Het postkoloniale Indische debat

Het probleem met het postkoloniale debat in Nederland is dat er geen postkoloniaal debat is. Nou klinkt dit wat flauw, dus ik zal het wat genuanceerder zeggen: het postkoloniale debat in Nederland is afhankelijk van incidentele oprispingen bij de aandacht voor de Indische, Surinaamse en Caribische literatuur en, breder getrokken, voor boeken afkomstig van immigranten en hun nazaten. Wie wil weten wat koloniale en postkoloniale literatuur behelst, moet lezen Europa Buitengaats; koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen onder redactie van Theo D’Haen.

Onlangs trok een nieuw Indisch boek de aandacht van recensenten, onder wie er velen zaten die dachten dat het wiel was uitgevonden. Het boek is van Eveline Stoel, getiteld Asta’s ogen. Het is een documentair geschreven boek dat toevallig zijn weg vindt naar het grote publiek. Ik zeg toevallig, omdat er jaarlijks tientallen van dergelijke boeken verschijnen, al decennia lang. De meeste van die boeken belanden in de prullenbakken van de redactielokalen, een enkele titel vindt zijn weg.

Boeken als Asta’s ogen hebben als voordeel dat de Indische geschiedenis weer even levend wordt. Ik zeg: even. Want die geschiedenis wordt niet werkelijk levend gehouden, althans niet in de officiële canon. Onze beroepslezers hebben beroerd geschiedenisonderwijs genoten en in het kielzog daarvan dus net zulk beroerd literatuurgeschiedenis. Ze hebben geen helder zicht op de verschillen in perspectief tussen blanke en niet-blanke schrijvers uit Nederlands-Indië en de Cariben. Vanzelfsprekend geven zij hun beperkte kennis van de (post)koloniale literatuur door aan hun studenten, die op hun beurt doodleuk boeken als Orpheus in de desa en Oeroeg hoogtepunten noemen in de Indische literatuurgeschiedenis.

Let wel: het gaat hier niet over smaak, maar over perspectief. Een voorbeeld hiervan is de kritiek van Tjalie Robinson op Oeroeg, een stuk geschreven in 1948. Dit stuk, vol met sterke argumenten, heeft nooit enige invloed gekregen op de smaakmakers van de Nederlandse literatuur. Hoe komt dat?

Dit soort vraagstukken behoren bekend te zijn bij deelnemers aan een postkoloniaal debat. Anders weet je niet waarover het gaat. Afgelopen zaterdag werd er een dergelijk debat gevoerd in Nijmegen, er werd althans een poging ondernomen.

Op het podium nemen plaats Wim Willems, Eveline Stoel, Lizzy van Leeuwen en ik. Gespreksleider is Wim Brandts.

Wim Willems zit al 30 jaar met zijn neus in de materie, is biograaf van Tjalie Robinson en ziet soms door de vele bomen het bos niet meer. Eveline Stoel is een nieuwkomer die het zich kan permitteren onbevangen en ongehinderd door een veelheid aan kennis haar zegje te doen. Lizzy van Leeuwen doolt rond in het niemandsland tussen wetenschap en essayistiek en heeft de neiging het gesprek al te technisch voor de toehoorders te maken. Ikzelf doe vooral aan het begin van zo’n debat niets anders dan iedereen maar meteen in de rede vallen omdat ik denk dat ik het allemaal beter weet. Mij word herhaaldelijk door Wim Brandts ingefluisterd dat ik even mijn mond moet houden en dan gedraag ik me wel. Diezelfde Wim Brandts is een journalist (en dichter) met veel ervaring op het gebied van postkoloniale en etnische literatuur. Hij leidt het debat in strakke banen, omdat het anders een gekijf van jewelste wordt.

Dat een dergelijk debat nooit een bevredigend einde krijgt, dat weet je van te voren, al is het maar omdat meer dan de helft van de gesprekstijd opgaat aan het uitleggen van waar het nou eigenlijk allemaal om gaat. Toch zijn dit soort gesprekken zinvol. Want er zijn altijd mensen in de zaal die ermee aan de gang gaan, erover gaan nadenken, ook al hebben ze de helft maar begrepen.

Mijn punt is dat het postkoloniale debat een vanzelfsprekend onderdeel zou moeten zijn van het algehele literaire debat. Dat de postkoloniale geschiedenis als een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel zou moeten worden gepresenteerd van de algemene Nederlandse geschiedschrijving.

Maar ja… ís er überhaupt wel een literair debat? En wordt de canon van de Nederlandse geschiedenis wel écht vernieuwd met dat beetje VOC-gelul dat eraan is toegevoegd? Wanneer zijn we zover dat we vanuit verschillende perspectieven naar onze eigen (literatuur)geschiedenis kunnen kijken?

Wim Willems brak aan het einde van het debat, voor een volle zaal, een lans voor de Turkse schrijver Sadik Yemni, die klaagde dat hij als Turk alleen maar om zo te zeggen over kamelen mag schrijven. Dat vond Wim Brandts wel aardig om de avond mee af te sluiten. Nieuw is de klacht van Yemni natuurlijk niet. Ik schreef het al tien jaar geleden in mijn Yournael van Cyberney, een e-zine dat ik later herschreef en in boekvorm liet uitgeven. Dit zeg ik niet uit gelijkhebberigheid. Maar om te illustreren dat conclusies die ooit door schrijvende immigrantenkinderen worden getrokken niet direct door blanke Nederlanders worden overgenomen. Nee, die nemen ook nog eens tien jaar de tijd om tot dezelfde conclusie te komen. En als het even kan brengen ze het alsof het zelf hebben bedacht. Het komt er uiteindelijk toch steeds weer op neer dat je pas wordt geloofd zodra je een heel blank peloton achter je hebt. Een van de weinigen die dat tot dusver voor elkaar kreeg was Salman Rushdie. Maar daarvoor moest ie wel eerst een fatwa over zich heen krijgen. En zo ben ik weer terug bij af bij mijn eerste aflevering van Yournael van Cyberney, tien jaar geleden.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog

Schrijven aan een boek

Schrijven aan een boek kan merkwaardig associatief gedrag veroorzaken. Zo luister ik deze dagen aldoor naar een aria van Händel, het Ombra mai fù uit de opera Serse (Xerxes) (1738), vertolkt door de Japanse countertenor Yoshikazu Mera. Tegelijk leg ik de laatste hand aan het derde en laatste deel van mijn novellenreeks. Het eerste, Rivier de Lossie (2009), speelt in Schotland. Het tweede, Rivier de IJssel (2010), speelt in Nederland en het deel-in-wording (2011, lente) speelt op Java.

Dit derde deel is een quasi roadshow, met terugblikken op onder andere de oorlog die Nederland in Indonesië voerde nadat het land zelf was bevrijd van de Duitsers. Een oorlog die eufemistisch de Politionele Acties worden genoemd, door Ad van Liempt gebombardeerd tot Een mooi woord voor oorlog. Ik ga daar niet diep op in, ook niet op de Japanse bezetting die enkele jaren eerder plaatsvond. Wél op de liefde die een familielid van me opvatte voor een Japanse officier. Zeg maar een verhaal zoals Il portiere di notte (1973) van Liliana Cavani (The Nightporter), maar dan zonder een weerzien. Ik beschreef het al eens in het verhaal Zonder gezicht, gepubliceerd in de anthologie Vertrouwd en Vreemd (2000), maar bewerk het nu in een andere context.

Er is veel geschreven over zogeheten “troostmeisjes” maar weinig tot niets over meisjes die eenvoudig een liefdesaffaire hadden met Japanse officieren. Mijn vader haatte Japanners en alles wat met Japans te maken had. Veel Indische mensen en Indo’s haatten Japanners. Ik ben opgegroeid in een milieu waarin de haat jegens Japanners nog sterker was dan de huidige weerzin van Hollanders jegens Marokkanen op alle denkbare niveaus, tot aan de landelijke politiek toe.

