Verkeersdoden

Zomaar een dag. Ik ga de deur uit, de wind is gaan liggen, dat merk je direct aan het verkeer: auto’s rijden rustiger, mensen pezen elkaar niet voorbij, men heeft zelfs tijd voor een glimlach. Ik wandel rustig met mijn rugzakje naar het plein, steek een sigaret op, ik ben wat vroeg, de fysiotherapeut van niks is niet ver lopen, het is mijn laatste consult, verplicht nummer eigenlijk, uit beleefdheid nog maar even een handje geven, hem een prettige vakantie toewensen en meer van dat alledaagse gedoe.

Fysiotherapeuten vormen een hopeloos klasje in het medische veld: ze weten waar je spieren lopen, waar de aanhechtingen van je pezen zitten, ze kunnen je wervels tellen en dat is het dan wel zo’n beetje. Ze lokaliseren de pijn, masseren je en sturen je met nog meer pijn naar huis met het advies alles gewoon te blijven doen zoals je gewend bent te doen, bla bla bla.

Neem nou een land als Indonesië. Daar bezoek je geen fysiotherapeut, maar een pidjitman of –vrouw. Die laat je niet gaan eer je pijnvrij bent. Of je nou pijn hebt aan je hoofd, je nek, je ledematen of ergens in je buik, ze nemen je van top tot teen onder handen. Zó moet het. Dat noemen wij hier de holistische benadering, daar doen we hier heel gewichtig over, terwijl ginds de hele reut van sportmassage, reiki, magnetiseren, aura-healing, acupressuur, acupunctuur, voetreflexmassage en wat al niet meer gewoon pidjit heet. Meer niet.

Maar Indonesië is een heel eind vliegen en vandaag is zomaar een dag, er is niets om je werkelijk druk over te maken. Je moet wel oppassen waar je loopt, zoals altijd, want de straat blijft hier een openbaar toilet voor honden.

Toch blijft het dagelijkse leven verrassingen zitten. Vliegen zwermen rond een stoeptegel, er kruipen insecten af en aan, alles krioelt rond iets dat ik aanvankelijk voor een jonge vogel houd maar dat bij nader inzien een rattenkop blijkt te zijn. Waar is zijn lijf gebleven? Heeft een kat zijn kop eraf gebeten en hem laten liggen of heeft een automobilist zijn lijf plat gereden en zijn straatjongens met zijn kop gaan pingelen? De rattenkop ligt er zo triest bij. Wég zijn leven. Insecten vluchten, bang dat mijn schoen ze zal vertrappen.

Onwillekeurig moet ik denken aan hoe Friedrich Nietzsche in Turijn huilend een trekpaard om de hals viel toen hij zag dat het werd afgerost, – een beroemde scène die Nietzsches totale instorting markeert. Ik wankel even terwijl ik doorloop. In de avond lees ik in de krant dat onze minister van Verkeer het aantal dodelijke ongevallen in het jaar 2020 omlaaggebracht wil hebben naar 640. Waarom niet naar nul? Gewoon: nul.

Een rare berekening moet het zijn die het aantal verkeersdoden van 1100 in 2003 terug moet brengen naar 640 zeventien jaar later. Mogelijk kleeft er een hoog realiteitsgehalte aan de norm die onze minister voor ogen staat? Mensen zijn ratten. Zoiets?

Haagsche Courant, vrijdag 2 juli 2004

De Staat is nog altijd een pooier

De onlangs ingevoerde zoveelste verhoging in zeer korte tijd van de accijns op tabakswaren is buitenproportioneel. De Staat schaamt zich niet eens meer voor de dubbele rol die zij speelt: het beschermen van de gezondheid van haar onderdanen en tegelijk het binnenhalen van zoveel mogelijk belastingcenten. Hoe meer rokers stoppen, hoe hoger de accijnzen. Wie dit als argument hanteert dat rokers voor hun eigen gelag betalen, zit er naast. De accijnzen worden niet linea recta naar de gezondheidszorg doorgesluisd. Integendeel: de gezondheidszorg wordt uitgekleed en diverse organisaties binnen die zorg worden als concurrenten tegen elkaar uitgespeeld met als grote marionettenspeler uiteraard de Staat.

