Alfred Birney

Over F. van den Bosch (2)

Gepubliceerd (Geüpdatet: ) in Yournael.

In een plooi van de tijd

In een plooi van de tijd (1983) is een literair pentafonium rond het thema tijd. De verhalenbundel opent met een Indisch, of liever Javaans spookverhaal met een mythische klank: Het rollende hoofd. Er straalt een betovering vanaf in kracht gelijk aan Het regenhuis, onder meer door de impliciete uitbeelding van de wezenlijke onlosmakelijkheid van mens en natuur. Het verhaal is tijdloos, net zo als de oerangst van de mens. Het is alsof F. van Bosch de lezer wil zeggen dat onverschillig welk verhaal hierop volgt uiteindelijk het bestaan zich voltrekt tussen leven en dood en dat de immer sluimerende oerangst van de mens de onweerstaanbare verkenning is naar wat over die grenzen reikt. Je zou het boek na zo’n voorbeeldige prelude bijna willen dichtslaan.

Maar nieuwsgierigheid kent geen grenzen. Het daaropvolgende titelverhaal geeft de verhouding weer tussen een jong totok-jongetje en een inlandse bediende in de jaren voor de oorlog. Het is een impressie van de jeugdjaren van vermoedelijk de schrijver zelf, met een gesuggereerd magisch plot. Tovenarij wordt hier gepresenteerd in kinderlijk perspectief tegen de achtergrond van een dramatische verwijdering tussen de beide jongetjes.

In Nostalgie volgen we de ik-figuur die met zijn vrouw het verloren land Indië, het huidige Indonesië bezoekt. De schrijver laat een direct verslag van de oorlogsjaren, de periode in het Jappenkamp, ditmaal achterwege en maakt een sprong naar jaren later: nostalgische tochten door straten, pakjes brengen bij een familielid. De gastvrouw heeft zich klassiek gekleed in sarong en kabaai: Van achter het kamerscherm schuifelt het meisje op haar hurken naderbij en presenteert met neergeslagen ogen, ter hoogte van de knieën van haar gebiedster, een blad waarop drie glazen limonade staan. Het is lang geleden dat ik deze feodale stijl van bedienen voor het laatst heb gezien. Ik had haar in de Republik Indonesia niet meer verwacht. Op straat merk je van de feodale schakeringen binnen het Javaanse milieu heel weinig, zeker niet in Jakarta. Hier, binnen de muren van het huis, een van de vele huizen in een van de duizenden straten van deze grote stad, houden laag en hoog, jong en bejaard, profaan en charismatisch, elkaar als vanouds in stand.

Maar als even later de telefoon rinkelt – dat dreinende kind van vooruitgang en vervlakking – neemt het meisje de hoorn van de haak en roept zonder veel plichtplegingen: ‘Mevrouw, telefoon voor u!’ (p. 41)

Met Oom James duikt een bijfiguur op uit de eerste verhalenbundel om in de schijnwerper te worden geplaatst. De verteller kent deze Indo nog uit het Japanse interneringskamp en van zijn jonge jaren daarvoor. Hij was een jochie, Oom James al wat ouder. De verteller, inmiddels student, ziet de man jaren later terug in Amsterdam en volgt hem over straat. De oude Indo heeft hem in de gaten en roept hem vanuit het portiek: ‘Olé sinjo! Kom hier!’ (…) ‘Mag ik maar Ippie blijven zeggen?’ (p. 51)

In flashbacks wordt verteld van Ippies jongensleven op straat in Surabaya. Op een van zijn slentertochten komt hij voorbij de dierentuin in het zuiden van de stad. Het is aan het begin van de jaren dertig en achter de huizen langs de Reinierszboulevard is nog niet gebouwd. Ippie stroopt, net als mijn vader in zijn jongensjaren toen, met zijn vriendjes de velden af tot aan de kampongtuinen. Ze dragen wapens: zijn vriendjes een stuk bamboe en een katapult, hijzelf een arit, een grasmes, verboden bezit voor een jochie van tien. Op een dag gaat hij in zijn eentje het pisangbos in en opeens staat hij op het achtererf van een mijnheer met zwart haar (…) in pyjama op de gang voor de bijgebouwen. (p. 54) De man woont er met twee honden en noemt ze gatel en zó gelem (p. 55), wat zo ongeveer ‘geil als yoghurt’ betekent.

De eenzelvige Indo vertelt Ippie verhalen over gevechten tussen Javanen en Chinezen en laat met zijn geheimzinnige solitaire manier van leven diepe indruk op hem achter. Wanneer de jongen maanden later met zijn vriendjes speelt bij de rivier, vissen ze een bewegende zak uit het water. Er zitten vier kleine natte blinde hondjes in. De jongens nemen er elk een mee. Dat van Ippie blijft leven, de andere gaan dood. Later begrijpt Ippie pas hoe hondjes op de wereld komen. Nadat hij al wist hoe sommige die wereld weer verlaten:

Als er te veel hondjes waren in een nest, sloegen we er een paar dood, met een grote steen. We verdronken ze niet, piepend en spartelend in een zak die niet wilde zinken, zoals… zoals Oom James.(p. 58)

Nu, in Oom James’ portiekwoning, praten ze over vroeger, de bersiaptijd, de tijd die ligt tussen de Japanse capitulatie en de Indonesische vrijheidsstrijd, een periode waarin je niet wist wie je vriend en wie je vijand was. Oom James komt met een bekentenis die hij nooit eerder aan iemand deed: hij vertelt hoe hij een rampokker, een (Indonesische) plunderaar, vermoordde:

Oom James komt uit zijn stoel en geeft mij een teken op te staan. Voor ik het weet heeft hij mij te pakken, achterstevoren, met een arm om mijn nek.

‘Kijk, zó, Ippie (…) heb ik zijn nek gebroken. Ik heb er altijd naar verlangd om het weer te doen, niet als ik bij mijn verstand ben, maar in mijn nachtmerries. Daarom slaap ik hier op de sofa. Ik durf niet in mijn eigen bed. Om het weer te doen, om het weer te doen, Ippie, om het ongedaan te maken.’

Wat moet ik doen? Kan ik mij losmaken uit zijn dodelijke greep? Oom James is oud en broos, er is altijd een kans dat niet mijn nek, maar zijn oude botten breken. Maar nu draait hij mij de arm op de rug en de pijn begint door mijn schouder te scheuren. Ze staan we, hijgend en zwetend. God weet hoe dat af moet lopen. Dan hoor ik achter mij iemand schreeuwen: ‘Opaatje, wat doe je daar!’

Het is een jong meisje, Oom James’ nichtje Djelma. Zij en Ippie brengen de oude man op diens eigen verzoek naar zijn bed, het bed waar hij niet meer durfde te slapen. Daarna komen Ippie en Djelma elkaar nader. We gingen op de sofa liggen, tussen de blauwe kussens met oranje vogels. Ze was ‘gatel’ en ‘gelem’. Ik joeg in haar lijf naar genot, als een luwak in een kippenhok.

De altijd sluimerende geslachtsdrift bij de jongensachtige helden van F. van den Bosch wordt hier voor het eerst (en het laatst) in zijn oeuvre manifest in bijna pantoenachtige bewoordingen.

Een pantoen is een kort vierregelig Maleis versje dat in de krontjongmuziek wordt gezongen. Pantoens hebben een subtiele, vaak dubbelzinnige woordkeus. Het fragment van F. van den Bosch zou als volgt kunnen luiden:


Op de sofa, tussen kussens blauw met vogels
Is zij gatel en gelem
Ik jaag in haar lijf naar genot
Als een luwak in een kippenhok

Hier klinkt krontjongmuziek uit op. Dat is wat ik bedoel in de mini-biografie over de schrijver in mijn bloemlezing Oost-Indische inkt, wanneer ik de schrijver een hoog krontjong-gehalte in zijn teksten toedicht. Als klassieke pantoen zou deze wel elke subtiliteit ondubbelzinnig missen. De inclusie is wat moderner, die van de onervaren student die nog geen benul heeft van het minnespel. Of die van de Hollander die wars is van wat zweemt naar tantristische seks. Maar de Indische macho noemt zich ietwat verontschuldigend een luwak, een bunzing. Hij en het nichtje van Oom James vergaten de oude man in zijn beangstigende bed toen zij de oranje vogels op de blauwe kussens lieten vliegen op de thermiek van hun passie. En die nacht stierf Oom James.

De bundel wordt afgesloten met een nieuw verhaal over een bezoek aan Lapland, ditmaal zonder herinneringen aan Indië. Heeft F. van den Bosch zijn Indische verleden voorgoed achter zich gelaten? Het antwoord staat in zijn derde verhalenbundel.

*** De paginanummers in deze webversie verwijzen naar een licentie-uitgave van ECI, Vianen 1984; de 1e druk is bij Querido’s Uitgeverij B.V. 1983.

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer.