Vertrouwd en vreemd

vertrouwd en vreemdVertrouwd en vreemd
Esther Captain, Marieke Hellevoort en Marian van der Klein (redactie)
Hilversum, uitgeverij Verloren, 2000
Paperback, 280 blz, geïllustreerd
Cover Het Lab Arnhem, Josee Langen
Foto omslag: familiebezit Esther Captain
ISBN 90 6550 6225
Bestellen

Dit boek verscheen als deel 12 in de serie Tipje van de Sluier en is een uitgave van de Vereniging voor Vrouwengeschiedenis (VVG).

Speciaal voor deze bijzondere uitgave, waaraan tal van publicisten meewerkten, componeerde Alfred Birney een verhaal rond zijn grootmoeder, getiteld Zonder gezicht.

Nederland, Indië en Indonesië zijn door de geschiedenis intens met elkaar verbonden. De mensen in het moederland en de kolonie waren elkaar vertrouwd en vreemd tegelijk. Ze ontmoetten elkaar zowel hier als daar: in studentenverenigingen, in het verzet, op de pasar, op school, in de kampong, in brieven, op de plantages, in de fabriek, in huis, in bed, in contractpensions, et cetera… In deze bundel laat een keur aan schrijvers, wetenschappers en journalisten hun licht schijnen over de ontmoetingen tussen mannen en vrouwen, ‘bruinen en blanken’, armen en rijken. In de toegevoegde foto-galerij brengen uiteenlopende publicisten hun eigen tempo doeloe onder woorden.

De Birnies

birnies documentaireDe Birnies
Documentaire
Rotterdam 1997
Joop de Jong & Liane van der Linden
Video € 13,85 excl porto
VHS speelduur 54 minuten
Uitverkocht!
Zie YouTube-film hieronder.

De Indische Diaspora, deel I: De Birnies, een Indische familie uit Deventer toont drie generaties van een Indische familie. Elisabeth Birnie-Birnie, haar zoon Johan, jeugdvoorlichter bij de KJJB, en haar achterneef, de schrijver Alfred Birney zijn telgen uit een belangrijke en kleurrijke plantersfamilie op Oost-Java. Zij zijn de hoofdpersonen in deze documentaire, waarin wordt verhaald over de ontginning van de Oosthoek van Java, over de oorlog in Nederlands-Indië en de lange nawerking ervan. De documentaire, met muziek van Fernando Lameirinhas, is verkrijgbaar op video (VHS en NTSC).

Elisabeth Birnie-Birnie is de weduwe van Fred Birnie, de laatste directeur van het familieconcern in tabak, koffie, indigo, suiker en rubber op Oost-Java. Zij heeft 100 meter familiearchief laten onderbrengen bij het gemeentearchief van Deventer en er ruim drie jaar lang gewerkt aan een genealogie. Ze vatte de geschiedenis van honderd jaar ondernemerschap op Java samen in een familiekroniek.

Haar zoon Johan is jeugdvoorlichter bij de KJJB: de Vereniging van Kinderen uit de Japanse Bezetting en Bersiap 1941 – 1949 en verzorgt lezingen met een nadruk op zijn oorlogservaringen.

Alfred Birney zet met zijn verhaal een contrapunt in de familiegeschiedenis. Zijn vader is de niet-geëchte zoon van een Birnie-telg en diens Chinese vrouw, vandaar die andere schrijfwijze van de familienaam. Tijdens de onafhankelijkheidsstrijd vocht Alfreds vader tegen Indonesië. Nog jaren daarna zit hij ’s nachts gewapend met zijn mariniersdolk ‘peloppers’ achterna tot in de slaapkamer van de jonge Alfred. Die vader figureert in twee van Alfreds romans – Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis – reden waarom Elisabeth hem een brief schreef met de vraag of hij eigenlijk een Birnie is. Hiermee herstelt zij voor Alfred wat zijn vader altijd heeft moeten ontberen: tot de familie behoren. Al die Birnies tezamen vertellen de geschiedenis van Nederland in Indië, of beter gezegd, de Indische geschiedenis van Nederland.

