Indische familiekwesties in de literaire salon

De bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren, samengesteld door ondergetekende, roept veel reacties op. Het boek ontmoet weerstand maar vindt uiteindelijk zijn weg, zijn plek. Vanwaar die weerstand? Enerzijds door de presentatie van het boek, anderzijds door de verwachting die de ingevoerde lezer van de Indische letteren bij voorbaat koestert.

Allereerst is daar de Javaanse jongen op het omslag van het ‘toch wel fraai uitgevoerde boek’. ‘Moet daar geen Indo op staan?’ is een veel gehoorde opmerking. Het doet me genoegen dat na een slordige halve eeuw aanwezigheid van een enorme groep Indische mensen in Nederland men eindelijk eens het verschil heeft leren zien tussen een Javaan en een Indo. Ik ben benieuwd wanneer men zich druk begint te maken over de afbeelding van een Surinaams meisje op een pak Angolese koffie in de supermarkten van een land dat een uitgesproken Nederlandse schrijver als A.F.Th. van der Heijden het boekenweekgeschenk laat schrijven in de Indische Boekenweek (1992). Een Zeeuws meisje op het etiket van een diepgevroren stuk Pepesan, home made in een Scheveningse vissersloods en verkrijgbaar bij de Turkse zondagswinkel lijkt me een aardige stap op weg naar een vorm van multiculturele humor.

Ter zake. Dat de Javaan een van de stamvaders is van de uiterst diverse groep Indische mensen en dat hij als een cartoonheld te pas en te onpas uit allerlei hoeken en gaten in de Indische letteren opduikt, is men zeker opeens vergeten. Ik heb deze overbekende figuur slechts een bescheiden rol in mijn bloemlezing willen geven en daarom mocht mijn lieve uitgever met zijn Hollandse handelsgeest hem best als plaatje gebruiken. Het is een mooie jongen en dat is weer eens wat anders dan een mooi meisje met een melati-bloem in haar hand.

De subtitel van de bloemlezing, 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren, klopt niet helemaal, vindt men. Die zou bedrieglijk zijn en de lezer op het verkeerde been zetten. Ook de flaptekst zou de lezer zand in de ogen strooien, al wordt er toch duidelijk gerept over een nieuw beeld van Indië in de Nederlandse letteren. Pas in het voorwoord staat vermeld waar het werkelijk om gaat, maar zelfs dan verzet men zich nog.

Wat er werkelijk achter die weerstand zit is het volgende. Men krijgt een bloemlezing onder ogen met een titel die belooft een beeld te geven van 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren en men verwacht dan meteen een beeld dat strookt met het perspectief van de Nederlander turend vanaf de dijk. Men begint maar direct te zoeken naar Rumphius, Junghuhn, Friedericy, Alexander Cohen en Jeroen Brouwers en mort als ze ontbreken.

Plaats je de camera op de schouder van een Indo en laat je de lens inzoomen op het Indië van en rond en in Eurazatische (Engelse term) respectievelijk Indo-Europese bevolkingsgroepen, dan betekent dat niet dat je de boel met de gebruikte subtitel voor de gek houdt. Je verplaatst eenvoudig het perspectief en ik zie niet in waarom ik dat al in de subtitel zou moeten legitimeren. Het samengaan van mensen uit Oost en West werd zichtbaar in de kinderen die eruit geboren werden, met hun vermenging van leefstijl en cultuur. Dat is het Indische verhaal achter de economische handel en wandel van Europeanen en Aziaten. En dat Indische verhaal is nog niet uit.

Het voorwoord. Belangrijk. Dat heb ik beknopt gehouden, omdat ik niet belerend wilde doen. Resultaat: men vindt het wat kort, dat voorwoord, maar ik vermoed dat die kritiek van de snellezers vandaan komt. Immers: er staat alles in dat het boek behelst. Joop van den Berg (Trouw, 27 november 1998) weet het en beoordeelt het boek met een redelijke onbevangenheid. Peter van Zonneveld (Vrij Nederland, 21 november 1998) had een uitgebreide inleiding gewenst en valt over een suggestieve passage. Zijn eigen stuk bevat zo’n inleiding, een enorme, ik zou bijna denken dat hij stond te popelen het me voor te doen. Jacqueline Bel (NRC Handelsblad, 29 januari 1999) lijkt de boodschap te begrijpen maar vergeet haar later te pas en te onpas toch maar weer.

Welke boodschap? Dat ik de weg van de Mesties tot en met de Indo-kinderen van de tweede generatie wilde volgen. En dat de lezer die het boek van voren naar achteren leest (een beleefd Indische uitnodiging) een beeld gegeven wordt van de geschiedenis van die bijzondere groep. Ik verduidelijk: een literair beeld.