De gevolgen van de extreme accijnsverhoging zijn direct zichtbaar. Sommige tabakshandelaren verkopen nu al sigaretten per stuk onder de toonbank door aan mensen die niet kunnen of willen stoppen met roken en het met wat minder gaan doen. Kortom: de sigaret als joint, zoals je die per stuk in zogenaamde coffeeshops kunt kopen.

Onze Staat voerde ooit uit pure geldzucht een zogenaamde ‘opiumregie’ in voormalig Nederlands-Indië (zie o.a.: The effect of government policy on drug use; Java, 1875-1904, Journal of Economic History – Eric van Luijk en Jan van Ours, maart 2001). Die ‘opiumregie’ stond onder toezicht van een bureau van het ministerie van Financiën. De Nederlandse Handel Maatschappij (NHM) was monopolist en zou later trouwens opgaan in de ABN. Volgens het Amerikaanse zakenblad Forbes heeft Beatrix thans voor tien procent aan aandelen in ABN-AMRO. Of dat fraai is, is aan de lezer. De Indische bellettrie van de negentiende eeuw staat overigens bol van de schandalen rond de opiumhandel, maar die titels halen natuurlijk de boekenlijsten op de middelbare scholen niet, dat begrijpt u zeker wel.

Wie de schadelijkheid van het dagelijkse autoverkeer als tegenvoorbeeld aanhaalt in de discussie over de schadelijkheid van het roken, krijgt steevast te horen dat het autoverkeer de economie dient. Al die automobilisten die veelal alleenrijdend enorme files vormen en de lucht verzieken, die dienen ons! Het zal wel, maar ons nageslacht zal daarvoor moeten boeten, méér dan voor die sigaretten waar hysterici zo debiel over lopen te schreeuwen.

De penoze wrijft zich intussen verlekkerd in de handen. Dealen in cocaïne, heroïne en XTC wordt uitgebreid met de handel in sigaretten uit clandestiene fabrieken. Wie nu nog een krantenwijkje loopt, is straks koerier van zo’n organisatie. Fijn, dat worden straks dus nog meer smoking guns in de handen van de politie, die het vuile werk mag opknappen dat nota bene door haar werkgever wordt geschapen. Enfin, wie nu nog lult over de teloorgang van normen en waarden die moet maar eens de geschiedenisboeken induiken. Die van pakweg honderd jaar terug staan in elk geval nog overeind.

Haagsche Courant, vrijdag 6 februari 2004

Follow

Ik ga denk ik maar een auto kopen. Kan ik met de tuffende niet-rokers het milieu verder gaan verzieken. Mijn zoontje mag dan halverwege deze eeuw gezellig met een gasmasker over straat. Maar hemel, die auto’s van tegenwoordig zien er niet uit. Het is allemaal dezelfde fantasieloze blikzooi met veel oog voor zuinigheid in brandstofverbruik (zodat we nóg meer kunnen rijden), veel computergefreak (sprekende wegwijzers, dan hoef je niet te denken), op afstand bestuurde vergrendeling (leuk voor zappers), 100 watt hifi-installaties (zodat je het verkeer om je heen niet hoort) en meer van die ongein. Geef mij maar een ouderwetse VW of Citroën Traction Avant waar mijn Brabo opa met zijn dronken kop eens de vaart mee in reed (hij won tweemaal de staatsloterij en had de volgende dag alweer een nieuwe). Die auto’s hadden een eigenheid, wat zeg ik, een ego! Haal ik me wel een probleem mee op de hals, want die ego’s kenden geen therapeuten indertijd. Dus dat wordt sleutelen en dat kan ik niet met die verwende schrijfvingertjes van me.

Het VW-busje is mijn favoriet, liefst een T1 (1948-1966), want daar reed Ome Willem in. Wie Ome Willem is doet er nu even niet toe, dat komt later wel. Eerst maar onze Craig. Die reed, moderner, in een T2 (1967-1979). Mwah, ging nog wel. Enorme zeikerd van een vent overigens, maar hij reed lekker, smooth you know, yeah!

Craig was een naar het stadshippiedom afgegleden ex-militair en toerde een poosje door Holland in een VW-busje met Duits kenteken. Achterin lag een matras, waarop we blowden, gitaar speelden en zemelden over de zin van het leven. Onze tochten waren doelloos en dus perfect, aangezien wij de doelloosheid als de tao van het leven beschouwden. Maar Craig was een kapotte grammofoonplaat, die bleef hangen bij een alarmknop die Amerika het sein kon geven onmiddellijk haar raketten op Rusland af te vuren. Craig had zwetend van angst achter die knop gezeten. De Derde Wereldoorlog had ooit in Craigs handen gelegen! Gitaarspelen kon hij niet. Wat een handicap voor een traumadier. Hij had wel een cassettespeler aan boord, met maar één bandje, dat eindigde met ‘Follow’ van Richie Havens, die zwarte folkartiest die op Woodstock even niet wist wat ie moest zingen en spontaan ‘Freedom’ begon te schreeuwen. Ik heb zijn eerste elpee nog, bekrast, bevlekt, doorleefd. ‘Follow’ staat erop. Als ik dat draai, dan zit ik weer in Craigs busje. Zonsondergang in 1972. Neonlicht. Kalklijnen spelen op het asfalt. Richie Havens zingt: ‘If all the things you see ain’t what they seem… Then don’t mind me, cos I ain’t nothing but a dream…’

We zwijgen, Craig erbij. Wat kan het leven mooi zijn. Met zo’n lied dan, hè? Laat dat VW-busje eigenlijk maar zitten ook. Muziek, tabak en de Haagsche Courant. Dat is zat, joh.

Haagsche Courant, vrijdag 23 januari 2004

Indië in diffuus perspectief

de oude indische wereldDe geschiedenis van koloniale handelsvestigingen in Azië wordt meestal verteld uit het gezichtspunt van de nieuwkomers, de kolonisatoren.’ Zo opent een hoofdstuk uit De oude Indische wereld, van Ulbe Bosma en Remco Raben. De auteurs zijn wetenschappers van de nieuwe lichting en doen een poging die wereld in een niet-koloniaal perspectief te plaatsen.

De term ‘Indisch’ wordt doorgaans in twee betekenissen gebruikt, zeggen ze: als ‘koloniaal’ en als ‘aanduiding van Euraziatische gemengdbloedigheid’. Beide omschrijvingen vinden ze onbevredigend. ‘De Indische wereld bestond dankzij het kolonialisme, maar ontwikkelde een eigen dynamiek, waarin het koloniale bestuur slechts een van de bepalende elementen was.’ Om deze stelling te omkleden kozen ze voor de familiegeschiedenis als leidraad in hun geschiedschrijving. Met deze strategie begeven ze zich op het terrein van biograaf en romancier. Dat dat een meer dan redelijke schrijfkunst vereist dan wetenschappers over het algemeen tonen, laat zich raden.

De auteurs opereerden eerder in een groter teamverband in het toegankelijke, populaire boek Uit Indië geboren (1997), waarin de vrouw de hoofdrol kreeg toebedeeld. Kennelijk willen Bosma en Raben niets meer dan dit jeugdavontuur weten; de titel staat althans niet in de literatuurlijst van hun jongste werk.

Helaas zal zowel de beginnende als de ingewijde lezer soms tureluurs worden van de wankelmoedige vertel- en betoogtrant die de auteurs etaleren. De beschrijving van de vereniging van families gaat ten onder aan een hoeveelheid namen waar zelfs geen klassieke Russische roman tegenop kan.

Bij een naam hoort iets karakteristieks, wil je een geschiedenis vertellen. Of een familie nou uitgebreid of bondig wordt beschreven, er is werkelijk geen telg die de lezer bijblijft. Waar een romancier vijf bladzijden voor neemt, wordt door Bosma en Raben amechtig in een alinea gefrommeld. Impressies van het leven van de dag worden aardig beschreven, totdat er weer zo’n stoet van lokale moeders, Europese vaders, zwagers, aangewaaide neven, nichten, al dan niet erkende kinderen en geschaakte prinsessen in een fletse processie over de bladzijden komt aan marcheren. Duizelingwekkende genealogie, droge geschiedschrijving, softe polemische terzijdes en nietszeggende cijfers vormen geen eenheid in dit boek. Dat is jammer vanwege de soms interessante informatie die in deze sociaalboekhoudkundige tjampoer vol stijlbreuken zit. De Indische wereld wordt alleen maar diffuser dan ze al was. En onze geschiedenisleraren hebben het er al zo moeilijk mee.