De documentaire is gemaakt door Liane van der Linden en Joop de Jong, in opdracht van de Stichting Herdenking 15 augustus 1945 met financiële steun van het Ministerie van VWS en de medewerking van het Indisch Wetenschappelijk Instituut. De video is niet meer verkrijgbaar.

What’s in a name?

Birnie / Birney. At least a history. The shields of Birney (left) / Birnie (right) appear somewhat weird to me – maybe funny to you – having these three legs underneath the bow and arrow. They look somewhat different, but in fact they are similar. What’s in a shield? At least a story.

birnie familiewapenAccording to family documents 1473-1733, preserved in the ‘Charterchest’ of Broomhill; disclosed by John Birnie of Broomhill (year unknown), the story goes like this:

The account of Birnie of that Ilk

There is in wrytt a tradition in the family, that in the year of God 838, or thereby, Alpin, King of Scots, with many of his prime men being taken prisoners in battle by the Picts and thereafter murdered in cold blood, and the King’s head in a base manner set on a pole in one of their chieff cities, Kenneth the Second, his son, a brave prince, soon rais’d ane armie to be revenged on the actors of so barbarons a murder. All his followers were desperate and resolute, and had many conflicts several days together, amongst whom was one Birnie, Irish, and in English Bright, then called because of his glittering armour, and his two sons, who having several tymes signalized themselves, yet one evening pressing furiously into the thickest of the Picts, were all three, with several others, surrounded and made prisoners. Night by this tyme putting ane end to the fight, they had each of them one leg putt fast in a pair of stocks to prevent their escape, till the Picts had more leisure to put them to death. The father knowing very well what would come to them, advysed the cutting off of each of their legs: which done, they made a shift to return to their own men, and, at the next battle fatal to the Picts, they were observed to behave themselves with a new cowrage, wherewith the losse of their legs had animate them. The fortune of the Scots at length prevailling, this King Kenneth, in his just revenge, laid not asyde his arms untill he had extirpated the whole nation of the Picts: their possessions he devyded amongst his men, as they most deserved, and upon Birnie he bestowed a baronie of land near Elgin in the shyre of Murray, yet bearing his name, and which his posterity enjoyed for a long tyme thereafter, and gave them for their arms Gules, in resemblance of the late bloody battle, a Feasse, the mark of honour betwixt the bow and arrow in full draught, the most ancient arms then in use, and the three legs couped at the thigh, in perpetual remembrance of their valour.

Information about The Parish of Birnie (County of Elgin, Synod of Moray, Presbytery of Elgin) show something different about the meaning of the name BIRNIE:

This parish was named Brenuth about the beginning of the 13th century: A name probably derived from Brae-nut, i.e. ‘High land abounding in nuts’; for many hazle trees once grew upon the fides of the hills and banks of the rivulets, and the general appearance of the parish is hilly. The natives pronounce it Burn-nigh, i.e. ‘A village near the burn or river’. This etymology is descriptive enough of the particular place now called Birnie.

‘The surnames of Scotland’ in The New York Public Library (year unknown) says:

BIRNIE, BIRNEY. From Birnie in Moray. James de Brennath (the early form of the place name), burgess of Elgin, was one of an inquest concerning the King’s garden there in 1261. William de Brennath, dictus Tatenel, witnessed the gift by Hugh Herock, burgess of Elgin, to the church of Elgin in 1286, and Andrew de Brenach was clerk to Sir Dovenald, earl of Mar in 1291. Walter de Branach was the king’s chaplain in Moray, 1360. William de Byrneth, canon of the church of Moray, appears as a witness in 1463, Nicholas Birne was a chaplain in 1514, and William Byrny was burgess of Edinburgh in 1558. Birny 1568, Byrnye 1568, Birney 1589, Birnye 1614.

Note from Alfred Birney:

When I visited Moray in 1998 to follow River Lossie, in search for the old place called Birnie, locals told me they had just changed the name Birnie into Thomshill. There was a bar left though, called Birnie-Inn, not to mention Birnie Church of course.