In het voorwoord vermeld ik ook dat schrijvers die uit romantische motieven over het huidige Indonesië schrijven buiten het bestek van mijn bloemlezing vallen. Ik bedoel natuurlijk schrijvers als Kees Ruys, Duco van Weerlee en Wiecher Hulst. Jacqueline Bel noemt het een vaag criterium, je zou bijna denken dat ze het verschil niet kent tussen Indië en Indonesië. Want, vraagt ze zich af, waarom doen Rudy Kousbroek en Helga Ruebsamen wél mee, “of zijn zij niet romantisch?”.

Warhoofdige vraag. Ik heb niets tegen romantiek en ook niets tegen Indonesië, ik heb het over Indo’s en die stappen toevallig rond in het werk van Kousbroek en Ruebsamen. Ik vind ze niet bij Jeroen Brouwers. En Kester Freriks, die door de NRC-recensent wordt gemist, heb ik niet uit de bloemlezing gelaten omdat hij romantisch is. Zijn romantiek richt zich trouwens op een niet persoonlijk beleefd en verdwenen Indië en niet op Indonesië. Maar als hij op een oeuvre van zeven boeken in slechts één Indisch boek acht pagina’s wijdt aan een Indisch vriendje, hoe aardig ook, dan vind ik dat te weinig voor mijn bloemlezing. Waarmee ik niet zeg dat hij met zijn twintig jaar na dato herziene Indische verhalenbundel niet tot de Indische letteren behoort. Daar gaat het helemaal niet om in Oost-Indische inkt.

Men leest verder en krijgt langzamerhand in de gaten wat de bloemlezing beoogt. ‘Há, ik snap het nu,’ denkt men en roept meteen: ‘Maar Jill Stolk staat er niet in!’ Alsof het er mij om te doen is geweest om alle contemporaine Indische schrijvers in de bloemlezing te zetten. Dat is inventariseren en geen bloemlezen. Dat juist zij bij uitstek over Indo’s en Indisch-zijn heeft geschreven, is iedereen bekend. Zet je haar echter tussen een dozijn anderen, dan moet je vragen: hoe heeft zij erover geschreven?

Opvallend is dat men geen gewag maakt van namen die ik uit de relatieve anonimiteit van het ‘tweede circuit’ heb gehaald, zoals de voorbeeldige Wies van Groningen. Eerst maar wachten totdat de een of andere autoriteit roept dat ze bijzonder schrijft zeker.

Peter van Zonneveld heeft het in zijn artikel over ‘het gevaar dat literaire kwaliteit ondergeschikt wordt gemaakt aan politieke correctheid met terugwerkende kracht.’ Dit lijkt een interessante zin. Politieke correctheid slaat waarschijnlijk op de mode van historici om de positie van de Indo uitvoeriger te belichten dan tot dusver (niet) is gedaan. Die zogenaamde politieke correctheid kun je misschien aan Nederlanders toeschrijven, maar moeilijk aan een Indo die al jaren zit te wachten op een overzicht van de geschiedenis van zijn Indische voorouders.

Literaire kwaliteit wordt afgemeten aan een bepaalde norm die voortkomt uit consensus. Consensus ontstaat waar één denkt en tien anderen ja knikken. Hanteer je de Nederlandse norm op wat ik heb gebloemleesd, dan kan driekwart in de prullenbak. Hanteer je de Europese norm voor de Nederlandse letteren, dan kan vrijwel alles in de prullenbak.

De Indische wereld beschreven vanuit huiskamerperspectief is zelfs binnen de Indische letteren nooit als literair interessant aanvaard. In de huidige tijd, waarin je wekelijks met nieuwe literaire meesterwerken van overal ter wereld bekogeld wordt, kan het een verademing zijn om schitterende pulp uit het oude Indië te lezen. Dan hoor je weer eens een ander geluid dan die eeuwige P.A. Daum, onder wiens aanvoering van krantenmagnaat schrijfsters als Dé-lilah in no time de letteren uitgeschreven werden. En hoor je ook eens een ander die Tjalie Robinson in het gebruik van het petjôh voorging. Dát is ook canoniseren, zó ver moet het kwartaaltijdschrift Indische letteren van Peter van Zonneveld en consorten durven gaan in plaats van te blijven hangen in die vastgeroeste wetenschappelijke Leidse traditie van ze.

Ik heb tijdens het werken aan de bloemlezing verschillende lijstjes gemaakt. Eén liep van grofweg de eerste Indo-schrijver tot voorlopig de laatste: van G. Valette tot Basha Faber. Met louter Indo’s zou het natuurlijk een onderonsje zijn geworden dat de gemiddelde lezer geen breed kader biedt. Want waarom moet G. Valette zo nodig een lans breken voor de Indische jongen? Waarom zet Dé-Lilah een Amsterdammer temidden van een groep Indo’s te kijk? Waar zeurt Victor Ido toch over met zijn paupers? De redenen daarvoor vind je dus terug in denigrerende teksten die door anderen over Indo’s zijn geschreven.

De geschiedenis van de Indo staat niet los van die van zijn voorouders: Aziaten en Europeanen. Hoe bekend is die geschiedenis? Op de middelbare scholen wordt nauwelijks aandacht geschonken aan de geschiedenis van de Indo. Dat gaat veranderen. Deze bloemlezing wil daarvan een literair overzicht bieden.

