Bentheim blues

alfred birney Het is alweer een paar weken terug dat ik per ongeluk televisie keek, maar voor wie vrijwel nooit televisie kijkt is dat natuurlijk een ervaring als de dag van gisteren. Televisie maakt pas indruk als je vrijwel nooit kijkt, anders zijn uitzendingen nauwelijks ervaringen te noemen, eerder geestdodende middelen waaraan nauwelijks te ontsnappen valt, te vergelijken met de junk die een verslaafde dagelijks tot zich neemt: de stakker begint pas een verandering waar te nemen wanneer er niets te snuiven of te spuiten valt. Maar goed, ik dwaal af. Ik keek dus per ongeluk televisie. Ik had dat ding eventjes verplaatst bij mijn jaarlijkse zomeropruiming en toen ik hem terugzette wilde ik hem even testen.

De nieuwslezeres kwam met een item over Nederlanders die van ellende in Duitsland zijn gaan wonen, omdat daar niet om de haverklap wordt ingebroken wanneer je je auto even onbeheerd ergens laat staan, omdat daar de mensen beleefder zijn, omdat men daar nog een praatje met je maakt wanneer je je hond uitlaat, kortom: omdat je voor Leefbaar Nederland nu eenmaal in Duitsland moet zijn. De NOS stuurde een paar vakantiewerkers af op het rustieke plaatsje Bentheim. Een Nederlandse meneer mocht uitleggen waarom Leefbaar Nederland tegenwoordig in Duitsland moet worden gezocht. Een Duitse juf kwam dat volmondig bevestigen. Maar toen kwam een richtige Deutsche in beeld. Die liet van de Hollanders instromers geen spaan heel: ‘Ach, die Hollanders die komen hier maar naar toe, maar ze passen zich niet aan, verstehen Sie? Dass lult maar over die Türken, aber zij zijn zelf ook zo!’

Het werd me even niet duidelijk wat die mevrouw nou erger vond: dat die Hollandse kolonie zich niet fundamenteel tot de braadworst bekeerde en haar Heineken afzwoer of het gewoon verdomde haar kinderen naar Duitse scholen te sturen. Maar goed, de boodschap was duidelijk: vol = vol. Diep onder de indruk van dit televisieavontuur verviel ik in diep gepeins. Niet van die vreemdelingenangst natuurlijk, dat is gewoon dagelijkse kost. Maar waar kende ik die plaatsnaam Bentheim ook weer van? Ik slaapwandelde op mijn boekenkast af, trok een boek tussen de duizend-en-een ruggen vandaan en ja… ik had het teruggevonden.

Mijn bedovergrootvader, genaamd Johan Willem Birnie, was een van de groten die de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten te Deventer bestierde, zo’n anderhalve eeuw geleden. De man was zo braaf en hardwerkend dat Koning Willem III hem met ridderkruizen overlaadde. Maar toen het even minder ging met de wereldberoemde tapijtfabriek verviel Johan Willem Birnie in somberheid. Op een dag kon hij de neergang van de fabriek niet langer meer aanzien. Hij vertrok naar Bentheim. Niet om een nieuw leven te beginnen, maar om het leven uit te stappen. De man verdronk zich er in een meertje. Zou hij zich met die daad nou hebben aangepast aan de cultuur daar in Bentheim?

Haagsche Courant, vrijdag 23 juli 2004

Alfred Byrnye / Bedoelt de butler Birney?

alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ voor de lol boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week, getiteld ‘Leven in MP3-formaat’. Deze andere spelwijze van mijn familienaam is verleden week door allerlei technische oorzaken waarmee ik u nu even niet lastig ga vallen abusievelijk in de kop komen te staan. De ware Alfred Birnie is mijn neef uit de gemeente T., die niet zelden voor de schrijver, columnist Alfred Birney wordt gehouden. Straks gaat ie nog de rechten op mijn vorige column claimen, al zal ie dat gezien zijn levenspeil wel niet nodig hebben. Wie weet is er een nog rijkere derde Alfred B., gespeld Alfred Byrnye, die zich lekker schuil houdt in een imposant kasteel ergens in de Schotse Hooglanden. Een kasteelheer vetgevreten van de haggis (schapenmaag of runderdarm, gevuld met stukjes hart, long, lever, niervet en havermout), zeer belezen maar zelf nauwelijks in staat een ganzenveer of pen vast te houden.
Kasteelheer Alfred Byrnye nipt verveeld van de single malt whisky van Glenfiddich en neemt met een minzaam knikje de Nederlandse krant aan van zijn trouwe butler.
‘Heer Byrnye, uw naam wordt kennelijk ijdel gebruikt in een van de kranten aan de overkant van het Kanaal,’ zegt de butler fronsend.
‘Hm, nou, aan het fotootje te oordelen is het niet direct een Schot die mijn naam boven zijn column zet. Wat denkt u dat er staat, mijn beste? Denkt die armoedzaaier op grond van een kennelijk vage afkomst enig recht te kunnen doen gelden op mijn bezittingen?’
‘Wilt u dat ik het stuk voor u laat vertalen, heer?’
‘Wat kost dat, mijn beste?’
‘Denkelijk al gauw drie eurocent per woord, heer.’
‘Veel te duur! Laat deze zaak maar rusten. Schenk me liever nog een single malt in.’
Waarop de heer zijn butler geruststelt door hem te vertellen dat de spelling van de achternaam Birney diverse varianten kent, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, en dan vergeet hij, overigens met genoegen, de Mac’s nog maar even. Hij, de kasteelheer, is met zijn eruditie heel wel op de hoogte van de grote daden van Carel Birnie, de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag, en van de boeken van ene Alfred Birney, een schrijver die ergens tussen Nederland en Indonesië in hangt en volgens hem dan maar beter ergens op de Indische Oceaan gedropt kan worden, met slechts een rubberbootje en een mondvoorraad aan haggis.
‘Met andere woorden: liever diens boeken en columns naar de haaien, heer?’
‘Gaat er dan iemand boven onze eigen grote dichter Robert Burns, mijn beste?’
‘Is Burns dan eigenlijk een Burnie, heer?’
‘Shut up! Another whisky please.’

Dit is een alternatief voor de geweigerde column Hoe spel je dat nou?
Haagsche Courant, vrijdag 16 juli 2004

Alfred Byrnye / Hoe spel je dat nou?

alfred birney Als het goed is staat mijn achternaam als ‘Byrnye’ boven deze column gespeld. Dus niet als ‘Birnie’ boven de column van verleden week. Dat is namelijk fout. Alfred Birnie is mijn neef uit Twello, een grafische vormgever die overigens nogal eens voor de schrijver Alfred Birney wordt gehouden. De spelling ‘Byrnye’ die hopelijk boven deze column staat, is ook fout. In mijn geval dan. Het verschil met verleden week is dat een mij onbekend gebleven redactielid het nodig vond mijn naam van ‘Birney’ in ‘Birnie’ te wijzigen en dat deze week ik het zelf nodig vind. Even kijken hoe het met mijn vrijheid van columnist is gesteld. Er ging trouwens meer mis met mijn column verleden week, de tekst kreeg een dubbel slot, deels mijn eigen schuld, ik was vergeten het afgekeurde deel uit het document te wissen, dat stond tien witregels verderop, ik zat aan de whisky, of aan het bier, dat weet ik nu even niet meer.

De spelling van mijn achternaam Birney kent diverse varianten, zoals Birnie, Byrney, Byrny, Byrne, Berney, Burney, Burnie, Byrne en ga zo maar door. Dat iemand bij de krant, nadat het 229 columns goed is gegaan, aan de nota bene door mijzelf getypte achternaam is gaan morrelen, is mij een raadsel, maar goed, het is vakantietijd en de een gaat druiven plukken en de ander kruipt achter een pc in een half verlaten redactielokaal.

Wanneer schrijf je nou ‘Birnie’ en wanneer ‘Birney’? Nou, als je het over de oprichter van het Nederlands Dans Theater in Den Haag hebt, neem je de eerste spelling en in het geval van de schrijver, columnist de tweede. Waarom? Omdat zij die namen zo gekregen hebben.

De naam schijnt oorspronkelijk uit het oude Ierland te zijn overgewaaid naar Schotland, naar verluidt als ‘Birnie’ (bright). Toen ergens in de negende eeuw na Christus drie Birnies, strijdend voor de Scoten, door de Picten gevangen werden genomen en zij met hun benen in een houtblok werden vastgezet, waren ze zo vermetel eigenhandig hun benen af te hakken en de strijd hinkend op één been voort te zetten. Kenneth the Second beloonde het drietal met een baronie in Elgin. Zo verkregen mijn verre voorouders een baronie bij Elgin. Op hun wapenschild prijken de obligate leeuw en helm. Het vaandel is bloedrood en wordt doorsneden door een wit erelint. Boven het lint staan pijl en boog afgebeeld. Eronder de drie afgehakte benen, achter elkaar aan wandelend in de richting waarnaar de pijl wijst.