Indische familiekwesties in de literaire salon

alfred birney cover pasarkrantDe bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren, samengesteld door ondergetekende, roept veel reacties op. Het boek ontmoet weerstand maar vindt uiteindelijk zijn weg, zijn plek. Vanwaar die weerstand? Enerzijds door de presentatie van het boek, anderzijds door de verwachting die de ingevoerde lezer van de Indische letteren bij voorbaat koestert.

Allereerst is daar de Javaanse jongen op het omslag van het ‘toch wel fraai uitgevoerde boek’. ‘Moet daar geen Indo op staan?’ is een veel gehoorde opmerking. Het doet me genoegen dat na een slordige halve eeuw aanwezigheid van een enorme groep Indische mensen in Nederland men eindelijk eens het verschil heeft leren zien tussen een Javaan en een Indo. Ik ben benieuwd wanneer men zich druk begint te maken over de afbeelding van een Surinaams meisje op een pak Angolese koffie in de supermarkten van een land dat een uitgesproken Nederlandse schrijver als A.F.Th. van der Heijden het boekenweekgeschenk laat schrijven in de Indische Boekenweek (1992). Een Zeeuws meisje op het etiket van een diepgevroren stuk Pepesan, home made in een Scheveningse vissersloods en verkrijgbaar bij de Turkse zondagswinkel lijkt me een aardige stap op weg naar een vorm van multiculturele humor.

Ter zake. Dat de Javaan een van de stamvaders is van de uiterst diverse groep Indische mensen en dat hij als een cartoonheld te pas en te onpas uit allerlei hoeken en gaten in de Indische letteren opduikt, is men zeker opeens vergeten. Ik heb deze overbekende figuur slechts een bescheiden rol in mijn bloemlezing willen geven en daarom mocht mijn lieve uitgever met zijn Hollandse handelsgeest hem best als plaatje gebruiken. Het is een mooie jongen en dat is weer eens wat anders dan een mooi meisje met een melati-bloem in haar hand.

De subtitel van de bloemlezing, 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren, klopt niet helemaal, vindt men. Die zou bedrieglijk zijn en de lezer op het verkeerde been zetten. Ook de flaptekst zou de lezer zand in de ogen strooien, al wordt er toch duidelijk gerept over een nieuw beeld van Indië in de Nederlandse letteren. Pas in het voorwoord staat vermeld waar het werkelijk om gaat, maar zelfs dan verzet men zich nog.

Wat er werkelijk achter die weerstand zit is het volgende. Men krijgt een bloemlezing onder ogen met een titel die belooft een beeld te geven van 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren en men verwacht dan meteen een beeld dat strookt met het perspectief van de Nederlander turend vanaf de dijk. Men begint maar direct te zoeken naar Rumphius, Junghuhn, Friedericy, Alexander Cohen en Jeroen Brouwers en mort als ze ontbreken.

Plaats je de camera op de schouder van een Indo en laat je de lens inzoomen op het Indië van en rond en in Eurazatische (Engelse term) respectievelijk Indo-Europese bevolkingsgroepen, dan betekent dat niet dat je de boel met de gebruikte subtitel voor de gek houdt. Je verplaatst eenvoudig het perspectief en ik zie niet in waarom ik dat al in de subtitel zou moeten legitimeren. Het samengaan van mensen uit Oost en West werd zichtbaar in de kinderen die eruit geboren werden, met hun vermenging van leefstijl en cultuur. Dat is het Indische verhaal achter de economische handel en wandel van Europeanen en Aziaten. En dat Indische verhaal is nog niet uit.

Het voorwoord. Belangrijk. Dat heb ik beknopt gehouden, omdat ik niet belerend wilde doen. Resultaat: men vindt het wat kort, dat voorwoord, maar ik vermoed dat die kritiek van de snellezers vandaan komt. Immers: er staat alles in dat het boek behelst. Joop van den Berg (Trouw, 27 november 1998) weet het en beoordeelt het boek met een redelijke onbevangenheid. Peter van Zonneveld (Vrij Nederland, 21 november 1998) had een uitgebreide inleiding gewenst en valt over een suggestieve passage. Zijn eigen stuk bevat zo’n inleiding, een enorme, ik zou bijna denken dat hij stond te popelen het me voor te doen. Jacqueline Bel (NRC Handelsblad, 29 januari 1999) lijkt de boodschap te begrijpen maar vergeet haar later te pas en te onpas toch maar weer.

