Postkoloniaal naschrift

Op het moment van dit schrijven vindt er een Oeroeg-hype plaats in de Modderpoel van West-Europa. De filmversie van het boek wordt op de televisie uitgezonden. Er vinden talloze lezingenavonden plaats met medewerking van wetenschappers die onnadenkend de literaire canon dichtmetselen tegen aanvallen van buitenaf. Als klap op de vuurpijl doedelzakt er een speciale voorleestrein op het traject Amsterdam – Den Haag vol BN’ers die geen idee hebben van de koloniale onnozelheid waarvan Oeroeg doortrokken is. Het hele circus schijnt bedoeld om een discussie aan te wakkeren. Maar obligaat gezemel houdt geen miljoen door de CPNB verspreide exemplaren van het beroerdste boek rond de vrijheidsstrijd van Indonesië tegen. Welk thema moet de discussie eigenlijk dienen? De tragiek in tijden van oorlog of het ‘tragische’ einde van Neerlands koloniale heerschappij?

De ‘tragiek’ volgens Hella Haasse in Oeroeg werd al in juni 1948 door Tjalie Robinson als volstrekt onwaarachtig afgedaan. Dat diens nog altijd actuele, scherpe kritiek de CPNB na zestig jaar nóg niet heeft gehaald is pijnlijk. En verwarrend, vooral voor Indo’s, die zich nauwelijks in dat boek herkennen. Nou is verwarring wel zo ongeveer synoniem aan Neerlands oorlogsjaren. Duurde die oorlog nou van 1940 tot 1945, tot 1949 of tot 1963, toen de VN Nieuw-Guinea aan Indonesië overdroeg?

Ik leerde ooit een ernstige snoet trekken bij deprimerend klokgelui op elke 4e meiavond. Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei: de Duitse capitulatie in Nederland. Mijn Indo-vader vierde de 15e augustus: de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Ik ben nooit bij die herdenking rond het Indisch Monument in Den Haag geweest. Ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorstin en Vaderland. En zij houden niet van mij: een ‘linkse Indo’ in hun ogen.

Er is nog altijd gedoe over de onafhankelijkheidsdatum van Indonesië. De Indonesiërs houden het op 17 augustus 1945, toen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië uitriepen. Zestig jaar na dato accepteerde onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ alsnog de datum van 17 augustus 1945 als de dag van de onafhankelijkheid. Politieke onzin natuurlijk, want het gaat om een onafhankelijkheidsverklaring. Tussen die verklaring en de feitelijke soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949, ligt een poel van bloed, zweet en tranen.

Dat in geschiedenisboeken nog altijd eufemistisch over de Politionele Acties wordt gesproken is een ontkenning van de vieze oorlog die Nederland overzee voerde. Voor Indo’s was het een lange oorlog. Zij maken sindsdien een spagaat tussen beide landen en worden daar onderhand stram en stijf van. Elke oorlog eindigt op papier. En wordt uiteindelijk fictie. Oeroeg is pulpfictie. Dat de kritiek van Tjalie Robinson nooit gehoord werd is veel tragischer dan dat verhaal zelf.

© 2009 Alfred Birney – gastcolumn voor De Republikein winternr 2009/10

Tjalie

tjalieZou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 20 december 2008, waarschijnlijk onder een uitgebreidere titel.

Ons Indisch erfgoed

De invloed van de Indische cultuur op de Nederlandse blijkt zo groot te zijn, dat je beter kunt spreken van een innige vervlechting tussen beide culturen. Althans, volgens Lizzy van Leeuwen, antropologe, die in haar nieuwe boek Ons Indisch erfgoed talloze opvattingen over de Indische geschiedenis van Nederland volkomen op zijn kop zet. Dat doet ze zo overtuigend dat het weleens het belangrijkste boek over de Indische geschiedenis kan worden sinds J.J.P. de Jongs De waaier van het fortuin (1998). Daarin werd de Indische geschiedenis van 1595 tot 1950 beschreven.

