Treinspoor naar het dak van de wereld

het spoor naar tibet China is hot. Tibet is cold, ook wanneer er toeristen worden toegelaten. De grote Chinese leider Mao liet ruim een halve eeuw terug twee wegen aanleggen naar de woeste hoogten van een van de geheimzinnigste gebieden ter wereld. Voor elke kilometer viel een arbeider dood neer, maar een kniesoor die daar op lette. Wat hadden de Chinezen eigenlijk te zoeken in dat hoge, bijkans onherbergzame Tibet met zijn gevreesde hoogteziekte, die alleen Tibetanen kunnen weerstaan?

De Amerikaanse antropoloog Abrahm Lustgarten wijdde er een boek aan. Het is vertaald door Gerrit Jan Zwier en houdt het midden tussen een reisverslag, een antropologisch onderzoek en journalistiek. Centraal staat de aanleg van een spoorlijn in de huidige eeuw over ruim 1100 kilometer naar het dak van de wereld. Alleen Chinezen, met hun traditie van spoorwegen aanleggen, halen zich zoiets in hun hoofd. Er moest veel, heel veel voor het plan wijken. Zesduizend kloosters werden vernietigd, om maar wat te noemen. Toeristen die zich mogen vergapen aan gouden boeddha’s, bekijken replica’s van wat ooit door de Chinezen werd geroofd en omgesmolten. Dat wordt hen natuurlijk niet verteld.

Hoewel Lustgartens sympathie uitgaat naar de onderdrukte groep, komt hij ook met enkele boeiend geschreven portretten van Chinezen die met de bouw van de enorme spoorlijn te maken hadden. Het zijn de prettigst leesbare stukken. De politiek staat immers ver van de gewone mens af en kan dan ook bijna niet anders dan droog worden neergepend. Zoals de vroege bemoeienis van de Engelsen met het gebied en de actieve rol van de Amerikaanse CIA, die de Tibetaanse guerrilla’s trainde maar tegelijk de Chinese heerschappij over Tibet officieel erkende.

De expansiedrift van de Chinezen gaat niet alleen om Tibets ijzererts en overige delfstoffen. De krankzinnige goudkoorts die maandelijks honderdduizend Chinezen naar de trein doet hollen, maakt van de hoofdstad Lhasa een protserig en poenig oord van kitsch en hoererij, waar Tibetaanse kinderen in een wereld van gadgets hun eigen taal niet meer zuiver spreken.

Nog geen twee jaar geleden was de Qinghai-Tibetspoorlijn opeens gevuld met soldaten van het Volksbevrijdingsleger. Die zou buitenposten van het Indiase leger aan de betwiste grens met Arunachal Pradesh hebben vernietigd. Oorlogen zullen in de toekomst om water gaan en beide enorme landen zijn afhankelijk van wat er uit de Himalaya omlaag stroomt.

Lustgarten lijkt al zijn kennis over Tibet in dit ene boek te hebben willen proppen. Gevolg is dat na vele bladzijden over die ene krankzinnige spoorlijn er in hoofdstuk 10 opeens een hypermodern vliegveld in Lhasa uit de hemel komt vallen. Door een overvloed aan details is dit boek niet direct geschikt als vakantielectuur. Maar daar is het ook niet voor bedoeld. Het is maar dat u het weet.

Auteur: Abrahm Lustgarten
Titel: Het spoor naar Tibet.
Paperback, aantal pagina’s 320 (met noten)
Uitgever: Atlas
Prijs: € 24,90

© 2009 Alfred Birney. Deze recensie verscheen eerder verkort en geredigeerd in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 6 juni 2009 onder de titel Met de trein naar Tibet.

Confucius ontmanteld

Confucius China is hot. En dus kan Confucius de boekenkist uit en in de etalage worden gezet. Maar China is niet meer als voorheen. Complete steden verdwijnen onder wolkenkrabbers en het colbert heeft het Chinese jasje verdrongen. Tijd natuurlijk voor een gloednieuwe biografie over Confucius. Is dat mogelijk met fors uitgedund bronnenmateriaal? Annping Chin mikt zonder blikken of blozen tien werken uit de Dertien Klassieken de waterput in voor ze zich van haar taak kwijt. Ze wenst zich vrijwel uitsluitend te baseren op de Gesprekken van Confucius en de Commentaren van Zuo. “Als dat betekende dat mijn verhaal grote leemten zou vertonen, had ik dat maar te accepteren,” schrijft ze ter verantwoording. Waarmee ze die acceptatie uiteraard ook van de lezer vraagt. Ze neemt de Gesprekken, een soort bloemlezing van verschillende auteurs, omdat Confucius dan niet kan worden vastgepind op “een rol als promotor van zijn leer”. De Commentaren van Zuo zijn ooit door de overheid samengesteld en kunnen dus dienen voor alles wat van politiek belang was tijdens het leven van Confucius. Het beroemde Boek der Veranderingen, de I Tjing, waarin de Commentaren aan Confucius en zijn leerlingen worden toegeschreven, krijgt niet eens een vermelding! Nou, dan moet je wel met iets wereldschokkends komen. Het wordt al snel duidelijk dat Annping Chin, geboren in Taiwan en wonend en docerend in Amerika, weinig op heeft met de allereerste geschiedschrijver van China, genaamd Sima Qian. Die man schreef immers meer dan honderd biografieën over allerlei figuren en gebruikte zijn fantasie zodra zich leemten vertoonden, zoals in het leven van Confucius. Annping Chin stelt daartegenover een gortdroog verslag van een Chinese wijze die aldoor moeite moet doen om een aanstelling te krijgen bij hertogen, vorsten, kanseliers, koningen en omhooggevallen kooplieden die een ambtelijke functie zijn gaan bekleden. Haar boek heeft als subtitel: Een leven tussen filosofie en politiek. De biografe zet haar held eerst hoofdstukken lang neer als een raadsheer voor allerlei politici en machthebbers die elkaar voortdurend bevechten. Wanneer Confucius in een mistige periode van zijn leven veertien jaar een zwervend bestaan leidt, tovert de schrijfster verscheidene geschiedschrijvers uit de hoge hoed, zolang ze maar geen Sima Qian heten. Alleen feiten die haar demythologisering van Confucius ondersteunen, glippen door haar wetenschappelijk filter. Die zijn zo oninteressant dat Confucius zelfs de liefhebber begint te vervelen. Waarom moet de filosoof zo nodig van zijn voetstuk? Wat was zijn werkelijke betekenis voor China? De schrijfster zwijgt, het gaat over háár relatie met Confucius, ze sluit de lezer buiten. Je bent blij wanneer ze aan het einde van haar boek Mencius aanhaalt, de grote navolger van Confucius. Mencius schreef namelijk erg goed. Dat moet Annping Chin nu ook maar eens gaan leren. Dit is immers al haar vijfde boekpublicatie.

Auteur: Annping Chin
Titel: Confucius. Een leven tussen filosofie en politiek.
Paperback, aantal pagina’s 287 (met noten)
Uitgever: Athenaeum – Polak & Van Gennep
Prijs: € 22,50

© 2008 Alfred Birney. Deze bespreking verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 17 januari 2009 onder de titel Biografie met grote leemtes. Alleen de eerste 50 woorden van deze recensie mogen worden overgenomen, gevolgd door een link naar deze pagina. Wie deze regel negeert, ontvangt een rekening.

Strafkamp Aarde

alfred birney In Genesis 6:1-4 staat een van de raadselachtigste zinnen uit de Bijbel: “De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.”