Voor het verhaal begin je uiteraard in de oudste teksten te zoeken. Omdat Indië rond 1600 een geografisch groter gebied was dan het latere Nederlands-Indië en er in de door Portugezen bezette gebieden al een cultuur bestond die was ontstaan door vermenging van bevolkingsgroepen uit Oost en West, besloot ik om bij Jan Huygen van Linschoten te beginnen. Hij beschrijft een samenleving van ‘Mestiezen’, die we kunnen beschouwen als de oergroep van Euraziaten, waartoe de Indo’s behoren.

Dit vertrekpunt vroeg om een verduidelijking van het literaire kader. De Nederlandse, of koloniale, of Indisch-Nederlandse, of Indische letteren (valt u het enorme geharrewar in benaming op?) zijn toevallig gezegend met de aanwezigheid van vier grote namen die hun meesterwerken, deels of geheel, in Indië laten spelen: Multatuli, Couperus, Dermoût, Du Perron. Door dit grote vierkant in de bloemlezing te plaatsen zou het boek ook de niet ingewijde lezer in elk geval literair toch genoeg houvast moeten bieden. Een historisch kader geven wilde ik niet. Ik wilde met een literaire geschiedenis van Indo’s verbazing, nieuwsgierigheid en vragen oproepen. Maar geen vragen in de trant van ‘moeten die en die er niet bij?’

Terug naar de ‘vier grote namen’. Wat maakt iemand tot een groot schrijver? Stijl. Inhoud. Visie. Historisch bewustzijn. Een bijzonder oog (niet te verwarren met visie). De schrijvers van het grote Indische vierkant bezitten alle deze afzonderlijke kwaliteiten. En wat hun oog zo bijzonder maakt is dat die verder reikte dan de wereld van de Hollander en de Javaan, flora, fauna, de soos en de plantages. Het reikte ook tot de wereld van de Indo-Europeaan. En het is moeilijk een van deze schrijvers te betrappen op zoiets als stereotyperingen. Wat je niet kunt zeggen van schrijvers als Augusta de Wit, Carry van Bruggen, Hella Haasse en de ook in Indische kringen zeer gewaardeerde Johan Fabricius. De eerste twee van de genoemde schrijvers voeren de Indo of Nonna als verdacht op in respectievelijk Orpheus in de dessa en Een Indisch huwelijk. Hella Haasse geeft in Oeroeg haar held laatdunkende gedachten mee over Indische mensen en meneer Fabricius beschrijft zijn Indo-helden met een hinderlijk paternalistisch ik-heb-jullie-wel-door-toontje.

Er was al eerder een serieuze bloemlezing. Van Rob Nieuwenhuys, getiteld Het laat je niet los (1985). Een soort finale selectie van een serie van vier bloemlezingen die hij eerder onder verschillende titels publiceerde. Die bloemlezingen vormden de basis voor zijn befaamde Oost-Indische Spiegel (1972), een nog altijd onovertroffen standaardwerk over de Indische letteren. Nieuwenhuys ging op zijn smaak af, veelal inventariserend. Het mooiste van wat er is verschenen had hij al gebloemleesd. Daar een paragraaf aan toevoegen is stomweg doorgaan met inventariseren in de traditie van Nieuwenhuys.

Ik wilde iets ánders, niet omdat ik zo nodig anders wil zijn (dat ben ik toch wel, net als zovelen van ‘de Indische familie’), maar omdat het eens hoog tijd werd. Ik deed iets dat nog niet eerder gedaan was: de literaire geschiedenis van de Indo in kaart brengen. Als je er goed over nadenkt is het eigenlijk belachelijk dat het zo lang heeft geduurd. En, inderdaad, als de recensenten aan het einde van hun artikelen zijn, dan lijkt er iets veranderd aan de bril die ze al op hadden. Iets. Ze zien dat ze iets te lezen krijgen in een kader dat ze gewoonweg niet verwacht hadden. Ik vermoedde al dat ze lui waren.

Interessant is dat Marion Bloem in het Algemeen Dagblad (3 oktober 1998) klaagde dat het boek niet Indisch genoeg was. Met deze Indische schrijfster als bloemlezer waren ze mooi klaar geweest.

Het literaire establishment wordt bevolkt door gewoontedieren die er moeite mee hebben hun literaire norm bij te stellen en hun eurocentrische houding los te laten. Ik vraag ze niet ‘politiek of cultureel correct’ te zijn. De toename van multiculturele uitingen is echter sterk. Dus ze kunnen maar beter leren zwemmen willen ze niet verdrinken.

