Racisme en de Zangeres Zonder Naam

Het internet heeft geen plaats voor ironie. Ik weet niet waar dat aan ligt. Er zou geen verschil moeten zijn tussen een tekst op papier en een tekst in een blog die je op je beeldscherm leest. Maar dat verschil diende zich al snel aan toen het e-mailen rond de eeuwwisseling een enorme vlucht nam. Je moest leren schrijven met emoticons, wilde je goed begrepen worden. De smiley is het bekendste voorbeeld. Vergeet je die achter een ironische zin te plaatsen, dan kan je in de problemen komen en soms woedende reacties oproepen. Overigens is ironie in boeken of aan de kletstafel al veel langer een struikelblok voor minder fijnzinnige geesten.

Onlangs hing ik rond op Facebook. Uit balorigheid begon ik oude Hollandse liedjes te posten. Zuiderzeeballade van Sylvain Poons. Cimeroni van Anneke Grönloh. Kleine schooier van De Trekvogels. Twee reebruine ogen van De Selvera’s. Melige liedjes van Rijk de Gooyer. Surfend op YouTube stuitte ik op een oud liedje van de Zangeres Zonder Naam. De titel:

Hij was maar een neger

Het bleek dat weinig mensen mijn balorigheid in de gaten hadden. Dat was zo erg niet. Maar toen ik met dit nummer kwam, was de boot aan. Terwijl ik in een deuk lag van het lachen om de tijdgeest van de jaren zestig, raakten enkele mensen echt in verwarring. De tekst van het lied luidt:

’t Liep tegen Kerstmis, hij zocht in de stad
Of iemand voor hem soms een kamer nog had
Maar waar hij ook kwam, even keek men hem aan
Dan schudde men ‘nee’, en dan kon-ie weer gaan

Hij was maar ’n neger, zo’n zwarte
Zoiets haal je niet in je huis
Omdat je ’t noodlot dan tartte
Want die zwarten zijn immers niet pluis

Hij zag door de ramen de kerstbomen staan
Met glinst’rende bellen en lichtjes eraan
Hij hoorde gezang, ozo vroom en devoot
Terwijl men voor hem alle deuren goed sloot

Hij was maar ’n neger, zo’n zwarte (etc)

In ’t kerkje dat noodde, daar knielde hij neer
Bij ’t ruw-houten kribje, van ons Lieve Heer
Toen vroeg-ie zich af of dat kindje zo klein
Alleen maar voor blanken geboren zou zijn

Hij was maar ’n neger, zo’n zwarte (etc)

Gesneden koek voor mij. Immers in de jaren zestig werd ons geleerd om medelijden met ‘negers’ te hebben. Vooral die in Amerika hadden het zwaar. Tijdschriften als De Panorama stonden bol van fotoreportages van ‘negers’ die in getto’s door politieagenten overhoop werden geschoten. Martin Luther King was een man voor wie je ontzag moest hebben.

Intussen liepen er in Nederland nauwelijks ‘negers’ op straat. Je zag voornamelijk Hollanders, wat Indo’s, een paar Ambonezen, Italianen en dat was het dan wel zo’n beetje. De ‘neger’ dook pas op na de onafhankelijkheid van Suriname, toen de helft van Paramaribo het vliegtuig nam naar Holland. Dat was tien jaar na verschijning van het lied Hij was maar een neger, geschreven door Johnny Hoes in 1965.

Het lied had een provocerende boodschap, want het werd gebracht rond de kerst. De tekst is een variant op Jozef en Maria, die rond de kerst ook nergens welkom waren. Zo beschrijft de tekstdichter in het derde couplet het lot van de neger die van deelneming aan het kerstfeest wordt uitgesloten.

Als jochie van 14 begreep ik die tekst onmiddellijk, en ik zou tien jaar later zelfs persoonlijk in dergelijke situaties verzeild raken bij het zoeken naar kamers. Maar nu, in een tijd waarin racisme niet meer wordt verhuld door schijnheiligheid, is dit liedje voer voor veel onbegrip.

Iemand op Facebook schreef: “Toen ik dit lied voor ’t eerst hoorde kon ik het ook niet plaatsen…heel raar lied…” Een ander schreef: “Volgens mij komt dit uit de hoed van Robbie Muntz.” Weer een ander: “Ik denk dat het rare van dit lied is, dat het niet overkomt als ‘aanklacht’, je weet dat ze wil aantonen hoe jan-en-alleman denkt, maar je wordt toch in vertwijfeling gebracht…”

Inderdaad. Die Robbie Muntz nam het nummer in 1998 opnieuw op; het werd op een cd gratis verspreid bij de VPRO-Gids. Het plaatje werd door vrijwel alle radiostations geboycot, kennelijk Muntz’ bedoeling. Zijn kompaan Paul Jan de Wint lichtte toe in Muziekmagazine FRET, maart/april 2010: “Het nummer werd in de jaren zestig niet verkeerd begrepen, maar in de jaren negentig dus wel. Uiteindelijk had het goede bedoelingen en konden we heel goed aantonen hoe verward de tijd was waarin we dit nummer opnieuw uitbrachten.”

Als je wilt weten hoeveel verwarring er nu nog rond dat liedje bestaat, moet je het internet maar eens afzoeken. De ene blogger brengt het als een schandaal, de andere blogger legt de boel fijntjes uit, de schreeuwende racisten laat ik maar even voor wie ze zijn.

De Zangeres Zonder Naam nam het in haar levensliederen altijd op voor de underdog, ik dacht toch dat dat bekend was onder het volk: reden waarom ze aan het eind van haar carrière zo populair was in gay-kringen.

Racisme leefde een halve eeuw terug niet minder dan nu. In het huidige tijdsgewricht is het, vooral door de digitale revolutie, alleen maar duidelijk aan de oppervlakte gekomen. Racisme was in de jaren zestig iets wat Nederland niet direct raakte. Met een sociale woningbeleid van één Indische familie in elke straat en ‘negers’ die ver weg in Amerika of in Suriname zaten, kon racisme hier in Nederland eenvoudig worden ontkend. Nu is het een probleem waar de gemiddelde Hollander direct mee te maken heeft en moeilijk raad mee weet. Zelfs de Zangeres Zonder Naam, met haar eenvoudige teksten, wordt opeens door sommigen als dubieus beschouwt. Je zou bijna gaan denken dat ze bang zijn voor hun eigen onderbuikgevoelens.

Racisme is een ervaring. Ik zeg niet dat je het dan zult begrijpen. Racisme is een levenslang thema voor me, maar ik snap er nog altijd helemaal niets van.