Het woordje ‘daarna’ verwijst naar de Zondvloed, die ongetwijfeld momenteel door fundamentalistische christenen met de jongste tsunami in verband zal worden gebracht. Niet hardop, dat past niet bij de huidige massale hulpverlening, die over de grenzen van alle religies heen stapt. Kan de politiek wat van leren. Of helemaal niets. Politiek is immers berekening.

Laat ik de Zondvloed als oer-tsunami even vergeten. Wie waren die reuzen dan? Wanneer waren ze eigenlijk gekomen? En hoe? Met ruimteschepen? En wanneer vertrokken ze van hier? Er is veel over geschreven, gedebatteerd, gebakkeleid, kortom: gefantaseerd. In mijn donkerste ogenblikken koester ik de fantasie dat de reuzen van een andere planeet waren, die de opdracht hadden het grootste tuig uit het universum, mensen genoemd, maar op Strafkamp Aarde te dumpen.

Ja, we zijn maar mensen. Nog geen week na de ramp in Zuid-Oost-Azië wordt de eerste opblaasbare tsunami al aangeboden. Kunnen de kids lekker glijbaantje op spelen. Je kunt er donder op zeggen dat nu al een schrijversteam aan een Hollywoodscenario werkt, want de poen die de VS uitgaat moet er ook weer binnenkomen. Maar dergelijke commerciële streken zijn oneindig doorzichtiger dan de duistere breinen van politici op het wereldtoneel. De Duitse bondskanselier denkt investerend, wat dacht je. Onze minister van Binnenlandse Zaken Remkes doet dat juist niet, Colin Powell weer wel, tamelijk geloofwaardig ook nog, gezien zijn uitspraak dat zelfs hij als oorlogsveteraan nooit eerder zo’n ellende heeft aanschouwd.

Enige verholen ergernis is er over de onvoorziene hulp uit China. De Chinezen zouden iedereen maar voor de voeten lopen. China maakt een economische groei door die de wereld op zijn kop gaat zetten, dus het land begint zich gaandeweg te manifesteren. Zuid-Oost-Azië is als afzetgebied niet langer alleen aan Japan voorbehouden, zelfs Noord-Korea laat zich niet onbetuigd met de hulpverlening.

Niet alles is berekening natuurlijk. Vele mensen zijn geroerd. Dat duurt niet lang. Emoties zijn als golven. Emoties kunnen hele naties in beweging brengen voor kortetermijnhulp aan volkeren die in ellende zijn gedompeld. Gevoelens zijn als stromen, kalmer maar aanhoudender. Een blijvende en eerlijke verdeling van de welvaart over de hele wereld zou nog mooier zijn dan wat nu gebeurt. Dat krijgen wij mensen niet voor elkaar, wij vergeten snel. Kwamen de reuzen maar weer terug op aarde. Een bovenmaanse wereldregering zou een zegen zijn.

Haagsche Courant, vrijdag 7 januari 2005

Amerika blijft maar ontdekt worden

alfred birney Blijft een thema hoor, de ontdekking van Amerika. Historici en overige babbelkousen raken er maar niet over uitgepraat. De beroemdste ontdekker van Amerika is natuurlijk Columbus, maar er wordt ook gefluisterd over koning Abukari II van Mali, de Vikingen en de Chinese eunuch en admiraal Zheng He. De vraag: wie ontdekte Amerika? Antwoord: de oorspronkelijke bewoners. Maar die tellen niet mee. Schande, niet? Columbus noemde hen Indianen omdat hij dacht in Indië te zijn aangekomen. Amerigo Vespucci ontdekte de vergissing en kaartenmakers besloten het werelddeel tussen Europa en Azië dan maar Amerigo te noemen.

Even het rijtje af. Duizend jaar geleden waaierden de Vikingen uit op hun snelle schepen. Varen konden ze goed, navigeren wat minder en zo zou Leif Eriksson per ongeluk in Noord-Amerika terecht zijn gekomen. Hij noemde het land Vinland en er zouden veel druiven groeien. Maar toen in 1960 archeologen op New Foundland resten van Vikingdorpen vonden, zagen ze geen druiven hangen. Vaag verhaal dus.