Moeten de Indische schrijvers van nu maar bij, zeg, de allochtonen-literatuur worden gevoegd? Nee. Wij hebben een andere geschiedenis. De Indische geschiedenis is niet opgehouden met de onafhankelijkheid van Indonesië. De tweede generatie Indo’s hebben hùn vervolggeschiedenis, al speelt die dan in Nederland. Er zijn er bij die de letteren uitkiezen als hun uitlaatklep. Dat is bekend. Het is in vakkringen en in de media gebruikelijk om rijtjes te maken die in één adem worden genoemd als men name-dropping meent te moeten plegen. Iedereen kent het rijtje Marion Bloem, Ernst Jansz, Jill Stolk, Frans Lopulalan. Het is niet slecht om zo’n rijtje een poosje te gebruiken, maar dat moet geen 15 jaar duren. Dat is dodelijk: je krijgt de indruk dat er geen nieuwe schrijvers bij komen. Die schrijvers staan heus wel op maar zij die het publiek voorgeven ze te volgen, liggen te slapen.

Marion Bloem heeft met Geen gewoon Indisch meisje de loot van de tweede generatie op de Indische tak geplaatst. Met de toevoeging van Nicolette Smabers, Theodor Holman, Glenn Pennock en mezelf aan ‘het rijtje’ kan iemand als Jill Stolk (om wie door meerdere recensenten geroepen werd) schitteren in afwezigheid. Geen onaardige rol voor een performer. Ze is trouwens niet de enige afwezige. Als zij interessant is voor de stuurlui aan de wal, dan zijn Yvonne Keuls, Hans Vervoort, Ralph Boekholt, Betty Roos, Mischa de Vreede en Basha Faber dat ook. En dan heb ik nog een rijtje interessante namen uit het ‘tweede circuit’ in mijn kaartenbak liggen.

Nogmaals: het is de kwestie niet wie wel of niet bij de Indische letteren horen. Voor Oost-Indische inkt is de keuze van schrijvers en teksten onderschikt gemaakt aan wat ik wilde (laten) vertellen. Waar Peter van Zonneveld onnadenkend ‘politieke correctheid met terugwerkende kracht’ in ziet. Hopelijk bestaat er niet zoiets als stereotiep denken met vooruitwerkende kracht.

Dat de Indische vader naar de smaak van Jacqueline Bel een wel zeer prominente rol krijgt toebedeeld, geef ik grif toe. Er was in mijn opzet geen plaats voor alle motieven uit het Indische leven. Maar ze moet niet Nicolette Smabers vergeten te noemen naast Marion Bloem als ze klaagt over te weinig moeders. En als ze zo van kruidenieren houdt, heeft ze zeker ook gezien dat een ruwe verdeling van 20 vrouwelijke en 30 mannelijke auteurs over 400 jaar genomen ongehoord en spectaculair is, wat je moeilijk in welk ander literatuuroverzicht waar ook ter wereld zult aantreffen. Gerekend vanaf de eerste vrouwelijke auteur in mijn bloemlezing is de stand zelfs gelijk. Had Hans van der Wall (de Indische schrijver achter het pseudoniem Victor Ido) in zijn toonaangevende functie van recensent niet zo braaf de opvattingen van P.A. Daum overgenomen, dan hadden de vrouwen het optelspelletje over de afgelopen 100 jaar ruimschoots gewonnen.

Een persoonlijke keuze. Dat is een bloemlezing per definitie. Weerspiegelt een bloemlezing de smaak van de samensteller? Uiteraard. Door de opzet van Oost-Indische inkt in mijn geval niet altijd. Ik heb met verdriet auteurs moeten overslaan van wie ik houd en morrend auteurs moeten opnemen om wie ik weinig geef of aan wie ik zelfs een hekel heb. Schitterende teksten heb ik moeten laten liggen. Wat niet wegneemt dat er een andere schittering voor in de plaats is gekomen. Eén waar je soms met een andere zonnebril naar moet kijken. Die je de Indische letteren op een andere manier laat zien en beleven. Is dat niet spannend?

Ten slotte. Je eigen naam aan een bloemlezing toevoegen is aanmatigend, jezelf weglaten is liegen. Zo luidt het zinnetje in bloemlezerspraat. Voor een Indo ligt het nog gecompliceerder. Laat je jezelf eruit, dan vraagt men waarom je weer zo’n bescheiden Indo moest zijn. In het tegengestelde geval krijg je de vraag of je je als Indo niet wat bescheidener had kunnen opstellen.

In mijn tot nu toe twaalfjarige schrijverscarrière heb ik mezelf nooit als Indisch schrijver willen laten bestempelen. Waarom niet? Omdat die kwalificatie iets beperkends in zich heeft en ik mijn positie zelf wilde bepalen: wanneer ik vond dat het tijd werd en vooral wanneer ik daaraan toe was. Nu dan, door mezelf in de bloemlezing op te nemen. Toegegeven: het is een luxe je eigen plaats te kunnen bepalen. Maar die krijg je niet cadeau.