Welke boodschap? Dat ik de weg van de Mesties tot en met de Indo-kinderen van de tweede generatie wilde volgen. En dat de lezer die het boek van voren naar achteren leest (een beleefd Indische uitnodiging) een beeld gegeven wordt van de geschiedenis van die bijzondere groep. Ik verduidelijk: een literair beeld.

In het voorwoord vermeld ik ook dat schrijvers die uit romantische motieven over het huidige Indonesië schrijven buiten het bestek van mijn bloemlezing vallen. Ik bedoel natuurlijk schrijvers als Kees Ruys, Duco van Weerlee en Wiecher Hulst. Jacqueline Bel noemt het een vaag criterium, je zou bijna denken dat ze het verschil niet kent tussen Indië en Indonesië. Want, vraagt ze zich af, waarom doen Rudy Kousbroek en Helga Ruebsamen wél mee, “of zijn zij niet romantisch?”.

Warhoofdige vraag. Ik heb niets tegen romantiek en ook niets tegen Indonesië, ik heb het over Indo’s en die stappen toevallig rond in het werk van Kousbroek en Ruebsamen. Ik vind ze niet bij Jeroen Brouwers. En Kester Freriks, die door de NRC-recensent wordt gemist, heb ik niet uit de bloemlezing gelaten omdat hij romantisch is. Zijn romantiek richt zich trouwens op een niet persoonlijk beleefd en verdwenen Indië en niet op Indonesië. Maar als hij op een oeuvre van zeven boeken in slechts één Indisch boek acht pagina’s wijdt aan een Indisch vriendje, hoe aardig ook, dan vind ik dat te weinig voor mijn bloemlezing. Waarmee ik niet zeg dat hij met zijn twintig jaar na dato herziene Indische verhalenbundel niet tot de Indische letteren behoort. Daar gaat het helemaal niet om in Oost-Indische inkt.

Men leest verder en krijgt langzamerhand in de gaten wat de bloemlezing beoogt. ‘Há, ik snap het nu,’ denkt men en roept meteen: ‘Maar Jill Stolk staat er niet in!’ Alsof het er mij om te doen is geweest om alle contemporaine Indische schrijvers in de bloemlezing te zetten. Dat is inventariseren en geen bloemlezen. Dat juist zij bij uitstek over Indo’s en Indisch-zijn heeft geschreven, is iedereen bekend. Zet je haar echter tussen een dozijn anderen, dan moet je vragen: hoe heeft zij erover geschreven?

Opvallend is dat men geen gewag maakt van namen die ik uit de relatieve anonimiteit van het ‘tweede circuit’ heb gehaald, zoals de voorbeeldige Wies van Groningen. Eerst maar wachten totdat de een of andere autoriteit roept dat ze bijzonder schrijft zeker.

Peter van Zonneveld heeft het in zijn artikel over ‘het gevaar dat literaire kwaliteit ondergeschikt wordt gemaakt aan politieke correctheid met terugwerkende kracht.’ Dit lijkt een interessante zin. Politieke correctheid slaat waarschijnlijk op de mode van historici om de positie van de Indo uitvoeriger te belichten dan tot dusver (niet) is gedaan. Die zogenaamde politieke correctheid kun je misschien aan Nederlanders toeschrijven, maar moeilijk aan een Indo die al jaren zit te wachten op een overzicht van de geschiedenis van zijn Indische voorouders.

Literaire kwaliteit wordt afgemeten aan een bepaalde norm die voortkomt uit consensus. Consensus ontstaat waar één denkt en tien anderen ja knikken. Hanteer je de Nederlandse norm op wat ik heb gebloemleesd, dan kan driekwart in de prullenbak. Hanteer je de Europese norm voor de Nederlandse letteren, dan kan vrijwel alles in de prullenbak.