Dan koning Abukari II van Mali: een machtig rijk in de middeleeuwen, maar te saai voor Abukari. In 1311 deed hij vrijwillig afstand van de troon en ging met 2000 schepen op ontdekkingstocht. Wetenschappers uit Mali gebruiken Egyptische teksten voor de bewijsvoering die hem tot ontdekker van Amerika moet maken. Wat deze wetenschappers mee hebben is dat Columbus in 1492 zwartgetinte handelaren aantrof in Amerika. Columbus’ kracht indertijd was dat hij Indianen als levend bewijs meenam terug naar huis. Chemisch onderzoek van veel later op speerpunten van Indianen wijzen in de richting van goud uit West-Afrika.

Revolutionair is de stelling van amateur-historicus en ex-onderzeebootkapitein Gavin Menzies. Deze Brit verdedigde in de Royal Geographic Society te Londen met verve zijn stelling dat de Chinese moslim Zheng He tussen 1405 en 1433 zeven wereldreizen ondernam en met een vloot van honderd enorme schepen de zeeëngte van Baja Californië bereikte. Maar ging hij er aan land? China zou nog voor de dood van Zheng He zijn maritieme roeping afzweren en alle kaarten van hem hebben verbrand. Een paar kaarten zouden echter door de ontdekkingsreiziger Nicolo da Conti worden gered en in Venetië en Portugal terechtkomen.

Zes eeuwen na Zheng He wordt Amerika voor de zoveelste maal ontdekt. En hoe. Dit keer door de islamitische terreurgroep Jamaat al-Tawhid al-Islamiya. Die is erachter gekomen dat Amerika onder meer in Nederland ligt, en dreigt daarom met aanslagen tegen Nederland als het zijn troepen niet terugtrekt uit Irak.

Tja, Amerika ligt inmiddels overal. Dat voorzagen de Chinezen al in de tijd van Zheng He. Wijze lui, met buitenaardse wezens als hun adviseurs. Helaas nogal dol op boekverbrandingen. Bang om te worden ontdekt zeker.

Haagsche Courant, vrijdag 20 augustus 2004

East is East en zoiets

alfred birney Een van de beroemdste uit het verband gerukte citaten uit de traditionele wereldliteratuur is de volgende: East is east and West is West and never the twain shall meet. Wordt verzucht door lui die willen onderstrepen dat het wel nooit wat zal worden tussen Oost en West. Interculturele samenwerking en etnische kruisbestuiving zijn een ijdele hoop en daarom zingen zij: East is East en bla is bla.

Het citaat komt uit het gedicht The ballad of East and West van Rudyard Kipling (1865 – 1936), de eerste Engelse schrijver die de Nobelprijs ontving. Zijn Jungle Book is wereldberoemd en bijkans geannexeerd door Walt Disney. Kipling, geboren in Bombay, propageerde het Britse imperialisme en heeft menig lezer afgeschrikt met zijn twijfelachtige raciale vooroordelen. Dat hij vaak zo slecht is geciteerd is dus niet in de laatste plaats zijn eigen schuld. Het citaat krijgt een andere connotatie wanneer je de hele strofe leest: Oh, East is East and West is West and never the twain shall meet, Till Earth and Sky stand presently at God’s great Judgment Seat; But there is neither East nor West, Border, nor Breed, nor Birth, When two strong men stand face to face, tho’ they come from the ends of earth!

