Over F. van den Bosch (3)

De man in de blauwe kamerjas

De ik-figuur in het titelverhaal wordt door een man in een blauwe kamerjas met Frits aangesproken, de voornaam van de schrijver. F. van den Bosch voelt in zijn derde verhalenbundel (Amsterdam: Querido, 1987) blijkbaar geen behoefte (meer) zichzelf literair te vermommen, hij is de schaamte van de autobiografische schrijver voorbij. Hij doolt wat rond in een ziekenhuis, waar hij voor langere tijd is opgenomen. Zijn gedachten zijn bijna voortdurend bij zijn medepatiënten, bij huishoudelijk personeel en vooral bij verpleegsters. Soms vervalt hij in dagdromen. Wanneer hij zich afvraagt wat hij zou doen als hij miljonair was…

…dan zou ik een miljoen ton vruchtbare grond uit een vulkanisch land laten komen en als een heuvel op laten werpen. Inzaaien met gras en onkruid van allerlei soort, het gemeenste dat er te vinden is. En duizend bomen, eiken, beuken, berken, elzen langs de waterkant. Midden in dat toekomstig oerwoud zou ik een huis laten bouwen van russisch hout (alles moet je importeren in dit modderige land). Drie verdiepingen, zonder één spijker, door mij ontworpen tot in de kleinste zwaluwstaart. Met een stofvrije kluis (die je ingaat door een sluis) om mijn collectie vroeg-achttiende-eeuwse japanse prenten in onder te brengen. (p. 16)

Het is duidelijk dat met het vulkanisch land Java wordt genoemd. Het droomhuis in dat toekomstige oerwoud is een directe verwijzing naar zijn debuutverhaal Het regenhuis. En dan die Japanse prenten… Die hingen bij Oom James thuis naast een gebarsten spiegel achter de deur. Dit soort verwijzingen weeft een fraai borduursel in het kleine oeuvre van de schrijver.

Behalve de dagdromen zijn er de onvermijdelijke herinneringen. Aan het einde van de oorlog, ofwel het einde van Nederlands-Indië. Aan het vinden van een VOC-cent in de zandbanken van de Kali Mas in Surabaya, een erfstukje van het begin van Nederlands-Indië. Aan het meisje dat hem deed beseffen dat hij geen buaya – in deze betekenis: geen Surabayaan – meer was… Dat ik, tussen Gubeng en Wonokromo, de oevers van de Kali Mas van achtererf tot achtererf kende, van draaikolk tot draaikolk en van boom tot boom, het telde niet. Dat wij samen in een bouwvallig koetshuis adembenemende spelletjes hadden gedaan, het telde niet meer. Een Surabayaan was een hbs’er die danste en ‘Es Rojo’ at. Met dit mooie meisje, dat haar jasmijnwitte jurk niet vuil wilde maken – ook in de flamboyanten wilde ze niet klimmen, zelfs op de schommel wilde ze niet – was Surabaya, waar mijn hart lag, voor mij verloren gegaan.(p. 29)

 

Een narcose kan een polyfonie aan herinneringen losmaken. De tekst van De man in de blauwe kamerjas heeft iets narcotisch literairs: je kunt hem herlezen en analyseren, maar de schrijver laat je door het hanteren van zijn vertrouwd belevend perspectief toch steeds weer alle hoeken van het ziekenhuis zien. Waaruit goddank steeds weer die verpleegsters opduiken.

Kenmerkend voor F. van den Bosch is, dat hij geen artsen laat opdraven. Hij houdt meer van de gewone mens uit de kantine, de Marokkaanse en Turkse schoonmaaksters. Maar van allen die zijn ziekenhuisbestaan bevolken, meest immigranten, is er een die boven de anderen uitsteekt: zuster Renske: Ze is indisch, dacht ik, de eerste keer dat ik haar zag. Als Renske indisch was, dan waren de verholen gratie en de finesse, waarmee ze óm en mét mij doende was, verklaard. Dan had ze een automatisch plus, een dubbel plus, omdat ze mijn nostalgie – mijn boedjang-sentiment van vroeger – gaande maakte. Maar met die formulering was ik niet gelukkig. Indisch? Wat was indisch? Was je indisch als je een europese vader en een indonesische moeder had, of omgekeerd? Nee immers, want Theo – die, net als Renske, van een latere generatie was – was niet indisch. Hij was Indonesiër, of Hollander, naar verkiezing, nu eens dit, dan weer dat. Had hij niet veeleer een dubbele dan een verminkte identiteit?

