Over F. van den Bosch (1)

Het regenhuis en andere verhalen

Hij is geboren te Utrecht in 1922 en getogen in Baarn, waar zijn moeder les gaf aan het Baarns Lyceum. Daar, schreef hij me in een brief , in de tuin van het Lyceum, vlak achter ons huis, klom ik in de laag-vertakte dennebomen en brulde als een beer tegen de kinderen die om mij heen kwamen staan. Langs ons huis kwam de trein waarmee mijn vader naar zijn werk ging in Amsterdam. Soms ging hij ook naar Oostenrijk of naar Chamonix om de bergen te beklimmen. In de slaapkamer van mijn ouders was een hok met een schuifdeur en een koperen knip. Ik rustte niet vóór ik die knip open kon krijgen en de deur een klein eindje weg kon schuiven (het ging erg stroef), want in dat hok lag een grote stapel bergschoenen, pickels, klimijzers en rugzakken. Daar rommelde ik in, want, dacht ik: ‘Als ik verder en verder in deze hoop spullen kruip, kom ik uit in Chamonix waar vader is.’ De Alpentochten, die mijn vader ondernam toen hij zo in de twintig was, waren de prelude van zijn bergtochten in Indië (in het voetspoor van Junghuhn). En ook voor mij, bij nader inzien. Alleen, mijn ouwe heer liep, op z’n Europees, op spijkerschoenen, maar wij, in Indië opgegroeide kinderen, liepen op ked’s. KED was een Amerikaans merk tennisschoenen, wij noemden alle witte tennisschoenen ked’s.

Ik was vier toen we naar Indië gingen. Nog vóór we aan wal gingen had ik malaria. Mijn eerste jaren in Batavia was ik ongelukkig, lastig, jengelig en ziek. Daar word je Indisch van, weet je, want het gaat in je bloed zitten. Indië is voor mij in hoge mate wat je op foto’s en op de TV niet ziet: hitte, zweet, stof, stank, koorts en masturbatie. En ik leerde (Batavia’s) Maleis van de bedienden en Indisch van de kinderen op straat. Om de haverklap kreeg ik een uitbrander van mijn vader.

‘Praat niet zo Indisch!’

‘Ja, paatje.’

‘En zeg geen ‘pa’ tegen je vader als je ’t helpen kunt!’
(Want alle Indische kinderen zeiden ‘pa’, en dat was blijkbaar minderwaardig.)

Zo ging het jaren achtereen en de verhouding tot mijn vader werd problematisch. Ik begon te beseffen dat ik net zo’n dubieus jongetje was als Boelie en Boetie en Tjoh en Nono, de vriendjes van de straat met wie ik niet om mocht gaan.

Dit motief, met weglating van de vaderfiguur, vind je terug in Nom-de-guerre uit de bundel Het regenhuis en andere verhalen (Amsterdam: Querido, 1978). Het is een schelmenverhaal over twee jochies die in hun straatspel oog in oog komen te staan met vervaarlijke buaja’s uit de benedenstad maar ze weten te verjagen.

Buaja, hier in een van de oude Maleise spellingen, betekent letterlijk krokodil maar is ook een benaming voor jongens die op een of andere manier aan de rand van de samenleving staan. Buaja’s kunnen boosaardige vechtersbazen zijn, zoals Vincent Mahieu ze beschrijft in bijvoorbeeld Wharrrr-wharrrr-wharrrrr!. E. du Perron beschrijft ze als rondhangende zingende figuren met een gitaar om hun nek. In Gedong Lami uit Het land van herkomst zegt zijn moeder hem dat hij niet met die buaja’s mag spelen. Een van levendigste buaja’s uit de Indische letteren vind ik de figuur George, Tjrot genoemd, uit Toetie van Maria Dermoût. Deze, anders gespelde, boeaja is een aan lager wal geraakte Indo, maar hij gelooft nog in zijn gitaar en zijn muziek: de krontjong.

De buaja’s in F. van den Bosch’ Nom-de-guerre zijn eerder schavuiten in de belevingswereld van het jongetje dat de straat ontdekt. Met dit verhaal opent de schrijver zijn eerste verhalenbundel.`

Het bevat vier verhalen, die ogenschijnlijk onderling losjes verbonden. De schikking is chronologisch en geeft feitelijk de geschiedenis van een Indische jongen weer. In deze context geen Indo maar een jongen zonder een druppel Indisch bloed met evenwel zoveel soto in de aderen dat hij zijn land van aankomst bijna als zijn vader- of moederland is gaan beschouwen. F. van den Bosch geeft overigens zelden een beschrijving van het uiterlijk van zijn verhaalfiguren, het doet er voor hem kennelijk niet toe. Hij heeft het ook niet nodig, want de aard van zijn figuren is Indisch. De melodie van hun leven is bijna voortdurend tweestemmig: enerzijds is er het jongensachtig seksueel verlangen dat regelmatig de kop opsteekt, anderzijds is er de beleving in of de herinnering aan het voorbije Indië.

In Sarinah, de titel van een bekend Maleis liedje, wordt het leven geschetst in een Japans interneringskamp. Tamelijk onnadrukkelijk vergeleken met boeken uit de zogeheten kampliteratuur, want slechts eenmaal wordt een Japanner opgevoerd. F. van den Bosch beschrijft terloops het vage blauwe silhouet van het Idjèn-hoogland onder de wijde hemel. (p. 17) Ik moet dan denken aan mijn voorouders, die onder andere het Idjèn-plateau in cultuur brachten. Ze plantten er koffie, dat tegenwoordig in een supermarktketen wordt aangeboden onder de naam Gunung Blau.

Er speelt ook een klassiek tijgerverhaal in Sarinah, zo een dat mijn vader me vertelde bij de kolenkachel thuis in Den Haag. Aan de muur hing bij ons een schilderij van de Gunung Semeru, de vulkaan die een plaats kreeg in mijn roman Vogels rond een vrouw en ook door F. van den Bosch in Sarinah wordt herdacht, misschien als terloopse verwijzing naar het werk van Junghuhn.

De schrijver is opvallend expliciet in zijn tekening van Hein van Houten: een Indo. Er is ook een neef van Hein: Oom James. Onthouden die vent. Hier schept Oom James sajoer nog op de borden. Wat gebeurt er verder in het interneringskamp? Weinig. Iemand zingt een liedje, anderen zingen mee: Sarinah en Terang bulan.

Er was die nacht, zoals alle nachten, géén hoog gonzen van motoren in de lucht, géén alarm, géén bombardement van Banjuwangi achter de horizon, en in de onbekende désa aan de andere kant van de kali blafte geen hond. (p. 50)

Een oorlogsverhaal zonder oorlogstaferelen dus. Ik neig er toe te zeggen dat het typisch geen verhaal van de hand van een Indo is. Een Indo vertelt geen oorlogsverhaal zonder oorlogstaferelen. Is dat aantoonbaar? Ik denk het wel, maar ik volsta nu even met deze bewering.

Als ik een toptien moest samenstellen van de beste verhalen uit de wereldliteratuur, dan zette ik er Het regenhuis van F. van den Bosch bij. (Met Het veer van Simon Vestdijk, De reigers van João Guimarães Rosa en De danseres van Izu van Yasunari Kawabata, om u een indruk te geven.) De Japanse tijd is voorbij, de Indonesische vrijheidsstrijd is begonnen. Iemand, een (blank) kind van het land, probeert zich vast te klampen aan dat wat hij aanstonds voorgoed dreigt te zullen verliezen: een huis op vertrouwde Indische bodem. In een bijkans psychotische toestand probeert de hoofdpersoon nog iets van zijn oude toekomstdromen vast te houden: ik zal Manis het regenhuis laten zien. Dan zullen we er samen om lachen, en dan gaan we mangaan zoeken, of iets dat meer de moeite loont. Dan gaan we in Djember of Banjuwangi nieuwe kleren en gouden spelden kopen, handen vol, manden vol, geen erg dure natuurlijk, en dan sturen we Bung Karno een kaart met groeten van Leo en Manis. Onze kinderen kunnen warna negara worden en de palmbladeren zullen ritselen en glinsteren in het licht van de maan als zij oud zijn en aan hun kinderen vertellen dat hun vader diep in het oerwoud een paleis bezat. (p. 63-64)

Maar Indische kinderen zullen weldra niet meer geboren worden in het ontwakende Indonesië, en zeker niet uit Manis en Leo, die zich doodvecht in de maand augustus 1951, toen ikzelf aan de andere kant van de oceaan werd geboren.

