Tricky fingerpickingmotief van Donovan

Donovan – Summer Day Reflection Song

Hier is Donovan’s Summer Day Reflection Song, een mooie oefening in fingerpicking. De twee maten worden alsmaar herhaald. De 2e maat is tricky. Het G akkoord wordt gebroken gespeeld met een hammer on op de e- en a-bas. Het patroon wijkt er af van de basis folk picking pattern uit mijn lesboeken, een patroon dat je eigenlijk moet kennen voor je hieraan begint. Maar misschien lukt het je zonder die boeken ook wel om met deze backing track mee te spelen. Langzaam beginnen en rustig aan het tempo opvoeren terwijl je strak in de maat blijft.

Capo on 3nd fret

Verse, chorus

    Am9            G
E |---------------|-------------------|
B |----0--------0-|-------------------|
G |----------2----|--------0--------0-|
D |----2--------2-|-----0---------0---|
A |-0------0------|-----------0^2-----|
E |---------------|-0^3---------------|

    T  T/M T I T/M  T   T  I T    T I

Het Indische meisje in de Nederlandstalige populaire muziek

In de jaren vijftig en zestig was het Engels nog niet zo dominant als nu in de populaire muziek. Het was heel gewoon dat artiesten hun liedjes in verschillende talen zongen. Ook werden er veel liedjes vertaald. Muziekuitgevers floreerden met het uitgeven van bundels voor orkestjes die in de weekends in allerlei gelegenheden speelden. Kopieerapparaten waren onbekend, muziek werd levend gebracht en de jukebox was voor ranzige cafés, waar het nette publiek niet kwam.

Jaren geleden gaf een muziekleraar de brui aan zijn beroep en liet me zijn enorme verzameling bladmuziek na. Het was zo’n ouderwetse muziekleraar, die les gaf in verschillende instrumenten: gitaar, piano, accordeon, viool, saxofoon etc.

De stapels bladmuziek waren vergeeld, het doorspelen van de partituren zou me jaren kosten en me al net zo lang de ene na de andere aha-ervaring geven. Want als kind zat ik veel bij de radio – ik schreef er Het verloren lied over – nauwelijks in staat al die teksten te verstaan, terwijl de melodieën zich diep in mijn herinnering nestelden.

Het liedje van de Zangeres Zonder Naam in de vorige post – Hij was maar een neger – was een origineel Hollands product dat ik, tot voor kort, nog nooit had gehoord. Ik herinnerde me vaag een dergelijk nummer over een Indisch meisje en vond het terug in de stapel antieke bladmuziek van de oude muziekleraar. Het nummer heet Klein Indisch meisje en staat in een bundel met het volgende opschrift:

MOLEN MUZIEK HOLLAND
PRESENTEERT:

De Grote Successen

1 Kus-kus-polka
2 Als vreemde klokken luiden
3 Waar ga je heen, clochard?
4 Klein Indisch meisje
5 Tabé ouwe reus
6 Moeders mooiste (ben je niet)
7 Ze hebben van de week (m’n hoed gegapt)
8 Paramaribo-wals
9 Geef mij een liedje en een lach
10 Evelien-Josefien-Carolien
11 Geef mij een knipoog (vertaling)
12 Een liedje uit Cuba (vertaling)
13 Laat het geld maar rollen

Nou, kostelijke titels uit een wat minder haastige tijd, waaruit toch vooral een openheid spreekt voor andere culturen en verschoppelingen of pechvogels. Muziek uit Amerika was wel sterk in opkomst, maar de molenmuziek hield nog stand.

Indertijd woonden er nog altijd Indische Nederlanders in het onafhankelijk geworden Indonesië. Maar op 5 december 1957, ook wel bekend als Zwarte Sinterklaas, verklaarde de Indonesische regering alle Nederlanders staatsgevaarlijk. Er zat al een grote groep Indische Nederlanders in Holland en de overheid was er niet onverdeeld blij mee. Uiteraard waren er mensen die zich het lot van die groep aantrokken. Dat moest natuurlijk worden bezongen.

