Alfred Birney

Rotterdammertjes

Gepubliceerd (Geüpdatet: ) in Columns. Tags: , .

alfred birney Wat een sukkels in die havenstad. Dat ze zich in 1940 lieten platgooien door een stelletje op hol geslagen moffen konden ze niet helpen. Maar ruim zestig jaar later zonder slag of stoot een vileine dictator binnenhalen getuigt wel van bar weinig intelligentie. Gelukkig roept men er geen ‘Heil Fortuyn!’ maar ‘Hé Pimmie!’ Nuances, hè? Vandaar dat de gedoodverfde opvolger van onze chef-kok uit de paarse keuken zo jaloers op hem is. Zelf wordt hij immers bij de achternaam genoemd. Het is géén Adje, maarrr… meneer M. Het saxofonistje dat met zijn getoeter de liberalen moet trekken, heet geen Hansje maarrr… meneer D. Verder noemen de democraten hun voorman geen Thom Pouche en de groentjes hun aanvoerder geen Willie Wortel. Kortom, niemand krijgt een koosnaam. Alleen daarom al staan ze met een mond vol tanden tegenover dat monomane keffertje genaamd ‘onze Pim’. Verraderlijk, die charme waar de Rotterdammertjes zo zijn ingestonken. De Hagenezen waren toch een stuk slimmer: gewoon níet stemmen. Het was me een pleurisweertje wel, zeg. Dat trotseert toch geen hond voor zo’n corrupt gemeenteraadje. Den Haag scoorde het hoogst op de ladder der stemverzuimenden. Logisch, wij zitten het dichtst bij de moederhaard. Wíj weten dat het nauwelijks fikt aan het Binnenhof. Geef ons een mokkel van een meid als boegbeeld van ene Zwarte Madonna Partij. Ze werpt een laatdunkende blik op Pimmies schoothondjes en zegt tegen hem met een hoofdbeweging naar haar bink: ‘Ik heb toch liever een échte vent naast me liggen.’ Kijk, dáár trekken Hagenezen de schoenen voor aan.

Haagsche Courant, vrijdag 8 maart 2002