Lizzy van Leeuwen neemt de afgelopen zestig jaar voor haar rekening. Voor degenen zonder voorkennis: geen zorgen, ze neemt het complete verhaal vanaf de VOC-tijd in vogelvlucht nog even door. Actueel spilpunt in haar boek is de opkomst en ondergang van het Indisch Huis. Het is een verhaal dat vooral de Haagse gemoederen zeer heeft beziggehouden maar dat gezien de diepe historische achtergronden in heel Nederland bekend zou moeten zijn. Wat ging er aan de bouw van het Indisch Huis vooraf, wat kwam erna en hoe liep het uiteindelijk af? Belangrijker nog is de vraag waarom dat Indisch Huis er zo nodig had moeten komen. Het is hier vanwaar de sporen leiden naar talloze personen, instellingen en ondernemingen.

Lizzy van Leeuwen toont zich een uitstekend gedocumenteerd auteur met oog voor detail én het grote geheel, een intelligente gedachtegang en een meeslepende schrijfstijl, die zoveel van haar wetenschappelijke collega’s ontberen. Heel Indisch Nederland, met al zijn bekende en op de achtergrond opererende figuren, komt ter sprake. Ook de vaderlandse politiek blijkt innig verweven met de Indische cultuur en het is smullen geblazen voor wie van roddels en weetjes houdt. Speels knoopt Lizzy van Leeuwen bekende en onbekende, soms ronduit hilarische feiten aan elkaar. Ze biedt de lezer een bonte kijk op het Indische leven, dat, zo blijkt, eigenlijk nooit een kwestie is geweest van onderonsjes onder Indo’s. Wat dat aangaat is haar invalshoek bijna revolutionair te noemen. Zelfs de opvatting, dat ‘Indo’s een probleem hebben’, weet ze met flair terug te kaatsten naar de bedenkers ervan. De worsteling met de naoorlogse overkomst van scheepsladingen vol Indische mensen met Nederlandse achternamen is niet aan boord van die schepen ontstaan, maar achter onze dijken en duinen. Vanzelfsprekend is de conclusie dat het niet alleen een boek is voor Indische mensen maar ook, of misschien wel juist voor Hollanders, ofwel autochtonen. Welke Hollanders dan? Wat te denken van geschiedenisleraren, ambtenaren, schrijvers, journalisten en webloggers. Als die de Nederlandse geschiedenis in een groter kader leren zien en niet angstvallig in een hoekje blijven zitten, dan kan Nederland zich, bevrijd van allerlei taboes, met al zijn ervaring eens met flair in het internationale culturele debat mengen.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 11 oktober 2008 onder de titel: De Indische literatuur achter de dijken. Antropologe Lizzy van Leeuwen zet in “Ons Indisch erfgoed” de Indische geschiedenis van Nederland op zijn kop.

Het licht van de maan

Mitorai light of the moon Een groot voordeel van de weeromslag is dat er veel meer zuurstof in de lucht zit. Als een mens moet kiezen tussen een leven in een zonovergoten bakpan vol koolmonoxide of een leven in een winderige betonnen hel vol zuurstof, dan hij maar beter voor de hel kiezen. Ik kwam bijna geen fietser tegen gisteren, de softies hadden de auto genomen, bang voor een druppeltje regen, te slap om tegen de wind in te beuken. Nou moet ik niet stoer gaan doen, want toen ik op de boulevard de wind vol tegen kreeg, dacht ik heel even aan afstappen, ha! Ik keek om me heen en genoot van Igor Mitoraj’s Light of the Moon, ik vind dat beeld toevallig mooi, hoe zeer tegenstanders (kunstkenners) mij ook op andere gedachten hebben geprobeerd te brengen. Die Igor Mitoraj heeft als peuter het bombardement van Dresden meegemaakt, dus wie weet is hij daarom zo gepreoccupeerd met beschadiging. De beschadiging van het klassieke beeld, veel meer hoef je niet achter zijn werk te zoeken, denk ik.