Aan het begin van de partituur staat: Krontjong tango. Nou weet ik wel het een en ander van muziek, maar van een krontjong tango heb ik nog nooit gehoord. Ik moet er dan ook wel erg om lachen. Het lied is een origineel Hollands product – hoe kan het ook anders wanneer het om een Indisch meisje gaat – en is geschreven door het inmiddels vergeten duo Aat Daale (tekst) en Pierre Biersma (muziek).

klein indisch meisje

Als we de muziek even laten voor wat het was en de tekst doorlezen, dan zien we behoorlijke verschillen met de tekst van Hij was maar een neger.

Klein Indisch meisje

Er kwam weer een schip uit de tropen vandaan,
Een meisje dat staart voor zich heen.
Ik zie in haar donkere ogen een traan,
Zij voelt zich hier vreemd en alleen.

Klein Indisch meisje, ik zie je daar staan,
Hunk’rend naar liefde en troost.
’t Is je zo vreemd dat je weg bent gegaan,
Ginds uit dat land in de oost.
Daar was het warm en scheen altijd de zon,
Daar stond je ouderlijk huis.
Klein Indisch meisje, toe wees niet bedroefd,
Ook hier is voor jou weer een thuis!

Het lot bracht je hier in dit drassige land,
Met sneeuw en met regen en kou.
Maar hier is het veilig en vind je de band
Die ’t vaderland ook heeft met jou!

Klein Indisch meisje… (etc)

© World-Copyright 1958 by “MOLEN-MUZIEK-HOLLAND” Amsterdam
Voor België, Koloniën en Luxemburg “METROPOLIS” Antwerpen

*Let even op de “Koloniën” in de copyrights notice. Dit is, om zo te zeggen, ‘historisch materiaal’.

Het liedje verscheen zeven jaar voor Hij was maar een neger. Je zou makkelijk kunnen denken dat in die zeven jaar Holland racistischer is geworden. Dat lijkt me niet, al is het wel zo dat binnen het kader van racisme en seksisme voortdurend accentverschuivingen plaatsvinden. Het maakte nogal verschil of je een ‘Indisch meisje’ was of een ‘neger’. Over beiden werden wilde verhalen rond gefluisterd. Indische meisjes zouden gewilliger en lekkerder zijn dan Hollandse meisjes. En negers zouden topsporters zijn bij het liefdesspel. Het is niet moeilijk te raden wie de aantrekkelijkste was en voor wie werd gevreesd.

Racisme en de Zangeres Zonder Naam

Het internet heeft geen plaats voor ironie. Ik weet niet waar dat aan ligt. Er zou geen verschil moeten zijn tussen een tekst op papier en een tekst in een blog die je op je beeldscherm leest. Maar dat verschil diende zich al snel aan toen het e-mailen rond de eeuwwisseling een enorme vlucht nam. Je moest leren schrijven met emoticons, wilde je goed begrepen worden. De smiley is het bekendste voorbeeld. Vergeet je die achter een ironische zin te plaatsen, dan kan je in de problemen komen en soms woedende reacties oproepen. Overigens is ironie in boeken of aan de kletstafel al veel langer een struikelblok voor minder fijnzinnige geesten.