Men zegt wel dat als je tien mensen vraagt een bloemlezing samen te stellen van de Indische letteren, je dan tien verschillende bloemlezingen krijgt. Afgaand op wat er over Oost-Indische inkt is geschreven ben ik geneigd te denken dat van de zogenoemde kenners er negen van hetzelfde zouden zijn geweest en eentje anders. Was getekend,

Alfred Birney

*** Dit artikel verscheen als antwoord aan de recensenten van Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren, werd eerder afgedrukt in de Pasarkrant, voorjaar 1999, en opgenomen in Yournael van Cyberney.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog

Een vogel op Java

Ooit zag mijn moeder, een Brabantse schoenmakersdochter, een raaf door haar slaapkamer vliegen. Ze richtte zich op, staarde naar het portret van mijn Chinese grootmoeder boven het voeteneinde van haar bed, en zag dat het eensklaps de magie had verloren die haar al te lang in de ban van mijn Indische vader had gehouden. Met de aangevoelde zekerheid dat die aan haar ziekbed gekluisterde Chinese tovenares daar in het verre Indonesië het leven had gelaten, stapte mijn moeder de volgende dag naar haar advocaat en zei: ‘Ja, ik weet het nu zeker: ik wil van hem scheiden.’

Twaalf jaar later, in de tijd dat Molukse jongeren op niet mis te verstane wijze van zich deden spreken door een trein te kapen en zo, ongewild of niet, een hele tweede generatie Indo’s een blauwe spiegel voorhielden, dook ik de geschiedenisboeken in en zeurde mijn vader de oren van het hoofd om hem tot het schrijven van zijn eigen geschiedenis aan te zetten. Met veel hoofdstukken over grootmoeder het liefst. Ik was me namelijk, onder invloed van de hippiecultuur en het bijbehorende geflirt met occulte zaken, intensief met mijn Chinese grootmoeder gaan bezighouden. Ik vereerde haar als een halfgod en droomde van een bezoek aan haar graf.

Regelmatig consulteerde ik een helderziende halve zigeunerin, die horoscopen trok, zich voor medium uitgaf en onderwijl achter mijn broertje aan zat. De halve zigeunerin briefde wel eens boodschappen van gene zijde aan mij over en mijn geloof in haar beweringen was onvoorwaardelijk. Maar dat nam af naarmate mijn Chinese grootmoeder met de jaren in mijn gedachten van halfgod naar oermoeder evolueerde.

Mijn vader zou zijn geschiedenis op papier zetten, dat had hij beloofd. Hem kennende zou er wel veel bloed over de bladzijden vloeien. Dus besloot ik om onafhankelijk van hem verhalen in Indonesië te gaan zoeken, waar ik nog wat tantes had wonen plus een zwik neven en nichten van de eerste tot en met de zoveelste graad.

‘Schrijf tante Ella maar,’ zei mijn vader. ‘Ina laat toch nooit wat van zich horen.’

Ik schreef een brief, die zich als volgt laat samenvatten: ‘Hallo tante Ella, ik ben uw neef A. uit Holland en ik speel met de gedachte eens een bezoek aan Surabaya te komen brengen.’

Ze schreef terug: ‘Je bent altijd welkom, lieve neef. Ik zal je alles over je vader vertellen. Neem je chocolaatjes mee? Die van hier zijn niet zo lekker als bij jullie. Zij kunnen niet ja, die Javanen. Ik zie met verlangen uit naar jouw komst.’

Ho! Liep mijn tante daar niet een beetje hard van stapel? Ik had enkel geschreven dat ik met de gedachte ‘speelde’. Dat zou ik dan ook twaalf jaar lang blijven doen.

Mijn vader schreef zijn boek en ik brandde er bijna mijn handen aan. Zo veel als hij vroeger wist te vertellen over zijn mysterieuze moeder, zo weinig bleek hij later over haar te willen schrijven. Het papier was voor hemzelf, niet voor haar en misschien ook wel niet voor mij bestemd. Toen ik me na lezing ervan liet ontvallen nu eens echt werk van mijn reis naar Indonesië te gaan maken, raadde hij me sterk af naar Surabaya en omgeving te gaan.

Hij, als Indo met een Chinese moeder en een Indische vader, had tijdens de Indonesische revolutie immers aan de kant van de belanda’s gevochten. Maar zijn zusters hadden met de Jap geheuld en zijn broers weer met de Indonesiërs. Wat dacht je waarom je vader in zijn eentje naar Nederland was gekomen? Ongetwijfeld liepen er in Indonesië nog wraakzuchtige lieden rond, voormalige Indonesische vrijheidsstrijders die nog een appeltje met hem te schillen hadden. Er zaten felle Madurezen bij, en hun wraak strekte zich uit tot in het zevende geslacht.

Niet alleen zijn bangmakerij weerhield mij van de oversteek. Vooral het feit dat mijn tante nog altijd in het ouderlijk woonde, wellicht gezellig samen met de geest van mijn Chinese grootmoeder, wier magische uitstraling voor mij nog altijd niet geheel van haar portret was verdwenen. Ik was, onder invloed van mijn Brabantse moeder tijdens mijn kinderjaren, nog altijd een beetje bang voor die doordringende blik en het was een huiveringwekkende gedachte straks oog in oog te komen staan met zo’n strenge vrouw, die vast een hoop van de kwalijke gedachten die ik omtrent mijn vader koesterde, zou afkeuren.

