Poppy

alfred birney Poppy is in het knusse souterrain tussen het publiek gaan zitten en luistert naar de Hanson Hawaiian Minstrels op het podium. Haar gloriedagen met de Honolulu Queens liggen in een tijd toen mijn ouders teenagers waren: mijn vader in Soerabaja, mijn moeder in Helmond. Van de zusjes Apontoweil speelde Poppy contrabas en ukelele, Elly Hawaiian-gitaar en Tity gitaar. Poppy is inmiddels 85 en monstert de ukkies van 50 tot 70 in hun witte pantalons en dito schoenen onder hun gebloemde shirts. De Hawaiian-gitarist is een Hollander, de andere vier bandleden zijn Indo’s. Het zaaltje zit vol oudere, meest Indische mensen, die bij sommige nummers nauwelijks stil kunnen blijven zitten en het liefst op de stoelen zouden gaan dansen. In de pauze raak ik in gesprek met een bandlid over de oorlog in Nederlands-Indië, waar hij heeft moeten vechten voor de Nederlanders tegen zijn oude vrienden. ‘Wah, ze snappen er niks van, hier in Nederland,’ verzucht hij. Maar zijn ereteken KNIL ORDE en VREDE kunnen ze hem niet afnemen. Zijn gitaar trouwens ook niet.

Poppy wordt rusteloos en vraagt zich af of die jochies de nummers uit haar bijkans vervlogen repertoire straks wel kunnen spelen. Eenmaal op het podium zweept ze hen op, bij het tweede nummer begint ze echt te swingen, het oude meisje dat ooit volle zalen trok met de Honolulu Queens. Tegen de avond weer buiten, voelt het extra kil aan in Den Haag. Ik kijk nog even om en lees het bordje aan de gevel: Regentenkamer. Zingend fiets ik weg over de Laan van Meerdervoort: I’m going back someday, come what may…

Haagsche Courant, maandag 8 april 2002