De haat die mijn vader koesterde tegen de Japanners heb ik niet overgenomen. Mijn broer evenmin. Hij nam ooit luitlessen bij een Japanse leraar, in een tijd waarin de vader van een vriend van me met een hakbijl een piano van Japans fabrikaat te lijf ging, die zijn dochter in alle onschuld had aangeschaft.

Japanners kunnen gek zijn op Europese kunst en cultuur. En andersom, Europeanen kunnen dol zijn op Japanse kunst en cultuur. Literatuur, gevechtskunst, muziek, schilderkunst, beeldende kunst, architectuur… Kunstenaars staan veelal boven het ordinaire geweld van alledag of proberen gedachtes aan oorlog te bezweren door zich in de kunstuitingen van de (voormalige) tegenpartij in te leven. Yoshikazu Mera is zo iemand. Zijn stem klinkt hemels. Cross-over artiesten geven me altijd hoop op een fatsoenlijker wereld. Altijd.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog

Doch er is een drawback

de gids Wie in zijn familiegeschiedenis duikt, komt vroeg of laat wel ergens een wapenschild of beroemdheid tegen. Op een dag keek ik terug op wat ik geschreven had en welke familieleden model in mijn romans hadden gestaan. Dat waren mijn vader en mijn grootmoeder. Er restte nog één figuur die ik moest ontdekken langs de Indische lijn in mijn familie: mijn overgrootmoeder. Onderzoek plegen hoefde niet, gegevens over haar werden me mettertijd ongevraagd aangereikt door historici en literatuurwetenschappers die mijn schrijverspad kruisten en verdwenen ongelezen in mijn lade. Die hoefde ik slechts open te trekken toen ik aan een novelle begon te werken en haar – dit klinkt oneerbiedig – als bijfiguur nodig had.

Rabina heette ze, geboren ergens op Oost-Java, zonder achternaam. Niet direct iemand die je in de negentiende eeuw ergens in Overijssel zou tegenkomen, dacht ik. En zo dachten indertijd Anne Busken Huet en Sophie Potgieter ook. Anne was de vrouw van de schrijver, criticus en journalist Conrad Busken Huet, die zijn heil in Batavia was gaan zoeken. Sophie was de zuster van E. J. Potgieter, mede oprichter van het tijdschrift waar u nu in leest: De Gids.

Wie een beetje thuis is in de Indische bellettrie, weet dat schandalen bij voorkeur in de kolonie werden gesitueerd en dat de beschaving begon en eindigde in Nederland. Je ziet het in de werken van Couperus en Multatuli, maar de echte liefhebber haalt zijn informatie uit de boeken van niet gecanoniseerde schrijvers.

De naam Dé-lilah zal alleen de ingewijde iets zeggen. Haar verbeelde werkelijkheid van onverschillig Hollanders, Chinezen of Indo’s was meedogenlozer dan die van haar voorgangers, al dweepte zij als Indo-Europees kind van haar tijd enorm met het beeld van ‘de aristocratische westerling’. Dit zal haar literaire positie in de ogen van diezelfde westerling ironischerwijs wel hebben verzwakt, als er al een kans was dat de smaakmakers van de Nederlandstalige literatuur haar boeken opensloegen.

Dé-lilah geboortejaar wordt door haar ontdekker Joop van den Berg rond 1850 geschat. Zekerheid over haar ware naam is er niet. Maar ze heeft tenminste een pseudoniem én een hilarische wijze van zichzelf aan de lezer voorstellen.

In het verhaal Een zuinige huisvrouw uit de bundel Een Indisch dozijntje (1898) gaat ze met haar vriendin naar de markt, een verschrikkelijke onderneming voor iemand zo ongeschikt voor het huishouden als Dé-lilah. Het verhaal is in zoverre interessant, dat de schrijfster een coming out inlast, tamelijk uniek voor die tijd:

Hanna, mijne vriendin is een aardig indisch vrouwtje, precies zooals ik, dat wil zeggen, dat ik ook een indiesche ben, of ik aardig ben daarover zullen we maar zwijgen.

Deze zin luidt een boosaardige scène in, die zich later op de markt afspeelt:

Vol afschuw sloegen we een ander paadje in, dat nog voller was dan al de andere wegen. Ik ergerde me vreeselijk. Ik was al uit mijn humeur over hetgeen ik gezien had en nu overkwam mij weêr de ergernis, als een pilaar vastgemetseld te moeten blijven staan en me niet te kunnen bewegen door deze foule van menschen. En wat voor menschen? Armoedige, vuile, magere inlanders, menschen met huid- en andere ziekten, vrouwen met ongekamde haren en natuurlijk het noodige gezelschap bij zich, of met een enkele sarong aan, met ontbloot bovenlijf; mannen, vuil en verwilderd, waaronder echte galgentronies.

Ik werkte geducht met mijn ellebogen, maar ’t hielp niet veel. Daar staat een Soendanees naast me met een rits, nog levende, spartelende goudvischjes aan een touwtje, en ik merk tot mijn ontzetting, dat hij dat zoodje tegen het aardbeien satijn mijner kabaija houdt en dat daar een leelijke vies ruikende vlek op gekomen is.

In mijn boosheid stoot ik met de punt van mijn parasol in zijn ribbenkast. Het schijnt aangekomen te zijn, want de kerel valt achterover, precies op een oude vrouw, die zwarte boeboer ketan verkoopt en hij trapt met zijn eene voet in de pan kokende toeboer. De vrouw schreeuwt en scheldt vreeselijk, maar de consternatie wordt nog grooter, wanneer diezelfde man, die van pijn brult, al strompelende terecht komt in een hoop katjang. Gelukkig is er nu ruimte gekomen en kan ik verder gaan…

Dé-lilah is waarschijnlijk de allereerste overduidelijke Indo-Europese vrouw die zich aan verhalend proza wijdde. Ze kende het plantersmilieu goed, vooral in de uithoek Deli (Dé-lilah) aan de Oostkust in het Noorden van Sumatra, dat indertijd als een staat in een staat functioneerde. Daar gaf de zogenaamde ‘Koelie-ordonnantie’ planters de vrijheid hun arbeiders naar eigen goeddunken te berechtigen. Een dergelijke bizarre autocratische samenleving kende men op Java niet.

Als verhalen voor kinderen bij sprookjes beginnen, waarom dan niet verhalen voor volwassenen bij driestuiverromans. Dé-lilah schreef pulpfictie van hoge kwaliteit, boeken die helaas vrijwel niet meer te vinden zijn. In haar plantersroman Hans Tongka’s carrière (1898), een Indische soap superieur, is álles maar dan ook álles te vinden over vrouwenlevens in de kolonie, door alle rangen en standen heen, met diverse Europese en Aziatische nationaliteiten. Je bent als lezer onder meer getuige van de gevechten die Aziatische vrouwen moeten leveren om een blanke man te kunnen huwen. En je krijgt te zien dat het de ene vrouw wél en de andere niet lukt.

In Dé-lilah’s tweedelige roman worden twee zogeheten njais opgevoerd, vrouwen die dansen op het koord tussen huishoudster en minnares van een blanke man. De ene heet Kim, de andere Yum. Kim is mooi, opstandig, geraffineerd en boosaardig. Yum is onooglijk, dociel, naïef en goedmoedig.

Kim gaat door voor een Chinese, maar heeft een Javaanse moeder. Dat wordt uitdrukkelijk gesteld, want dat krengerige in Kim moet toch érgens vandaan komen. Dé-lilah is met haar Indo-Europese achtergrond in haar etnische typeringen veel preciezer dan veel van haar zogeheten ‘volbloed’ Nederlandse collega-schrijvers, wat een gevolg is van een groter etnisch bewustzijn bij Indo-Europese schrijvers. Iemand met een gemengde achtergrond is eerder, en niet zelden sociaal gedwongen, met zijn of haar afkomst bezig. Dat is het raciale oog, wat heel iets anders is dan de racistische blik.