Voorwaar geen grootse poëzie, maar goed, we moeten het ermee doen. Kipling zag dus niet alleen de moeilijkheden tussen Oost en West, maar ook de mogelijkheid van een ontmoeting: But there is neither East nor West… etc. Het is deze uitbreiding die ik laatst een Russische publicist zag gebruiken in een artikel dat Europa ervan moet overtuigen dat Rusland weliswaar ten Oosten van Europa ligt maar dat de Russen zichzelf nooit hebben georiënteerd op India of China en zij alleen daarom al niet tot het Oosten behoren en bovendien op grond van allerlei historische voorbeelden hooguit Oost-Europees genoemd kunnen worden en dat dus toetreding tot Europa niet meer dan ‘natuurlijk’ zou zijn. Tenslotte was Rusland ooit een deel van Europa, etc. Kortom: waar een wil is, is een weg.

Toch had die Rus beter een ander voorbeeld kunnen nemen, want die eerste zin van Kipling zit zo in de westerse kukeleku-cultuur ingebakken, dat zelfs computers ermee zijn besmet. Zo moest er ooit een interface komen voor Windows en Macintosh vanwege allerlei communicatieproblemen. De ontwerpers hadden er een naam voor nodig en verzonnen TWAIN, waarmee ze teruggrepen op Kipling. Omdat TWAIN in hoofdletters werd gespeld dachten velen dat het een acroniem was. Een wedstrijd moest het woord verklaren. Een slimmerik bedacht: Technology Without An Interesting Name… Fun! Intussen is China druk bezig aan een eigen computerbesturingssysteem. Nou Kipling, nog even en je kunt Bill Gates horen orakelen: East is East and West is West and never the technology shall meet.

Haagsche Courant, vrijdag 11 juli 2003

SARS en de Marathon

alfred birney Terwijl neokoloniale High-Tech-cowboys naar biologische wapens zoeken in Irak, vinden ze per ongeluk olie. Gut, hadden ze toevallig net nodig in Amerika, dat in zijn eentje een kwart van de grondstoffen op aarde verbruikt om de hamburgerdemocratie te kunnen vetmesten. En terwijl de oud-koloniale Low-Tech-boeren hier te lande naar besmette kippen zoeken, dekt men zich te Rotterdam in tegen een aanval van Chinese biologische zelfmoordcommando’s.

Hebben die organisatoren van de marathon van Rotterdam hun opleiding in New York gekregen of zo? New war, new paranoia! De uitnodigingen voor de vrouwen Ying-Jie Sun en Jin Li worden bruusk ingetrokken. Deze serieuze kandidates voor de eindzege mogen thuisblijven in dat SARS-land van ze. En anders moeten ze maar in Noord-Korea gaan lopen over de terreinen van verdachte kernreactoren.

‘De overige atleten zouden erg gestresst kunnen raken van Chinezen in het hotel,’ wauwelde de woordvoerder van het organisatiecomité. Wie weet lispelde hij nog off the record dat álle Chinezen thans dubieuze wezens zijn in de straten van Rotterdam. Geef meneer een ministerspost vreemdelingenzaken in een leefbaar kabinet en er komt geen Chinees ons vreedzame SARS-loze landje meer binnen. Het organisatiecomité zou desgevraagd ongetwijfeld de koorzang hebben aangeheven dat ‘onze Chinezen’ zelf ook bang zijn SARS op te lopen. SARS is immers het gesprek van de dag in hun Chinatowns, niet de oorlog in Irak. Chinezen vliegen veel in die Yankee Boeings, begrijpt u, met die ziekmakende airconditioning van niks boven die kleffe hoofdsteunen. Mensen uit Afrikaanse landen doen dat weliswaar ook, maar AIDS is Amerikaans, dus dat zit wel goed, dat is friendly fire.

Wat een kansen we al niet missen. Welke marathonatleet blijft er nou achter een SARS-loper hangen? Weg kans op toptijden van atletes die zich het vuur uit de sloffen lopen om de SARS-lopers voor te blijven en geen bacillen te hoeven snuiven. Weg vrachtvluchten met onze zieke kippen tegen een vriendenprijsje voor die toch al zieke SARS-lijders in China.