De schrijver zelf verliet het land. Wat ik deed na aankomst in Holland? schreef hij me. Ik ging in Leiden studeren, d.i. lanterfanten, films kijken en naar Katwijk wandelen. Ook was ik altijd verliefd, steeds op de verkeerde. En na 1963 ging ik door met lanterfanten en verliefd zijn, verschrikkelijk. Ik werkte overigens aan de UB, later aan de Bibliotheek van de Vereeniging ter bevordering van de Belangen des Boekhandels (heb je dat?). Daar ging ik na verloop van tijd voor halve dagen werken, zodat ik nu moet leven van een half pensioen. Overigens verdeed ik mijn vrije dagen aan reizen naar Lapland en naar Indonesia, naar Amerika en Engeland en Ierland. (…) Mogelijk heeft Aya Zikken, een schoonzuster van mij, mij bij Reinold Kuipers van Querido geïntroduceerd. Reinold zette mij aan tot schrijven, waar het tenslotte moeizaam van kwam.

De hoofdpersoon uit het laatste verhaal van de bundel, getiteld Disponent Anderson, maakt een voettocht in het hoge Noorden, F. van den Bosch’ Lapland. Die zal daar wel niet op ked’s lopen. Het oerwoud in Indië is als het ware getransformeerd in een kil landschap met dennen, waar geen dier is te zien, alleen de elandenkeutels, die er bij honderden liggen. De ik-figuur heeft rijst en dèndèng bij zich, maar een van zijn metgezellen, genaamd Lafaille, die uit Indië komt, chocoladepudding. Ik krijg het koud van dit verhaal, dat voortkabbelt als W. F. Hermans’ roman Nooit meer slapen, een boek dat ik nooit heb kunnen uitlezen. Ik begin te gapen, totdat de ik-figuur, die ten onrechte aldoor Fred wordt genoemd, zich afvraagt: Wat is het eigenlijk dat ik op Linarave zoek? Wat heeft mij hierheen gebracht? Het toeval? (…) Of is het de lange ballingschap in Holland, de verborgen kracht van het heimwee naar Babu Suntjiani, naar mijn vriend Ted, naar een meisje van toen? (p. 102)

Ted heeft dezelfde bijnaam als het jeugdvriendinnetje in Jeroen Brouwers’ latere roman De zondvloed . Tikoes betekent muis en is hier, in het verhaal van F. van den Bosch, een jeugdvriend. De herinnering aan hem, die de oorlog niet overleefde, gaat over in een andere, waarin ze (de Europeanen) als gevangenen in de trein door omstanders langs de spoorlijn worden uitgejouwd. In die tijd liet ons dat gejoel onverschillig, omdat het mager klonk, omdat we wisten dat het was georganiseerd (…) Maar nu, na twintig jaren, hier op Linavare, vreet dat gejoel, als een latente, nooit genezende malaria, van binnen uit. Ik geloof dat ik zit te grienen op Linavares top. Het duurt lang voor ik ben uitgehuild. (p. 103)

Verdriet uit zich niet zelden plotseling op vreemde lokaties, plekken die de treurende geen wonden hebben gebracht. Hier plaatst het als het ware een punt achter Het regenhuis en andere verhalen, een transparant vierluik met een nostalgische trilling in het gezichtsveld van de lezer. Het jongensverhaal van een Indische jeugd, de verstoring van het idyllische leven door de Japanse bezetting, de teloorgang van de koloniale bezetter – zeg de bloedverwant van de hoofdpersoon – en tenslotte de herinnering, met de melodie van het verlies in het hoogste register.

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Yournael