Maar angsten slijten. Je wordt een grote jongen en je tante een oude vrouw. God sterft in je en de geest van je grootmoeder ook. Wat blijft is de nieuwsgierigheid naar de verhalen van de figuranten die optreden in het boek dat mijn vader over zijn oorlogsjaren schreef. Wat was er van waar, wat niet?

‘Tante Ella,’ schreef ik, ‘ik wil nu eens echt een bezoek aan Surabaya komen brengen.’

‘Lieve neef, je schrijft steeds dat je komt, maar jouw oude tante ziet jou maar niet verschijnen. Kom nu maar gauw, je weet niet hoe lang een mens leeft.’

Dat is zo. Ik ging. En mijn onderzoek kreeg een onverwachte wending.

Mijn vaders ‘gisteren’ was veertig geleden. Daar had ik nog niet zo aan gedacht. Mijn vader trouwens ook niet. Er stonden helemaal geen voormalige vrijheidsstrijders op de hoek van de een of andere ‘gang’ mij op te wachten. Zij hadden in Surabaya een straat gekregen, de Jalan Pemuda , en hoe ik ook zocht, er was nergens een Jalan Indo te vinden.

Mijn tante was inderdaad een oude vrouw geworden. Alleen die droevige blik in haar ogen deed me nog enigszins aan de vergeelde foto’s uit mijn vaders fotoalbum denken. Maar ze was helder van geest. Ja, ze wist te vertellen dat mijn vader inderdaad op patrouille ging indertijd, dat hij aan het front had gezeten, maar wat hij nou precies had uitgespookt, nee dat wist zij ook niet. En wat wist ze dan te vertellen over zijn jeugd? Nou ja, hij hield erg van macaroni met kaas ja, en hij kon niet zo goed tegen sambal ja, waarom hij altijd werd geplaagd natuurlijk ja, en hij was als mooie jongen heel verlegen naar de meisjes.

Ze leek een warhoofd, mijn tante, maar ik wantrouwde haar: ik ken die Indische gewoonte wel om niet over elkaar te praten, wat men roddelen noemt, die ingewortelde schaamte, dat fatsoen, of wat is het.

Vragen kwamen op, antwoorden bleven uit, en van lieverlede ging ik maar de antropoloog in de buurt spelen, ook interessant, maar dan was ik toch liever naar Brazilië gegaan. Was het daar niks, dan hadden ze er tenminste de muziek nog. Hier zat ik in een kraakheldere nieuwbouwwoning bij een Indisch-Chinese familie, drie generaties bijeen, die kerstplaten uit Taiwan op een discoritme draaide, naar Kung Fu-films uit Hong Kong keek en me de godganse dag vroeg naar de prijzen van kleding en elektrische apparaten in Nederland. En die me bij het televisiejournaal vroeg of de Hollanders die met olie besmeurde, op het strand aangespoelde vogels zouden gaan roosteren dan wel braden.

Ik leerde dat mijn familieleden in Surabaya nog altijd niet veel met de Javanen op hadden, dat ze zich liever bij de Chinese gemeenschap aansloten en dat, toen de belanda’s er nog waren, de chocolaatjes beter smaakten, de zeep lekkerder rook en het belastingstelsel tenminste deugde. Maar geen woord over hun complexe verleden, de verdeeldheid in de familie ten opzichte van de Japanse bezetter en de Indonesische vrijheidsstrijd, waartegen mijn vader zich als enige van de familie had gekant om van de koningin een oranje kusje te kunnen krijgen.

Gefrustreerd tussen die luchtwortels uit het verleden rondstappend, herinnerde ik me het eigenlijke doel van mijn komst weer, zoals dat twaalf jaar eerder was geboren: het graf van mijn grootmoeder bezoeken. Mijn negentienjarige neefje Jongky, kleinzoon van mijn nicht Josta en een verdwenen Japanse soldaat, trad op als mijn begeleider.

Het graf lag in Ungaran, dichtbij Semarang.

We maakten een omweg via Yogya om aldaar door ene Daatje – een muzikale “zus” – te worden ontvangen. Deze kleindochter uit mijn grootmoeders eerste huwelijk was een aan nasi gudek verslingerde lachebek die zei ooit voor mij, toen ik nog een kleine jongen was, piano te hebben gespeeld tijdens haar conservatorimstudietijd in Nederland.

Haar huurhuis lag binnen de muren van de keraton , waar een tempo doeloe-sfeer hing. In de logeerkamer hing een portret van Daatjes moeder, de enige dochter uit het eerste huwelijk van onze grootmoeder. Het leek sprekend op het portret dat zo lang boven het voeteneinde van mijn ouders’ bed had gehangen. Alleen hing er niet zo’n duistere wolk omheen.

