Promotour (1) Jakarta

alfred birney Als in Jakarta een bom zou ontploffen, ging het leven ongehinderd door. Geen tijd om bij zo’n akkefietje stil te staan. Wie staan er stil in Jakarta? Zij die het verkeer voorbij hun krotten zien razen. Hun kinderen riskeren hun leven met bedelen, mank gebeukt door bumpers, hilarisch van de uitlaatgassen. Auto’s walmen in rijen van vijf aan elke kant van de vangrail. Te veel mensen moeten dicht opeengepakt langs de autowegen maar zien te overleven. Men schat het aantal illegalen hier op twee miljoen, tegenover tien miljoen ingeschrevenen. Je ziet geen krotten langs de tolwegen, waar automobilisten hun geld naar familieleden van de oud-president zien gaan, die geen oog hebben voor de ellendigen die deze stad zo’n monsterachtig aanzien geven. Jakarta vreet het leven op, er is geen seconde waarin niets gebeurt. De nachten duren niet, men gunt elkaar nauwelijks slaap. Ratten scharrelen onder een oranje volle maan, die de skyline doet grijnzen als het stukgebeten gebit van een dinosaurus. Een jetlag jaagt me uit bed, ik vind de hoofdschakelaar van de airco niet en doe het hotelraam open. Mohammedaans gezang en hanengekraai stijgen uit het halfduister op. Ik moet om vijf uur op, om zes uur naar de televisiestudio, om zeven uur aan tien miljoen kijkers mijn glimlach laten zien. In de middag verwacht de pers me in een snikhete warong. Op een avondpodium discussieer ik met vooraanstaande intellectuelen over mijn boek. Ik zal geen rust krijgen, en het hun niet geven. Ik vreet ze op, het publiek erbij, ik moet wel, anders val ik om.

Haagsche Courant, maandag 11 november 2002

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Columns