Yum is een volle Chinese, maar het wordt nergens duidelijk of zij in Nederlands-Indië geboren is, of als immigrante direct afkomstig is uit China. Kim en Yum moeten een jaar of twintig zijn wanneer Dé-lilah een rond 1885 gesitueerde historische scène beschrijft, waarin twee Chinese losarbeiders (koelies) zonder enige vorm van proces worden opgehangen (dat was mogelijk in het toenmalige Deli). Mijn overgrootmoeder Rabina is dan tweemaal zo oud en heeft dan al de status bereikt waar Kim en Yum zo naar smachten: een huwelijk met een blanke man.

De dekselse Dé-lilah, met haar enorme, sardonische talent voor soap, gekoppeld aan een cynische, parodiërende blik op het Nederlands-Indische leven, wil wel zo goed zijn om aan het einde van haar boek de onooglijke Yum met een Hollander te laten trouwen. Maar dan wél in Deli, ver van het beschaafde Europa vandaan. Met de mooie, vol streken zittende Kim loopt het slechter af: ze sterft.

Een huwelijk met een blanke man, inclusief een villa ergens in de Nederlandse provincie, is in Dé-lilah’s roman slechts weggelegd voor blanke Hollandse vrouwen. Dat op zich is niets bijzonders in de Indische bellettrie. En daarom is het verhaal van mijn overgrootmoeder Rabina zo bijzonder. Zij was immers een Javaanse. Toch trouwde ze met een blanke man en ging zelfs met hem mee naar Nederland. Er is nog nooit een kenner van de Indische literatuur geweest die mij een boek kon wijzen waarin zo’n verhaal verteld wordt. Verbintenissen tussen Javaanse vrouwen en blanke mannen spelen zich in de Indische bellettrie altijd af op het scandaleuze Java. Indo-Europese vrouwen kwamen wél met hun blanke mannen naar Nederland, maar dat is een ander verhaal, vaak genoeg verteld ook.

zeilschip Gelukkig hebben we de brief nog als lapmiddel tussen fictie en non-fictie. Rabina bracht de dames Anne Busken Huet en Sophie Potgieter in elk geval voldoende gesprekstof, waaraan een ‘geheime’ brief voorafging. Maar hoe kwam het dat deze dames uit literaire kringen zich verlaagden om ook maar met één woord te reppen over zo’n eenvoudige vrouw uit Oost-Java? Om antwoord te geven op de vraag hoe Rabina in Europese kringen verzeild was geraakt, moet ik terug naar de 12e oktober 1852, toen mijn overgrootvader George Birnie uitzeilde richting Nederlands-Indië, via Kaap de Goede Hoop.

George Birnie’s eigen overgrootvader was halverwege de achttiende eeuw via een Schots regiment in Nederland aan komen waaien en het leger ontvlucht door een Nederlands meisje te huwen. Hun enige zoon was een ondernemende geest, nam in Deventer een dweilenfabriek over van een Zwitser en breidde die uit met de productie van tapijten, zeildoek en andere ‘nuttige bekleding’. Ook hij huwde een Nederlands meisje, Aleida, bij wie hij drie zonen verwekte.

De eerstgeborene Gerhard David kwam bij zijn vader in de Deventer fabriek te werken. Op een dag vroeg de raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpennick hem zijn Smyrnatapijt te repareren. Moeder Aleida is toen net zo lang op het tapijt gaan zitten puzzelen tot ze de manier van knopen had gevonden. Naar haar bevindingen construeerde de jonge Gerhard David een getouw en ontwikkelde een product dat onder de naam ‘Deventer handgeknoopt tapijt’ de wereld zou gaan veroveren. Hij legde zich toe op het ontwerpen van tapijten, maar kwam te sterven toen hij pas 20 was.

De jongste zoon, Johan Willem, zou na het overlijden van de vader in 1830 de fabriek voortzetten. Eén van zijn eerste daden was het dagloon niet meer op de zaterdag maar op de donderdag uit te betalen, één dag voor de belangrijkste marktdag. De arbeiders konden nu niet meer direct de kroeg in duiken en na een weekendje doorzakken de maandag verstek laten gaan, zodat er na de dinsdag geen geld meer was om vrouw en kinderen te eten te geven. Ook begon hij met het heffen van premie, waarmee ziekte- en begrafeniskosten konden worden betaald. Verder werden sterke drank uit de fabriek geweerd, een portier aangesteld en geldboetes geheven op te laat komen, waarvan kleding en brandstof werden gekocht, die weer onder de 300 werklieden werden verloot. Johan Willem spoorde de arbeiders aan om lid te worden van de godsdienstige gemeente waartoe zij behoorden, charterde een verwarmde zaal en een dominee om hen godsdienstonderwijs te laten volgen en stelde, in de Schotse traditie, de zaal tevens ter beschikking aan leden van andere ‘gezindheden’.

Al deze maatregelen brachten een redelijke orde in de fabriek, waar allengs minder werd gezopen, gevloekt, geboerd en scheten gelaten en zo geviel het dat onze Johan Willem werd gelauwerd met ridderkruizen, want Koning Willem III was er als de kippen bij om aandelen te kopen toen de fabriek werd omgezet in een maatschappij.

Maar God had de brave man nodig. Hij stuurde in 1848 een donkere wolk uit Schotland naar de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten en liet hem daar een poosje hangen. Orders bleven uit. Johan Willem kon ze niet meer in de ogen kijken, de werklieden die nog altijd zo braaf zonder de jeneverfles onder de oksel op tijd kwamen en zondags psalmen en gezangen uit de minder schorre strotten lieten komen in het vrome zaaltje met het preekgestoelte, de gasverlichting en de warme oliekachel. De fabriek draaide zo slecht, dat hij deze enigszins opgevoede lui nu niet eens meer regelmatig kon betalen.

De gekwelde Johan Willem, terneergeslagen door de tegenvallende opbrengsten van zijn fabriek, ontvluchtte de stad, stak de grens over naar een plas bij Bentheim in Duitsland en verzoop zich er in het koude water. Ironischerwijs verdween direct daarop de donkere wolk boven de fabriek en begonnen de orders weer binnen te stromen.

Johan Willem liet negen kinderen na, bij twee vrouwen. Onder hen zat mijn overgrootvader George. Hij was 17 en leek geenszins van plan de fabriek voort te zetten, zelfs niet toen de fabriek beter liep dan ooit tevoren. Hij volgde een opleiding aan de bestuursacademie te Delft, zoals indertijd velen deden met oog op een loopbaan in Nederlands-Indië, en was 21 jaar oud toen hij uitzeilde om in de kolonie aan de slag te gaan.

jember
JEMBER, INDONESIA – JUNE 16: A worker walks home past tobacoo plants in the Jember tobacco fields on June 16, 2007 in Jember, Indoensia. Despite Indonesia’s troubled and struggling economy, the country continues to produce quality tobacco for cigar production throughout the world, which it has done so since late 1700. In Indoensia, a majority of tobacco is harvested in Jember, East Java. PT Ledokombo, the largest exporter of tobacco for cigars in Jember, is responsible for 60% of the export in the region and their tobacco is exported to countries including Cuba, France, Algeria and Spain. (Photo by Kristian Dowling/Kristian Dowling)

Na aankomst op Java trad George in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij had een verloofde in patria, maar liet de vrouw niet overkomen. Omdat de omstandigheden in de binnenlanden te primitief waren voor een Nederlandse vrouw, verbrak hij zelfs zijn verloving. Of was hij getroffen geraakt door de schoonheid van de vrouwen van het land?

Hij klom snel op de bestuursladder en kreeg na enkele goede rapporten het district Djember van de afdeling Bondowoso onder zijn toezicht. Op zekere dag bracht de resident van Besoeki een bezoek aan de koffietuinen van het gouvernement in Birnie’s district. De resident klaagde dat er grote schade was aangericht door de ‘zwarte apen’, die volgens hem te massaal in de schaduw van de bomen zaten. George Birnie schreef die avond in zijn dagboek, dat hij als ambtenaar bij te houden had, dat er sedert het bezoek van den resident geen apen meer in de gouvernementstuinen te zien waren.

Het gouvernement waardeerde de humor niet en stelde overplaatsing voor naar een ander district, mét weliswaar een verhoging van het traktement. George Birnie zag er een straf en verbanning in, nam ontslag en verliet voorgoed de gouvernementsdienst om voor eigen rekening te gaan werken.