Even verderop, als je helling af bent en het vlakke deel van de boulevard op fietst, krijg je die afschuwelijke Sprookjesbeelden aan Zee van Tom Otterness. Ik had tot afgelopen middag altijd geweigerd om die infantiele beelden wat beter te bekijken, maar nu het zo hard waaide en ik van narigheid even niet wist waarnaar ik kijken moest, ontwaarde ik de Haringeter. Dat kwam natuurlijk doordat ik vlak voor het ontwaken een voorspellende droom had over de nieuwe haring. Ja, ik droomde dat de nieuwe haring véél lekkerder was dan die van afgelopen jaar, die waarschijnlijk de slechtste haring is sinds Hollanders besloten rauwe vis uit de zee te eten. Men had verleden jaar besloten de nieuwe haringvangst met twee weken uit te stellen vanwege het veel te koude weer. Een blunder. Net als die Sprookjesbeelden aan Zee. Maar wil het zeewater niet al te koud blijven zodat de haring wat op gewicht kan komen, moet de zon straks wel weer gaan schijnen. Het zal dan weer een gekkenhuis zijn op Scheveningen, met kilometers lange files die de lucht verzieken. Hoe zal het leven op de maan zijn over vijftig jaar?

Hey Mike, lees dit maar niet

alfred birney Kinderen kunnen in enkele dagen een jaar groeien, lijkt het wel. Ik zag mijn zoontje drie dagen niet en opeens staat daar geen zoontje maar een zoon voor me. Gisteren werd hij twaalf. Hij mag nu van mij alleen naar school fietsen. Ik bedoel: hij moet. Hij moet het eens leren. Verder moet hij goede boeken leren lezen, uit alle werelddelen. Er is meer onder de zon dan Cervantes, Stevenson en Carroll. Gaat me wat worden, mijn zoon is namelijk een fan van Dagobert Duck, huh. Gelukkig las hij laatst zeer geboeid een jeugdroman uit van Craig Strete, een indiaanse schrijver uit de USA.

Mijn vader had geen benul van literatuur, maar zag wel dat ik wilde lezen. Hij kwam met de populaire boeken aanzetten over de vliegenier Biggles van W.E. Johns, die oorlog en overheersing verheerlijkte met avonturenromans als ‘Biggles in vijandelijk gebied’. De piloot is er een van het soort ‘helden sterven niet’, de geur van motorolie hangt over de bladzijden. Jaren later las ik dat de Biggles-boeken uit de bibliotheken van Zweden zouden worden gehaald vanwege verhuld racisme.

Mijn vader zal hebben vermoed dat de boeken van Biggles mij niet konden bekoren. Hij kwam aanzetten met de pockets van Karl May, dikke delen waarvan het eerste luidde: ‘Winnetou het grote opperhoofd’. Het was toen dat mijn vader me plechtig zei hoe je eigenlijk een boek moest lezen: ‘Als er staat geschreven dat een Indiaan te paard ergens op een heuvel verschijnt, dan moet je de woorden niet letterlijk lezen maar je er een voorstelling van maken.’

Dat had hij me niet hoeven vertellen, maar braaf als ik was begon ik me van elke zin een extra uitgebreide voorstelling te maken. Creatief ook nog droomde ik elke bladzijde een hele andere kant op dan Karl May had gedaan. Daardoor kreeg ik dat boek slechts met grote moeite uit, terwijl mijn boekenrekje zich allengs vulde met de vele delen uit de Karl May pocketreeks.

Indertijd waren de ‘Illustrated Classics’ populair: literatuur in stripvorm. Chopin zonder middenregister, zeg maar. Gelukkig kreeg ik dat pas veel later in de gaten. Nee, dan nog liever terug naar mijn jeugdliefde, mijn eerste boek, dat ik met Sinterklaas kreeg: ‘Sjors en Sjimmie in Wonderland’. Een strip over een blond jongetje en, zoals dat toen heette, een ‘negerjongetje’. De vriendjes komen terecht in een vervlogen riddertijdperk, ik ben een jaar of zeven, acht, maar raak toch heimelijk verliefd op de jonkvrouw. Het slot van het stripverhaal laat me in verbijstering achter. De hoofdrolspelers in het boek, onder wie de ridder en de jonkvrouw, raken in de tijd bevroren. Het zal 600 jaar duren eer ze weer tot leven komen. Zo oud word ik nooit! Nooit zal ik de jonkvrouw weer tot leven zien komen! Ik achtervolg mijn moeder avondenlang naar de keuken om haar van alles te vragen over leven en dood. Ik krijg geen antwoord. Er is geen sterveling die antwoord krijgt.