Voor het slapengaan rookte ik een sigaret op de voorgalerij, sloeg de muggen van mijn armen, op het terrein lag brandend afval dat een lange rookpluim naar de maan zond.

Middenin de nacht schrok ik wakker en zag mijn neefje recht overeind in bed zitten. Hij keek me verwonderd aan. En ik hem. Ik dacht dat ik hem wakker had gemaakt, misschien door het slaken van een kreet of zo. Ik verontschuldigde me op voorhand door te zeggen: ‘Sorry. Niets aan de hand, ik heb maar gedroomd.’

Onzinnig. Ik kon me helemaal geen droom herinneren. We spraken er niet over bij het ontbijt en in de bus naar Ungaran. Dat zouden we pas later doen.

Op het verwaarloosde landgoed van een goklustige tante lag een familiebegraafplaats die door bridge en roulette bedreigd werd. Terwijl mijn neefje zich met de oude tuinjongen onderhield over mijn onbeleefd doorslapende want stevig drinkende tante, de Hollandse weduwe van een gestorven oom, zocht ik het graf van mijn grootmoeder op.

Ik nam plaats op een bakstenen richel langs het pad, zo precies mogelijk op de hartlijn van het graf. Dat daar een geraamte onder de grond lag, daar dacht ik niet aan. Eigenlijk dacht ik helemaal niets, totdat ik boven me hoorde roepen, omhoog keek en een raaf boven het terrein zag cirkelen. De raaf cirkelde driemaal boven het graf van mijn grootmoeder en wiekte kraaiend weg. Toen herinnerde ik me de droom van mijn moeder, als een vergeten sprookje.

De busrit terug, bergafwaarts, ging zo hard dat ik dwanggedachten kreeg te verwerken, zoals deze: ik heb het graf van mijn Chinese grootmoeder bezocht als bekroning op mijn leven en nu gaat een dolgeworden Chinese buschauffeur in een wedloop met een andere bus mij en mijn karmagenoten de afgrond in rijden. Vandaar die raaf zoëven.

Nee, ik kwam heelhuids via Yogya weer in Surabaya terug.

Daar lag ik, vermoeid van de reis, op bed uit te rusten, toen mijn nicht Josta de slaapkamer binnenkwam.

Ze zei: ‘Jongky had een droom in Yogya toen jullie bij Daatje waren. Maar hij heeft jou niet durven zeggen. Hij denkt jij bent bang ja.’

‘Toch geen nare voorspelling of zoiets?’

‘Nee, niet. Jullie liggen te slapen en hij ziet opeens de deur opengaan en een oude vrouw binnenkomen. Jij sliep. Zij droeg een witte kabaya, je weet: grootmoeder droeg altijd een witte kabaya.’

Na deze mededeling veerde ik overeind en onderwierp mijn neefje aan een grondig verhoor.

Of hij grootmoeder soms had gekend.

Nee.

Of hij soms ook die zwarte vogel had gezien de volgende dag.

Ja.

Of hij vaker zulke verschijningen had gekregen.

Nee, nooit. En trouwens: het was geen echte droom, eerder een soort halfslaap, hij had zijn ogen open gehad. Hij was overeind gekomen toen zij haar hand naar hem uitstrekte, en een fractie later was ik overeind gekomen. Om vervolgens tegen hem te zeggen: ‘Sorry, niks aan de hand, ík heb maar gedroomd.’

Dit soort dingen verzin je niet zo maar, bedacht ik, hij moet de waarheid spreken.

‘Waarom heeft grootmoeder zich niet aan mij laten zien?’ vroeg ik een beetje jaloers, terwijl ik het antwoord zelf wel kon bedenken.

‘Zij heeft jou willen groeten,’ zei mijn nicht. ‘Maar omdat zij weet jij bent bang zij doet zó ja.’

Jongky, een nuchtere jongen met een hang naar Japan, het land van zijn onbekende grootvader, wist zelf niet wat hij ervan denken moest. Was er ook niet bijzonder van ondersteboven. Het was zo gebeurd. Nou, sudah. Al.

Zelf begon ik de dagen erop met de gedachte te spelen dat ik hem misschien onbewust datgene heb laten dromen waar ik zo lang bang voor was geweest: de geest van mijn grootmoeder te zien krijgen. Maar dan, als telepathie bestaat, dan moet er nog veel meer bestaan.

Nee, hierover verder nadenken, daar had ik geen zin in. Het was er trouwens veel te warm voor. Maar ik vond het mooi, zo mooi, dat ik niet meer wist wat ik na deze bedevaart nog verder te zoeken had in het Indonesië van 1987/1988.

Het voorval sliep in mijn herinnering toen ik het vliegtuig terug nam naar Nederland. Ik verlangde alleen nog naar frisse lucht en patat met mayonaise. Links van mij zat een landbouwstudent uit Wageningen, rechts een Drent die de familie van zijn vrouw in Ambon had bezocht. Over en weer wisselden zij ervaringen uit, terwijl ik zo’n beetje zat te dommelen.