Als controleur had George veel visites op plantages afgelegd en gezien dat in Djember de bodem in dialoog met de lucht erboven uiterst geschikt was voor de tabaksplant. Het was er dunbevolkt en de grond was nauwelijks in cultuur gebracht. Aanvraag van gronden was onnodig in die tijd. George ging er aan de slag met twee compagnons, die later werden vervangen door een neef en naamgenoot van zijn vroeggestorven oom Gerhard David. Hij koos eerst de droge velden en liet die door de bevolking beplanten. Allengs liet hij bossen kappen en de grond geschikt maken voor de aanplant, zodat zaadbedden konden worden aangelegd en zaailingen aan de bevolking worden uitgegeven. Na het uitplanten werden de velden in de periode juli tot oktober nauwlettend geïnspecteerd op vervuiling, beschadiging door rupsen en vernieling door mensen. In die periode kreeg het Djemberse vaak regen of zware mist te verduren, als voorloper van de westmoesson. Daarna kon worden geoogst. In de overige maanden kon de bevolking de gronden vrij gebruiken voor het verbouwen van rijst. Betaald werd naar het aantal geslaagde tabaksbomen, wat neerkwam op ongeveer de helft van wat werd geplant.

George pionierde met zijn werkwijze door het invoeren van een tabakscultuur waar anders de bodem onbenut bleef. Maar hoe kreeg hij de bevolking zo ver dat ze voor hem gingen werken? De Javaanse bevolking nam doorgaans niet méér aanplant aan dan strikt noodzakelijk was voor hun levensonderhoud, een gezonde houding zou ik zeggen, tegenover de winsten die de Europese planter voor ogen stond. George had dus te leven met de bevolking en diende hun doen en laten te leren kennen om ze met inachtneming van respect aan het werk te krijgen voor zijn tabak.

Hij leefde onder tamelijk primitieve omstandigheden, liet geen grote administrateurwoning bouwen, zo’n koloniaal paleis met Griekse zuilen dat je op foto’s uit tempo doeloe (= de goede oude tijd) kunt zien, met tuin, oprijlaan, koetshuis en overige bijgebouwen. Zelfs een huis van steen was er nog niet bij. De woning van zijn onderneming was gemaakt van bamboe en gevlochten palmbladeren, zoals de kamponghuisjes van de bevolking.

Soms kwam George van Djember afzakken naar Soerabaja, na enorme verliezen te hebben geleden op de investering in de plantages. Plukkend aan zijn baard kwam hij bij zijn zakenvrienden aan tafel zitten met het voornemen de hele boel te verkopen en zijn fortuin elders te gaan zoeken. Maar na een verfrissing en een peptalk van deze of gene in het bloedhete Soerabaja kwam George dan maar weer eens overeind, wuifde zich koelte toe met zijn hoed en stelde de vendutie nog maar een maand uit.

Toen hij op zekere dag een schare vrouwen en meisjes nodig had voor het werken in de schuur, zag hij dat ze angstig voor hem wegscholen. Wat was er aan de hand?

Een oude Javaanse vrouw maakte gebruik van haar gezag en wees hem beleefd op zijn enorme baard.

Onder de vrouwen die zich voor hem hadden verscholen, bevond zich Rabina, dochter van Pa Grimin en Sayeh, geboren op 18 augustus 1844 te Gambangan, Penaggoengan, afdeling Bondowoso. Rabina moet erg jong zijn geweest, een jaar of zestien, toen de slavernij werd afgeschaft en zij als huishoudster in dienst trad bij het harige spook, dat zijn baard had afgeschoren en was veranderd in een aantrekkelijk gepolijste blanke man.

De tabakscultuur bracht Djember geleidelijk welvaart, er werden karren gekocht, er werd vee aangeschaft en men bouwde degelijker huizen. George liet een familiehuis bouwen, waar hij met Gerhard David en voltallige families in kroop. De neven staken ‘s avonds de koppen bijeen, omdat ‘wilde tabakkers’ in de omgeving neerstreken. Deze concurrenten namen het niet zo nauw met inferieure tabaksplanten, betaalden de koelies hoger en dreven zo de marktprijzen op. George Birnie zag zijn tabaksbedrijf in gevaar komen, liet Gerhard David op de landerijen passen en kocht een huis in Batavia, het centrum waar je moest zijn voor je lobby met het gouvernement, dat zich intussen door middel van wetgevingen met de cultures was gaan bemoeien.

In Batavia resideerde ook Busken Huet, voormalig redacteur van De Gids onder E.J. Potgieter. Busken Huet was na enkele geruchtmakende publicaties uit de redactie van De Gids gestapt, gevolgd door een aan hem loyale Potgieter. Na publicatie van een te erotisch getinte roman had Busken Huet zijn dieptepunt in Nederland bereikt. Hij kwam in 1868 in Batavia aan en werd er journalist voor de Java-Bode. Daar ontwikkelde zich een nieuw schandaal. Zijn reis naar Nederlands-Indië bleek betaald te zijn door de Minister van Koloniën, die hij als tegenprestatie voor de regering in het moederland zou adviseren hoe de Indische pers het beste in toom kon worden gehouden. Toen in 1872 de Java-Bode van eigenaar veranderde, vond Busken Huet het tijd worden om een eigen dagblad te lanceren. Om financiële steun voor zijn krant te verwerven was hij afhankelijk van onder meer bankiers, suikerfabrikanten en rijke, conservatieve planters uit de Oosthoek van Java, die een liberale koloniale politiek schuwden.

Ook George Birnie was gebaat bij het voortbestaan van een behoudende krant en steunde Busken Huet dan ook met geld. In april 1873 verscheen het eerste nummer van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië. Busken Huet had in Batavia een fraai huis gekocht, waar zijn vrouw Anne de boel bestierde met meer dan tien personeelsleden. De man beschouwde het bezit van de Indische kolonie als zo’n beetje het enige waarom de rest van de wereld Nederland mocht benijden. Maar echt thuis voelen deed hij zich niet in Nederlands-Indië. Van maandag tot en met zaterdag reed hij met zijn koets om zeven uur ’s morgens naar het redactiebureau in de Bataviase benedenstad, om pas tegen zessen weer thuis te komen. De avonden vulde hij met het schrijven van artikelen en feuilletons voor zijn krant, en met lezen. Ook zijn vrouw Anne schreef feuilletons, wellicht als ghostwriter, dat zou moeten worden uitgezocht.

Het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië leek een succesvolle onderneming. Maar volgens Olf Praamstra, de biograaf van Busken Huet, is dat niet waar. Het bewijs hiervoor vond hij in de brieven die Busken Huet schreef aan George Birnie, waarin de literator een heel andere toon aanslaat dan in de brieven die hij aan zijn literaire bondgenoot E. J. Potgieter in Nederland stuurde. De brieven aan George Birnie staan bol van gebedel om geld, compleet met inkomstenstaatjes.

Het aantal abonnees van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië was te laag om de krant draaiende te houden. Busken Huet zag bovendien geen kans te repatriëren naar Nederland, nu zijn zoon Gideon veertien jaar was en hij het hoognodig achtte dat die beter onderwijs ontving dan in Batavia voorhanden was. George Birnie vond dat deze criticus ook wel een beter lot verdiende dan de rest van zijn leven als journalist in Batavia te moeten slijten. Busken Huet wilde een rol gaan spelen in het politieke leven in Nederland en schreef, voor mij nogal verrassend, dat hij een einde aan de bourgeoisie wilde maken en met de oprichting van een landelijke organisatie van arbeiders een nieuwe stem aan de Nederlandse politiek wilde geven. George Birnie stemde ofwel met die plannen in, of had gewoon met de man te doen. Hij leende hem het geld om zijn schuldeisers af te kopen, zodat Busken Huet zijn zaken in Indië kon liquideren.