Haagsche Courant, vrijdag 3 december 2004

De adelaar vliegt weg van hier

alfred birney De echtscheiding tussen Nederland en Indonesië is nu wel zo’n beetje voltooid. Onlangs werd voor ons de visumplicht ingevoerd en nu gaat de Indonesische luchtvaartmaatschappij Garuda haar vluchten op Nederland schrappen. De redenen hiervoor zijn vaag, zelfs de sales manager van Garuda Indonesian Airways weet niet precies wat er speelt. Garuda zou te kampen hebben met financiële problemen. Dat kan. Bali is sinds de bomaanslag niet direct een aantrekkelijk bestemmingsoord meer. Toch meldt de minister van toerisme geen teruggang van toeristen.

Ook zo lekker vaag is dat Garuda zegt ‘tijdelijk’ haar vluchten tussen Nederland en Indonesië te staken. Garuda is nauw verbonden met de staat Indonesia en heeft een flink deel van haar internationale imago te danken aan haar luchtbrug met Nederland. Die werd begin jaren zeventig geslagen toen Indische Nederlanders heimwee- en Tweede Generatie Indo’s roots-reizen begonnen te ondernemen. Wat er sindsdien tussen beide landen is gebeurd is zou in telegramstijl nog niet passen in deze column. De verhouding tussen Nederland en Indonesië is daarvoor veel te complex, met verwijten over en weer, je moet diep de geschiedenis induiken om er iets van te kunnen begrijpen. Nou, wie wil dat? Onze volksvertegenwoordigers in elk geval niet. En zo’n club als het Nationale Comité VOC, dat in maart 2002 de Indonesiërs enorm tegen de schenen schopte met zijn eenzijdige herdenking van de oprichting van de VOC, al helemaal niet.

In Indonesië werd toen flink gedemonstreerd tegen de ‘glorifikasi’ van de VOC. Men eiste excuses aan het Indonesische volk wegens schending van de mensenrechten, kwijtschelding van alle schuld van de Republiek Indonesia aan Nederland en compensatie voor de rijkdommen die Nederland eeuwenlang ten koste van Indonesië heeft verworven. Symbolische eisen waren dat feitelijk. Die neokoloniale organisatoren hadden er beter aan gedaan Indonesische organisaties bij hun feestplannetjes te betrekken. Het Nationale Comité VOC heeft uit goede wil het woordje ‘viering’ nog wel veranderd in ‘herdenking’, maar daarvoor was het al te laat. De term ‘viering’ was al ingeburgerd en de Indonesische ambassadeur bedankte voor de kranslegging.

Een half jaar later de bom op Bali. Ik moest toevallig naar Indonesië om een vertaling van een van mijn boeken te promoten. In toerde langs vijf steden en zag vrijwel geen Europese toerist. Dat er ondanks de ingeklapte toeristenindustrie op Bali – goed voor 10 procent van het nationale inkomen – toch een visumplicht voor allerlei landen werd ingesteld, kan niet anders worden gezien dan in het licht van de spanningen tussen islamieten en christenen. Toch zou Nederland nooit haar speciale status hebben verloren als er door de jaren heen wat meer respect was getoond. Die aanmatigende koloniale en neokoloniale houding van ons is ze aan de overkant gewoon de strot uitgekomen. Daarom vliegt Garuda weg van hier. Nou maar hopen dat ik het mis heb.

Haagsche Courant, vrijdag 13 augustus 2004

Alfred Byrnye / Bedoelt de butler Birney?

alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ voor de lol boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week, getiteld ‘Leven in MP3-formaat’. Deze andere spelwijze van mijn familienaam is verleden week door allerlei technische oorzaken waarmee ik u nu even niet lastig ga vallen abusievelijk in de kop komen te staan. De ware Alfred Birnie is mijn neef uit de gemeente T., die niet zelden voor de schrijver, columnist Alfred Birney wordt gehouden. Straks gaat ie nog de rechten op mijn vorige column claimen, al zal ie dat gezien zijn levenspeil wel niet nodig hebben. Wie weet is er een nog rijkere derde Alfred B., gespeld Alfred Byrnye, die zich lekker schuil houdt in een imposant kasteel ergens in de Schotse Hooglanden. Een kasteelheer vetgevreten van de haggis (schapenmaag of runderdarm, gevuld met stukjes hart, long, lever, niervet en havermout), zeer belezen maar zelf nauwelijks in staat een ganzenveer of pen vast te houden.
Kasteelheer Alfred Byrnye nipt verveeld van de single malt whisky van Glenfiddich en neemt met een minzaam knikje de Nederlandse krant aan van zijn trouwe butler.
‘Heer Byrnye, uw naam wordt kennelijk ijdel gebruikt in een van de kranten aan de overkant van het Kanaal,’ zegt de butler fronsend.
‘Hm, nou, aan het fotootje te oordelen is het niet direct een Schot die mijn naam boven zijn column zet. Wat denkt u dat er staat, mijn beste? Denkt die armoedzaaier op grond van een kennelijk vage afkomst enig recht te kunnen doen gelden op mijn bezittingen?’
‘Wilt u dat ik het stuk voor u laat vertalen, heer?’
‘Wat kost dat, mijn beste?’
‘Denkelijk al gauw drie eurocent per woord, heer.’
‘Veel te duur! Laat deze zaak maar rusten. Schenk me liever nog een single malt in.’
Waarop de heer zijn butler geruststelt door hem te vertellen dat de spelling van de achternaam Birney diverse varianten kent, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, en dan vergeet hij, overigens met genoegen, de Mac’s nog maar even. Hij, de kasteelheer, is met zijn eruditie heel wel op de hoogte van de grote daden van Carel Birnie, de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag, en van de boeken van ene Alfred Birney, een schrijver die ergens tussen Nederland en Indonesië in hangt en volgens hem dan maar beter ergens op de Indische Oceaan gedropt kan worden, met slechts een rubberbootje en een mondvoorraad aan haggis.
‘Met andere woorden: liever diens boeken en columns naar de haaien, heer?’
‘Gaat er dan iemand boven onze eigen grote dichter Robert Burns, mijn beste?’
‘Is Burns dan eigenlijk een Burnie, heer?’
‘Shut up! Another whisky please.’

Dit is een alternatief voor de geweigerde column Hoe spel je dat nou?
Haagsche Courant, vrijdag 16 juli 2004

Gatenkaas

alfred birney We hebben één beeldend kunstenaar in Nederland. Zijn naam is Jan. Sinds afgelopen week hebben we nu ook één schrijver. Zijn naam is Jan. Leuk hè? Is goed voor de poldercultuur! Zo was ik laatst op een verjaardagspartijtje. Nou, daar loopt dan een beeldend kunstenaar rond en die zegt: ‘Kijk, dan zit je in zo’n commissie en dan moet er ergens een beeld komen en roepen alle commissieleden: we nemen Jan! Zo gaat dat. Al jaren!’ De beeldend kunstenaar in kwestie klaagde niet, veeleer lag er berusting in zijn toon. Zal ik die berusting dan maar met hem delen? We hebben Jan nu eenmaal en straks wordt die man 80. Nou, hebben we dan te veel gezegd? Ik zou niet weten of het prettig is om 80 te worden, maar goed, waarom geen ouwe grijze duif het boekenweekgeschenk voor 2005 laten verzorgen? Hella Haasse hebben we al twee keer gehad, toen ze jong was en toen ze oud was, en Mulisch was toch ook al redelijk op leeftijd. De jonkies kunnen nog wel een halve eeuw wachten, mits het Pentagon het mis heeft met dat zondvloedscenario van ze voor de Lage Landen, maar goed, dan schrijven we allemaal in het Engels en dan doet die hele CPNB er niet meer toe en staat die Henk Kraima, de baas van die club, al lang haring te verkopen op Mallorca. Moet je eens horen, ik heb niks tegen onze Jan hoor, aardige vent, altijd onderhoudend, maar echt in vorm, nee, dat is ie niet meer. In 1982 was ie dat wel. En hoe! Hem was de Constantijn Huygens-prijs toegekend. Die wees hij minachtend van de hand. Voor de televisiecamera’s trok hij het ene na het andere boek van zichzelf uit zijn kast, dat hij stuk voor stuk tot meesterwerk bombardeerde. Ik lag in een deuk. Onze Jan vond dat men rijkelijk laat was met hem die prijs toe te kennen. En gelijk had ie. Maar waarom vindt hij dan nu niet dat men veel te laat is hem het boekenweekgeschenk te laten verzorgen? Nou, onze Jan was al eens eerder door de CPNB uitgenodigd, maar: ‘de afgevaardigde die toen kwam overleggen zat in de kaas. Ik heb hem toen uitgemaakt voor gatenkaas. Maar de huidige directeur van de CPNB, Henk Kraima, is een prima man!’ Dit lijkt mij het allerafschuwelijkste uit Jan Wolkers. Die bandiet van een Henk Kraima heeft in 2001 de Nederlandstalige literatuur afgeserveerd omdat ie zo nodig modieus moest doen door Salman Rushdie het boekenweekgeschenk te laten verzorgen. De man kraaide zelfs dat elk in het Nederlands vertaald boek als Nederlandse literatuur moest worden beschouwd en hij voegde er ook nog de smerige leugen aan toe dat de Nederlandse literatuur al lang en breed multicultureel was. Nou Jan, als je een kaasverkoper uitmaakt voor gatenkaas, waar maak je dan zo’n Kraai-maar-aan-mannetje voor uit? Het thema van de boekenweek staat volgend jaar in het teken van ‘de duizenden boeken waarin de geschiedenis van Nederland wordt beschreven’, is het niet? Dat is toch heel veel gatenkaas.

