Raamvertelling in de middag

weijts birney 't hartHet kleine Maliestraatje loopt van de Denneweg naar het Smidswater en is een perfecte locatie voor een moord in een ouderwetse zwart-witfilm of stripverhaal uit het genre crime noir. Voor het middagprogramma heeft de organisatie een souterrain als cachot uitgekozen voor drie schrijvers, die elkaar afwisselen: Gerbrand Bakker, Gustaaf Peek en ik. Maar eerst is er een podiumvraaggesprek in Theater Branoul. Mijn gastheren zijn Christiaan Weijts en Kees ’t Hart. Er zit een enorm verschil tussen geïnterviewd worden door een journalist, een presentator of een schrijver. Het gesprek gaat al gauw over het vak zelf. Kees ’t Hart is goed op de hoogte van mijn Rivierentrilogie en duikt met mij in de werkwijze en composities van de novellen. Ik vertel hem dat Rivier de Lossie fluistert en dat het verhaal dat dus ook doet. Rivier de IJssel zingt en daarom zingt het verhaal in contrapunt. Rivier de Brantas is een spiralerende rivier die hier en daar is verzand en zijn geschiedenis als het ware heeft verstopt. En zo is het gelijknamige boek. Christiaan Weijts en Kees ’t Hart willen weten of ik dat écht zo bewust heb gedaan. Jazeker, is het antwoord. En hun lichte verbazing verbaast en amuseert me tegelijk.

Na het vraaggesprek wandel ik wat rond in de Maliestraat. Aan het begin van de straat is een podium dwars opgesteld, waar singer songwriters elkaar afwisselen. Ik moet terugdenken aan halverwege de jaren zeventig, toen ikzelf als singer songwriter optrad maar er weinig publiek was: men wilde rock & roll… Ik breng een bezoek aan Gerbrand Bakker. Hij houdt zich in het souterrain bezig met het werken aan een tekst op zijn laptop en het roken van zware shag. Hij is een ochtendschrijver, vertelt hij me. Daar zijn er meer van, zoals Doeschka Meijsing. Dat type staat op, neemt een ontbijt en zet zich onmiddellijk aan het schrijven. Ikzelf doe dat alleen in de tropen (lees: Indonesië). In Holland duik ik de nacht in voor rust achter mijn schrijftafel.

Gustaaf Peek lost Gerbrand Bakker af. Hij heeft een mechanische schrijfmachine meegenomen en typt haiku’s. Het is jammer dat de organisatie geen poster met onze namen aan de gevel heeft gehangen, zodat het publiek kan zien wie er zit en dat er gelegenheid is voor vragen stellen. Mij is een lijk beloofd van een mooie jonge vrouw, maar als ik de kelder in moet, ligt er geen lijk. Ik verzoek dus om een lijk. De organisatie gaat naarstig op zoek naar een actrice, die even later voor lijk het trapje wordt afgedragen. De ruimte in de kelder is te klein, vanwege het bureautje en de snuisterijen, om haar neer te leggen. Dus er wordt besloten de vrouw op de trap te leggen. Ze is Sofieke de Kater en speelt haar rol goed, ze ligt volkomen ontspannen en zegt helemaal niets. Uiteraard trekt ze veel aandacht. Via de microfoon onderhoud ik het publiek en lees hardop voor wat ik inderhaast met mijn vulpen op papier zet (de tekst staat in de vorige posting). Dit optreden is een gimmick, uiteraard, want schrijven doe je zonder bespied te worden. Er komen zelfs ambulancebroeders aanlopen om vast te stellen of de dame op de trap dood is. Ze is dood. Echt. Mijn gimmick valt in het water wanneer er iets misgaat met de microfoon en het lijk wordt weggehaald.

Maar dan komen er nieuwsgierige kinderen op de trap zitten. Ze vragen me waar de vrouw is die er zonet lag. Ik zeg: “Ga haar maar zoeken.” Ze keren onverrichte zake terug en gaan nu zelf maar voor lijkje spelen. Ik neem foto’s van ze en lees de haiku’s voor van Gustaaf Peek, die de schrijver in propjes op straat heeft achtergelaten en door de kinderen gevonden zijn.

Later zie ik het lijk, gespeeld door Sofieke de Kater, na haar wederopstanding breeduit lachend een biertje staan drinken in de brede deuropening van iets dat op een hotel lijkt. Boven haar hoofd zwaait een raam open: een dichteres laat haar poëzie door het straatje schallen. Een dergelijk literair festival zou elk seizoen gehouden moeten worden.