Zuster Renske miste iets, miste – maar een gemis kon het nauwelijks zijn – een indisch manco: het manco van de russische émigrée, van de mens die aan elders en aan vroeger hangt, die leeft in een verzet dat geen verzet wil zijn, maar dat de maatschappij heeft afgedwongen.
Maar als de identiteit van de Indo nu eens níet ter discussie werd gesteld, als hij niet in het defensief werd gedrongen? (…)

Net als bij mijn vriendjes van toen voelde ik bij Renske, mutadis mutandis, geen spoor van verzet, van voorbehoud, van verborgen hoekigheid, van gegriefdheid en hooghartigheid. Zij was een moderne jonge vrouw, die leefde in een wereld waar ze geen moeite mee had. Wie bracht haar identiteit dan in discussie? Niet de maatschappij. Ik. Lho! Ik? Wat had ik er voor belang bij om dat te doen? Aa-ah! Weer zo’n vraag waar ik geen antwoord op wist! (p. 45-46)

Indisch zijn. Wie heeft daar wel een antwoord op? Het schijnt een eeuwige discussie en F. van den Bosch, wijs, wenst er geen rechtstreeks antwoord op te geven.

De nachtzuster heeft voor de verteller haar uiterlijk mee: ze ziet er Indisch uit en beweegt zich Indisch, maar ze mist dat manco van de Indische immigrant, ofwel repatriant… aan haar kleeft kennelijk geen verlies. Dat verlies is hooguit bij (een van) haar ouders achtergebleven. De verteller durft Renske niet direct naar haar precieze achtergrond te vragen. Een bepaald soort bescheidenheid dat wel meer mensen siert van de ‘eerste generatie’, zij die in Nederlands-Indië geboren en/of getogen zijn. Ze bekijken je, taxeren je, proberen je uit door het gebruik van een Maleis woord en als ze zien dat je die taal niet beheerst, laten ze je voorlopig voor wat je lijkt te zijn maar misschien niet volgens hun maatstaven bent: een Indische jongen of een Indisch meisje. Maar er komt een ogenblik dat de intimiteit groot genoeg is om je ernaar te vragen. Zoals in dit lange (het langste) verhaal van F. van den Bosch.

Het meisje komt met een verbazingwekkend antwoord: ‘Ik ben Indonesische. Dat wil zeggen. mijn vader was een Fries, maar mijn moeder kwam van Noord-Celebes. (…) Maar wij komen eigenlijk van Menado. Tumaluntung ken ik niet.’ (p. 47)

Verbazingwekkend omdat zij zich niet Indisch noemt, wat meer voor de hand zou liggen als je van gemengde komaf bent. Haar antwoord suggereert dat ze in het onafhankelijke Indonesië is geboren. Of dat ze, modern, eenvoudigweg de moederlijke lijn volgt.
De verteller had haar gevraagd of ze Tumaluntung soms kende. Eigenlijk weet hij zelf niet eens of die plaats wel bestaat; hij kent het alleen maar uit een van die kreupele liedteksten uit het krontjong-repertoire:

Ik kwam van Kéma. In de bergen.
Bood Tumaluntung nachtverblijf.
Daar deelden wij een mondvol snoepgoed.
Zo deelden wij ons nachtverblijf

(p. 48)

Opvallend genoeg geeft F. van den Bosch niet de Maleise tekst weer. Eerder uit beleefdheid tegenover dit meisje dan tegenover de lezer? Overigens heeft deze, derde en laatste (?), verhalenbundel als enige geen woordenlijst achterin. De bundel heeft het minder nodig dan de eerste twee bundels, maar het kan zijn dat de schrijver heeft gedacht dat de lezer zijn taal maar voor lief moet nemen.