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 9 april 2004

Spoelwet en Het Gebaar

alfred birney Naar aanleiding van de persconferentie rond een Japanse kanjer die onze plaatselijke voetbalclub kwam eh… versterken, ging ik twee weken geleden in op de verbazing van deze Kazu Toda over de afwezigheid van zoiets basaals als een bad in het appartement dat hem ter beschikking was gesteld. Met mijn historische gebondenheid kwam ik over het spoelgedrag van Indische mensen te spreken, die zich verbazen over de veegcultuur die men hier te lande koestert. Indische mensen spreken er niet gauw vrijmoedig over indien men zich bedient van een spoelfles bij de stoelgang. Uiteraard hangt bij Indische mensen wel een rol wc-papier op het toilet, maar die dient als notitieblok voor de herinneringen aan Nederlands-Indië, dat begrijpt u wel. Dr. L. de Jong veegde daar ooit de kont aan af, maar het muffe papier van zijn boeken is tegenwoordig hetzelfde lot beschoren, dus zo komt alles toch nog goed.

Lezers van mijn columns herinneren zich misschien nog de door mij geopperde Spoelwet, die elke verhuurder verplicht voor Indische mensen een sproeiertje in de wc te monteren. Geen kamerlid die reageerde hoor, die beroepsleugenaars buigen zich momenteel in hun miljoenen verslindende rookruimtes over valse euro’s en het uitzetten van kinderen die de pech hebben hier geboren te zijn en met een Hollandse tongval voor veertig jaar de woestijn in worden gestuurd. Maar goed, laten we in de eerste, tweede en derde plaats nou maar aan onszelf denken, want we hebben het al zo moeilijk met onze skivakantietjes, weekendjes Parijs, weekjes Mexico, vetgevreten pensjes, dure therapietjes voor goedkope traumaatjes en wat al niet meer.

Terug naar de Spoelwet. Ik ontving een brief van radeloze lezers die een nieuwe closetpot wilden bestellen maar te horen kregen: ‘… dat het “Indische spuitje” zoals we dat nu in de closetpot hebben, niet meer aangebracht mag worden in verband met de veteranenziekte, die veroorzaakt wordt door stilstaand water.’ ‘Kletskoek’, vervolgen de briefstellers, en terecht, want in een closetpot staat het water nooit lang stil. Ben je een poosje weggeweest, dan volstaat een aantal malen doorspoelen. Bovendien voelt de legionellabacterie zich pas lekker bij een watertemperatuur tussen de 25 en 55 graden. Maar goed, het mag niet meer en nu wordt een beroep op mijn beperkte kennis dan wel onmetelijke gezag gedaan.