Soms slaan de auteurs er maar een slag naar als ze geschiedkundige feiten gebruiken om hun familieschetsen te kleuren. Op grond van de ontdekking dat privé-gevangenissen niet alleen in Deli maar ook in de Vorstenlanden bestonden, neemt men meteen in een adem aan dat de planters op Oost-Java vergeleken met die in Deli ‘in gebrek aan scrupules ten opzichte van de bevolking en in gebrek aan respect voor het Binnenlandse Bestuur niet voor elkaar onder’ deden. Hebben Bosma en Raben dan nooit van de ‘Koelie-ordonnantie gehoord die alleen gold in Deli en de planters sinds 1880 in staat stelde eigenhandig doodstraffen uit te voeren? Daar kunnen ze De waaier van het fortuin (1998) van J.J.P. de Jong op naslaan, om maar een belangrijke titel te noemen. Dat boek staat toch netjes vermeld in hun eigen literatuuropgave.

Nog erger is dat de auteurs in hun eigen valkuilen trappen. Raciale kenmerken als scheidslijnen in koloniale samenlevingen wogen minder dan verschillen in klasse, opleiding, cultuur en sociale omstandigheden, is het refrein in dit boek. Laten dat nou net de verschillen zijn waar het koloniale bestuur zo de hand in had. Maar schreef het duo eerder niet dat het koloniale bestuur ‘slechts een van de bepalende elementen was’? Bedeesd wordt gehannest met raciale criteria, die Bosma en Raben het liefst zouden wegmoffelen; racisme wordt gemakshalve op straat gesitueerd alsof daar geen gouvernementslieden rondliepen.

Een eigenschap van koloniale studies die ze onderuit willen halen is de marginale positie van de ‘mestiezen’. Hun gemengde afkomst maakt hen ‘vreemd aan zowel Aziaten als Europeanen en daarmee marginaal’. Marginaliteit is taboe voor het schrijversduo, dat pleit voor een ‘positievere interpretatie van de mesties als intermediair tussen de Europese en Aziatische delen van de samenleving’. Terwijl het intermediair door zijn marginaliteit nou juist zijn identiteit krijgt. Wat een bevoogding achteraf! En dat wil de kolonialistische geschiedschrijving te lijf.

Etniciteit speelde dus een rol maar was verder weinig bepalend. Intussen rollen de ‘totoks’, ‘Indische jongens’, ‘kleurlingen’, ‘inlandse kinderen’, ‘sinjo’s’, ‘liplappen’, ‘creolen’, ‘Ambonezen’, ‘Indo’s’, ‘volbloed en halfbloed Europeanen’ onafgebroken over het toneel. In hun zucht generalisaties weg te redeneren, maken de auteurs het oude Indië nog mooier dan de hardnekkigste tempo doeloe-freak doet. Het lijkt wel een wetenschappelijke reclamecampagne. Maar dan: ze noemen krontjongmuziek niet ‘authentiek Indisch’, kennelijk met het oog op de Portugese fado. Nou, wat was ‘authentiek Indisch’ dan wel? Een smeltkroes waarin ‘authenticiteit’ een ‘nieuwe dynamiek’ kreeg? Zoiets wordt betoogd en vervolgens door de bedenkers zelf weer onderuitgehaald. Geen touw aan vast te knopen.

Een regelrechte blunder is het gebruik van de term Indonesiër toen ze nog niet bestond en verderop in het boek doodleuk de abjecte term ‘inlander’ te gebruiken toen de term Indonesiër al wel bestond. Niet elke totok was een koloniaal, wordt ons lezers ingepeperd. En met de invloed van de nieuwkomers aan het begin van de twintigste eeuw viel het ook allemaal wel ‘reuze mee’. Er valt trouwens een heleboel ‘reuze mee’ in dit boek. Je zou bijna vermoeden dat de auteurs die vierhonderd bladzijden in sarong en kabaja uit antieke schrijfmachines hebben zitten hameren in een oud koloniaal landhuis ergens op Java.

De wetenschapper leeft achter een façade van voetnoten in een wereld waar een veelal kleinzielige naijver speelt. Elk hoofdstuk, elke alinea, elke zin, elke term dient te worden verantwoord tegenover collega’s, willen ze serieus genomen worden. Ook Bosma en Raben nemen, hun ongetwijfeld goede bedoelingen ten spijt, hun collega-wetenschappers serieuzer dan het lezerspubliek. Dat mag best, maar dat kan ook op A4-tjes in een ringbandje. Is geen paperback voor nodig.

Ulbe Bosma en Remco Raben
De oude Indische wereld 1500 – 1920
Uitgever: Bert Bakker
Prijs: € 25

© 2003 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van de Haagsche Courant op vrijdag 31 oktober 2003.

East is East en zoiets

Een van de beroemdste uit het verband gerukte citaten uit de traditionele wereldliteratuur is de volgende: East is east and West is West and never the twain shall meet. Wordt verzucht door lui die willen onderstrepen dat het wel nooit wat zal worden tussen Oost en West. Interculturele samenwerking en etnische kruisbestuiving zijn een ijdele hoop en daarom zingen zij: East is East en bla is bla.

Het citaat komt uit het gedicht The ballad of East and West van Rudyard Kipling (1865 – 1936), de eerste Engelse schrijver die de Nobelprijs ontving. Zijn Jungle Book is wereldberoemd en bijkans geannexeerd door Walt Disney. Kipling, geboren in Bombay, propageerde het Britse imperialisme en heeft menig lezer afgeschrikt met zijn twijfelachtige raciale vooroordelen. Dat hij vaak zo slecht is geciteerd is dus niet in de laatste plaats zijn eigen schuld. Het citaat krijgt een andere connotatie wanneer je de hele strofe leest: Oh, East is East and West is West and never the twain shall meet, Till Earth and Sky stand presently at God’s great Judgment Seat; But there is neither East nor West, Border, nor Breed, nor Birth, When two strong men stand face to face, tho’ they come from the ends of earth!

Voorwaar geen grootse poëzie, maar goed, we moeten het ermee doen. Kipling zag dus niet alleen de moeilijkheden tussen Oost en West, maar ook de mogelijkheid van een ontmoeting: But there is neither East nor West… etc. Het is deze uitbreiding die ik laatst een Russische publicist zag gebruiken in een artikel dat Europa ervan moet overtuigen dat Rusland weliswaar ten Oosten van Europa ligt maar dat de Russen zichzelf nooit hebben georiënteerd op India of China en zij alleen daarom al niet tot het Oosten behoren en bovendien op grond van allerlei historische voorbeelden hooguit Oost-Europees genoemd kunnen worden en dat dus toetreding tot Europa niet meer dan ‘natuurlijk’ zou zijn. Tenslotte was Rusland ooit een deel van Europa, etc. Kortom: waar een wil is, is een weg.

Toch had die Rus beter een ander voorbeeld kunnen nemen, want die eerste zin van Kipling zit zo in de westerse kukeleku-cultuur ingebakken, dat zelfs computers ermee zijn besmet. Zo moest er ooit een interface komen voor Windows en Macintosh vanwege allerlei communicatieproblemen. De ontwerpers hadden er een naam voor nodig en verzonnen TWAIN, waarmee ze teruggrepen op Kipling. Omdat TWAIN in hoofdletters werd gespeld dachten velen dat het een acroniem was. Een wedstrijd moest het woord verklaren. Een slimmerik bedacht: Technology Without An Interesting Name… Fun! Intussen is China druk bezig aan een eigen computerbesturingssysteem. Nou Kipling, nog even en je kunt Bill Gates horen orakelen: East is East and West is West and never the technology shall meet.

Haagsche Courant, vrijdag 11 juli 2003

Doof, stom en blind

Ik geloof dat ik op de elpeehoes viel. Een vreemde blauwe gerasterde wereldbol. Dat het om een rockopera ging, intrigeerde me. Gefuseerde pop en klassieke tuttigheid, geschreven door Pete Townshend, leider van de ruige band The Who. Dubbelelpee, ook dat nog. De hoes lag in de etalage van een high brow-grammofoonplatenzaakje in de Piet Heinstraat; ik was een arme jongen van achttien (ben nog steeds arm trouwens, maar dat maakt niet uit) en moest er een poosje voor sparen. Toen ik de rockopera Tommy eenmaal te pakken had, heb ik me wekenlang verschanst achter een grammofoonspeler, in de klep waarvan twee boxen zaten die je uit elkaar voor je op tafel kon zetten voor stereofonie. Mooi intro op de akoestische gitaar. Dat die harkerige Pete Townshend zo kon spelen, had ik niet verwacht. Enfin, met pen, papier en woordenboek de teksten te lijf, want een opera moet je verstaan, anders is er niks aan.

Ik heb de elpee niet meer en ik voel de behoefte niet de muziek op cd aan te schaffen, bang dat ik er geen bal meer aan zal vinden. Het verhaal had mij indertijd in de ban, want hoe kon een jongen die doof, stom en blind was nou zo’n grote flipperkoning worden? Pete Townshends boodschap zal onder meer wel zijn geweest dat een mens een mens is zolang een mens kan voelen, maar dat wist ik toen niet zo te verwoorden.

Er zat een nummer in die rockopera waarbij ik me altijd bijzonder onbehaaglijk begon te voelen, een rare tekst geschreven op een wijs en in een maat die me tegenstonden. Mijn woordenboek hielp me ook al niet bijster bij mijn pogingen te begrijpen wat dat fiddle about al niet kon betekenen. Ging het om een oom die aan de jongen zat te friemelen?

Nu dan, jaren later, lees ik op Google News het bericht dat Pete Townshend op borgtocht is vrijgelaten in een kinderpornoschandaal. Pete Townshend verklaarde dat hij bezig is zijn autobiografie te schrijven, waarin hij een belastende verklaring wil opnemen jegens de vriend van zijn grootmoeder, bij wie hij rond zijn zesde jaar in huis woonde… Goed, die stond dus model voor die oom in de rockopera. Is dat een afdoende verklaring voor Pete Townshends gesurf naar internetsites die kinderporno aanbieden? Juridisch niet in Engeland, psychologisch wel. Want het kan zijn dat je in je jeugd zo seksueel mishandeld bent dat je later uit woede obscure plaatjes gaat bekijken in een volstrekte eenzame en tot mislukken gedoemde poging te achterhalen wat jou destijds eigenlijk overkomen is. Zoals mensen die in hun jeugd dermate zijn mishandeld, dat ze later bijvoorbeeld messen gaan verzamelen, waarmee ze hun muren volhangen. Mocht Pete Townshends fixatie voortkomen uit eigen slachtofferschap en hij wordt gestraft, dan gebeurt dat uiteindelijk om wat een ander hem heeft aangedaan. Waarmee de onuitroeibaarheid van onrecht ook nog maar eens en passant zou worden aangetoond.

Haagsche Courant, vrijdag 24 januari 2003

Hendrix volgens Nguyên Lê

Nguyên LêVan alle kunstvormen is de muziek stellig de minst aanstootgevende bij al dan niet geslaagde pogingen tot etnische kruisbestuiving. In de wereldmuziek brengt het experimenteren in muzikale oases zoveel vormen voort, dat het onderhand heel lastig wordt voor de muziekhandel om al die cd’s keurig per genre aan de consument aan te bieden. Jazz- en popmuziek voeren er het hoogste woord, maar zetten toch schuchtere stappen in de richting van bijvoorbeeld zeer complexe Indiase of Afrikaanse ritmes, waarbij de drie- en vierkwartsmaat verbleken tot infantiele soldatenmarsjes en boerenwalsjes.

Fusion kan heel spannend zijn. Op het podium van de world jazz stapt een gitarist rond die luistert naar de naam Nguyên Lê. Hij is geboren in Parijs in 1959 uit Vietnamese ouders. Bezig baasje. Eerst drummen leren, dan gitaar en basgitaar, studies in Visual Arts en filosofie, met een thesis over exotisme. Laat ik zeggen dat, wanneer je naar zijn muziek luistert, de man weet waarmee hij bezig is. Niet alleen speelt hij vanuit een gevoel, nee, er zit altijd een idee achter. Of een regelrechte zoektocht naar zijn Vietnamese roots, zoals op de zeer intrigerende cd Tales from Vietnam (ACT, 1996). Daarin komt hij met uitstekende muzikanten tot een synthese tussen jazz en traditionele folksongs, met de mooie stem van de zangeres Huong Thanh. Tussen 1997 en 2000 komt hij zwervend van de Amerikaanse fusion bij de Noord-Afrikaanse Funk-Raï terecht en steekt ten slotte met een Spaans-Algerijns-Vietnamees-Italiaans-Turks-Noors-Amerikaans-Frans gezelschap de macroculturele woestijn over.