Gewoontegetrouw sluit F. van den Bosch zijn verhalenbundel af met een Zweeds verhaal, maar niet voordat hij in Marinekind het portret van de moeder van de ik-figuur geeft. Een heel leven in 15 pagina’s, een literair dermate geconcentreerde schets, dat je die twee- of driemaal moet lezen eer de beelden samenvallen. Wat blijft hangen is hoe de moeder in de marinehaven van Den Helder zwom en tegen haar vaders duikboten opklom, …die bevallige zeemeermin, die adelborsten en matrozen tot achter hun oren liet blozen. (p. 79) En haar laatste levensjaren in een wagentje, wanneer de vergeetachtigheid haar te grazen neemt. Ten slotte kende ze ook haar kinderen niet meer uit elkaar. Het was of ze zich, tegen wil en dank, van ons allen afwendde, of ze aan de wereld waarin ze leefde – ze wist niet meer of het in Indië of in Holland was – geen boodschap meer had. Ze ging dicht, zoals een chinese roos – een kembang sepatu – die zich sluit en zich wringt om wat ze was, voordat ze afvalt. (…) ‘En niemand bukt zich om haar op te rapen,’ zo heet het van zo’n bloem in een lang vergeten lied. ‘Fula mugri ja ispelá, nunteng jenti per panyá.’ (p. 89-90)

Het afsluitende Zweedse verhaal is in briefvorm gegoten, een typisch verschijnsel in de Indische letteren. De verteller logeert bij een verzweedse Indische vrouw, genaamd Sonja. Toen haar grootvader in 1916 op sterven lag, reisde ze op haar zevende jaar met haar ouders, een broertje en een baboe naar Europa. Het was oorlog. Omdat de Duitsers de Noordzee onveilig hadden gemaakt met hun zeemijnen, voeren ze om de Kaap en om Engeland en Schotland heen. Zo duurde de reis te lang voor de grootvader, die stierf voor ze aankwamen. Zoon Allan, de vader van Sonja, stond te huilen in zijn moeders armen, hij wist niet meer hoe hij Zweeds spreken moest. Hij was al zo lang weggeweest. Maar Mirah, de baboe, riep: ‘Non! Non!’ (…) en trok Sonja aan haar mouw en wees naar buiten. ‘Lihat, non! Ujan kapok!’ Het sneeuwde. Dat hadden ze nog nooit gezien.(p. 98)

Allans vrouw, Lien, vond het maar niks, dat Sonja met haar baboe praatte. Ze was er fel tegen gekant dat haar dochter met bedienden omging: Sonja was een scandinavisch meisje, en dat moest zo blijven. Want Lien wist maar al te goed wat het betekende als je een indische was. Hoe de mensen – die botte Hollanders – je met de nek aankeken omdat je donker was, omdat je grootvader, die friese pummel, een kind had verwekt bij een nietsvermoedende madurese vrouw. (p. 98)

Dat Sonja niet mocht spreken met mensen van wie ze zelf afstamde, heeft ze nooit, tot de dag van vandaag, begrepen. Het was haar moeder zo slecht niet vergaan nadat ze in 1922 door haar Scandinavische ridder mee naar Zweden werd genomen:

In het blonde Zweden was ze geen dubieuze nona, maar een exotische schoonheid, dat is andere koek! (p. 99)

Het kan verkeren. Maar hoe verging het dochter Sonja nu in Malmö, jaren later, wanneer Frits na zijn ziekenhuisopname naar het Noorden reist om deze tante op te zoeken?

Ze hobbelt nog dapper door het huis en kruit haar serveerwagentje van de eetkamer naar de keuken en van de keuken naar de eetkamer. Ik mag haar niet helpen. Ik help haar toch, als ze over de drempel moet. Maar wil je weten hoe het met haar gaat, ik geef je haar zelf even: ‘Nervös, nervös, jag ska till Stockholm, en ik weet niet wat ik zeggen moet. Och allt går sönder här i huset: de tv gaat kapot, de ijskast gaat kapot, ik ga kapot, álles gaat kapot. Kaputt, kaputt, waar lééf je voor? Ik ben nog niet zo oud (ze wordt 77 van de week), maar wél gámmel. Jag var på sjukhus, rumah sakit, ziekenhuis, een onderzoek, hoop maar dat het niets ernstigs is.(p. 100-101)