All right, here I go. Heeft u een fonteintje in uw toilet? Ja? Laat een loodgieter een koppeling in de waterleidingbuis monteren naar uw sproeier. Heeft u geen fonteintje? Dat wordt dan Spoelwet II, die elke huiseigenaar en woningcorporatie verplicht standaard een fonteintje te plaatsen. Nou, ziet u het gedoe al? Zullen we anders Stichting Het Gebaar maar achter de kont gaan aanzitten? Die stopt dat geld toch alleen maar in projecten van niks.

Haagsche Courant, vrijdag 13 februari 2004

Hoestnorm

alfred birney Nou had ik net het plan opgevat een column te schrijven onder de Q, X of Y, want die letters heb ik nog niet in mijn columnalfabet, en nu krijg ik de hoest! Het enige voordeel van de hoest is dat je het er warm van krijgt en niet kunt roken. Nadelen te over. Helder denken wordt lastig. Het is al middernacht en ik heb nog geen letter op papier, ik bedoel op het scherm. Maar ik zal en moet een column schrijven, een columnist is namelijk nooit ziek, hoest of geen hoest. Hé! Hoe’s’t? Aan de hoest!? Medicijn tegen de hoest? Gewoon niet hoesten! Schreef Atte Jongstra eens ergens, de nar van de Nederlandse letteren, het zou in Groente of hoe-heet-dat-boek kunnen staan maar ik duik nu even niet mijn boekenkast in, die vieze stoffige boeken bezorgen me straks nog meer hoest. Het stofvrije internet biedt veel info tegen de hoest maar zonder een omschrijving van normen en waarden. Ligt hier geen taak voor de overheid? Wat is hoest eigenlijk? Volgens mij zijn er twee soorten hoest: hoest waaraan je niet en hoest waaraan je wel doodgaat. Over geen van deze soorten hoef je je druk te maken, immers beide leiden naar de weg die de goden voor je hebben uitgestippeld. Maar is er geen gedragscode voor het openbaar bedrijven van de hoest in onze samenleving? Ik bedoel kan er geen hoestmelding boven deze column in een verder leeg veld? Dan kan ik mijn nest in! Nu moet ik schrijven terwijl ik over mijn toetsenbord klap van de hoest. Wie weet begint de lezer bij deze woorden wel spontaan te hoesten! Is hoest eigenlijk geen groter taboe dan seks? Wordt het geen tijd voor lekkere hoestprogramma’s op teevee? Dan kan het van de straat, begrijpt u? Mensen hoesten elkaar maar in de smoel onder het motto ‘ik de hoest, jij de hoest’. Moet dat voor saamhorigheid doorgaan of zo? Wat zou zo’n minister Hoogervorst van Volksgezondheid voor bespiegelingen koesteren rond de hoest? Onze premier Balkenende verbluft ons toch steeds maar weer met zijn ethische bezwaren aangaande huwelijken, televisieprogramma’s en zo meer. Als alles klopt is hij nu even niet aanspreekbaar. Zijn naam begint met een B., dus Balkenende, Berlusconi, Birney en Bush zijn aan de hoest. De A’s waren al begonnen, straks komen de C’s erbij enzovoort. Dit volgens de aanname van uw snotterige columnist in alweer een ijdele zoektocht naar wetmatigheid, maar goed, voordat de H’s aan de beurt zijn kan zo’n Hoogervorst, al is hij liberaal, als pleister voor Operatie Afbraak Volksgezondheid toch alvast voorstellen de Japanse gewoonte om bij hoest een mondkapje te dragen te laten onderzoeken? Bestaat die gewoonte nog wel? Is in het kader van de eeuwenoude betrekkingen tussen Nederland en Japan geen mondkapjesconferentie te beleggen? Het idee achter het mondkapje is niet, zoals bij SARS, de angst besmet te worden, maar de wens te voorkomen dat anderen door jou aangestoken worden. Hé, is een ratel niks?

Haagsche Courant, vrijdag 14 november 2003