Boze tongen fluisteren dat het Severe Acute Respiratory Syndrome is ontstaan door het vrijkomen van chemicaliën bij de fabricage van biologische wapens waarmee de Chinese oorlogsmachine zou experimenteren. Is dat waar, dan kunnen Bush en zijn trawanten China als vijfde poot aan de as van het kwaad toevoegen. Pentagonischer kan niet. Kan nog gezellig worden op aarde.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 11 april 2003

Deugden

alfred birney In de huidige discussie over normen en waarden hoor je nauwelijks iets over de Kardinale Deugden volgens Plato en Thomas van Aquino. Dagblad Trouw laat braaf allerlei bekende Nederlanders hun zegje doen over de Tien Geboden, want sinds de Koran de mondiale toptien is gaan bestormen moet de Bijbel zijn nummer 1-positie veiligstellen. Nou, laten we dan die Grieken er ook maar even bijhalen, dan hoeven we niet helemaal naar China toe. Voor een gelukkige samenleving koesterden de Grieken vier deugden: 1. prudentia (verstandigheid); 2. fortitudo (moed); 3. temperantia (zelfbeheersing) en 4. iustitia (rechtvaardigheid). Thomas van Aquino, katholiek wijsgeer, voegde daar nog aan toe geloof, hoop en liefde en noemde het nieuwe rijtje in zijn Summa Theologiae de zeven deugden van ethiek. Verstandigheid moet niet worden verward met intelligentie; hier leze men wijsheid. Moed betekent niet als een gek met bommen gaan gooien, maar de lijn der wijsheid volgen. Zelfbeheersing duidt op gematigdheid in ons begeren. Rechtvaardigheid is nodig voor het nemen van beslissingen naar ogenblik en omstandigheden. Een slecht maar slim mens kan naar de eerste drie deugden leven. Maar de vierde deugd maakt iemand pas tot een verstandig, moedig, beheerst en rechtschapen mens. Een goed katholiek heeft daarnaast nog geloof, hoop en liefde nodig. De protestant (Balkenende? Bush?) gaat minder uit van de zeven theologische deugden, veeleer van het kwade in de mens, en neemt daarom de Tien Geboden als leidraad. Zou zo iemand nou deugen?

Haagsche Courant, woensdag 16 oktober 2002

Dou Kou

alfred birney Volgens het huidige Chinese leersysteem moet een eerstejaarsstudent tenminste vierduizend karakters kennen. Dou Kou kende op zijn zevende jaar al vijfduizend karakters. Zijn vader vond het leersysteem dus maar niks en haalde zijn zoontje van school. De kleine had toen al een bestseller op zijn naam staan, dus wat kon je er tegenin brengen? Het is het verhaal getiteld Zwerversleven en gaat over het wel en wee van hem en zijn ouders, hoe ze door China zwerven op zoek naar werk. Hij liet er nog een tweede boek op volgen, getiteld Kinderogen, over het plattelandsleven, met het perspectief uiteraard bij het kind, anders hadden we met een genie te maken. Ik houd de jongen voorlopig voor briljant. Een genie ben je als je op een of andere manier op welk gebied ook de hele wereld op zijn kop kan zetten, terroristen even uitgesloten. Einstein, Freud, Escher, Bach. Dat. Nou heb ik het land aan hypes maar ik zit nu toch op een vertaling van deze zeer jeugdige Chinese schrijver te wachten. Als het maar niet die onwaarachtige uitgeverij Vassallucci is die de vertaalrechten koopt, dan vind ik het best. Met een beetje scepsis kun je bedenken dat Dou Kou’s papa die boeken geschreven heeft, maar ik neem aan dat dat niet het geval zal zijn. Dou Kou heeft inmiddels een derde boek geschreven. Geen roman ditmaal maar een weerwoord tegen zijn critici. Deed ik ook eens. Hopeloze onderneming. Niet alleen schrijven, ook lezen is een kunst. Critici die worden gekritiseerd hebben de neiging nog slechter te gaan lezen dan ze al deden.

