Promotour (4) Bommen en varkensvlees

alfred birney Hoe langer je in Jakarta zit, hoe meer je de mensen hoort morren over de jongste bomaanslag. De stad is overspoeld met politieagenten. Indonesische meisjes beginnen hoofddoekjes op straat te dragen in de hoop dat de volgende kamikaze zijn auto een stukje verder zal rijden eer hij aan het koord van zijn bom trekt. Het dragen van hoofddoekjes is in Jakarta overigens minder gebruikelijk dan in Den Haag.

Het hoofd van het Erasmus Taalcentrum, waar ik een paar gastlessen verzorg, trekt zich van narigheid bijkans de haren uit het hoofd. Hij zit al 17 jaar in Jakarta, heeft alle aanslagen meegemaakt, inclusief de kerken die hier werden platgebrand, maar begint zich nu toch zorgen te maken. Zal het ETC straks aan de beurt zijn?

Op een Nederlandse school die ooit ruimte maakte voor Australische kinderen beginnen Nederlandse ouders nu te mopperen over hun aanwezigheid. Een enkeling houdt zijn kroost al thuis.

Op de avond van mijn boekpresentatie in QB World moet ik op mijn publiek wachten. De boekwinkel ligt in een gebouwencomplex dat veel bezocht wordt door welgestelde Indonesiërs, expats en buitenlanders. Een makkelijk doelwit voor terroristen. De winkels hier hebben de laatste weken al meer dan de helft van hun klanten verloren. Wil je het complex betreden, dan wordt je auto van onderen tot boven onderzocht op explosieven. Dat gaat tamelijk ongedwongen, de politie doet zelf ook liever wat anders, maar het moet wel gebeuren. Daarom begint mijn presentatie twee uur later dan aangekondigd.

Het wordt laat, want na de presentatie en de vragen uit het publiek moet ik mijn boek nog gaan signeren en tegelijk een interview geven aan een Indiase journaliste van de Jakarta Post. Is het publiek eenmaal weg, dan moet ik ook nog de resterende voorraad van mijn boeken van een handtekening voorzien, als geste aan de boekhandelaar. Ik zit aan het raam. Diep beneden me slingeren de overvolle autowegen zich tussen de enorme gebouwen door. Jakarta’s nachtleven begint.

Ik kom met de boekhandelaar, een journalist van Kompas en een collega schrijver terecht in het labyrintisch uitgaanscomplex van Jakarta West, waar ik me niet bijster op mijn gemak voel. Wie in dit waanzinnig Jakarta weet te overleven, kan dat overal, tot in New York, bedenk ik me. Na het stappen gaan we een nachtwaroeng binnen waar ze een speciale boeboer serveren. Alarm! Zodra een Indonesiër het over een specialiteit heeft, veins ik maagklachten, ha ha. Ik moet die rare pap niet die ze tot zich nemen, compleet met varkensvlees en wat al niet.

Eh… Pardon? Varkensvlees? Okay, de boekhandelaar is Chinees en boeddhist. Maar de schrijver en de journalist zijn Javaanse moslims toch? Jazeker, en daarom zegt de boeddhist voor de lol tegen zijn kompanen: ‘Zeg, er is nog eten over. Moeten jullie niks mee naar huis nemen?’ Waarop de schrijver met een grijns zegt: ‘Hey, wat denk je wat voor moslim ik eigenlijk ben? Thuis wordt halal gegeten, begrepen?’

Haagsche Courant, vrijdag 8 oktober 2004

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Columns