In de twaalfde eeuw werd in de streek een kerkje gebouwd: Birnie Kirk. Het staat er nog steeds. De varianten op de spelling van de naam Birnie begonnen zo’n beetje aan het einde van de vijftiende eeuw, toen de Schotten whisky leerden stoken. Het bijhouden van de kerkregisters zou nooit meer een puur nuchtere aangelegenheid zijn. Dat de spelling vele eeuwen later ook in Nederland voor verwarring zorgt, zal hier het bier dan wel zijn.

Geweigerde column 16 juli 2004

Nooit meer afscheid nemen

f van den bosch De flaptekst van de vierde en laatste verhalenbundel van F. van den Bosch vermeldt dat de schrijver in Amsterdam woont. Deze op zich tamelijk onbeduidende informatie toonde wat wrang toen de bundel met de poëtische titel Aan de oever van ooit en nooit meer, verscheen. Want de schrijver was inmiddels van ons heengegaan.

Waar hij inmiddels uithangt, dat mogen de goden weten, maar je zou wensen dat hij in de tijdeloosheid nu en dan een uitstapje kan maken naar de geliefde plekken die hij in zijn literaire werk heeft vastgelegd. Uiteraard met de mensen die hem vroeg of laat ontvielen en van wie hij de rest van zijn leven op papier bezig is geweest afscheid te nemen. Wat is Indië, wat is Indonesië immers zonder de mensen die er leefden?

Het doet het er weinig toe hoe het land heet dat F. van den Bosch als jochie van vier met zijn warmte ontving en, na diens repatriëring, nooit werkelijk heeft laten gaan. Zijn schrijftafel stond in Amsterdam, zijn hart lag in Indië, zijn voeten wandelden rond in Lapland en in zijn portefeuille zat altijd wel een retourticket Amsterdam – Malmö. Daar, in Malmö, woonde tante Sonja, met haar Zweedse petjoh vol ‘suedismen’. Haar man was ooit compagnon van mijn grootvader Willem Birnie. Het schalkse tweetal had ergens een baggermolen op Borneo liggen, maar liet de wereld geloven dat zij een goudmijn hadden ontdekt.

De schrijver heeft ze niet los kunnen of willen laten, zij die optreden in zijn verhalen. Op een zacht kabbelend en ingenieus krontjongritme componeerde hij een literair kwartet waar weinig Nederlandstalige schrijvers aan kunnen tippen. De verhalen van F. van den Bosch zijn stuk voor stuk herleesbaar, ad infinitum. Ze vullen elkaar aan, de stijl is superieur, de toon berustend, de vertellingen fragmentarisch en mysterieus. Uitgeverij Querido, kieskeurig maar degelijk in het uitgeven van verzamelde werken van Indische schrijvers, kan op die boekenplank straks F. van Bosch neerzetten naast de namen van Vincent Mahieu, Maria Dermoût en Beb Vuyk.

Aan de oever van ooit en nooit meer lijkt een afscheid van F. van den Bosch aan ons lezers. Hier en daar licht hij een tipje op achter de sluiers die zijn verhaalfiguren uit eerder werk omhullen. In de vorige bundel was de schrijver zichzelf al minder gaan vermommen. Hij heette voortaan gewoon Frits. Ook zijn levensgezellin komt nu even voorbij: Thérèse, met wie hij halsoverkop een reis door Indonesië moet onderbreken om afscheid van haar stervende moeder te nemen in Nederland. Te laat. Natuurlijk. F. van den Bosch was altijd te laat om afscheid te kunnen nemen, zo was zijn leven en daarom schreef hij.

Niemand speelt een hoofddrol in zijn werk. Ook hijzelf niet. Waar gaat zijn werk dan over? Eenvoudig, en wijs, over de liefde voor de mens, onverschillig zijn of haar afkomst, rol of plaats in het leven. Dat daarmee Indië tot een literair decor wordt beperkt, zal nauwelijks teleurstelling wekken bij hen die Aan de oever van ooit en nooit meer zullen lezen. We zien het land immers tot leven komen zo breed als de schrijver het nog niet eerder heeft getoond. Wat dat betreft is het titelverhaal wellicht zijn briljantste, nóg knapper dan zijn op wereldniveau staande verhaal Het regenhuis, omdat het zo’n enorme tijdspanne suggereert en de fantasie het wint van de feiten. Het is zijn laatste gedrukte verhaal en ja, het vereist kennis van de Indische geschiedenis om het helemaal te begrijpen. Wie van de bekendste recensenten heeft die bagage? Ik zie er geen rondlopen binnen de Amsterdamse Grachtengordel, anders zou de Indische literatuur allang niet meer dat ondergeschoven kindje zijn zoals het tot de dag van vandaag is.