Haagsche Courant, vrijdag 11 oktober 2002

WKaziatismen

alfred birney Mijn grootmoeder van vaders kant was een Chinese, maar om nou ’s morgens vroeg mijn nest uit te komen om naar China tegen Costa Rica te kijken, nee. Ik was tijdig wakker voor Japan tegen België en zag in de rust tot mijn afgrijzen televisieflitsen van een stelletje Chinese lamzakken, voor wie mijn grootmoeder ongetwijfeld de bamboe zou hebben klaargelegd. Of de Chinezen zich lieten doldraaien door Costa Ricaanse virtuositeiten dan wel dim sum in de schoenen hebben gehad, zou ik afgaande op die paar flitsen niet kunnen zeggen. China schijnt het al een hele eer te vinden om mee te mogen doen. En dat bewoont met 1,25 miljard mensen de aardkloot! Nou vooruit, op naar Japan tegen de Belgen dan maar. België is voor veel Nederlanders second choice, voor mij mooi niet. Ik ga me daar een beetje olé voor die houterige Rode Duivels roepen. Mijn vader koestert als ouderwetse Indo een diepe haat jegens de Japanners, maar daar heb ik maling aan. Zij vonden het jiu jitsu in de huidige vorm uit, brachten briljante schrijvers voort en ja, ze voetballen met hun hart. Waarom dan niet protesteren wanneer een glaszuiver derde doelpunt tegen die Belgen wordt afgekeurd? Beleefd zijn is edel, maar er zijn grenzen. Die Japanners hadden die scheidsrechter een lesje karate moeten geven! Leuk voor columnisten! Enfin, lekker toetje van de Koreaantjes, die niet alleen met hun hart maar ook met het brein van Guus Hiddink speelden. Onder Louis van Gaal zouden ze mooier hebben gespeeld. Hollands! En heel mooi hebben verloren natuurlijk.

Haagsche Courant, woensdag 5 juni 2002

Broodje meeuw

alfred birney Wil je nagaan hoe verwend een volk is, dan moet je kijken naar hoe ze met hun dieren omgaan. Rijke volken houden dieren als maatje, object of knuffel, arme volken vreten ze gewoon op, tenzij een of ander geloof dat verbiedt, zoals in India, waar de koe heilig is. In China eten ze alles, van sprinkhanen en babymuizen (lekker met ketjap) tot en met slangendarmen. In Vietnam en Cambodja is de wilde rat erg populair.

Men zegt dat je meeuwen niet kunt eten. Taaie beesten, weinig mee te beginnen. Maar wij hier eten sowieso weinig van wat er om ons heen vliegt. Wij eten bij voorkeur vlees van dieren met een levensloop waar we weinig meer van weten dan dat die zich op de vierkante meter afspeelt.

Mocht de anti-bio-industrie-lobby het ooit ver schoppen, dan zal er schaarste aan vlees ontstaan. Die moet dan worden opgevuld met wild, zoals rat, mier, eend én misschien toch nog meeuw. Van mij mag het, want zo’n meeuw wordt met de dag luier. Je wandelt nog niet met je patatje van de snackcar aan de boulevard weg of die vervelende, opdringerige lelijkerds cirkelen al om je heen. Sommige zijn al zo brutaal om in glijvlucht een patatje uit je bakje te jatten. De gevorderden nemen er dan ook nog effe een lik mayo of pinda bij mee.

’t Is wat, hè?

Hopelijk zal die vette patat de meeuw ooit een andere substantie gaan geven: malser, sappiger, eh… eh… in elk geval rijp voor broodje meeuw (eventueel met zeewiergarni).

Het zal de patatboer aan de boulevard worst zijn. Die vraagt je toch niet: ‘En? Heeft het gesmaakt?’

Haagsche Courant, vrijdag 3 mei 2002