De Indische wereld beschreven vanuit huiskamerperspectief is zelfs binnen de Indische letteren nooit als literair interessant aanvaard. In de huidige tijd, waarin je wekelijks met nieuwe literaire meesterwerken van overal ter wereld bekogeld wordt, kan het een verademing zijn om schitterende pulp uit het oude Indië te lezen. Dan hoor je weer eens een ander geluid dan die eeuwige P.A. Daum, onder wiens aanvoering van krantenmagnaat schrijfsters als Dé-lilah in no time de letteren uitgeschreven werden. En hoor je ook eens een ander die Tjalie Robinson in het gebruik van het petjôh voorging. Dát is ook canoniseren, zó ver moet het kwartaaltijdschrift Indische letteren van Peter van Zonneveld en consorten durven gaan in plaats van te blijven hangen in die vastgeroeste wetenschappelijke Leidse traditie van ze.

Ik heb tijdens het werken aan de bloemlezing verschillende lijstjes gemaakt. Eén liep van grofweg de eerste Indo-schrijver tot voorlopig de laatste: van G. Valette tot Basha Faber. Met louter Indo’s zou het natuurlijk een onderonsje zijn geworden dat de gemiddelde lezer geen breed kader biedt. Want waarom moet G. Valette zo nodig een lans breken voor de Indische jongen? Waarom zet Dé-Lilah een Amsterdammer temidden van een groep Indo’s te kijk? Waar zeurt Victor Ido toch over met zijn paupers? De redenen daarvoor vind je dus terug in denigrerende teksten die door anderen over Indo’s zijn geschreven.

De geschiedenis van de Indo staat niet los van die van zijn voorouders: Aziaten en Europeanen. Hoe bekend is die geschiedenis? Op de middelbare scholen wordt nauwelijks aandacht geschonken aan de geschiedenis van de Indo. Dat gaat veranderen. Deze bloemlezing wil daarvan een literair overzicht bieden.

Voor het verhaal begin je uiteraard in de oudste teksten te zoeken. Omdat Indië rond 1600 een geografisch groter gebied was dan het latere Nederlands-Indië en er in de door Portugezen bezette gebieden al een cultuur bestond die was ontstaan door vermenging van bevolkingsgroepen uit Oost en West, besloot ik om bij Jan Huygen van Linschoten te beginnen. Hij beschrijft een samenleving van ‘Mestiezen’, die we kunnen beschouwen als de oergroep van Euraziaten, waartoe de Indo’s behoren.

Dit vertrekpunt vroeg om een verduidelijking van het literaire kader. De Nederlandse, of koloniale, of Indisch-Nederlandse, of Indische letteren (valt u het enorme geharrewar in benaming op?) zijn toevallig gezegend met de aanwezigheid van vier grote namen die hun meesterwerken, deels of geheel, in Indië laten spelen: Multatuli, Couperus, Dermoût, Du Perron. Door dit grote vierkant in de bloemlezing te plaatsen zou het boek ook de niet ingewijde lezer in elk geval literair toch genoeg houvast moeten bieden. Een historisch kader geven wilde ik niet. Ik wilde met een literaire geschiedenis van Indo’s verbazing, nieuwsgierigheid en vragen oproepen. Maar geen vragen in de trant van ‘moeten die en die er niet bij?’

Terug naar de ‘vier grote namen’. Wat maakt iemand tot een groot schrijver? Stijl. Inhoud. Visie. Historisch bewustzijn. Een bijzonder oog (niet te verwarren met visie). De schrijvers van het grote Indische vierkant bezitten alle deze afzonderlijke kwaliteiten. En wat hun oog zo bijzonder maakt is dat die verder reikte dan de wereld van de Hollander en de Javaan, flora, fauna, de soos en de plantages. Het reikte ook tot de wereld van de Indo-Europeaan. En het is moeilijk een van deze schrijvers te betrappen op zoiets als stereotyperingen. Wat je niet kunt zeggen van schrijvers als Augusta de Wit, Carry van Bruggen, Hella Haasse en de ook in Indische kringen zeer gewaardeerde Johan Fabricius. De eerste twee van de genoemde schrijvers voeren de Indo of Nonna als verdacht op in respectievelijk Orpheus in de dessa en Een Indisch huwelijk. Hella Haasse geeft in Oeroeg haar held laatdunkende gedachten mee over Indische mensen en meneer Fabricius beschrijft zijn Indo-helden met een hinderlijk paternalistisch ik-heb-jullie-wel-door-toontje.