Neem Menteng, 1928, de beroemde wijk in Batavia, nu Jakarta. Vader van den Bosch goochelt wat met kalium en laat er de Ciliwung mee kolken. Intussen vertelt hij zijn zoontje over hoe een Engelse generaal in de periode van het Engelse tussenbewind (1811-1816) na zijn het bevel ‘lopen!’ zijn Javaanse fuseliers op de vlucht ziet slaan in plaats van ze het onverdedigde Kwitang binnen te zien wandelen.

In een ander verhaal duikt een figuur op die we kennen uit een eerder verhalenbundel. Het is Tikoes, bijnaam voor Ted. De verteller herinnert zich de jongen tijdens een voettocht door Lapland en begint nu, vele jaren later, opeens te grienen. Maar wie was Tikoes?

Met terugwerkende kracht komt hij nu uiteindelijk tot leven. Surabaya, 1930. Tikoes’ ooms zijn ‘autochtoon’ en werken in de cultures. Tikoes en de verteller stropen als jongetjes de alang-alangvelden af, ze slaan slangen dood en Tikoes vertelt verhalen over de panters, die hij heeft van zijn ooms ‘in hun behoefte een orale traditie voort te zetten’. De jongetjes vangen visjes uit een vieze sloot, Tikoes fruit ze in een oud blik en ze eten ze als ikan teri. Het is een van die schelmenverhalen die de schrijver met jongensachtig plezier tussen de overige zet. Dan kan hij even vergeten dat hij ze is kwijtgeraakt, de vriendjes en vriendinnetjes uit zijn jeugd. Want Tikoes heeft de oorlog niet overleefd en is ‘in een klein vuil interneringskamp op de kust van Borneo gekrepeerd, alleen, weggekropen achter een gescheurde klambu in een hoek van de tochtige barak’.

In een volgend schelmenverhaal horen we een Duits jongetje op de boot met verlofgangers naar Europa zeggen: ‘Wir kehren heim ins Reich.’ Wanneer ze in Genua van boord gaan, zegt Frits: “Heil, Mutti!’ Waarop ze begint te huilen. Oeps, een misser. Ja, Dieter had hem een hand gegeven en gezegd: ‘Heil Fritz!’ Wist híj veel op die leeftijd…

Wanneer Frits en zijn broertje een lift hebben gekregen van een stel dronken Japanse soldaten, die na de capitulering van Japan de gevangenen moeten gaan verdedigen die zij eerder hadden geïnterneerd – een van de meest bizarre hoofdstukken uit de Indische geschiedenis – krijgen we vader Van den Bosch te zien in zijn barak. De man is sterk vermagerd maar nog fit genoeg om met een maat over het boeddhisme te delibereren. En vader vertelt ook hoe een Japanse soldaat zich met zijn bajonet uitleefde door hem steeds met kracht te prikken tussen de benen van hem en zijn makkers in de houten bank waarop zij zaten. De mannen bleven, van schrik, rustig onder het vertoon van de soldaat. Diep onder de indruk salueerde deze vervolgens voor de mannen en hief uit eerbetoon een Nederlands liedje aan: ‘Arinne roen-roen korre-korre-ran’, ofwel: ‘Al in een groen groen knollen-knollenland…’ Waarmee de schrijver ook van de Japanse soldaat, die immers vóór zijn mobilisatie verplicht Nederlands had moeten leren, een mens maakt, en niet een of ander cliché zoals veel Indo’s van de Tweede Generatie die uitentreuren voorgeschoteld hebben gekregen in hun jeugd.

Aan de oever van ooit en nooit meer biedt ons meer leesvoer dan tevoren in de onderlinge bundels. De oorlog bezien vanuit het perspectief van een Indonesiër die later in Leiden zou gaan studeren en ongewild zijn kameraden verraadde omdat hij niet kon kiezen vóór of tegen de Republiek. Over wayangtoneel anno heden, waarin de antieke orde dreigt te worden aangetast door de nieuwe waarden uit het hedendaagse ‘vrije’ Indonesia.

Ouderlijke figuren nemen geen intiemere plaats in bij de verteller dan zijn Indische en Indonesische vrienden en vriendinnen. Vader figureerde niet in eerder werk en moeder lijkt overwegend ongenaakbaar. In een eerdere bundel zwemt zij in haar jonge jaren de marinehaven van Den Helder door, klimt tegen haar vaders duikboten op en laat zo adelborsten en matrozen tot achter de oren blozen. Nu geeft de schrijver een aanvullend beeld van haar, namelijk als schaker van wie het moeilijk winnen is.

De verteller is met grote vakantie op Soember Brantas. Tegen donker worden Petromax-lampen aangestoken. In de nanacht wordt de Arjuna-top beklommen: ‘Dan opende zich de duisternis onverwachts naar boven en keek de sterrenhemel verblindend helder op je neer […] en dan wist je op eenmaal waar je was: hier, in je huid, hier op aarde, hier in de hemel, die een mens zich niet nader en niet onmetelijker wensen kon’.

Geen gelukkig moment zonder keerzijde. De verteller heeft een boekje waaruit blijkt dat het schaakspel van zijn moeder hopeloos verouderd is. Op een losgescheurde bladzijde staat een schaakprobleem dat hem bezighoudt. De wind steekt op en neemt het blaadje mee. De jongen rent erachteraan en ziet dat het blaadje het ravijn in dwarrelt en diep beneden mee wordt genomen door de rivier de Brantas.

Jaren later tikt hij het schaakboekje op de kop bij een antikwaar in Nederland. Toch vindt hij die ene stelling niet, die hem toen zo had beziggehouden. Het gaat om ‘een loper op c4, een paard op e5 en een tartende zwarte dame die ik niet mag nemen, stond ze op g6? Heb ik het dan gedroomd? Heb ik het verzonnen? Ach, wat doet het er toe. Van dit aards bestaan blijft immers niets over, en niets ervan neem je mee in je graf.’

Maar jij, Frits van den Bosch, hebt wél een gevoelig zingend oeuvre nagelaten voor ons, stervelingen op aarde.

* * *
F. van den Bosch
Aan de oever van ooit en nooit meer
Verhalen
Amsterdam: uitgeverij Querido, 2001
Prijs: fl. 35,-

Deze bespreking verscheen eerder in De Sobat, nieuwsbrief voor donateurs van de Stichting Tong Tong, op 29 september 2001.

De Birnies

De Birnies
Documentaire
Rotterdam 1997
Joop de Jong & Liane van der Linden
Video € 13,85 excl porto
VHS speelduur 54 minuten
Uitverkocht!
Zie YouTube-film hieronder.

De Indische Diaspora, deel I: De Birnies, een Indische familie uit Deventer toont drie generaties van een Indische familie. Elisabeth Birnie-Birnie, haar zoon Johan, jeugdvoorlichter bij de KJJB, en haar achterneef, de schrijver Alfred Birney zijn telgen uit een belangrijke en kleurrijke plantersfamilie op Oost-Java. Zij zijn de hoofdpersonen in deze documentaire, waarin wordt verhaald over de ontginning van de Oosthoek van Java, over de oorlog in Nederlands-Indië en de lange nawerking ervan. De documentaire, met muziek van Fernando Lameirinhas, is verkrijgbaar op video (VHS en NTSC).

Elisabeth Birnie-Birnie is de weduwe van Fred Birnie, de laatste directeur van het familieconcern in tabak, koffie, indigo, suiker en rubber op Oost-Java. Zij heeft 100 meter familiearchief laten onderbrengen bij het gemeentearchief van Deventer en er ruim drie jaar lang gewerkt aan een genealogie. Ze vatte de geschiedenis van honderd jaar ondernemerschap op Java samen in een familiekroniek.

Haar zoon Johan is jeugdvoorlichter bij de KJJB: de Vereniging van Kinderen uit de Japanse Bezetting en Bersiap 1941 – 1949 en verzorgt lezingen met een nadruk op zijn oorlogservaringen.