Ook George Birnie maakte zich op voor een terugkeer naar Nederland. Nu was het eenvoudiger om met een blanke vrouw terug te keren dan met een Javaanse. Dat spreekt overduidelijk uit een brief van Anne Busken Huet aan de zuster van E. J. Potgieter, kort na diens overlijden op 3 februari 1875. De brief volgt hier integraal.

Batavia, 18 Maart 75.

Lieve Sophie,

Na uw eerste droeve tijding heb ik nog geen nader berigt van u kunnen ontvangen, toch wil den mail, die heden van hier vertrekt, niet laten gaan, zonder een woordje aan u mede te geven. –
Gij kunt u niet voorstellen welk een treurig gevoel het is, nu verder niets van u af te weten, van hoe gij het maakt en wat uwe plannen voor de toekomst zijn. In het lieve oude huis zult gij wel niet blijven, dat zal u te groot zijn, vrees ik. Ik weet dus volstrekt niet meer waar, of hoe, ik u mij voorstellen moet: noch ook hoe veel leed gij hebt gedragen bij het verstoren en wegnemen dier wereld van souvenirs waarin uw lieve doode zijn ganscher grooten geest had afgedrukt, en die ik zóó gaarne nog eenmaal weer in hun geheel had aanschouwd: ach, Sophie, uw broeders heengaan heeft de eenige bekoring welke Holland voor ons had weggenomen; en wij zouden lust hebben er niet weer heen te gaan. Zeg het aan niemand: doch het is zoo. Wie zal Huet met ware hartelijkheid te gemoet komen, buiten die eenige, die alles vergoedde, en die het niet meer doen kan. – Toch zouden wij zoo gaarne met u zamen zijn. Ik wil u daarom van onze plannen vertellen, om te zien, of het mogelijk zijn zou, ze eenigzins met de uwe in overeenstemming te brengen. – Ik zal u dus, in vertrouwen mededeelen, dat Huet, reeds eenige maanden geleden, een zekeren heer Birnie beloofd heeft, voorloopig althans, de wintermaanden met hem in Italië te zullen doorbrengen. Daarna zullen wij waarschijnlijk naar Zwitserland gaan, om Gideon op school te brengen, en ook daar eenigen tijd vertoeven. De reden nu waarom mijnheer Birnie er zoo op gesteld is, ons gezelschap te genieten, zal ik u nader verklaren. Mijnheer Birnie heeft hier zijn fortuin in de tabak gemaakt. Hij bezit eenige tonnen in de wereld, en gaat nu in Europa van zijne renten leven. Tot zoover is alles goed; doch er is een drawback; en wel deze; de man is getrouwd met eene Javaansche vrouw, bij wie hij, ik geloof, 8 kinderen heeft, en die hij, op aanraden zijner familie en ter liefde van zijne kinderen, voor een paar jaar heeft gehuwd. Die vrouw, zij spreekt zelfs niet anders dan maleisch, is volstrekt ongeschikt om een Europeesch huishouden te drijven; zelfs vertrouwt hij haar de opvoeding zijner kinderen niet toe; deze gaan alleen naar eene zijner zusters te Zwolle en gaan daar naar school; alleen de allerkleinsten houdt zij bij zich. Ziehier de ramp van dezen vermogenden, welontwikkelden en zeer interessanten man. Nu heeft hij, – aan wien Huet in zijne zaken veel verpligting heeft, – ons voorgesteld, in zijn gezelschap te reizen en voorloopig met hem zamen te blijven; en wij hebben dit beloofd. Wij kunnen daarvan dus onmogelijk af. – Maar nu is er eene andere vraag. Kunt gij niet bij ons in Italië komen? Voor uwe gezondheid was dat zeker goed. Tegen het einde van October komen wij te Napels aan. Zeg dat gij komt, dan reist Huet u te gemoet. Het zou ons ontzaggelijk veel genoegen doen, indien gij er toe besluiten kondt. Wat hebt gij alleen in het sombere kille Amsterdam? Die vrouw zal ons niet hinderen; zoo iemand is net een groot kind; daarbij heeft zij hare kindertjes, om zich mede bezig te houden, en gaat er waarschijnlijk nog een jufvrouwtje van gezelschap voor haar mede. Ik heb alleen beloofd: haar te protégeren en het oog over haar te houden. – Al hetgeen ik u hiervan zeg, weet niemand anders; het is meneer Birnie’s geheim; en gij moet het stipt voor u houden. – O wat zou ik hierop gaarne een gunstig antwoord van u krijgen; aan eene gewone Hollandsche, Amsterdamsche dame, nog wel, zou ik het niet durven voorstellen; maar aan u, dat is heel wat anders. Het zou zoo goed voor u, en voor ons allen zijn.
En hiermede eindig ik voor dezen keer; vreezende dat mijn brief anders te laat in den bus komt. Dag, lieve Sophie.
Uwe zeer hartelijk liefh.
Anne.

George Birnie en Conrad Busken Huet maken zich op om in september 1875 samen met hun gezinnen naar Europa terug te keren. Om een of andere reden gaat de gezamenlijke reis niet door. De dood van Potgieter snijdt, zoals Anne aan Sophie schrijft, bovendien de laatste fysieke band door die Busken Huet nog met Nederland heeft. De vriendschap tussen George Birnie en Busken Huet is een goeddeels zakelijke en de scheiding van het tweetal is nauwelijks pijnlijk te noemen. Busken Huet komt uiteindelijk in Parijs terecht, waar hij de laatste tien jaar van zijn leven zal slijten.

George Birnie heeft zijn huis in Batavia verkocht, gelegen aan de westkant van het Koningsplein, waar ook de familie Couperus, onder wie de latere schrijver Louis nog als jochie, van 1872 – 1878 woont. Het beheer van de onderneming in Djember wordt aan neef Gerhard David overgedragen en George vertrekt, dus zonder de Busken Huets, met Rabina naar Europa.

Om Rabina aan die andere wereld te laten wennen, trekken ze eerst naar Napels. Ze logeren er een maand of negen in Hotel de Russie aan de Corso Vittoria Emanuela nr. 8. De kinderen zitten, neem ik aan, dan bij hun tantes in Deventer.

‘Zeg Rabina,’ vraagt George op een dag, ‘wil je vanavond niet meegaan naar de Opera?’

‘Opera, opera, watte geven? Faust? Ouwe man met dikke boek (buik). Dank je hartelijk.’

George schreef in één van zijn brieven dat het bijna niet mogelijk is zich straffeloos te onttrekken aan het milieu waarin men geboren is, of waarin men later meer dan een halven menschenleeftijd heeft doorgebracht.

Het liefst was hij vanuit Italië linea recta terug naar Djember gegaan, maar het leek hem onvermijdelijk de familieonderneming vanuit Nederland te moeten gaan leiden. Uiteraard zag hij al voor zich dat hij een probleem zou krijgen met zijn vrouw in Nederland. De vraag waardóór dat probleem kon bestaan, hoeft onderhand niet meer gesteld worden. Racisme is natuurlijk niet langer incidenteel te noemen. Zo veel zijn we de laatste honderd jaar wel opgeschoten.

In de zomer van 1876 krijgt de bijna 32-jarige Rabina eindelijk het moederland van haar man te zien. Aanvankelijk wonen ze in Velp. In 1880 betrekken ze een door George aangekocht familiehuis aan de Brink te Deventer.

Zoals George met zijn baard een opvallende verschijning was in Djember, zo was Rabina dat nu in het Overijsselse. Bij een wandeling op De Brink in Deventer riep een straatjongen naar haar: ‘O, wat ben jij vies!’

‘Ik heb bruine huid,’ antwoordde Rabina, ‘maar heb gewassen. Ik niet vies, jij niet gewassen, jij vies.’

Een dergelijke scène zou niet hebben misstaan in het proza van Dé-lilah. Helaas heb ik zelfs in haar proza, dat 2000 bladzijden telt, geen voorbeeld kunnen vinden van hoe Javaanse vrouwen zich bewogen in burgerkringen in Nederland. En als je het al niet bij de volkomen onterecht vergeten Dé-lilah kunt vinden, dan vind je het waarschijnlijk verder nergens.