Deze Zweedse petjôh-variant doet me treurig glimlachen. Wat moet zo’n Indisch vrouwtje daar in Malmö? Ze had nog tegen Frits gezegd: ‘Jullie hebben tenminste nog een koloniaal verleden, jullie snappen er nog wat van. Maar hier, de mensen hier! Alles moet je ze uitleggen, ze weten van niets.’ (p. 104-105)

Waarop ik zou zeggen: ‘Maar hier ook, tante Sonja. Geheugen Belanda’s gammel! Tidak ada geschiedenisboeken in rumah sakit. Die mensen, zij lesen niet, zij kijken telepisie.’

Wat heeft F. van den Bosch verder nog te zeggen? In zijn brief schrijft hij: Om te beginnen dan, deel ik je mee dat dit vel papier een van mijn laatste A 4’s van 75 gram is en dit druklint mijn laatste katoenen lint. Als het op is, stop ik met schrijven. (…) De aversie van de wereld waarin wij leven, de onwil om te schrijven voor een groot publiek, dat is ook een thema in mijn leven. Het woord om in dit verband te gebruiken is ‘kesasar’. Als ik mij niet vergis ben ik degene die in de Indische wereld dit woord in omloop heeft gebracht. Je kunt spreken van een ‘Indo kesasar’, of ook van een ‘Belanda kesasar’, als iemand niet meer in zijn oorspronkelijke milieu verkeert. Linguïstisch geanalyseerd: wortel ‘sar’, gereduceerd ‘sasar’, plus suffix ‘ke-‘ wat inhoudt dat je er de dupe van bent, dat het je overkomen is: ‘kesasar’ = op een zijspoor geraakt. Van dezelfde wortel ‘sar’ is met andere taalmiddelen het woord ‘belasar’ gemaakt, dat in het Indisch taalgebruik ‘belazer’ werd. We spraken van ‘champagne belazer’ – niet echt, nagemaakt.

Het gevoel van niet meer in je eigen wereld te leven (na de oorlog en de exodus naar Holland daarna) is veel oudere Indische mensen, ook Molukkers, vertrouwd. Ze zijn ‘kasasar’, en niet erg happy daarmee. Dat gevoel is bij mij ook op de achtergrond. Het kan in hoge mate worden gerelativeerd, maar kan ook, in geval van stress, mijn gedrag tegenover autochtone Hollanders beïnvloeden. Het maakt mij onzeker tegenover het lezerspubliek en tegenover mijn uitgever.

Soms ontmoet ik gelijkgestemden, Indisch altijd. En dan pakt een gevoel van vertrouwdheid (ingebeeld, vermoed ik) wel eens gek uit. Laatst op de Pasar Malam was ik mijn jasje kwijt. Op het toilet laten liggen? Terug naar het toilet. Geen jasje daar. De mensen daar verwezen mij naar het info-centrum. Dank u wel voor de tip. Ik been weg en begeef mij in de schuifelende menigte. Komt er iemand naar mij toe en vraagt: ‘Is dit jasje soms van u?’ ‘Hé,’ zeg ik, ‘waar hebt u dat gevonden?’ ‘In Surabaya,’ zegt hij. ‘Lho,’ zeg ik, ‘dat is ook toevallig, want daar kom ik vandaan.’ ‘Ah, komt u ook uit Surabaya? Waar hebt u gewoond?’ Ik zeg: ‘dicht bij Wonokromo, bij de Dierentuin.’ ‘O ja, bij die grote waringin, waar de tramlijn zich splitst.’ ‘En bij het Bungkul-park, waar de pangérans van Surabaya begraven liggen.’ ‘En bij de Kali Mas die achter de Darmo stroomt.’ ‘Daar heb ik nog eens een hondje uit het water gehaald,’ ‘Ik woonde op Dinoyo, even verder stroomaf…’ Zo praatten we even over Surabaya, wild vreemden voor elkaar, temidden van de menigte.

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Yournael