Alfred Birney zet met zijn verhaal een contrapunt in de familiegeschiedenis. Zijn vader is de niet-geëchte zoon van een Birnie-telg en diens Chinese vrouw, vandaar die andere schrijfwijze van de familienaam. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd vocht Alfreds vader tegen Indonesië. Nog jaren daarna zit hij ’s nachts gewapend met zijn mariniersdolk ‘peloppers’ achterna tot in de slaapkamer van de jonge Alfred. Die vader figureert in twee van Alfreds romans – Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis – reden waarom Elisabeth hem een brief schreef met de vraag of hij eigenlijk een Birnie is. Hiermee herstelt zij voor Alfred wat zijn vader altijd heeft moeten ontberen: tot de familie behoren. Al die Birnies tezamen vertellen de geschiedenis van Nederland in Indië, of beter gezegd, de Indische geschiedenis van Nederland.

De documentaire is gemaakt door Liane van der Linden en Joop de Jong, in opdracht van de Stichting Herdenking 15 augustus 1945 met financiële steun van het Ministerie van VWS en de medewerking van het Indisch Wetenschappelijk Instituut. De video is niet meer verkrijgbaar.

What’s in a name?

Birnie / Birney. At least a history. The shields of Birney (left) / Birnie (right) appear somewhat weird to me – maybe funny to you – having these three legs underneath the bow and arrow. They look somewhat different, but in fact they are similar. What’s in a shield? At least a story.

According to family documents 1473-1733, preserved in the ‘Charterchest’ of Broomhill; disclosed by John Birnie of Broomhill (year unknown), the story goes like this:

The account of Birnie of that Ilk

There is in wrytt a tradition in the family, that in the year of God 838, or thereby, Alpin, King of Scots, with many of his prime men being taken prisoners in battle by the Picts and thereafter murdered in cold blood, and the King’s head in a base manner set on a pole in one of their chieff cities, Kenneth the Second, his son, a brave prince, soon rais’d ane armie to be revenged on the actors of so barbarons a murder. All his followers were desperate and resolute, and had many conflicts several days together, amongst whom was one Birnie, Irish, and in English Bright, then called because of his glittering armour, and his two sons, who having several tymes signalized themselves, yet one evening pressing furiously into the thickest of the Picts, were all three, with several others, surrounded and made prisoners. Night by this tyme putting ane end to the fight, they had each of them one leg putt fast in a pair of stocks to prevent their escape, till the Picts had more leisure to put them to death. The father knowing very well what would come to them, advysed the cutting off of each of their legs: which done, they made a shift to return to their own men, and, at the next battle fatal to the Picts, they were observed to behave themselves with a new cowrage, wherewith the losse of their legs had animate them. The fortune of the Scots at length prevailling, this King Kenneth, in his just revenge, laid not asyde his arms untill he had extirpated the whole nation of the Picts: their possessions he devyded amongst his men, as they most deserved, and upon Birnie he bestowed a baronie of land near Elgin in the shyre of Murray, yet bearing his name, and which his posterity enjoyed for a long tyme thereafter, and gave them for their arms Gules, in resemblance of the late bloody battle, a Feasse, the mark of honour betwixt the bow and arrow in full draught, the most ancient arms then in use, and the three legs couped at the thigh, in perpetual remembrance of their valour.

Information about The Parish of Birnie (County of Elgin, Synod of Moray, Presbytery of Elgin) show something different about the meaning of the name BIRNIE:

This parish was named Brenuth about the beginning of the 13th century: A name probably derived from Brae-nut, i.e. ‘High land abounding in nuts’; for many hazle trees once grew upon the fides of the hills and banks of the rivulets, and the general appearance of the parish is hilly. The natives pronounce it Burn-nigh, i.e. ‘A village near the burn or river’. This etymology is descriptive enough of the particular place now called Birnie.

‘The surnames of Scotland’ in The New York Public Library (year unknown) says:

BIRNIE, BIRNEY. From Birnie in Moray. James de Brennath (the early form of the place name), burgess of Elgin, was one of an inquest concerning the King’s garden there in 1261. William de Brennath, dictus Tatenel, witnessed the gift by Hugh Herock, burgess of Elgin, to the church of Elgin in 1286, and Andrew de Brenach was clerk to Sir Dovenald, earl of Mar in 1291. Walter de Branach was the king’s chaplain in Moray, 1360. William de Byrneth, canon of the church of Moray, appears as a witness in 1463, Nicholas Birne was a chaplain in 1514, and William Byrny was burgess of Edinburgh in 1558. Birny 1568, Byrnye 1568, Birney 1589, Birnye 1614.

Note from Alfred Birney:

When I visited Moray in 1998 to follow River Lossie, in search for the old place called Birnie, locals told me they had just changed the name Birnie into Thomshill. There was a bar left though, called Birnie-Inn, not to mention Birnie Church of course.