Onlangs hing ik rond op Facebook. Uit balorigheid begon ik oude Hollandse liedjes te posten. Zuiderzeeballade van Sylvain Poons. Cimeroni van Anneke Grönloh. Kleine schooier van De Trekvogels. Twee reebruine ogen van De Selvera’s. Melige liedjes van Rijk de Gooyer. Surfend op YouTube stuitte ik op een oud liedje van de Zangeres Zonder Naam. De titel:

Hij was maar een neger

Het bleek dat weinig mensen mijn balorigheid in de gaten hadden. Dat was zo erg niet. Maar toen ik met dit nummer kwam, was de boot aan. Terwijl ik in een deuk lag van het lachen om de tijdgeest van de jaren zestig, raakten enkele mensen echt in verwarring. De tekst van het lied luidt:

’t Liep tegen Kerstmis, hij zocht in de stad
Of iemand voor hem soms een kamer nog had
Maar waar hij ook kwam, even keek men hem aan
Dan schudde men ‘nee’, en dan kon-ie weer gaan

Hij was maar ’n neger, zo’n zwarte
Zoiets haal je niet in je huis
Omdat je ’t noodlot dan tartte
Want die zwarten zijn immers niet pluis

Hij zag door de ramen de kerstbomen staan
Met glinst’rende bellen en lichtjes eraan
Hij hoorde gezang, ozo vroom en devoot
Terwijl men voor hem alle deuren goed sloot

Hij was maar ’n neger, zo’n zwarte (etc)

In ’t kerkje dat noodde, daar knielde hij neer
Bij ’t ruw-houten kribje, van ons Lieve Heer
Toen vroeg-ie zich af of dat kindje zo klein
Alleen maar voor blanken geboren zou zijn

Hij was maar ’n neger, zo’n zwarte (etc)

Gesneden koek voor mij. Immers in de jaren zestig werd ons geleerd om medelijden met ‘negers’ te hebben. Vooral die in Amerika hadden het zwaar. Tijdschriften als De Panorama stonden bol van fotoreportages van ‘negers’ die in getto’s door politieagenten overhoop werden geschoten. Martin Luther King was een man voor wie je ontzag moest hebben.

Intussen liepen er in Nederland nauwelijks ‘negers’ op straat. Je zag voornamelijk Hollanders, wat Indo’s, een paar Ambonezen, Italianen en dat was het dan wel zo’n beetje. De ‘neger’ dook pas op na de onafhankelijkheid van Suriname, toen de helft van Paramaribo het vliegtuig nam naar Holland. Dat was tien jaar na verschijning van het lied Hij was maar een neger, geschreven door Johnny Hoes in 1965.

Het lied had een provocerende boodschap, want het werd gebracht rond de kerst. De tekst is een variant op Jozef en Maria, die rond de kerst ook nergens welkom waren. Zo beschrijft de tekstdichter in het derde couplet het lot van de neger die van deelneming aan het kerstfeest wordt uitgesloten.

Als jochie van 14 begreep ik die tekst onmiddellijk, en ik zou tien jaar later zelfs persoonlijk in dergelijke situaties verzeild raken bij het zoeken naar kamers. Maar nu, in een tijd waarin racisme niet meer wordt verhuld door schijnheiligheid, is dit liedje voer voor veel onbegrip.

Iemand op Facebook schreef: “Toen ik dit lied voor ’t eerst hoorde kon ik het ook niet plaatsen…heel raar lied…” Een ander schreef: “Volgens mij komt dit uit de hoed van Robbie Muntz.” Weer een ander: “Ik denk dat het rare van dit lied is, dat het niet overkomt als ‘aanklacht’, je weet dat ze wil aantonen hoe jan-en-alleman denkt, maar je wordt toch in vertwijfeling gebracht…”

Inderdaad. Die Robbie Muntz nam het nummer in 1998 opnieuw op; het werd op een cd gratis verspreid bij de VPRO-Gids. Het plaatje werd door vrijwel alle radiostations geboycot, kennelijk Muntz’ bedoeling. Zijn kompaan Paul Jan de Wint lichtte toe in Muziekmagazine FRET, maart/april 2010: “Het nummer werd in de jaren zestig niet verkeerd begrepen, maar in de jaren negentig dus wel. Uiteindelijk had het goede bedoelingen en konden we heel goed aantonen hoe verward de tijd was waarin we dit nummer opnieuw uitbrachten.”