Thans is hij met de cd Purple (2002) terug bij zijn grote held, zijn jeugdliefde: de legendarische Jimi Hendrix. Wiens held is dat eigenlijk niet, zou je kunnen zeggen, maar Nguyên Lê beperkt zich niet tot minimaal gevarieer op Hendrix’ composities, zoals Steve Ray Vaughan dat deed. Hij gebruikt ze als standards voor zijn crossing border jazz en laat enkele nummers zelfs vertolken door een zanger in het Bambara uit Mali. Met welk idee?

Aan het einde van Jimi Hendrix’ korte leven werd het al duidelijk dat de gitaargod een andere weg in zou slaan, hij bezocht niet voor niets Miles Davis als zijn mentor. Of Jimi Hendrix een terugkeer naar Afrika koesterde valt niet op te maken uit de tekst van Voodoo Child. Mogelijk heeft Nguyên Lê dat wel als een aanname gebruikt, wellicht uit een persoonlijk verlangen naar het land van zijn ouders: Vietnam.

Hendrix droeg zijn Machine Gun op oudejaarsnacht 1969-1970 op aan de soldaten in Vietnam, met wie hij begaan was. Was het juist díe oorlog die Nguyên Lê’s ouders had doen vluchten naar Parijs? Wie zich nergens op de wereld helemaal thuis voelt, zoekt misschien dit soort verbanden in het noodlot als rechtvaardiging voor migratie uit een opgedrongen zelfverdediging in het land van aankomst. De muziek loopt in dit alles niet voor op de literatuur. Dat lijkt maar zo. Kwestie van zoeken.

Haagsche Courant, vrijdag 17 januari 2003

Brown eyed girl

Nani is een dochter van een Hollandse matroos die in Semarang is blijven hangen en er met een welgestelde weduwe uit Nias is gehuwd. De koffieonderneming op de berg Kawi is een paradijs om in op te groeien, samen met Rudi, een verweesde Indo wiens vader er ooit opzichter was. Nani en Rudi groeien op als broer en zus. Ze bezoeken een particulier schooltje dat door een weduwe wordt gerund voor kinderen van Europeanen en rijke Chinezen. Rudi is Nani’s held, samen beleven ze klassieke Indische avonturen. Hij redt haar uit de klauwen van een aap en zelfs van een wisse dood door met een speer een dolgeworden banteng te verslaan. Maar op een dag verschijnt een Franse gouvernante op de koffieonderneming. Die weet Nani’s ouders te overreden de twee van elkaar te scheiden. De jongen zou immers weldra met andere ogen tegen zijn ‘zusje’ aan gaan kijken. Wah! Rudi wordt verbannen naar de bijgebouwen, terwijl Nani in het hoofdgebouw onderworpen wordt aan een deftige Europese opvoeding en gekoppeld aan een arts van niks uit Zoeterwoude. In jagen heeft Rudi geen lol meer, voor hem rest slechts een portretje van Nani, én goena-goena: tovenarij… Ziehier het motief van een vergeten roman uit 1905 van Victor Ido: In vreemde sferen.

Zestig jaar later is het een hele andere tijd. Europeanen kunnen niet zomaar meer naar de Oost om er hun geluk te beproeven. Nederlands-Indië bestaat niet meer, het land heet Indonesië en Nederland stelt weinig meer voor. In Belfast, Noord-Ierland, staat een zanger op met een grote bek en een hang naar blues. Hij heet Van Morrison, richt de groep Them op en scoort een hit met Gloria. Dan steekt hij over naar Amerika en scoort ook daar een hit: Brown Eyed Girl. In het tweede couplet haalt hij herinneringen op aan een meisje: Hey whatever happened, tuesday went so slow / Goin down the old mine with a transistor radio / Standin’ in the sunlight laughin’, hide behind the rainbow’s wall / Slippin’ and a-slidin’, all along the waterfall with you / My brown eyed girl, you my brown eyed girl.