Bronnen:
Joop van den Berg: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza. Amsterdam: Uitgeverij De Buitenkant; Uitgelezen boeken, katern voor boekverkopers en boekenkopers, jrg. 6 nr. 2, juni 1996. Of, verkort, in Indische Letteren, 12e jaargang, nummer 2, juni 1997: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza.

Elisabeth Birnie. De Birnies. Twello, 1992 (eigen beheer)

J.J.P. de Jong. De waaier van het fortuin. Den Haag, SDU: 1998

Olf Praamstra. Gezond verstand en goede smaak, de kritieken van Conrad Busken Huet. Amstelveen: 1991. Bij het ter perse gaan van dit nummer beschikte ik nog niet over de jongste biografie van Olf Praamstra over Conrad Busken Huet en ik kon dus nog niet nagaan of hij de onderhavige brief van Anne Busken Huet misschien (in zijn geheel) heeft geciteerd, wat overigens het geval is. De brief van Anne Busken Huet ontving ik in 2001 per e-mail van Olf Praamstra, de biograaf van Conrad Busken Huet.

© Dit artikel verscheen eerder in De Gids van mei 2007

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog

Confucius ontmanteld

Confucius China is hot. En dus kan Confucius de boekenkist uit en in de etalage worden gezet. Maar China is niet meer als voorheen. Complete steden verdwijnen onder wolkenkrabbers en het colbert heeft het Chinese jasje verdrongen. Tijd natuurlijk voor een gloednieuwe biografie over Confucius. Is dat mogelijk met fors uitgedund bronnenmateriaal? Annping Chin mikt zonder blikken of blozen tien werken uit de Dertien Klassieken de waterput in voor ze zich van haar taak kwijt. Ze wenst zich vrijwel uitsluitend te baseren op de Gesprekken van Confucius en de Commentaren van Zuo. “Als dat betekende dat mijn verhaal grote leemten zou vertonen, had ik dat maar te accepteren,” schrijft ze ter verantwoording. Waarmee ze die acceptatie uiteraard ook van de lezer vraagt. Ze neemt de Gesprekken, een soort bloemlezing van verschillende auteurs, omdat Confucius dan niet kan worden vastgepind op “een rol als promotor van zijn leer”. De Commentaren van Zuo zijn ooit door de overheid samengesteld en kunnen dus dienen voor alles wat van politiek belang was tijdens het leven van Confucius. Het beroemde Boek der Veranderingen, de I Tjing, waarin de Commentaren aan Confucius en zijn leerlingen worden toegeschreven, krijgt niet eens een vermelding! Nou, dan moet je wel met iets wereldschokkends komen. Het wordt al snel duidelijk dat Annping Chin, geboren in Taiwan en wonend en docerend in Amerika, weinig op heeft met de allereerste geschiedschrijver van China, genaamd Sima Qian. Die man schreef immers meer dan honderd biografieën over allerlei figuren en gebruikte zijn fantasie zodra zich leemten vertoonden, zoals in het leven van Confucius. Annping Chin stelt daartegenover een gortdroog verslag van een Chinese wijze die aldoor moeite moet doen om een aanstelling te krijgen bij hertogen, vorsten, kanseliers, koningen en omhooggevallen kooplieden die een ambtelijke functie zijn gaan bekleden. Haar boek heeft als subtitel: Een leven tussen filosofie en politiek. De biografe zet haar held eerst hoofdstukken lang neer als een raadsheer voor allerlei politici en machthebbers die elkaar voortdurend bevechten. Wanneer Confucius in een mistige periode van zijn leven veertien jaar een zwervend bestaan leidt, tovert de schrijfster verscheidene geschiedschrijvers uit de hoge hoed, zolang ze maar geen Sima Qian heten. Alleen feiten die haar demythologisering van Confucius ondersteunen, glippen door haar wetenschappelijk filter. Die zijn zo oninteressant dat Confucius zelfs de liefhebber begint te vervelen. Waarom moet de filosoof zo nodig van zijn voetstuk? Wat was zijn werkelijke betekenis voor China? De schrijfster zwijgt, het gaat over háár relatie met Confucius, ze sluit de lezer buiten. Je bent blij wanneer ze aan het einde van haar boek Mencius aanhaalt, de grote navolger van Confucius. Mencius schreef namelijk erg goed. Dat moet Annping Chin nu ook maar eens gaan leren. Dit is immers al haar vijfde boekpublicatie.

Auteur: Annping Chin
Titel: Confucius. Een leven tussen filosofie en politiek.
Paperback, aantal pagina’s 287 (met noten)
Uitgever: Athenaeum – Polak & Van Gennep
Prijs: € 22,50

© 2008 Alfred Birney. Deze bespreking verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 17 januari 2009 onder de titel Biografie met grote leemtes.

Van oude gewoonten, de verwarring die niet voorbijgaat

alfred birneyDe Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA) heeft een auto gestuurd om mij van huis te halen en weer terug te brengen. Mijn chauffeuse ziet er goed uit, rijdt swingend en is een onderhoudend gesprekspartner. Ze oriënteert zich als antropologe op de gevolgen voor Nederlandse soldaten buitengaats die een kameraad verliezen. Maakt dat verlies ze terughoudender of juist wraakzuchtig? Interessante vraag. Ik maak haar attent op mijn roman De onschuld van een vis (1995), die de verregaande gevolgen beschrijft van de oorlog die Nederland in Indonesië voerde.

Ik bereid me niet meer voor op lezingen. Ik beklim het podium en zie wel. Mijn leerschool kreeg ik in Indonesië tijdens mijn promotournees, waartussen onverwachte gastcolleges en optredens werden gewurmd. Er is wel een groot verschil tussen de podia daar en hier. Aan de overkant heeft het publiek een helderder beeld van de koloniale geschiedenis dan hier. Dat is niet verwonderlijk, want het waren de Nederlanders die kwamen, zagen, overwonnen, verloren en weer gingen.

Jonge Indonesiërs zeggen graag dat ze niet weten waar Nederland ligt en dat het hun ook helemaal niet interesseert, maar ze kennen wél allemaal de speelfilms waarin de vrijheidsstrijd jegens de ‘belanda’s’ wordt opgerakeld, zoals Nederlanders die kennen met hun wrok jegens de ‘moffen’. Suffe Nederlandse toeristen krijgen soms te horen dat het leven in de koloniale tijd beter was en dat Indonesiërs zelfs zouden wensen dat ze weer terugkwamen. Het is bespottelijk dat er nu nog Nederlanders zijn die deze beleefdheidsuiting serieus nemen. Ik trof er zelfs eentje tijdens de workshop in Felix Merites, Amsterdam, waar de chauffeuse me had afgezet.

Ik moest er een discussie inluiden met voorlezen uit eigen werk. Ik was het podium nog niet af of ik kreeg in de gaten dat er drie partijen waren en ik mijn positie als Indo weer eens moest gaan verdedigen in een zaal waarin het wemelde van mensen die een of andere gesubsidieerde club vertegenwoordigen en dus meer belang dan belangstelling hebben.

Onder het motto dare2connect was een dag georganiseerd die in het teken stond van culturele uitwisselingen tussen Nederland en Indonesië. Nou is dat een hels karwei – je zou er een volle week voor moeten uittrekken -vooral als je zo volledig mogelijk wilt zijn. Literatuur, film, architectuur, godsdienst, de koloniale geschiedenis… bijna alles wat je kunt bedenken kwam in drie simultane workshops aan de orde.

Ikzelf was ingedeeld bij de workshop Nederlandse cultuurmakers met Indonesische roots. Uiteraard mag je dan een flink percentage Indo’s in de zaal verwachten. Hetgeen een Nederlander deed verzuchten waarom de Indo weer zo nodig centraal moest worden gesteld. Ja, dat krijg je als je een Indo de workshop laat openen met een verhaal over Indisch leven in Nederland. De klacht van de man amuseerde me wel, het is immers altijd zo dat Nederlanders en Indonesiërs centraal worden gesteld en de Indo er maar tussen bengelt.

Op een vraag van de gespreksleidster leek het me interessant te melden dat ik als schrijver vóór 9/11 geen scepsis ontmoette in Indonesië. Na die vervloekte datum werd ik argwanender tegemoet getreden, er was een mondiale godsdienstoorlog uitgebarsten en ik werd de kant van de christenen op geduwd.

Een Nederlander ervoer mijn relaas als een aanval op de Indonesiërs en meende voor hen in de bres te moeten springen. Kan het neokolonialer? Hij verklaarde dat de Indonesiërs na de aardbeving verleden jaar heel vriendelijk waren toen hij met een stel collega’s in Yogyakarta, waar ze op tournee waren, als vrijwilliger meehielp een provisorische brug te bouwen. Ik vond die anekdote zo onnozel dat ik hem dat liet voelen. Gelukkig deed hij het verdere uur zijn mond niet meer open. Dat kwam niet alleen door mij. Een Indonesisch kunstenaar verklaarde namelijk ijskoud dat Indonesiërs slechts geïnteresseerd zijn in landen waar ze kunnen studeren, werken of hun kunsten kunnen vertonen. Duitsland, België en Frankrijk stellen zich gastvrijer op dan Nederland.

Ondanks allerlei goedbedoelde pogingen een brug te slaan tussen Nederland en Indonesië, al is het maar cultureel, lijkt de afstand tussen beide landen alleen maar groter te worden. Dat ligt in de eerste plaats aan de beroerde kennis van de gemiddelde Nederlander van zijn koloniale geschiedenis en zijn visie erop. Als een halve eeuw na de dekolonisatie nog altijd de termen Indisch, Indo en Indonesisch door elkaar worden gehaald, weet men dan eigenlijk wel waarover het gaat? In het verslag van dare2connect word ik bijvoorbeeld een Indonesiër met gemengd bloed genoemd. Toegegeven, zo Indonesisch als op de foto van die dag heb ik er inderdaad nooit eerder uitgezien.

© 2007 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfstnummer 2007

Apocalyps volgens Cormac McCarthy

alfred birney Als iemand mij vraagt of ik die en die schrijver al eens heb gelezen, dan begin ik meestal te gapen. Veel verder dan bladzijde 10 kom ik toch niet. Herlezen doe ik wel, om nog eens te kijken hoe de meesters en meesteressen het deden. En anders een boek van de plank koloniale en postkoloniale literatuur pakken, als studieobject. Laatst zat een dame naast me aan een diner, die de naam van een schrijver in de mond nam die ze drie keer voor me moest spellen. Het was een Amerikaan, dat beviel me al niet. De dame kon me ook niet uitleggen wat er nou zo goed was aan die schrijver. Dat beviel me weer wel. Ze had eerder namen laten vallen die me bevielen, dus ik vroeg haar of ze me de naam van de schrijver wilde mailen. Ik vergeet namelijk snel namen. De mail kwam: Cormac McCarthy. Ik surfde naar een online bookstore en bestelde maar meteen zijn laatste roman. Ik verveelde me toch al zo achter die eeuwige computer, het werd weer eens tijd om een boek te lezen. Het boek heet De weg (2007) en is een, denkelijk wat rammelende, vertaling van The Road (2006). Maar je stapt een wereld binnen die jou niet meer loslaat, nooit meer. Een wereld die vrijwel is verwoest, waar de zon niet meer schijnt, het ellendig koud is en de dagen hooguit enkele uren duren. Een man van een jaar of veertig trekt met zijn ongeveer tienjarig zoontje langs verlaten wegen. Hun core bizz: eten zoeken. Soms komen er desolate figuren voorbij, of menseneters tegen wie de man zijn zoontje beschermt. Hij bewaart de laatste kogel in zijn pistool voor zijn zoontje, dat hij heeft uitgelegd hoe je voor je kop te schieten. De man heeft zijn verleden in een wereld zoals wij die kennen, zijn zoontje kent alleen de vergane wereld. Ik kan me geen hopelozer roman herinneren, en tegelijk geen boek zo vol van liefde tussen een vader een zoon. Ik kan me ook niet herinneren dat ik nog dagenlang wakker ben geworden met de herinnering aan een boek. Het boek herinnert ons, zoals iemand in The Guardian schrijft aan wat wij mensen te verliezen hebben. Dat is veel, heel veel, onnoemelijk veel. Als je wilt weten wát, lees dit boek dan. Elke schrijver die dit leest zal jaloers zijn op het idee. Hoed af voor de uitwerking ervan.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog

Raadsel uit de Maleise bellettrie

Maya Sutedja – Liem, collega publicist in Archipel Magazine, mailde me naar aanleiding van mijn tweedelig artikel Goena-goena volgens P.A. Daum en Victor Ido in genoemd tijdschrift. Ter sprake komt onder andere een verhouding tussen de zoon van een Indonesische huishoudster en een blanke Europese vrouw, een kwestie waarop in de koloniale tijd een zwaar taboe rustte en waarover veelal slechts angstvallig werd geschreven. Maya kent een boek uit het Maleis, waarin het taboe-onderwerp vrijmoedig bij de kladden wordt genomen.

Het verhaal is getiteld Njai Isah en geschreven door een zekere Ferdinand Wiggers, een Indo-Europeaan die gewoonlijk in het Maleis publiceerde. Het verhaal verscheen aanvankelijk als feuilleton in een Maleise krant in 1903 en daarna in enkele boekdelen. Het gaat over een Nederlands meisje dat een verhouding krijgt met de zoon van hun Indonesische bediende en zwanger raakt. Om haar reputatie niet te schaden moeten man en kind worden weggemoffeld. Het meisje zelf ziet zich gedwongen een Nederlandse man te vinden om mee te trouwen, wat gepaard gaat met goena-goena en meer van die typische motieven uit de koloniale bellettrie.

Maya heeft slechts twee delen in een Leidse bibliotheek kunnen opsporen. Omdat het motief nogal spectaculair was voor die tijd vraagt zij zich af of het boek misschien geen vertaling is van een Nederlands verhaal. Ikzelf neem aan van niet, omdat de fatsoensrakkers eerder in Nederland dan in het voormalige Nederlands-Indië gezocht moesten worden. Het colofon in het boek geeft geen uitsluitsel, wat indertijd niet ongebruikelijk was. Als uitgever wordt genoemd de NV tot exploitatie van Mal. week- en andere bladen in Nederlandsch-Indië. Meer is niet bekend.

Over de schrijver heeft Maya het volgende kunnen achterhalen. Ferdinand Wiggers (1862-1912) was een zoon van de Nederlandse (?) Frederik Ernst Wiggers en de Indonesische Pela (of Helena?). Ferdinand Wiggers huwde eveneens een Indonesische vrouw, genaamd Tjanting (later genoemd Enerstina Hermina?). Van de vijf kinderen die uit dit huwelijk voortkwamen, bleven twee zonen in leven: Norbertus Petrus (1886 – ?) en Ernst Ferdinand (1890-?). Ferdinand Wiggers was redacteur bij verschillende Maleise dagbladen, waarin hij veel publiceerde, wat soms tot een boekuitgave leidde. Daarnaast vertaalde hij ook veel Europese romans naar het Maleis, waaronder Van slaaf tot vorst van Melati van Java.

Maya is bezig stukken uit Njai Isah te vertalen. Ze beoogt de uitgave van haar vertalingen van korte Maleise verhalen in het komende jaar en zit nu met de brandende kwestie: in welke brontaal is het verhaal geschreven: het Maleis of het Nederlands? Stuur even een mail als u Maya Sutedja – Liem kunt helpen.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog

Het buigsyndroom

Rudy Kousbroek merkte eens op dat veel frustraties van Europeanen ten opzichte van de Japanners terug te voeren waren, of zouden kunnen zijn, op een diepgeworteld racisme. Ik weet niet meer waar ik dat las, hoogstwaarschijnlijk in Het Oostindisch kampsyndroom (Amsterdam, Meulenhoff: 1992). Irritant tot zeer hinderlijk in de verhalen van Europeanen, en van Indo’s, was het aldoor weer moeten aanhoren hoe men telkens moest buigen wanneer er een ‘Jap’ voorbij kwam. Er is zelfs een Indische vereniging die er haar logo mee versiert.

‘Jap’ was in ‘Indië’ zoiets hier in ‘Holland’ ‘Mof’ was. De term ‘Jap’ heeft het tot de dag van vandaag uitgehouden, langer nog dan ‘Mof’. Zou dat nou komen doordat men hier niet voor de ‘Mof’ hoefde te buigen, maar hooguit had te salueren?

Anyway, vandaag is het 15 augustus: de dag waarop ‘Indisch Nederland’ de capitulatie van Japan herdenkt. Dat geschiedt jaarlijks bij het Indisch Monument bij de waterpartij in Den Haag. Ik ben er nooit bij geweest, ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorst en Vaderland. En zij houden niet van mij, want ik wordt door die ouwe lui voor zoiets als een ‘linkse Indo’ gehouden.

Er is altijd veel gedoe geweest over de precieze onafhankelijkheidsdatum van Indonesia. De Indonesiërs houden het op 17 augustus, dat doen ze al 60 jaar. Nu dan heeft onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ de datum van 17 augustus 1945 geaccepteerd als de dag van de onafhankelijkheid. Gelul natuurlijk, want we hebben het hier over een onafhankelijkheidsverklaring. De grootste ellende moest toen nog gaan beginnen. Zoals: de oorlog van Nederland tegen Indonesia onder de noemer van ‘Politionele Acties’. Over de verschrikkelijke Bersiap zal ik het maar niet hebben, want dat zegt de gemiddelde Hollander toch geen moer. Die komen toch weinig verder dan hun Hongerwinter van 1944, waarin ze suikerbieten moesten vreten, als ze die al krijgen konden.

De onafhankelijkheidsdatum van Indonesia viel totnogtoe in Nederlandse ogen gelijk aan de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. Valt wat voor te zeggen natuurlijk. Ik bedoel een handtekening is een handtekening. Maar principieel hadden de Indonesiërs, althans in mijn ogen, gelijk. Zij waren gekoloniseerd geweest, hadden zich vrijgevochten, dus het was aan hen te bepalen welke dag zij als de dag van hun onafhankelijkheid beschouwden.

Dat hele gedoe, die discussie, heeft dus 60 jaar geduurd. Nu zo’n beetje alle Indische Nederlanders onder de groene zoden liggen, is het hier te lande allemaal wat eenvoudiger om als zijnde minister van BZ het laken alsnog recht te trekken. Maar… doe het dan goed.

Dat de minister himself in ‘Indië’ is geboren, doet er niet toe. Dat geeft hem niet méér recht een besluit als deze uit te voeren dan, zeg, een minister uit het Gooi. Hoe het met zijn kennis van de geschiedenis is gesteld zou ik niet weten, want de Haagsche Courant, waar ik momenteel mijn laatste weken als columnist doormaak, of moet doorstaan, vergeet soms ook maar om quotes af te sluiten. De HC, met de zeis van het AD voor het aangezicht, meldt op haar sterfbed:

De strijd in Nederlands-Indië tussen 1945 en 1949 heeft volgens schattingen aan 150.000 Indiërs en 6000 Nederlanders het leven gekost.

Wat zijn Indiërs? Weet u het? Die versleten term van een eeuw terug is door die sufkous van onze huidige Volksgeschiedschrijver Geert Mak van stal gehaald voor dat vod van zijn boek hem, getiteld De eeuw van mijn vader (Amsterdam, Atlas: 1999). Je moet er toch niet aan denken dat we het daar nog een eeuw mee moeten doen, wah? Enfin, onder Indiërs wordt verstaan Indo’s, als ik het allemaal wel heb, en onder Nederlanders wordt verstaan alles wat Nederlands onderdaan was, dus ook Indo’s.

Over de Romusha’s, Indonesische dwangarbeiders voor de Japanse bezetter, wordt al helemaal met geen woord gerept. Schattingen lopen uiteen van 200.000 tot liefst 2.000.000 slachtoffers onder deze arme jongens. En dan tellen we de gedode Indonesische vrijheidsstrijders nog maar even niet mee, want dat is hun pakkie an.

Het zal nooit wat worden met de geschiedschrijving van Nederland overzee. Nooit ofte nimmer. ‘Het wachten is nu op de Japanners’ (ook al kampioenen in het achterhouden van de feiten in hun schoolboeken). Deze hoop wordt althans gekoesterd door De Stichting Herdenking 15 augustus 1945, die vermoedt dat de tijd voor de Japanners nu ook wel begint te rijpen om met nieuwe spijtbetuigingen te komen inzake hun rol tijdens WO-II in de Archipel.

Niettemin blijft men een stok nodig hebben om een hond mee te kunnen slaan. De nieuwe honden in deze onzalige geschiedenis zijn de Koreanen. ‘Want die waren nog veel en veel erger dan de Japanners’, zo luidt het grote cliché van de laatste jaren. Dus ja, de Haagsche Courant gaat braaf daarin mee door op de voorpagina een spotprent af te drukken van een Koreaanse kampbewaker voor wie een blanke moeder met haar kind moet buigen. Raak je je oude vijand kwijt, dan vind je in no time wel weer een nieuwe.

Zie de mens.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Blog

Zatoichi

Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.

Het verhaal van Zatoichi is eenvoudig. Een stadje in het oude feodale Japan wordt geterroriseerd door elkaar beconcurrerende bendes. Zatoichi, een blinde zwervende masseur, strijkt er een poosje neer en neemt het op voor de onderdrukte dorpelingen. Hij is grijs, loopt krom, wordt niet gehinderd door zoiets als een gezichtsvermogen en hoort en voelt alles. De snelheid waarmee hij zijn verborgen zwaard uit zijn wandelstok trekt dankt hij aan een zeer onorthodoxe techniek.

Een tweede outsider hangt rond in het stadje: een samoerai op zoek naar werk om zijn zieke vrouw te kunnen verzorgen, wat hem sympathiek maakt. Helaas wil het lot dat deze samoerai bij de tegenpartij terechtkomt waar Zatoichi voor strijdt. De ziende samoerai is ongemeen bedreven in het zwaardvechten en trekt zijn zwaard zoals het hoort: met de handpalm over het heft heen, de duim omlaag. De blinde masseur daarentegen trekt zijn zwaard andersom uit zijn wandelstok: de handpalm onderlangs, de duim omhoog. Halverwege de film komen zij al tegenover elkaar te staan. Beiden trekken hun zwaard, maar ze staan te dichtbij elkaar om uit te halen. Het verschil in techniek is duidelijk zichtbaar, maar het is moeilijk uit te maken wie later – want dat voel je aankomen – de snelste zal zijn.

Wanneer de clans door zowel de ziende samoerai als de blinde masseur zijn uitgeschakeld en de dorpelingen zich opmaken voor hun bevrijdingsfeest, moet nog een van de hoofdrolspelers wijken. Ze hebben over elkaars snelheid gehoord en koesteren ontzag voor elkaar. Op een verlaten plek lopen ze op elkaar toe. De ziende samoerai trekt zijn korte zwaard en werpt die naar de blinde masseur, die het wapen met een buitengewone reflex afweert. Hier heeft de ziende samoerai het pleit eigenlijk al verloren. Maar hij is dapper, als een samoerai betaamt, en maakt zich gereed.

De ziende samoerai monstert de blinde masseur, grinnikt en brengt zijn hand net als zijn opponent omgekeerd naar het heft van zijn zwaard. De blinde masseur voelt het en haalt een truc uit, waarin een wijze les verborgen ligt. Hij brengt nu juist zijn hand op de klassieke manier naar het heft. Dat brengt de ziende samoerai van slag. Gaat die blinde masseur nu toch op de klassieke wijze zijn zwaard trekken? Nee, het is een afleidingsmanoeuvre. En in de laatste seconde van zijn leven leert de ziende samoerai nog net dat je altijd trouw moet blijven aan je eigen kunstenaarschap.

Haagsche Courant, vrijdag 11 maart 2005