Als je wilt weten hoeveel verwarring er nu nog rond dat liedje bestaat, moet je het internet maar eens afzoeken. De ene blogger brengt het als een schandaal, de andere blogger legt de boel fijntjes uit, de schreeuwende racisten laat ik maar even voor wie ze zijn.

De Zangeres Zonder Naam nam het in haar levensliederen altijd op voor de underdog, ik dacht toch dat dat bekend was onder het volk: reden waarom ze aan het eind van haar carrière zo populair was in gay-kringen.

Racisme leefde een halve eeuw terug niet minder dan nu. In het huidige tijdsgewricht is het, vooral door de digitale revolutie, alleen maar duidelijk aan de oppervlakte gekomen. Racisme was in de jaren zestig iets wat Nederland niet direct raakte. Met een sociale woningbeleid van één Indische familie in elke straat en ‘negers’ die ver weg in Amerika of in Suriname zaten, kon racisme hier in Nederland eenvoudig worden ontkend. Nu is het een probleem waar de gemiddelde Hollander direct mee te maken heeft en moeilijk raad mee weet. Zelfs de Zangeres Zonder Naam, met haar eenvoudige teksten, wordt opeens door sommigen als dubieus beschouwt. Je zou bijna gaan denken dat ze bang zijn voor hun eigen onderbuikgevoelens.

Racisme is een ervaring. Ik zeg niet dat je het dan zult begrijpen. Racisme is een levenslang thema voor me, maar ik snap er nog altijd helemaal niets van.

Metamorfoza

Mijn uitgever stuurde me een webadres uit talloos veel miljarden, waarop een would-be-schrijver uit talloos veel miljoenen probeert een boek van mij te recenseren. De tijd waarin de smaak van het leesvee werd bepaald door een handjevol recensenten in landelijke dagbladen, veelal gemankeerde schrijvers, is voorbij. Het is geen tijd om naar terug te verlangen, maar zeker niet om te verafschuwen. Er zit geen filter meer tussen schrijver en leesvee, hooguit een robot vermomd als zoekmachine, die bepaalt welke teksten als eerste worden getoond in de resultaten na een zoekopdracht. Kwaliteit was ooit een fenomeen waarover heftig werd gestreden. Thans heeft het woord zijn betekenis verloren, als het al de aandacht krijgt van de kudde die zich te loeien begeeft op de hobbelige velden van Facebook, WordPress.nl en wat al niet meer. Nederland heeft naar schatting 2000 serieuze lezers en ongeveer een miljoen would-be-schrijvers. Een serieuze lezer is iemand die het vermogen bezit zelfstandig een boek te beoordelen zonder oor voor dom geblaat van buitenaf. Een would-be-schrijver is een plaag, een insect dat zou moeten worden doodgetrapt. Nou klinkt dit wel heel erg oneerbiedig ten opzichte van de talloos vele prutsers op het internet en daarom zouden ze het misschien beter verdienen om edel te sterven. Maar ja, hoe herkent een insect zichzelf in de weerspiegeling van zijn laptop? En waar hangen de samoerai uit met hun scherpgeslepen zwaarden? Er zijn mensen die denken dat het hiernamaals onze driedimensionale wereld doorkruist. Dat tijden en parallelle werelden door elkaar heen lopen. Thans is het januari 1621. Jan Pieterszoon Coen gaat met een aanzienlijke vloot bij Lonthor voor anker, het grootste van de Banda-eilanden. Veertig compagnieën peddelen in sloepen naar het strand, versterkt met in Japan geronselde samoerai. Hier gaat een van de ergste moordpartijen uit de geschiedenis van de VOC plaatsvinden. Duizenden mannen, vrouwen en kinderen vinden de dood. Honderden Bandanezen worden in scheepsruimen gestouwd om op de slavenmarkt te worden verkocht. De samoerai ontfermen zich over ruim veertig dorpsoudsten; hun hoofden worden op bamboespiesen gestoken. Mensen vluchten de bergen in, lijden honger en stierven door ziekte. Aan het einde van de operatie zijn van de oorspronkelijke bevolking van 15.000 inwoners nog slechts enkele honderden Bandanezen in leven… Dit heet bij ons “een stukje” koloniale geschiedenis, dames en heren.

