Rubber

rubber filmNostalgieNet zond onlangs de speelfilm Rubber uit, naar de gelijknamige roman van Madelon Székely-Lulofs. De film liep van 00.10 tot 01:20 uur. Ik noem de uitzendtijd opzettelijk. De film duurde 1 uur en 10 minuten, maar was, volgens Wikipedia, in zijn oorspronkelijke vorm niet 70 maar 106 minuten lang. De film was niet bepaald slecht te noemen, maar rond de inhoudelijke kwaliteit zal altijd het voordeel van de twijfel blijven hangen. Misschien zaten in die verloren gegane 36 minuten wel interessante details, al valt daar toch wel aan te twijfelen, gezien een veel te lang uitgesponnen scène van niks in de planterssociëteit, waar wat melig jolijt plaatsvindt.

De bewaarde beelden tonen alleen de vrouw die overspel pleegt, maar niet die van haar man, die hetzelfde doet. Ook de sprekende pop, de Japanse njai Kiku San, ontbreekt. Ik zag enkel een Javaanse huishoudster, die de Hollandse vrouw, een nieuwkomer, zóveel werk uit handen neemt dat ze zich begint te vervelen en een minnaar gaat zoeken. Het stel Indo-muzikanten, waarover ik narrig schrijf in mijn essay De dubieuzen, draaft inderdaad op en wordt later vervangen door een jazzband.

Los van het liefdesmotief en de verveling op de plantage kent de film geen enkele zelfreflexie bij de Hollandse planters op Deli, waar het verhaal lokaal werd geschoten. Nou tref je dat ook niet in de roman aan, wat me nogal spijt. De enige kritiek die Madelon Székely-Lulofs spuit is de cirkel van rubber tappen, het verwerken van rubber in autobanden en de import van auto’s in Indonesië. Wat dat betreft geeft ze het verhaal een mondaine dimensie. Maar meer ook niet. De autochtone bevolking vormt niet meer dan wat stompzinnig behang. Alsof in die tijd al niet naar onafhankelijkheid werd gestreefd door de Indonesiërs…

In De dubieuzen trek ik een vergelijking met Dé-lilah’s roman Hans Tongka’s carrière. Rubber wordt ten onrechte de eerste Nederlandse plantersroman genoemd. Er gapen immers liefst ruim drie decennia tussen Madelon Székely-Lulofs’ Rubber en Dé-lilah’s Hans Tongka’s carrière uit 1898. Misschien was Dé-lilah wat verder gekomen als ze haar roman simpelweg Tabak had genoemd.

Heeft Madelon Székely-Lulofs Dé-lilah’s Hans Tongka’s carrière gekend? De kans bestaat, een foto van haar in haar kamer toont een enorme boekenkast, maar ik betwijfel het. Het boek zou haar ongetwijfeld op het idee hebben gebracht een kritischer kijkje te nemen in het leven van de planters. In Dé-lilah’s Hans Tongka’s carrière bestaat geen liefde, alleen seks en geldzucht. Dé-lilah toont de uitwassen van de beruchte ‘Koelie-ordonnantie’, die planters het recht gaf naar eigen goeddunken hun koelies, een soort betaalde slaven, te berechten, tot aan de galg, zoals in de dagen van Jan Pieterszoon Coen. Deze wet duurde van 1880 – 1941, dus Madelon Székely-Lulofs moet er weet van hebben gehad.

Beide boeken van beide schrijfsters spelen in Deli. Dé-lilah neemt elke maar dan ook elke bevolkingsgroep op de hak. Madelon Székely-Lulofs werd niet graag gelezen in Nederlands-Indië, laat staan Dé-lilah. Een hernieuwde uitgave van Dé-lilah’s Hans Tongka’s carrière, desnoods in een aangepaste spelling, zou onze koloniale letteren alsnog op zijn grondvesten kunnen doen schudden.

Auteur: admin

Alfred Birney is een schrijver met Nederlandse, Oost-Javaanse, Chinese en Schotse wortels, vandaar de Angelsaksische achternaam. Hij publiceerde romans, novellen, verhalen, columns, essays, kritieken, toneelteksten, journalistiek werk en didactisch materiaal over gitaarmuziek. Zijn roman De tolk van Java was de literaire sensatie van 2017. Het boek won zowel de Henriëtte Roland Holst-prijs als de Libris Literatuur Prijs.