Ik hoorde de landbouwstudent zijn verontrusting uitspreken over het feit dat hij in Malang, waar hij een half jaar had gezeten, zoveel jongetjes met pistolen en geweren door de kampongs had zien lopen. Niet dat hij een nieuwe Indonesische revolutie vreesde, nee. ‘Maar die kinderen,’ zei hij, ‘die schieten werkelijk op alles wat ze maar zien bewegen, zolang het tenminste geen mensen zijn.’

‘Want weet je,’ vervolgde hij, ‘dat er op heel Java geen vo-gel-meer-te-vin-den-is? Allemaal uit de lucht geschoten!’

‘Ja, logisch,’ zei de Drent, ‘die mensen moeten toch eten.’

Ik zette de leuning van mijn stoel recht en mengde me in het gesprek. ‘Wacht even, wat zei jij daar? Op heel Java geen vogel meer te vinden?’

‘Nee,’ zei de landbouwstudent. ‘Heb jij dan soms een vogel gezien?’

Ik dacht even na.

‘Eh… nee, nu je zegt… Ik heb ook geen vogel gezien.’

Dat zijn zo van die antwoorden op vragen die je jezelf helemaal niet stellen moet.

De Volkskrant, zaterdag 10 sep 1988.

Tekening: Waldemar Post

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog

The good mole

raaf One morning the good mole was turned out of his bed by two ravens in uniform. They told him to get out of his hole immediately. When he asked for their identification they sniggered a little, made jokes about his blindness, and then said: ‘We have a weekend contract, a gig, badly paid, so do us a favour and leave your hole.’
Without further discussion they roughly pulled him outside.
‘Any family members indoors?’
The mole shook his head and mumbled: ‘Divorced.’
‘Good,’ said the first raven. ‘Listen, you had the temerity to dig underneath the king’s flowerbed which had been especially created for this weekend. Therefore the chances are that it is about to collapse. And the king has already such trouble with his back. So clear off! We’ve given you more than enough notice now.’
‘But I was not given a temporary digging restriction at all,’ said the mole in defense of himself. ‘Therefore I am not guilty of anything!’
‘Ah,’ said the second raven, ‘who’s talking about guilt. You won’t get a fine you know. C’mon, have a good look around you and explore this spacious land. You wouldn’t make a fuss about a bit of land, would you?’
The good mole was getting nervous because of the bright sunlight and did not protest any longer, and a little further up he disappeared under the ground again. The ravens fitted a sign on the flowerbed which said N0 TRESPASSING, drew their swords and stood sentinel on either side of the hole.
That night the good mole could not get to sleep. His new hole, dug in a hurry, did not meet the regulations of containing at least one emergency exit. Worried about this defect he started to dig all over again. But once he got going, he came upon a thin obstruction which instantly ruptured. He heard the shrieks of a woman, a man swearing and then a call for help. Barely had he recovered from the shock when he was grabbed by the collar, taken outside and given a whack on his head by two feathered men.
When the sun stood high in the sky he regained consciousness in a hollow tree flanked by the two ravens. The ravens were of the opinion that the mole should be on trial for a disturbance of domestic peace. The good mole, however, appealed on the grounds that circumstances beyond his control had forced him to dig without preconceived plan.
‘The case is very precarious. Notwithstanding your circumstances you shall at least have to be arrested and charged with voyeurism. You caught the king with his mistress, didn’t you, and what’s more, in a compromising position,’ sniggered the ravens.
‘But I haven’t seen a king at all, let alone his mistress!’ said the good mole in defense of himself.
‘Hmm ye-es, we didn’t take your blindness into consideration a moment ago.’
Relieved the good mole made a move to leave the hollow tree.
‘Hold on, just you wait a minute! Now that you know about the whole affair… You only need to make a phone call to a journalist and the king hangs.’
‘That’s what I would never do. I swear! And isn’t it because of your thoughtlessness that I came to know about it?’
‘Well, yes, it’s distressing, but it can’t be helped,’ they decided shrugging their shoulders.
It was a long trip to the sea and to relieve the boredom the ravens took turns in hurling the mole to each other. When they dropped him, somewhere over the water, they said to each other: ‘It was well worth the trouble. The king’s mistress looked superb.’
And chortling they tossed their stained tissues after him.

De Volkskrant, 4 jul 1984

Mikado pers, Den Haag: 1984. Bibliofiele oplage van 75 genummerde & gesigneerde exemplaren. Illustraties: Alfredo Prein

Copyright © 1984, Alfred Birney
From Fantasia, a collections of stories. Amsterdam: Contact, 1999
Translation by Amy Horn. No reproducing allowed in any form without written permission from the author

 

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog Getagged

Hallo

Hallo, ik ben een meerval en zwem rond in een paar boeken van deze geheimzinnige schrijver. Ik weet zelf niet precies welke boektitels dat zijn, want ik kan niet lezen. Eerlijk gezegd vreet ik de boeken van Alfred Birney liever gewoon op, snapt u wel?

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog