Promotour (7) Spoken in Semarang

alfred birney De klimmende weg van Jogjakarta naar Semarang is op zich fraai. Maar autobussen en overige rijdende doodskisten komen uit tegengestelde richting met duizelingwekkende vaart omlaag sjezen en mijn chauffeur is zo dom om het gevaar met zogeheten behendige inhaalmanoeuvres te tarten. Halverwege de rit weet hij op hoge snelheid een tegenligger maar net te ontwijken. Ik roep hem toe dat ik niet dood wens te gaan en werp hem via zijn achteruitkijkspiegel een waarschuwende blik toe. Hij heeft de boodschap begrepen en nu kan ik pas rustig om me heen kijken. Veel oud-koloniale gebouwen in Magelang, Salatiga en Ungaran, waar mijn grootmoeder ligt begraven.

In Semarang wachten mijn laatste optredens, daarna ben ik vrij. Het is een vreemde tijd. Er heeft net een brand gewoed in de “Akademi Bahasa 17 Agustus 1945”. De Engelse en Nederlandse klaslokalen zijn in rook opgegaan. Mijn vertaalster, hoofd van de studierichting Nederlands, weet niet of ze aan een aanslag moet denken of aan kortsluiting, waar de politie het voorlopig bij houdt. Ze ontvangt haar studenten Nederlands voorlopig in een lokaal bij haar thuis.

Mijn optreden aan de Universitas Diponegoro wordt zeer goed bezocht, mijn boeken raken er in een mum van tijd uitverkocht en ik ga nu op eigen kosten vakantie vieren. Ik heb nagelaten mijn verblijf in mijn hotel tijdig te verlengen en moet nu op zoek naar een ander hotel. Dat blijkt onverwacht lastig, want alle hotels in Semarang lijken volgeboekt. Het zijn de dagen voor de ramadan en mensen komen van heinde en verre om de graven van hun familieleden te bezoeken. Ook ik wil het graf van mijn grootmoeder bezoeken, maar ik zal toch eerst een hotel moeten zien te vinden.

Mijn vertaalster belt in het rond en hoort dat er in de bovenstad nog een hotel enkele kamers vrij heeft. Maar bij aankomst herken ik het hotel als het spookgebouw dat mij ook twee jaar eerder al niet bijster aantrok. En wie wel? Iedereen schijnt dit hotel te mijden.

‘Spookt het hier?’ vraagt mijn vertaalster aan de receptioniste achter de balie.

‘Daar houden buitenlanders toch van?’ antwoordt de vrouw met een dubbelzinnig lachje.

Hotel California, een oude hit van The Eagles, begint opeens in mijn hoofd te jengelen. Dat gaat over een hotel waar je van harte welkom bent, maar waar je ook nooit meer vandaan zult komen.

Ik vlucht terug naar de benedenstad en vind een laatste kamer in een smoezelig oud logement met een galerij rond een binnenplaats. Er zitten alleen Indonesiërs. Leden van een grote band komen laat terug en schoppen een muzikale keet met hun cello’s en violen. Niemand klaagt. Daarvoor spelen ze te mooi in de bloedhete nacht.

Haagsche Courant, vrijdag 29 oktober 2004

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Columns