leren. Dit is immers al haar vijfde boekpublicatie.

Auteur: Annping Chin
Titel: Confucius. Een leven tussen filosofie en politiek.
Paperback, aantal pagina’s 287 (met noten)
Uitgever: Athenaeum – Polak & Van Gennep
Prijs: € 22,50

© 2008 Alfred Birney. Deze bespreking verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 17 januari 2009 onder de titel Biografie met grote leemtes. Alleen de eerste 50 woorden van deze recensie mogen worden overgenomen, gevolgd door een link naar deze pagina. Wie deze regel negeert, ontvangt een rekening.

Hartono was here

alfred birney Vandaag speelt Hartono voor het laatst in Toko Oen, dus wie hem nog wil horen en zien, moet rennen. Lekker bordje nasi gudek erbij, die is erg lekker daar, al is Toko Oen in de eerste plaats befaamd om zijn loempia Semarang, die inmiddels overal geïmiteerd wordt.

Morgen is er een afscheidsfeestje ergens in een achterafstraatje in de Schilderswijk, waar Hartono zijn logeerkamertje heeft. Hij vroeg me of ik mijn gitaar mee wilde nemen, maar eh, ik hoor liever hem spelen. Zijn repertoire omvat zo’n 100 jaar populaire muziek, van krontjong via jaren twintig blues naar jazz, bossa nova, rock & roll, pop en allerlei Jawa Pop, want Hartono is van Java.

Zoals veel Indonesiërs is Hartono een etnische mix, eigenlijk zijn het een soort Indo’s. Maar om in Indonesië Indo te zijn moet je blank zijn uitgevallen, liefst met een carrière in de showbizz. Om in Nederland Indo te zijn ligt veel ingewikkelder, laten we daar maar over ophouden, want als Indo’s hier er al zelf niks van begrijpen, hoe kunnen ze dan verwachten dat Hollanders dat wel doen?

Hartono noemt zich Chinees, maar hij heeft ook Javaans bloed en misschien iets Europees, dat is vaag. Wat dat betreft loopt het spoor al dood bij zijn vader, die ooit bij het KNIL werkte (in de garage). Chinese christenen zijn de allochtonen van Java en leiden soms een wat angstig bestaan in Indonesië, ze hebben het zwaarder dan wat hier voor allochtoon doorgaat, Nederland is zo extreem nog niet.

Toch voelt Hartono zich Javaans, diep van binnen. Komt door de muziek. Als hij een gamelan hoort, zwijgt hij ontroerd. Krontjong is voor hem geen muziek van tempo doeloe maar een dynamische muziekvorm, die hij steeds nieuwe gezichten geeft in zijn eigen muziek. Hij is de huismuzikant van Toko Oen in Semarang en soms stuurt de bedrijfsleider hem naar Nederland om de zustertoko alhier ook eens van zijn spel te laten genieten. Je moet hem eigenlijk zien spelen: kretekje in zijn mond als hij in een jazzy improvisatie zijn tanige vingers over de toetsen laat dartelen.

Hartono was ooit scheikundeleraar – zijn vader had hem de technische kant op geduwd – maar in de avond maakte hij altijd muziek, als gitarist, pianist en op zondag als organist in de kerk. Op zekere dag zei hij zijn leraarsbaantje vaarwel. In Indonesië is het allemaal anders dan hier: daar kun je met muziek maken geld verdienen, hier niet. Hier kun je met schrijven geld verdienen, daar niet.

Toch is hij aan een boek bezig. Over de repatriëring van Indo’s uit Indonesië. Dat waren toch vrienden van zijn vader. En zijn muzikale voorouders. Wie weet komt hij hier ooit nog terug om zijn boek te promoten. In het Nederlands, want hij is een van de zeer weinige Indonesiërs die onze taal nog willen leren. Ja, die zijn er nog.

Haagsche Courant, vrijdag 27 augustus 2004

Amerika blijft maar ontdekt worden

alfred birney Blijft een thema hoor, de ontdekking van Amerika. Historici en overige babbelkousen raken er maar niet over uitgepraat. De beroemdste ontdekker van Amerika is natuurlijk Columbus, maar er wordt ook gefluisterd over koning Abukari II van Mali, de Vikingen en de Chinese eunuch en admiraal Zheng He. De vraag: wie ontdekte Amerika? Antwoord: de oorspronkelijke bewoners. Maar die tellen niet mee. Schande, niet? Columbus noemde hen Indianen omdat hij dacht in Indië te zijn aangekomen. Amerigo Vespucci ontdekte de vergissing en kaartenmakers besloten het werelddeel tussen Europa en Azië dan maar Amerigo te noemen.

Even het rijtje af. Duizend jaar geleden waaierden de Vikingen uit op hun snelle schepen. Varen konden ze goed, navigeren wat minder en zo zou Leif Eriksson per ongeluk in Noord-Amerika terecht zijn gekomen. Hij noemde het land Vinland en er zouden veel druiven groeien. Maar toen in 1960 archeologen op New Foundland resten van Vikingdorpen vonden, zagen ze geen druiven hangen. Vaag verhaal dus.

Dan koning Abukari II van Mali: een machtig rijk in de middeleeuwen, maar te saai voor Abukari. In 1311 deed hij vrijwillig afstand van de troon en ging met 2000 schepen op ontdekkingstocht. Wetenschappers uit Mali gebruiken Egyptische teksten voor de bewijsvoering die hem tot ontdekker van Amerika moet maken. Wat deze wetenschappers mee hebben is dat Columbus in 1492 zwartgetinte handelaren aantrof in Amerika. Columbus’ kracht indertijd was dat hij Indianen als levend bewijs meenam terug naar huis. Chemisch onderzoek van veel later op speerpunten van Indianen wijzen in de richting van goud uit West-Afrika.

Revolutionair is de stelling van amateur-historicus en ex-onderzeebootkapitein Gavin Menzies. Deze Brit verdedigde in de Royal Geographic Society te Londen met verve zijn stelling dat de Chinese moslim Zheng He tussen 1405 en 1433 zeven wereldreizen ondernam en met een vloot van honderd enorme schepen de zeeëngte van Baja Californië bereikte. Maar ging hij er aan land? China zou nog voor de dood van Zheng He zijn maritieme roeping afzweren en alle kaarten van hem hebben verbrand. Een paar kaarten zouden echter door de ontdekkingsreiziger Nicolo da Conti worden gered en in Venetië en Portugal terechtkomen.

Zes eeuwen na Zheng He wordt Amerika voor de zoveelste maal ontdekt. En hoe. Dit keer door de islamitische terreurgroep Jamaat al-Tawhid al-Islamiya. Die is erachter gekomen dat Amerika onder meer in Nederland ligt, en dreigt daarom met aanslagen tegen Nederland als het zijn troepen niet terugtrekt uit Irak.

Tja, Amerika ligt inmiddels overal. Dat voorzagen de Chinezen al in de tijd van Zheng He. Wijze lui, met buitenaardse wezens als hun adviseurs. Helaas nogal dol op boekverbrandingen. Bang om te worden ontdekt zeker.

Haagsche Courant, vrijdag 20 augustus 2004

Knokken voor een huwelijk

alfred birney The Straits Times Interactive meldt het verhaal van een twintigjarige Chinese dame die eens wat anders wilde dan een contactadvertentie, blind date of optreden in een datingprogramma op televisie. Voor haar een vechtsporttoernooi, waar de man die haar wil huwen haar eerst maar eens moest zien te verslaan. Fang Xiaojing doet sinds haar dertiende jaar aan gewichtheffen en vechtsport. Ze was kampioen gewichtheffen bij de amateurs in 1999. Verleden jaar december werd ze kampioen taekwondo in Wuhan (Hubei). Intussen geeft ze les op een boksschool. Kortom een aantrekkelijke partner voor een man die geen doetje op de sofa wil, maar een vrouw die eigenhandig je varken slacht, je kip plukt, je vrienden eruit flikkert als ze vervelend worden en jou ook nog scherp houdt, huh.

Verleden week zaterdag was de dag, ergens in Huangshi (Hubei). De 21-jarige He Qichun meldde zich, een onbekende vechter die in zijn vrije tijd wat handelt dan wel een handelaar die in zijn vrije tijd wat knokt. Hij kreeg eerst twee rivalen tegenover zich, want je komt natuurlijk niet zomaar voor de koningin te staan. Hij versloeg ze één voor één. Toen mocht hij gaan sparren tegen de vrouw in no nonsence wielerbroek en blauw shirt. Hijzelf droeg een rode kickboksbroek met witte biezen. Beiden droegen bokshandschoenen overigens. Op een foto zie je hem doorkomen met een hoge trap die zij maar half weet te weren. De wedstrijd duurde 13 minuten. He Qichun versloeg de sterke vrouw tweemaal en werd tot winnaar uitgeroepen. Waarop het tweetal rozen ruilde temidden van een uitzinnig publiek.

Maar ja. Juffrouw Fang zei tegen de pers dat eh… mwah, ze dacht niet dat haar opponent direct een liefdeskandidaat was. Nou ja, nóg niet dan. Maar wanneer dan wel? Moet ie haar nou ook nog eens verslaan aan de afwasteil of zo? He Qichun leek bang om alsnog een stoot voor zijn kop te krijgen. Als een verstandige jongen verklaarde hij namelijk dat hij juffrouw Fang eerst wat beter wilde leren kennen. En dat als het eenmaal klikt, dat hij haar dan echt zou huwen. De arena dus als voorportaal. Een gevecht als bewijs van inschrijving. Dat is toch gewoon nep joh. Bedrog! Een gimmick! Helemaal niks vind ik dat. Knokken en meteen trouwen, dát hadden ze moeten doen. En public, in real time. Wie speelt moet blijven spelen.

Tja, het gaat om het innerlijk en de uitstraling, hè? De chemie noemt men dat tegenwoordig. Wáár vind je elkaar? Niet in de ring dus. In bed? Hm, later. Waar dán? Waar begint het? Wat een vraag hè? Kun je je hele leven mee toe. De ringen rond de diepe kern zijn een maskerade. Wie het leven als een spel beschouwt, komt niet ver, zegt de I Ching. Maar wat voor wie het spel speelt zonder het te weten? Ligt de sleutel misschien in argeloosheid? Zo ja, betekent dit dan dat de mens maar beter niet kan proberen te bepalen waar en hoe je elkaar vindt?

Haagsche Courant, vrijdag 5 september 2003

SARS en de Marathon

alfred birney Terwijl neokoloniale High-Tech-cowboys naar biologische wapens zoeken in Irak, vinden ze per ongeluk olie. Gut, hadden ze toevallig net nodig in Amerika, dat in zijn eentje een kwart van de grondstoffen op aarde verbruikt om de hamburgerdemocratie te kunnen vetmesten. En terwijl de oud-koloniale Low-Tech-boeren hier te lande naar besmette kippen zoeken, dekt men zich te Rotterdam in tegen een aanval van Chinese biologische zelfmoordcommando’s.

Hebben die organisatoren van de marathon van Rotterdam hun opleiding in New York gekregen of zo? New war, new paranoia! De uitnodigingen voor de vrouwen Ying-Jie Sun en Jin Li worden bruusk ingetrokken. Deze serieuze kandidates voor de eindzege mogen thuisblijven in dat SARS-land van ze. En anders moeten ze maar in Noord-Korea gaan lopen over de terreinen van verdachte kernreactoren.

‘De overige atleten zouden erg gestresst kunnen raken van Chinezen in het hotel,’ wauwelde de woordvoerder van het organisatiecomité. Wie weet lispelde hij nog off the record dat álle Chinezen thans dubieuze wezens zijn in de straten van Rotterdam. Geef meneer een ministerspost vreemdelingenzaken in een leefbaar kabinet en er komt geen Chinees ons vreedzame SARS-loze landje meer binnen. Het organisatiecomité zou desgevraagd ongetwijfeld de koorzang hebben aangeheven dat ‘onze Chinezen’ zelf ook bang zijn SARS op te lopen. SARS is immers het gesprek van de dag in hun Chinatowns, niet de oorlog in Irak. Chinezen vliegen veel in die Yankee Boeings, begrijpt u, met die ziekmakende airconditioning van niks boven die kleffe hoofdsteunen. Mensen uit Afrikaanse landen doen dat weliswaar ook, maar AIDS is Amerikaans, dus dat zit wel goed, dat is friendly fire.

Wat een kansen we al niet missen. Welke marathonatleet blijft er nou achter een SARS-loper hangen? Weg kans op toptijden van atletes die zich het vuur uit de sloffen lopen om de SARS-lopers voor te blijven en geen bacillen te hoeven snuiven. Weg vrachtvluchten met onze zieke kippen tegen een vriendenprijsje voor die toch al zieke SARS-lijders in China.

Boze tongen fluisteren dat het Severe Acute Respiratory Syndrome is ontstaan door het vrijkomen van chemicaliën bij de fabricage van biologische wapens waarmee de Chinese oorlogsmachine zou experimenteren. Is dat waar, dan kunnen Bush en zijn trawanten China als vijfde poot aan de as van het kwaad toevoegen. Pentagonischer kan niet. Kan nog gezellig worden op aarde.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 11 april 2003

Wow!

alfred birney 1. Je gaat een voortreffelijk Indonesisch restaurant aan de Groot Hertoginnelaan binnen, maar je kunt de spijskaart moeilijk lezen omdat je ogen achteruit gaan. Je vraagt de jonge tafelbediende of hij een leesbril voor je heeft. Hij komt terug met een brillenkistje van bewerkt djatihout, waaruit je de best passende leesbril mag kiezen 2. De Chinese waarden en normen volgens Confucius. 3. De teksten van Lao Tze, de anti-Confucius. 4. Iemand van de jiu jitsu-school met wie je na afloop weleens wat gaat drinken vertelt je opeens dat ze jaren terug eens een boek van je las. Ze herinnert zich nog de sfeer: kunstlicht, donkere straten en zo meer. 5. Parkieten in gestrekte vlucht naast de sneltrein. 6. Nguyên Lê met een nieuwe cd. 7. Iemand die ook naar Nguyên Lê luistert. 8. De bewegingen van sensei Steve van Nieuwenhuizen als hij een jiu jitsu-techniek voordoet in de snelheid waarop het eigenlijk moet. 9. Erwtensoep op de Noordpool. 10. Een Surinaamse jonge vrouw wordt belaagd door drie jongens bij de geldautomaat en slaat ze vakkundig het ziekenhuis in. 10. Boerenkool met worst en spek op de Zuidpool. 11. Je hoort na jaren dat ene liedje weer op de radio, terwijl de zon schijnt. 12. Een nieuwe spijkerbroek met precies geknipte pijpen. 13. Tim Hardin met ‘Shiloh Town’. 14. Een vulpen die je je pc onmiddellijk doet vergeten. 15. Een vrouw met een staartje en een wapperende jurk op een omafiets. 16. Een auto die voor de zebra stopt. 17. Slagroom met aardbeien (niet andersom). 18. Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon.

Haagsche Courant, vrijdag 1 november 2002

Dou Kou

alfred birney Volgens het huidige Chinese leersysteem moet een eerstejaarsstudent tenminste vierduizend karakters kennen. Dou Kou kende op zijn zevende jaar al vijfduizend karakters. Zijn vader vond het leersysteem dus maar niks en haalde zijn zoontje van school. De kleine had toen al een bestseller op zijn naam staan, dus wat kon je er tegenin brengen? Het is het verhaal getiteld Zwerversleven en gaat over het wel en wee van hem en zijn ouders, hoe ze door China zwerven op zoek naar werk. Hij liet er nog een tweede boek op volgen, getiteld Kinderogen, over het plattelandsleven, met het perspectief uiteraard bij het kind, anders hadden we met een genie te maken. Ik houd de jongen voorlopig voor briljant. Een genie ben je als je op een of andere manier op welk gebied ook de hele wereld op zijn kop kan zetten, terroristen even uitgesloten. Einstein, Freud, Escher, Bach. Dat. Nou heb ik het land aan hypes maar ik zit nu toch op een vertaling van deze zeer jeugdige Chinese schrijver te wachten. Als het maar niet die onwaarachtige uitgeverij Vassallucci is die de vertaalrechten koopt, dan vind ik het best. Met een beetje scepsis kun je bedenken dat Dou Kou’s papa die boeken geschreven heeft, maar ik neem aan dat dat niet het geval zal zijn. Dou Kou heeft inmiddels een derde boek geschreven. Geen roman ditmaal maar een weerwoord tegen zijn critici. Deed ik ook eens. Hopeloze onderneming. Niet alleen schrijven, ook lezen is een kunst. Critici die worden gekritiseerd hebben de neiging nog slechter te gaan lezen dan ze al deden.

Haagsche Courant, vrijdag 11 oktober 2002

WKaziatismen

alfred birney Mijn grootmoeder van vaders kant was een Chinese, maar om nou ’s morgens vroeg mijn nest uit te komen om naar China tegen Costa Rica te kijken, nee. Ik was tijdig wakker voor Japan tegen België en zag in de rust tot mijn afgrijzen televisieflitsen van een stelletje Chinese lamzakken, voor wie mijn grootmoeder ongetwijfeld de bamboe zou hebben klaargelegd. Of de Chinezen zich lieten doldraaien door Costa Ricaanse virtuositeiten dan wel dim sum in de schoenen hebben gehad, zou ik afgaande op die paar flitsen niet kunnen zeggen. China schijnt het al een hele eer te vinden om mee te mogen doen. En dat bewoont met 1,25 miljard mensen de aardkloot! Nou vooruit, op naar Japan tegen de Belgen dan maar. België is voor veel Nederlanders second choice, voor mij mooi niet. Ik ga me daar een beetje olé voor die houterige Rode Duivels roepen. Mijn vader koestert als ouderwetse Indo een diepe haat jegens de Japanners, maar daar heb ik maling aan. Zij vonden het jiu jitsu in de huidige vorm uit, brachten briljante schrijvers voort en ja, ze voetballen met hun hart. Waarom dan niet protesteren wanneer een glaszuiver derde doelpunt tegen die Belgen wordt afgekeurd? Beleefd zijn is edel, maar er zijn grenzen. Die Japanners hadden die scheidsrechter een lesje karate moeten geven! Leuk voor columnisten! Enfin, lekker toetje van de Koreaantjes, die niet alleen met hun hart maar ook met het brein van Guus Hiddink speelden. Onder Louis van Gaal zouden ze mooier hebben gespeeld. Hollands! En heel mooi hebben verloren natuurlijk.

Haagsche Courant, woensdag 5 juni 2002

Sambal badjak

alfred birney Als ik één bezwaar zou moeten noemen tegen Het Gebaar dan is het wel dat de overheid er nogal laat mee komt. In de jaren zestig is al van iets dergelijks sprake geweest, dus je zou kunnen zeggen dat Indische mensen een jaar of veertig op dat Gebaar hebben zitten wachten. Cynische tongen in de Indische gemeenschap spreken van een opzettelijke vertragingstactiek van de staat. Men heeft extra lang gewacht en boekhoudend de Indische mensen hun graf ingekeken, onder wie de vader van een Indische vriendin van me.

Hoe díe het graf inging… Huh, met een geheim! Zijn sambal badjak was de lekkerste die ik ooit proefde, een genot, een onvergetelijke weldaad op de tong van wie sambal eet. De Indo maakte verder helemaal niks klaar in de keuken, zijn enige recept was zijn sambal badjak, dat hij weigerde prijs te geven. Op zijn sterfbed was het enige dat hij erover wilde zeggen dat hij er een scheutje whisky aan toevoegde. Maar wanneer? Voordat of nadat de olie boven kwam drijven?

Waarom moest hij zo nodig zijn sublieme recept tot in zijn graf meenemen? Voelde hij zich een tikje schuldig aan de verslaving waarmee zijn afnemers telkens weer met hun lege jampotten bij hem voor de deur stonden? Niet dat hij aan ons verdiende, hij vroeg geen geld voor de sambal badjak die hij elke zondagmiddag in een grote wadjan bereidde. Hij was dus niet zoals die Chinese tokohouder die ooit een heel dorp aan zijn eten verslaafd maakte door cocaïne eraan toe te voegen en zo de hele concurrentie om zeep hielp. Zijn doel was een ander. Blijft ook geheim.

Haagsche Courant, woensdag 10 april 2002