Boekenlijst voor schrijvers in spé

Iemand vroeg me een lijst te maken van voorbeeldige boeken voor een schrijver in spé. Hier is een voorlopige.

Sei Shōnagon – Het hoofdkussenboek (Amsterdam, 1986)
Een van de oudste romans uit de wereldliteratuur (Japan, omstreeks het jaar 1000). Prachtige voorbeelden voor hoe je snapshots neerzet, korte verhalen, anekdotes en columns schrijft en hoe je nowadays zou kunnen bloggen.

Yasunari Kawabata – De danseres van Izu (Amsterdam, 1982)
Eerste, uiterst korte novelle van deze Nobelprijswinnaar. Zeer minimalistisch proza, uit het Japans (1926). Mooi voorbeeld voor een langer verhaal. Let op wat hij weglaat en toch laat zien.

Marguerite Duras – Zomeravond, halfelf (Rijswijk, 1993)
Franse novelle uit 1960 ongeveer. Als je een spannend verhaal wilt schrijven, neem dan drie personen, geen twee. In deze novelle een driehoeksverhouding. Tekst in o.t.t. Erg moeilijk is dat: het lukt of het lukt niet. In de huidige Nederlandse literatuur wordt het al gauw amechtig proza. Let op het minimalistisch taalgebruik.

Samuel Beckett – Verhalen en teksten zomaar (Amsterdam, 1976)
Voorbeeldig proza voor het oefenen van belevend perspectief. Teksten uit 1958 van deze Ierse Nobelprijswinnaar, maar geschreven in het Frans. Hogeschoolschrijverij, zeer goed om ook eens zo te oefenen.

Armando – De straat en het struikgewas (Amsterdam, 1988)
Hoe je een roman schrijft in fragmenten. Absolute aanrader!

Patrick Modiano – Verdaagd verdriet (Amsterdam, 1990)
Vage, ijle sfeer oproepen met eenvoudig taalgebruik. Hoe te schrijven zonder plot.

Simon Vestdijk – Het Veer (Amsterdam, 1972)
Hoe je een novelle schrijft vanuit Google Earth perspectief… Verschrikkelijk knap geschreven, echt subliem. Wereldniveau. Ik weet niet van je hier van kan leren. Het zou kunnen dienen als voorbeeld: zo goed wil ik ook ooit kunnen schrijven!

Franz Kafka – De gedaanteverwisseling (Amsterdam, 1977. Uit: Verzameld Werk)
Hoe je met een ongeloofwaardige gebeurtenis toch een overtuigend verhaal kunt schrijven.

F. van den Bosch – Het regenhuis en andere verhalen (Amsterdam, 1978)
Literair hoog boven anderen uittorenen, zo kun je óók Indische verhalen schrijven. Het hoeft niet allemaal babbelproza te zijn. Het titelverhaal is een fraai voorbeeld van hoe je een langer verhaal kunt schrijven. Let op de slotzin. Die lijkt een beginzin.

Gabriel García Márquez – Honderd jaar eenzaamheid (Amsterdam, 1972)
De kunst van het vertellen… Dit is de roman die elke schrijver wel had willen schrijven. Techniek is moeilijk te doorgronden. Veel levens- en schrijfervaring gewenst. Plus wijsheid en kennis van de geschiedenis.