Waarom of waardoor hij haar verliest, wordt door Van Morrison niet bezongen. Het gebeurt gewoon. Dat kan ook in een boek. Maar romans waarin raadselen veeleer worden vergroot, zijn helaas niet zo talrijk als die waarin alles vanuit het menselijk handelen tot op het bot wordt verklaard. De gefileerde motieven in Victor Ido’s boek vernachelen de dramatiek. Dit aan Indië tijdgebonden werk vindt alleen zijn weg nog naar de freak. Was het verhaal dichter bij Rudi en Nani gebleven en minder uitgewaaierd naar te veel doortrapte bijfiguren, dan zou het boek misschien de tijd beter hebben doorstaan. Het verliezen van een geliefde hoort bij het leven, eigenlijk bij elk leven, onverschillig tijd, plaats, omstandigheden. Wie dat niet zo ervaart en het ondanks die vorm van maagdelijkheid in een raciale zedenschets verpakt, die neuriet het deuntje van de toevallige passant. Kan ook mooi zijn, daar niet van. Even.

Haagsche Courant, vrijdag 3 januari 2003

Maria Elena

De songtitel Maria Elena in mijn vorige column zorgt voor nogal wat verwarring. Het is namelijk vooral bekend als een instrumentaal nummer van Los Indios Tabajaros. Klonk vroeger zondags altijd in de Indische huiskamers. Indische families in redelijke doen hadden zo’n grammofoonplatenspeler in een notenhouten kast op vergulde poten. Erboven hing dan, naast een batik kleedje, de traditionele koperen tjitjak: het muurhagedisje dat je het allereerste mist wanneer je uit Indonesië komt. De naam van het duo Los Indios Tabajaros klonk ook wel een beetje Indisch / Indo. Twee Spaanse gitaren: eentje voor de akkoorden, eentje voor de lieflijke melodie. Deze versie appelleerde aan de smaak van veel Indische mensen vanwege het zoete, rustige en gevoelige gitaarspel. De gitaar! Indo-instrument number one, wah? Ik was het nummer zo’n beetje vergeten toen jaren later, in 1972, een jonge Amerikaan genaamd Ry Cooder het opnieuw opnam. Hij speelde het veel trager, melodie en begeleiding in een gitaararrangement in alternatieve gitaarstemming, bijkans een octaaf lager dan de versie van Los Indios Tabajaros. Hele andere timing ook, met een bluesfeeling. Ry Cooders versie deed niet onder voor de versie van Los Indios Tabajaros, dat onderschreven zelfs Indische mensen die al op leeftijd waren. Als je beide versies na elkaar beluistert, één en hetzelfde nummer in twee volslagen andere stemmingen, dan is het moeilijk een favoriet te kiezen. Zijn het de noten, is het de compositie van Lorenzo Barcelata? Geen hond die de woorden mist.

Haagsche Courant, vrijdag 27 december 2002

Alias ‘Gunsalvo’

Ja, over de doden niets dan goeds. Uitgezonderd zekere personen, anders kunnen we geen geschiedenis schrijven. Gonsalves begon zijn loopbaan ooit als bestuursambtenaar in Nederlands Nieuw-Guinea en eindigde die als adviseur van de LPF. Een jaar of acht geleden publiceerde Vrij Nederland een document rond de ‘pacificatie’ in Nieuw-Guinea onder Gunsalvo eind jaren vijftig. De NRC vond dat later maar smakeloos. De man was er destijds al stevig over aan de tand gevoeld, had eerherstel gekregen, waarom nog langer zeuren? Nou, rond moord en mishandeling kent ons land niet alleen verjaring, maar ook een doofpotcultuur en die wil weleens wankelen. Eventjes. Want men wist zo gauw geen betere procureur-generaal te vinden die als een afgerichte tjelleng naar drugsbaronnen knorde en tegelijk Molukkers in de smiezen hield, veurwaer geen sinecure heren! Dat de overijverige ambtenaar ooit vanuit een hinderlaag Papoea’s in de rug neerknalde of ze persoonlijk aan een heuse marteling onderwierp waren details, geen rechtsgang waard, het ging maar om ‘inboorlingen’. Gonsalves heeft zijn herinneringen, beter gezegd getuigenissen, nog gepubliceerd, wellicht als zalf voor zijn geschonden imago. Soit. Maar wat moest hij als gepensioneerde nou opeens als adviseur van de LPF na de dood van Pim Fortuyn? Zou Nawijn het idee van herinvoering van de doodstraf misschien via die ouwe driftkop aan de borreltafel influisterd hebben gekregen? Te laat, maar zo’n Gonsalves had hem stellig nog kunnen leren hoe men zich de schandpaal weer uitdraait.

Haagsche Courant, maandag 9 december 2002