Er was al eerder een serieuze bloemlezing. Van Rob Nieuwenhuys, getiteld Het laat je niet los (1985). Een soort finale selectie van een serie van vier bloemlezingen die hij eerder onder verschillende titels publiceerde. Die bloemlezingen vormden de basis voor zijn befaamde Oost-Indische Spiegel (1972), een nog altijd onovertroffen standaardwerk over de Indische letteren. Nieuwenhuys ging op zijn smaak af, veelal inventariserend. Het mooiste van wat er is verschenen had hij al gebloemleesd. Daar een paragraaf aan toevoegen is stomweg doorgaan met inventariseren in de traditie van Nieuwenhuys.

Ik wilde iets ánders, niet omdat ik zo nodig anders wil zijn (dat ben ik toch wel, net als zovelen van ‘de Indische familie’), maar omdat het eens hoog tijd werd. Ik deed iets dat nog niet eerder gedaan was: de literaire geschiedenis van de Indo in kaart brengen. Als je er goed over nadenkt is het eigenlijk belachelijk dat het zo lang heeft geduurd. En, inderdaad, als de recensenten aan het einde van hun artikelen zijn, dan lijkt er iets veranderd aan de bril die ze al op hadden. Iets. Ze zien dat ze iets te lezen krijgen in een kader dat ze gewoonweg niet verwacht hadden. Ik vermoedde al dat ze lui waren.

Interessant is dat Marion Bloem in het Algemeen Dagblad (3 oktober 1998) klaagde dat het boek niet Indisch genoeg was. Met deze Indische schrijfster als bloemlezer waren ze mooi klaar geweest.

Het literaire establishment wordt bevolkt door gewoontedieren die er moeite mee hebben hun literaire norm bij te stellen en hun eurocentrische houding los te laten. Ik vraag ze niet ‘politiek of cultureel correct’ te zijn. De toename van multiculturele uitingen is echter sterk. Dus ze kunnen maar beter leren zwemmen willen ze niet verdrinken.

Moeten de Indische schrijvers van nu maar bij, zeg, de allochtonen-literatuur worden gevoegd? Nee. Wij hebben een andere geschiedenis. De Indische geschiedenis is niet opgehouden met de onafhankelijkheid van Indonesië. De tweede generatie Indo’s hebben hùn vervolggeschiedenis, al speelt die dan in Nederland. Er zijn er bij die de letteren uitkiezen als hun uitlaatklep. Dat is bekend. Het is in vakkringen en in de media gebruikelijk om rijtjes te maken die in één adem worden genoemd als men name-dropping meent te moeten plegen. Iedereen kent het rijtje Marion Bloem, Ernst Jansz, Jill Stolk, Frans Lopulalan. Het is niet slecht om zo’n rijtje een poosje te gebruiken, maar dat moet geen 15 jaar duren. Dat is dodelijk: je krijgt de indruk dat er geen nieuwe schrijvers bij komen. Die schrijvers staan heus wel op maar zij die het publiek voorgeven ze te volgen, liggen te slapen.

Marion Bloem heeft met Geen gewoon Indisch meisje de loot van de tweede generatie op de Indische tak geplaatst. Met de toevoeging van Nicolette Smabers, Theodor Holman, Glenn Pennock en mezelf aan ‘het rijtje’ kan iemand als Jill Stolk (om wie door meerdere recensenten geroepen werd) schitteren in afwezigheid. Geen onaardige rol voor een performer. Ze is trouwens niet de enige afwezige. Als zij interessant is voor de stuurlui aan de wal, dan zijn Yvonne Keuls, Hans Vervoort, Ralph Boekholt, Betty Roos, Mischa de Vreede en Basha Faber dat ook. En dan heb ik nog een rijtje interessante namen uit het ‘tweede circuit’ in mijn kaartenbak liggen.

Nogmaals: het is de kwestie niet wie wel of niet bij de Indische letteren horen. Voor Oost-Indische inkt is de keuze van schrijvers en teksten onderschikt gemaakt aan wat ik wilde (laten) vertellen. Waar Peter van Zonneveld onnadenkend ‘politieke correctheid met terugwerkende kracht’ in ziet. Hopelijk bestaat er niet zoiets als stereotiep denken met vooruitwerkende kracht.

Dat de Indische vader naar de smaak van Jacqueline Bel een wel zeer prominente rol krijgt toebedeeld, geef ik grif toe. Er was in mijn opzet geen plaats voor alle motieven uit het Indische leven. Maar ze moet niet Nicolette Smabers vergeten te noemen naast Marion Bloem als ze klaagt over te weinig moeders. En als ze zo van kruidenieren houdt, heeft ze zeker ook gezien dat een ruwe verdeling van 20 vrouwelijke en 30 mannelijke auteurs over 400 jaar genomen ongehoord en spectaculair is, wat je moeilijk in welk ander literatuuroverzicht waar ook ter wereld zult aantreffen. Gerekend vanaf de eerste vrouwelijke auteur in mijn bloemlezing is de stand zelfs gelijk. Had Hans van der Wall (de Indische schrijver achter het pseudoniem Victor Ido) in zijn toonaangevende functie van recensent niet zo braaf de opvattingen van P.A. Daum overgenomen, dan hadden de vrouwen het optelspelletje over de afgelopen 100 jaar ruimschoots gewonnen.

Een persoonlijke keuze. Dat is een bloemlezing per definitie. Weerspiegelt een bloemlezing de smaak van de samensteller? Uiteraard. Door de opzet van Oost-Indische inkt in mijn geval niet altijd. Ik heb met verdriet auteurs moeten overslaan van wie ik houd en morrend auteurs moeten opnemen om wie ik weinig geef of aan wie ik zelfs een hekel heb. Schitterende teksten heb ik moeten laten liggen. Wat niet wegneemt dat er een andere schittering voor in de plaats is gekomen. Eén waar je soms met een andere zonnebril naar moet kijken. Die je de Indische letteren op een andere manier laat zien en beleven. Is dat niet spannend?

Ten slotte. Je eigen naam aan een bloemlezing toevoegen is aanmatigend, jezelf weglaten is liegen. Zo luidt het zinnetje in bloemlezerspraat. Voor een Indo ligt het nog gecompliceerder. Laat je jezelf eruit, dan vraagt men waarom je weer zo’n bescheiden Indo moest zijn. In het tegengestelde geval krijg je de vraag of je je als Indo niet wat bescheidener had kunnen opstellen.

In mijn tot nu toe twaalfjarige schrijverscarrière heb ik mezelf nooit als Indisch schrijver willen laten bestempelen. Waarom niet? Omdat die kwalificatie iets beperkends in zich heeft en ik mijn positie zelf wilde bepalen: wanneer ik vond dat het tijd werd en vooral wanneer ik daaraan toe was. Nu dan, door mezelf in de bloemlezing op te nemen. Toegegeven: het is een luxe je eigen plaats te kunnen bepalen. Maar die krijg je niet cadeau.

Men zegt wel dat als je tien mensen vraagt een bloemlezing samen te stellen van de Indische letteren, je dan tien verschillende bloemlezingen krijgt. Afgaand op wat er over Oost-Indische inkt is geschreven ben ik geneigd te denken dat van de zogenoemde kenners er negen van hetzelfde zouden zijn geweest en eentje anders. Was getekend,

Alfred Birney

*** Dit artikel verscheen als antwoord aan de recensenten van Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren, werd eerder afgedrukt in de Pasarkrant, voorjaar 1999, en opgenomen in Yournael van Cyberney.

Hallo

catfish meerval Hallo, ik ben een meerval en zwem rond in een paar boeken van deze geheimzinnige schrijver. Ik weet zelf niet precies welke boektitels dat zijn, want ik kan niet lezen. Eerlijk gezegd vreet ik de boeken van Alfred Birney liever gewoon op, snapt u wel?