Schrijven aan een boek

Schrijven aan een boek kan merkwaardig associatief gedrag veroorzaken. Zo luister ik deze dagen aldoor naar deze aria van Händel, het Ombra mai fù uit de opera Serse (Xerxes) (1738), hier vertolkt door de Japanse countertenor Yoshikazu Mera. Tegelijk leg ik de laatste hand aan het derde en laatste deel van mijn novellenreeks. Het eerste, Rivier de Lossie (2009), speelt in Schotland. Het tweede, Rivier de IJssel (2010), speelt in Nederland en het deel-in-wording, Rivier de Brantas, speelt op Java.

Dit derde deel is een quasi roadshow, met terugblikken op onder andere de oorlog die Nederland in Indonesië voerde nadat het land zelf was bevrijd van de Duitsers. Een oorlog die eufemistisch de Politionele Acties worden genoemd, door Ad van Liempt gebombardeerd tot Een mooi woord voor oorlog. Ik ga daar niet diep op in, ook niet op de Japanse bezetting die enkele jaren eerder plaatsvond. Wél op de liefde die een familielid van me opvatte voor een Japanse officier. Zeg maar een verhaal zoals Il portiere di notte (1973) van Liliana Cavani (The Nightporter), maar dan zonder een weerzien. Ik beschreef het al eens in het verhaal Zonder gezicht, gepubliceerd in de anthologie Vertrouwd en Vreemd (2000), maar bewerk het nu in een andere context.

Er is veel geschreven over zogeheten “troostmeisjes” maar weinig tot niets over meisjes die eenvoudig een liefdesaffaire hadden met Japanse officieren. Mijn vader haatte Japanners en alles wat met Japans te maken had. Veel Indische mensen en Indo’s haatten Japanners. Ik ben opgegroeid in een milieu waarin de haat jegens Japanners nog sterker was dan de huidige weerzin van Hollanders jegens Marokkanen op alle denkbare niveaus, tot aan de landelijke politiek toe.

De haat die mijn vader koesterde tegen de Japanners heb ik niet overgenomen. Mijn broer evenmin. Hij nam ooit luitlessen bij een Japanse leraar, in een tijd waarin de vader van een vriend van me met een hakbijl een piano van Japans fabrikaat te lijf ging, die zijn dochter in alle onschuld had aangeschaft.

Japanners kunnen gek zijn op Europese kunst en cultuur. En andersom, Europeanen kunnen dol zijn op Japanse kunst en cultuur. Literatuur, gevechtskunst, muziek, schilderkunst, beeldende kunst, architectuur… Kunstenaars staan veelal boven het ordinaire geweld van alledag of proberen gedachtes aan oorlog te bezweren door zich in de kunstuitingen van de (voormalige) tegenpartij in te leven. Yoshikazu Mera is zo iemand. Zijn stem klinkt hemels. Cross-over artiesten geven me altijd hoop op een fatsoenlijker wereld. Altijd.

Javaans Vuurwerk in Reisgids Indonesië Oorlogsplekken 1942-1949

reisgids indonesiëIk schreef een roadshowverhaal onder de titel Javaans Vuurwerk voor De Reisgids Indonesië – Oorlogsplekken 1942-1949. Het boek, met belangrijke historische informatie, maakt de reiziger letterlijk en figuurlijk wegwijs in de oorlogsjaren van 1942 tot 1949, van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tot aan de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië. Een zoektocht naar de sporen van dit verleden: interneringskampen, begraafplaatsen, musea, monumenten en andere plekken van herinnering. Een gids met historische achtergronden én actuele beschrijvingen en leestips. Een gids die ooggetuigen,
en zeker ook kinderen en kleinkinderen inzicht geeft in de jaren van toen binnen de context van het postkoloniale heden.

De Reisgids Indonesië – Oorlogsplekken 1942-1949 is een praktische gids bovendien, die de reiziger ter plekke de weg wijst met informatie over bijvoorbeeld hoe de, soms moeilijk traceerbare, locaties te vinden, over logies en eten en drinken. Fraaie (detail)kaarten helpen daarbij.

Een uitbreiding van de gids is te vinden op de website: www.reisgidsindonesië.com. Via de website wordt de informatie van de gids actueel gehouden en worden objecten ontsloten waarvoor in de gids geen plaats was of waarover de informatie gebrekkig. Bezoekers aan de site kunnen nieuwe of gewijzigde informatie aandragen.

Redactie: M.C.A. van Bijnen, Noes Lautier, S.J. van Schuppen

Auteurs: Hans van den Akker, Alfred Birney, Ferry Bounin & Paulien van der Geest, Esther Captain en Wim Manuhutu.

Uitgeverij Open Kaart: 2010
ISBN: 978-90-75437-41-6
300 blz. €29,95.

De gids is te bestellen bij o.a. Bol.com en in de reguliere boekhandel.

Deze uitgave en de daarbij behorende website zijn tot stand gekomen in het kader van het programma Erfgoed van de Oorlog van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Doelwit Den Haag

doelwit den haagDoelwit Den Haag
Feuilleton
Tomas Ross, Anja Sicking, Jill Stolk, Marcel Verreck, Roel Janssen, Alfred Birney, Hans Sahar, Sjaak Bral, Menno Lindeman, Christiaan Weijts, Mohana van den Kroonenberg, Victor Meijer, Kees ’t Hart en Marly van Otterloo.
De Witte Uitgeverij, Leiden 2010
paperback 78 blz
ISBN: 978-94-6107-022-7
Prijs € 12,50
Uitverkocht.

Een aantal Haagse auteurs heeft van juni – september een feuilleton geschreven in Weekkrant Den Haag Centraal. Het resultaat is gebundeld onder de titel Doelwit Den Haag en gaat over een aanslagpoging tijdens de tweede Afghanistanconferentie in Den Haag. Het verhaal speelt zich af op tal van plekken in de Hofstad. De bijdrage van Alfred Birney is helaas zonder zijn toestemming van de voltooid verleden tijd omgezet in de door hem gehate onvoltooid tegenwoordige tijd.

aflevering 1 Tomas Ross
aflevering 2 Anja Sicking
aflevering 3 Jill Stolk
aflevering 4 Marcel Verreck
aflevering 5 Roel Janssen
aflevering 6 Alfred Birney
aflevering 7 Hans Sahar
aflevering 8 Sjaak Bral
aflevering 9 Menno Lindeman
aflevering 10 Christiaan Weijts
aflevering 11 Mohana van den Kroonenberg
aflevering 12 Victor Meijer
aflevering 13 Kees ’t Hart
aflevering 14 Marly van Otterloo
aflevering 15 Tomas Ross

Verhaal Alfred Birney in Matchboox

De populaire serie Matchboox heeft een verhaal van Alfred Birney in haar collectie. Een leuke gadget als verjaardagscadeautje, ludiek relatiegeschenk, etc. Een Matchboox is een klein, handgemaakt boekje in een lucifersdoosje. Zowel lezers als verzamelaars zijn er dol op en de items worden veelvuldig betwitterd. Ze zien er prachtig uit en kosten slechts € 4,95. Levertijd: enkele dagen.
Uitverkocht

Bij Matchboox vinden matches plaats van schrijvers en illustrators / beeldend kunstenaars. Alfred Birney vond zijn match in Joyce Bloem, die tien jaar geleden al mooie stukken schreef en illustreerde voor zijn geruchtmakend E-zine Yournael van Cyberney & Co.

Alfred Birney schreef het verhaal “De taart en de kat”. Joyce Bloem verwerkte de tekst knap in kleurige illustraties. De website van Matchboox vermeldt als cadeautip bij “De taart en de kat” het volgende: Voor dromers en spirituele mensen

Alle informatie en het bestelformulier over het boekje met het kortste verhaal dat Alfred Birney ooit schreef is op de webpagina van Matchboox te vinden. Veel plezier!

Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.